>>
home
>>
agenda
>>
netschrift
>>
bijdragen
NOTITIE
VOOR HET BREED BERAAD VAN DE VERENIGING VOOR REFORMATORISCHE WIJSBEGEERTE
OP 29 SEPTEMBER 2000
door J.D. Dengerink
- Elke menselijke activiteit vindt plaats in en maakt deel uit van de al of niet als zodanig onderkende en erkende, schepping in haar zinvolle verscheidenheid en samenhang. Zij is blijvend afhankelijke van het scheppingswoord, dat niet alleen de oorsprong is van alles wat bestaat, maar ook de moederschoot waarin alles tot ontwikkeling komt. Zo verstaan is elke menselijke activiteit religieus van aard (W.d.W., I, 6, eerste volle alinea)
Vragen: wat verstaat Geertsema onder ‘religieus’, wanneer hij, met een negatieve ondertoon, de visie van Mekkes en ondergetekende op de modaliteiten aanduidt als ‘bijna religieus’? In correspondentie met ondergetekende heeft Griffioen hierover opgemerkt dat als Geertsema zegt dat iets religieus functioneert, een goed verstaander kan weten, dat hij hier religie in pregnante zin bedoelt, en niet wil afdoen aan de brede en diepe betekenis van religie als ‘all of life is religion’. Dan rijst de vraag, wat religie in pregnante zin is, in onderscheiding van blijkbaar de alledaagse religie.
- De schepping is, ondanks alle mogelijke schijn van het tegendeel, een in alle opzichten geordende werkelijkheid. Overal wordt men geconfronteerd met een alles omvattende en bepalende wetsorde. Alles wat bestaat draagt derhalve een wetmatig karakter en kan derhalve niet in zijn volle zin worden verstaan los van de scheppingswetten en van zijn eigen wetmatigheid.
- In de schepping doet God Zich kennen in onder meer zijn trouw, liefde, gerechtigheid, heerlijkheid, wijsheid, kracht. Deze houden met elkaar ook een oproep aan de mens in om dienovereenkomstig te leven. Elke activiteit van de mens is een typische, door de wet bepaalde ontsluiting van mogelijkheden, die in de schepping gegeven zijn.
- In de wetenschap, zo ook in de wijsbegeerte, gaat het om verwerven van verdiepte kennis van en inzicht in de wonderlijke en ten diepste on-door-grondelijke, ge-geven werkelijkheid, haar opbouw en functioneren. Daarin om de grondcomponenten waaruit zij is samengesteld, waarin zij bestaat, en de wijze waarop deze gestalte verkrijgen in individuele gegevens. Uiteindelijk om de wetten, die daarvoor gelden, te verwoorden in wetenschappelijke theorieën, die zowel in de wetenschap als daarbuiten spelen. Theorieën zijn in deze gedachtegang derhalve door mensen ontwikkelde en als zodanig feilbare ideeën, die een verwijzing inhouden naar wetten, die in het scheppingswoord besloten liggen. Daaraan ontleent ook de benaming ‘wijsbegeerte der wetsidee’ haar zin.
- De wetenschap heeft, versneld in de laatste eeuwen, een geweldige ontwikkeling doorgemaakt, waarvan wij de vruchten plukken. Er zijn daaraan echter ook soms zeer bedenkelijke kanten te ontdekken. Dit als resultaat van het feit, dat ook zij zich niet heeft kunnen onttrekken aan de kikwijls desastreuze gevolgen van dat centrale gebeuren in de wereldgeschiedenis, t.w. de zondeval. Dit uit zich, heel kort gezegd, in een vergaand verarmde visie op de werkelijkheid, of door het centrale punt voor alles wat bestaat te zoeken in één of enkele verabsoluteerde gegevens in de schepping, of door heil te zoeken in een postmodern fragmentarisme. We mogen echter weten, dat God zijn schepping niet opgeeft, maar daarmee een nieuw begin heeft gemaakt, door Christus als zijn Messias, zijn Verlosser te zenden, in Hem zowel zijn Koninkrijk te bevestigen (Uwer is het Koninkrijk!) als te doen komen (Uw koninkrijk kome!). In Hem en als zijn navolgers worden ook wij geroepen een radicaal nieuw begin te maken, door ons te bepalen bij de eigenlijke zin van de wereld en van ons bestaan daarin.
