Agenda   Steun SRW   Links   Contact   Intranet   Webshop   English   Nederlands  
Zoek
KenniscentrumMediaProfessor Vollenhoven




PROF. DR. D. H. TH. VOLLENHOVEN (1892-1978)

Dirk Hendrik Theodoor Vollenhoven werd als enige zoon van D. H. Vollenhoven en Catharina Pruys te Amsterdam op 1 november 1892 geboren in een gezin met vijf dochters. Toen Dik nog geen vier jaar oud was, overleed zijn moeder. Hij werd door oudere zussen en vanaf zijn zesde jaar door een tweede moeder opgevoed.
Hij bezocht het Gereformeerd Gymnasium aan de Keizersgracht in de tijd van gaslicht, koetsen en paardentram. Maatschappelijk was dat de tijd van emancipatie van de rooms-katholieken, de joden, de arbeiders en de gereformeerden. In dit verband had dr. A. Kuyper in 1880 de Vrije Universiteit gesticht, waar Dik zich in 1911 als student in de theologie en de letteren en wijsbegeerte liet inschrijven.
Hij had toen al de leiding van een kerkelijke commissie voor de stadszending op zich genomen. In de zomer van 1912 kwam een rapport over de evangelisatie in Amsterdam gereed, door Dik geschreven, en getypt door de secretaresse Hermina Maria Dooyeweerd. Dik had toen juist zijn propaedeutisch examen in de theologie behaald en kort nadat hij in september haar jongere broer Herman Dooyeweerd als VU-student ontgroende, vroeg hij haar. Zij verloofden zich op 13 maart 1913, terwijl tevens een band van vriendschap tussen Dik en de twee jaar jongere Herman, die rechten ging studeren, ontstond.
In maart 1914 werd Dik met enkele andere studenten stichter en redacteur van Opbouw, een maandblad van en voor christelijke jongeren om "door kunst en wetenschap te doen zien, dat 't met openbaring en religie, Bijbel en supranaturele wereldbeschouwing nog niet zo wanhopig staat als hun in materialistische kringen quasi-wetenschappelijke kringen nog wordt voorgehouden". In het eerste nummer daarvan schreven zowel Dik als Herman.
In november 1914, kort na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, werd Dik kandidaat in de theologie en daarna ging hij wekelijks ergens preken om intussen verder te kunnen studeren in de filosofie. Over de oorlog schrijft hij dan in Opbouw: "Zodra de Christen militair weet dat de strijd van de regering voor zijn land een onrechtvaardige is, d.w.z. voor God niet recht is, ziet hij zich op grond van Gods Woord ver- plicht zijn vaderland de dienst te weigeren. Eer niet; maar als deze wetenschap bij hem vaststaat dan mag hij ook geen dag langer deelnemen aan het doden, dat God in dit geval verbiedt. Van dienstweigeren in vredestijd is dus geen sprake en in geval van oorlog alleen onder zeer bepaalde omstandigheden."

