>> home >> agenda >> netschrift >> bijdragen

CHRISTELIJKE WIJSBEGEERTE?

door prof. dr. J.D. Dengerink

Emeritus hoogleraar reformatorische wijsbegeerte in Utrecht en Groningen

Voor menigeen in de kring, waaruit het blad Beweging zijn lezers trekt, zal deze vraag een retorische zijn. Toch is het zinnig hem op­nieuw te stellen, gelet op ontwikkelingen die in de beweging van de Reformatorische Wijsbegeerte plaatsvinden.(1) Ik denk aan een uitspraak van Hoogland in een lezing voor enkele christelijke studentenverenigingen in Gro­ningen: 'christenen moeten hun pogingen opgeven om te komen tot een eigen christelijke wetenschapsbeoefening. Zij dienen hun fixatie op funderingsvragen te verliezen. Daarentegen moeten zij eerder streven naar een christelijke houding, een christelijke stijl van wetenschapsbeoefening. Een eerlijke manier van citeren, van fondsenwerving, van discussiëren en van wedijve­ren.'(2) Daarmee komt ook de idee van de christelijke wijsbe­geerte als wetenschappelijke discipline in het schootsveld te liggen.

Om tot een positiebepaling in deze te komen, wil ik enkele stellingen formuleren, die volgens mij het uitgangspunt vormen voor elke christelijke wijsbegeerte.

Uitgangspunten

  1. De werkelijkheid is in al haar geledingen, zowel voor haar ontstaan als voortbestaan, volstrekt afhankelijk van Gods scheppingswoord. Zij leeft bij voortduur op de adem van Zijn geest. Alles in haar wijst naar Hem. Als zodanig is zij door en door religieus van aard. Dooyeweerd heeft deze stand van za­ken wijsgerig aangeduid met het woord zin.(3)

  2. De werkelijkheid is, ondanks de mogelijke schijn van het te­gendeel, een volop geordende werkelijkheid. Zij heeft een wetmatig karakter.

  3. Het menselijk handelen is, al of niet als zodanig onderkend en erkend, een positief of negatief antwoord op de oproep, die in de vorm van wetten in Gods scheppingswoord besloten ligt.

  4. Het wetenschappelijk bezig zijn en het ontwikkelen van theorieën inzake de werkelijkheid in haar grote structurele verscheidenheid voltrekt zich niet in een betrekkelijk isolement, maar temidden van en in samenhang met alle andere activiteiten van de mens. Het heeft daar niet alleen zichzelf te dienen - wetenschap om de wetenschap -, maar in zijn resu1taten ook de andere sectoren van de samenleving.
Het eigene van de wetenschap

De eigen aard en taak van het wetenschappelijk onderzoek kunnen we als volgt omschrijven: het via zorgvuldige analyse verdiepen van inzicht in de opbouw en wijze van functioneren van de werkelijkheid, het opbouwen van kennis daaromtrent, naast en in samenhang met andere vormen van kennisverwerving.

Ten aanzien van deze taak laat Hoogland een waarschuwing horen tegen systeembouw: ' in Dooyeweerds tijd kon dat nog, voor ons besef zijn dergelijke systemen echter al gauw wereldvreemde con­structies. In vergelijking met Dooyeweerd weet ik bijvoorbeeld heel weinig van de vakwetenschappen. De wetenschap is uiteengevallen in specialismen en niemand kan nog het overzicht bewaren. Steeds meer worden we geconfronteerd met de onvoorziene en dikwijls ook onherstelbare effecten van het beheersingsvermogen van de Verlichting. Steeds meer lopen we tegen de ervaring aan dat we de werkelijkheid niet zo gemakkelijk naar onze hand kunnen zetten.' (4)

Met het laatste kunnen we van harte instemmen. We hebben de werkelijkheid niet in onze hand, maar zijn daarin met onze volle persoonlijkheid opgenomen. Ons gehele bestaan ligt besloten in Gods hand, dit is zijn scheppingswoord.