- Het onder 5. gestelde heeft ook zijn directe betekenis voor ons, als christenen, in de wetenschap. Daarin gaat het ook, maar niet primair, om een zogenaamd christelijke levenshouding, zoals Hoogland stelt, maar om een radicale vernieuwing van ons wetenschappelijk denken, door de ramen weer wijd open te zetten voor dat wat zich in grote verscheidenheid en innerlijke samenhang in de schepping voltrekt. Daarin hebben de algemene filosofen en de vakfilosofen in onderling verband een centrale rol te vervullen. Dooyeweerd heeft daaraan wijsgerige uitwerking gegeven in zijn theorie van de modaliteiten en individualiteitsstructuren. Gedreven door wat hij heeft genoemd het grondmotief van de christelijke religie, dat van schepping, zondeval en verlossing. Daarin gaat het niet, zoals Hoogland stelt, om levensvreemde constructies, maar om een grondige poging tot een wetenschappelijke verantwoording van wat hij aanduidde als standen van zaken. Het gaat daarin om een wetenschappelijke analyse van de bovenwillekeurige structuren/orde van de werkelijkheid. Dit in de vooronderstelling, dat de scheppingsorde ook na de zondeval zijn gelding en al wat zich daaronder afspeelt, hoe ook misvormd, zijn wetmatige structuur heeft behouden.
- Zonder zich een, uiteraard corrigeerbare structuuranalyse eigen gemaakt te hebben is het niet mogelijk te komen tot een zinvolle, doelgerichte, verhelderende en vruchtbare
- dialoog met de wijsgeren van alle tijden;
- kritische beoordeling van culturen;
- kritische analyse van het functioneren van de samenleving in onderscheiden verschijningsvormen en innerlijke samenhang;
- kritische analyse van het functioneren van de mens in zijn verscheidenheid van vermogens in hun onderlinge samenhang.
- Het voorgaande houdt in, dat binnen de wijsbegeerte plaats is voor onderscheiden terreinen van onderzoek, alsook dat deze onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn. Dit is geen probleem voor hen die, daarin ondersteund door een rijke, wijsgerige traditie, weet hebben van zinverscheidenheid, -samenhang en –volheid. Dit heeft ook zijn betekenis voor de kijk op de taak van de Vereniging. De Vereniging is wat anders en meer dan, zoals Geertsema stelt, ‘een grote familie, onderling sterk verwant, met veel overeenkomst, maar ook met grote verschillen.’ Hij beroept zich daartoe op de geschiedenis: reeds de twee geestelijke vaders waren sterk verwant, maar verschillend. Dan rijst de vraag, hoever de spankracht binnen de Vereniging gaat, nu zich binnen haar vrij grondige tegenstellingen voordoen. Moeten deze soms alle worden toegedekt onder de vlag met het in zichzelf nietszeggende logo ‘reformatorisch’?
Probleem is, dat Geertsema de feitelijke ontwikkeling binnen de Vereniging tot norm maakt en niet uitgaat van de eigen opdracht voor de wijsgeren om, in alle verscheidenheid elkaar bevragend, uitdagend, corrigerend en ondersteunend, met elkaar de wondere werken van Gods schepping na te speuren. Toch zal de Vereniging, alleen door deze weg te gaan, in de wijsbegeerte en, in ruimer zin, in de wetenschappen, alsook in de samenleving in breder zin een zoutend zout kunnen zijn, en tegenover de ontbindende krachten van het postmoderne fragmentarisme en allerlei vormen van absolutisme (en reductionisme), in navolging van Christus en onder zijn leiding, een bijdrage kunnen geven aan de heelheid van de schepping. Dit vraagt om een duidelijke door het scheppingsmotief geinspireerde visie op de werkelijkheid en een daarmee direct verbonden, duidelijke doelgerichtheid.
Driebergen, 27 juni 2000
Alle teksten op deze site © copyright Stichting voor Reformatorische Wijsbegeerte.