Filosofie-studie
Dik Vollenhoven trad al jong met een eigen standpunt op. Ook in de filosofie zou dat spoedig blijken. De emancipator Kuyper had Christus' koningschap over alle terreinen van het leven geproclameerd maar er was aan de Vrije Universiteit nog geen radicaal christelijke wijsbegeerte ontstaan. Kuyper en Bavinck leerden een theistisch realisme, Anema sprak van een transcendentaal realisme, Geesink introduceerde het kritische denken van Kant, J. Woltjer, die klassieke talen doceerde, vroeg belangstelling voor de moderne natuurwetenschappen van Lorentz, Van der Waals en Einstein. Daar kwam de Medicus L. Bouman bij, die de verhouding lichaam en ziel bij gestoorde mensen bestudeerde, en lector F.J.J. Buytendijk, die het psychische aspect bij dieren onderzocht.
Aan deze universiteit met 130 studenten en 14 docenten ging Dik filosofie studeren met het doel om het christelijk geloof in de wijsbegeerte gestalte te geven. Met zijn promotor J. Woltjer werd als onderwerp gekozen "de invloed der wijsbegeerte op de nieuwste vertegenwoordigers der wiskunde en natuurwetenschappen", en Dik wilde dat onderwerp behandelen vanaf de Griekse oudheid vanuit theïstisch standpunt. In zijn dissertatie en ook in de redactie van Opbouw koos hij voor een radicaal en progressief gereformeerd zijn. Maar hij wist toen nog niet wat dat inhield voor de wijsbegeerte.
In juli 1917 overleden een week na elkaar zijn vader en zijn promotor. Op aanraden van Bavinck beperkte Dik daarop zijn proefschrift tot de wiskunde. Geesink was zijn promotor toen hij op 27 september 1918 promoveerde op het onderwerp De wijsbegeerte der wiskunde van theïstisch standpunt. Veertien dagen later trouwde hij met Mien Dooyeweerd en toen in november van dat jaar Duitsland instortte en de bolsjewistische revolutie in Rusland doorbrak, was hij predikant te Oost- kapelle in Zeeland geworden.
Vollenhoven nam in zijn proefschrift een standpunt in dat poogde theïsme, realisme en neo-kantianisme met elkaar te verbinden. Hij poogde toen al de lijnen in de gehele geschiedenis der wijsbegeerte te ontdekken en hij was op zoek naar een criterium voor de verschillende wetenschappen: reken- kunde, meetkunde, bewegingsleer, fysica, biologie, psychologie, esthetica en ethica. Ook keerde hij zich sinds 1919 tegen het primaat van de ken-theorie, al bleef hij tot 1926 over de logos schrijven.

Samenwerking met Dooyeweerd
Nadat zijn schoonvader op 5 september 1919 was overleden, kwam met Kerst zijn schoonmoeder met haar zoon Herman in de pastorie logeren. Dr. H. Dooyeweerd was toen besloten tot de studie der wijsbegeerte en wilde met zijn zwager daarover spreken. De volgende kerstvakantie had Dooyeweerd geen tijd om nogmaals te komen, maar kort daarop kreeg Vollenhoven een beroep naar Den Haag, waar zijn gezin op 21 mei 1921 dicht bij de vrijgezel Dooyeweerd kwam te wonen. Hun verdere leven zouden ze steeds niet ver van elkaar wonen. In Den Haag is toen in 1921 en 1922 door beiden de grondslag gelegd voor de reformatorische wijsbegeerte, door Dooyeweerd de wijsbegeerte der wetsidee genoemd, terwijl Vollenhoven sprak over Calvinistische wijsbegeerte.

Hoogleraar
In 1926 werden beide zwagers tot hoogleraar aan de VU benoemd. Dooyeweerd om de wijsbegeerte van het recht in de juridische faculteit te doceren en Vollenhoven om de inleiding van de wijsbegeerte aan alle eerstejaars studenten en de systematiek en geschiedenis ervan aan de studenten in de letteren en wijsbegeerte te geven. Daarnaast moest hij de grondslagen van de psychologie doceren. Terwijl men de psychologie nog als zielkunde opvatte, leerde Vollenhoven dat het vakwetenschap van het gevoelsaspect was.
En terwijl de gangbare wijsbegeerte van de mens uitging, om als subject de wereld te objectiveren, wees hij dit uitgangspunt af. En daarmee tevens het bekende: "ik denk, dus ben ik" van Descartes. Hij ging ook in zijn filosofie van God uit, die de gehele schepping door zijn woord en wet schept en in stand houdt. Filosofisch uitgedrukt ging hij ervan uit dat God IS, zijn wet over geheel de kosmos geldt en dat de mens en kosmos daaraan onderworpen zijn. Het "zijn" van God is souverein, het zijn van de wet is gelding en het zijn van de mens en de kosmos is onderworpen zijn. Het uitgangspunt is dus niet: "ik, die de wereld aan mijn denken en handelen onderwerp", maar het behoren tot een geschapen en gestructureerde werkelijkheid. Daarbij zijn in die kosmos het belangrijkste de rijken van de dingen, planten, dieren en mensen, die allen overeenkomstig hun aard, en de mensen ook overeenkomstig hun levensopdracht, functioneren.
De mens kan daarbij goed en fout functioneren omdat de wet voor de mens het karakter van norm heeft en de mens tot God in een verbondsrelatie staat.
Vollenhoven had een superieur intellect, maar hij doceerde niet boeiend. Hij boeide door zijn inzichten, door zijn eenvoud en ongecompliceerde menselijkheid, zodat hij bij de studenten zeer geliefd was.
Hij spande zich voor de studenten in toen ze een betere verstandhouding met de reünisten wensten. Vollenhoven hielp bij het totstandkomen van de Reünisten-Organisatie van het VU- corps en hij werd in 1927 daarvan de eerste voorzitter. Hij zou dat blijven tot hij in 1948 de leiding aan zijn leerling prof. dr. S. U. Zuidema kon overdragen. Tijdens het 50-jarig bestaan van de VU in 1930 maakten de studenten Vollenhoven tot erelid van het VU-corps. Hij was het jongste erelid en nog pas vier jaar hoogleraar, maar een varium in de almanak meldde: "Wien de goden liefhebben, nemen ze vroeg tot zich." Vollenhoven werd toen door de studenten gevierd omdat hij hen wat nieuws te zeggen had dat voor hun leven en studie van belang was. Op dat jubileum werd in toneel en lied veel aandacht aan de nieuwe wijsbegeerte van Vollenhoven en Dooyeweerd gegeven. De studenten begrepen heel goed dat het gangbare wereldbeeld van de scholastieke en van de humanistische filosofie tot in de grondvesten werd hervormd, zoals het lied "Vaarwel mijn lieflijk wereldbeeld" aangaf, waaruit ik slechts een enkel zinnetje citeer:

Dik Vollenhoven liquideert
ten overstaan van Dooyeweerd,
lief wereldbeeld vaarwel!
Reformator der wijsbegeerte

In het jaar dat Vollenhoven voor de eerste keer rector magnificus van de VU was, kwam zijn boek uit: Het Calvinisme en de Reformatie van de Wijsbegeerte (1933). Dit boek bevatte de grondmotieven van een bijbelse wijsbegeerte en de geschiedenis van de Christelijke wijsbegeerte van het begin de Evangelieprediking tot het einde van de Middeleeuwen als de geschiedenis van de synthese van bijbels denken met vooral de Griekse filosofie. Door de bijbelse grondmotieven te contrasteren met synthetisch denken stelde Vollenhoven de reformatie van de wijsbegeerte aan de orde, niet als een correctie maar als een radicale zaak.
In diezelfde tijd schreef Vollenhoven elke maand een artikel in het dagblad De Standaard, waarin hij vooral de gnostiek behandelde als een wortel van het nationaal-socialisme, dat met Hitler in Duitsland aan de macht was gekomen. Als voorzitter van de Reünisten-Organisatie was hij tevens adviseur van de Calvinistische Studenten Beweging. Tegelijk hield hij contact met de werknemersorganisaties CNV en Patrimonium, waarvoor hij jaarlijks kadercursussen gaf. Door al die activiteiten vond Vollenhoven veel gehoor bij de jongere theologen en ontstond er een nieuwe inspiratieve beweging in een tijd van diepe economische crisis en toenemende fascistische dreiging.
Toen daarop in 1935 Dooyeweerd met de publicatie van De Wijsbegeerte der Wetsidee begon, nam Vollenhoven het initiatief tot een eigen vereniging. Op het C.S.B.-congres te Lunteren werd op 5 september 1935 tot de oprichting daarvan besloten en op 14 december 1935 werd te Amersfoort de 'Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte' tot stand gebracht. Daarvan zou Vollenhoven 27 jaar lang de voorzitter zijn.

Tegenstand
Door de oprichting van deze vereniging werd de invloed van Vollenhoven in de Gereformeerde Kerken zo groot dat de theologen van de VU hem gingen bestrijden. Met name de hoogleraren H. H. Kuyper, V. Hepp en J. Waterink, die het onderling allerminst met elkaar eens waren, bestreden Vollenhoven door klachten over zijn leerlingen, een actie onder de predikanten, beschuldigingen op de synode en een aanklacht bij de VU-curatoren. Hepp schreef, vooral tegen Vollenhoven, een serie brochures getiteld Dreigende Deformatie en de 70-jarige Kuyper verklaarde dat hij deze richting zolang hij nog kon, zou bestrijden.
Prof. dr. K. Schilder, die al langer tegen Kuyper, Hepp en Waterink polemiseerde, begon daarop in De Reformatie Vollenhoven te verdedigen. Dat leidde tot jaren-durende heftige polemieken, waaraan Vollenhoven niet meedeed omdat hij slechts positief wilde werken. Maar de synode benoemde in 1936 zowel Schilder als Vollenhoven en hun tegenstanders in een commissie over de aan de orde gestelde leergeschillen. Van die tijd af werkten Vollenhoven en Schilder nauw samen en toen Schilder zich in de Tweede Wereldoorlog voor de bezetter moest verbergen, nam Vollenhoven de leiding op zich van de bezwaarden tegen de synode-uitspraken, en later van alle bezwaarden tegen de schorsing van Schilder. Maar na de afzetting van Schilder kon Vollenhoven niet meegaan met een kerkelijke breuk. Het grote verdriet om de breuk was bij Vollenhoven onvermengd met een gevoel van opluchting, toen de beslissing was gevallen. Vollenhoven heeft eerst geleden onder de tegenstand van zijn theologische collega's en daarna onder de breuk in de kerken, die ook een breuk in de reformatorische beweging ten gevolge heeft gehad.

Verbreding van invloed
Na de oorlog stelde Vollenhoven in de vereniging de 'Stichting voor Bijzondere Leerstoelen voor Calvinistische Wijsbegeerte aan Openbare Universiteiten en Hogescholen' aan de orde. Ook daarvan werd hij de eerste voorzitter en dat bleef hij dertien jaar. Hij benoemde de eerste vier hoogleraren van deze stichting, namelijk S. U. Zuidema, J. P. A. Mekkes, K. J. Popma en H. van Riessen. Het werk van de stichting was al voorbereid doordat Vollenhoven en Dooyeweerd vele malen voor de C.S.B. en ook aan de openbare universiteiten in het kader van het studium generale waren opgetreden. Daarbij kwam dat Vollenhoven in de oorlog voorzitter was geworden van de 'Algemene Nederlandse Vereniging voor Wijsbegeerte' en als zodanig vele contacten onderhield. De stichting, die nu de 'Stichting voor Reformatorische Wijsbegeerte' heet, liet Vollenhoven van de vereniging uitgaan, zodat de stichting aan de vereniging ondergeschikt was en in de jaarvergadering verslag deed.

Geschiedenis der Wijsbegeerte
In 1950 verscheen van Vollenhoven de eerste band van zijn Geschiedenis der Wijsbegeerte, 618 bladzijden dik. Hij hoopte "de zakelijke orde van al die themata en problemen der wijsbegeerte op het spoor te komen, welke in de loop der eeuwen ook op het West-Europese denken invloed hadden verkregen". Zijn ideaal was "geheel het aanvankelijk zo onoverzichtelijke labyrint van wijsgerige concepties in kaart te brengen'
Dit eerste deel ging over de Griekse filosofie voor Plato en Aristoteles, die in een tweede deel behandeld zouden worden. Maar hij kon geen verdere subsidie van Z.W.O. en geen assistent van de VU krijgen om direct met deel II door te gaan. En het uitstel bracht verdere studie en verdiept inzicht mee, zodat men voor het vervolg op college-verslagen, dictaten en artikelen is aangewezen. Met name door tegenstand van collega's in de klassieke talen bleef deze groots opgezette geschiedenis tot deel I beperkt.
De honderden artikelen over wijsbegeerte, die in Oosthoek's Encyclopedie van 1949 tot 1964 verschenen, geven beknopt weer wat Vollenhoven in werken van andere auteurs miste: een karakterisering van elke denker naar type van denken en de tijdstroming waartoe deze behoorde. Daarbij hanteerde hij een eigen terminologie, zodat men om hem te begrijpen zich eerst die terminologie eigen moet maken.

Buitenlandse leerlingen
Reeds in 1922 was de Zuidafrikaanse student H. G. Stoker bij Vollenhoven in Den Haag gekomen voor een studieadvies. En toen Vollenhoven zijn proefschrift over Das Gewissen in 1926 besprak, schreef Stoker hem: "Uwe recensie is voor mijn verdere studie 'n bezondere aanmoediging en ik hoop dan ook mijn verder leven te mogen geven aan 'n echt Kalvinistiese wetenschaps- en wereldbeschouwing." In 1962/63 vond een uitwisseling plaats, Stoker doceerde eerst aan de VU en Vollenhoven gaf daarna een serie colleges in Potchefstroom, Pretoria en Bloemfontein.
Van hen die bij Vollenhoven promoveerden, kwam J. D. L. Taljaard uit Zuid-Afrika, terwijl H. E. Runner en C. G. Seerveld uit Amerika kwamen. Het was vooral Runner, die de wijsbegeerte van Vollenhoven en Dooyeweerd in Amerika introduceerde. Hij nam in overleg met Vollenhoven het initiatief tot het 'Institute for Christian Studies' te Toronto, waarmee de VU samenwerkt.
In 1961 bezocht Vollenhoven met zijn vrouw Grand Rapids en een conferentie nabij Toronto om de contacten met zijn Amerikaanse en Canadese leerlingen te versterken.

Laatste jaren
Na zijn emeritaat in 1963 heeft Vollenhoven nog vele jaren colleges gegeven voor belangstellende leerlingen. In die laatste jaren gaf hij nog telkens nieuwe inzichten door, waarbij hij vooral inzake de tijd en geschiedenis, wet en werkelijkheid en inzake aspecten en functies, van verschil met Dooyeweerd blijk gaf. En zoals reeds in zijn dissertatie legde hij telkens verband tussen hedendaagse inzichten en de wortels in de Griekse filosofie. Het leven van deze filosoof en geleerde was niet romantisch, groots en meeslepend, maar als reformator heeft Vollenhoven ons anders leren denken, ons wereldbeeld werd gewijzigd en als leermeester leerde hij scherp onderscheiden. Hij peilde de diepste vragen van leven en religie en bracht deze in een heldere eenvoud onder woorden. Vollenhoven is een wijsgeer geweest, die we opnieuw moeten ontdekken.

Door dr. ir. J. Stellingwerff

 


Nieuws 

Lesmodule Nanotechnologie gratis beschikbaar
De lesmodule 'Mag wat kan?' kan nu worden gedownload van deze site. Klik hier om naar de downloads te gaan. 


Nieuwe website SRW gelanceerd
Het SRW heeft een nieuwe website gelanceerd, in het kader van haar project 'Interreligieuze Dialoog Nanotechnologie. Klik hier om naar de site te gaan. 


Emeritus hoogleraar Jan Dengerink overleden

Met droefheid heeft de Stichting kennis genomen van het overlijden van prof. dr. Jan Dengerink.

 
lees verder

Nanopodium

De SRW heeft door Nanopodium maar liefst 3 projecten toegekend gekregen. Klik hier voor meer informatie over de projecten.