Altijd is er het risico, dat we in een vlaag van eigenwaan proberen met de werkelijkheid aan de haal te gaan, om deze in onze greep te krijgen. Dooyeweerd heeft evenwel nooit tot doel gehad het bouwen van een eigenstandig systeem, maar het ontdekken van een orde, welke niet het product is van menselijk handelen, maar die besloten ligt in Gods schepping. Dit zal ook onze weg moeten zijn, in de overtuiging dat ook de beoefening van de wetenschap zelf ordelijk moet verlopen en systematisch moet zijn.

De vraag is, of Hoogland in zijn reactie tegen systeembouw zelf niet de gevangene dreigt te worden van het fragmentarisme in het postmoderne denken. Elke vakwetenschap vraagt om concentratie op een bepaalde structuur of een aspect van de werkelijkheid. Concentratie is echter wat anders dan op zichzelf stellen. Het laatste doet tekort aan het eigen veld van onderzoek. Alle structuren en aspecten zijn gekenmerkt door eigenheid. Maar geen ervan kan op zichzelf bestaan. Zij vooronderstellen elkaar. Er is sprake van een onverbrekelijke (zin-)samenhang. Dit drukt zich ook uit in hun innerlijke opbouw.

Alle vakwetenschappen zijn dientengevolge structureel met elkaar verbonden. Om blijvend zinvol bezig te zijn hebben zij elkaar nodig en hebben zij elkaar tot een hand en een voet te zijn. Alle vakwetenschappelijk denken voltrekt zich binnen de schepping en is in die zin volop contextueel bepaald. Elke vakwetenschap vraagt dan ook, zowel naar binnen als naar buiten toe, om waarachtige gemeenschapszin. En daarmee bedoel ik meer dan een bepaalde gezindheid of een stijl of houding in de door Hoogland aangegeven betekenis. Het gaat om een sterk bewustzijn, dat we alleen gezamenlijk verder kunnen komen op de vaak moeizame, maar dikwijls ook verrassende en vreugdevolle weg van het wetenschappelijk onderzoek.

Taak van de wijsbegeerte

Hoe zien we de wijsbegeerte en wat mogen van haar verwachten? Hoogland laat in onderscheiden publicaties blijken, dat hij diep overtuigd is van de doorwerking van levens- en wereldbeschouwingen in het wetenschappelijk denken. Hij beschouwt het levensbeschouwelijke als een structureel gegeven in de menselijke persoonlijkheid.(5) Maar dan rijst de vraag, hoe dit gegeven doorwerkt en hoe het valt ontdekken.

We zagen dat Hoogland afstand neemt van elke vorm van systemati­sche wijsbegeerte. Dit blijkt ook uit het slot van zijn inaugurele rede als bijzonder hoogleraar aan de Technische Universiteit in Twente in 1998. Daar geeft hij te kennen, dat hij de reflectie op de techniek als zijn hoofdtaak ziet. Hij wijst op de empirische wending, die de techniekfilosofie in de faculteit wijsbe­geerte van de Technische Universiteit heeft ondergaan: 'deze wending .... is er op gericht de techniekfilosofie meer relevant te maken voor de reflectie op actuele ontwikkelingen. In plaats van een algemeen cultuurfilosofische beoordeling van de plaats van de techniek in onze hedendaagse wereld, richt men zich op onderzoek naar concrete en maatschappelijke vragen rond technologie. Ik beschouw deze ontwikkeling als een welkome correctie op de filosofie van de techniek, ook zoals zij binnen de reformatorische wijsbegeerte beoefend wordt. Dit zou wellicht een bijdrage kunnen leveren aan het doorbreken van een al te eenzijdige fixatie binnen de reformatorische wijsbegeerte op een algemeen cultuurfilosofisch type van filosoferen.

En zij daagt uit tot het vertalen van levensbeschouwelijke gezichtspunten in concrete beleidsalternatieven en het zichtbaar maken van verborgen keuzen in concrete ontwikkelingen.'(6)
Maar dan rijst de vraag: is Hoogland niet bezig zich eenzijdig te fixeren op het levensbeschouwelijke? En maakt hij zich niet te gemakkelijk af van een andere typisch wijsgerige taak, te weten de wetenschappelijke analyse van de normatief bepaalde structuur van het typisch technisch gekwalificeerde handelen van de mens en de producten daarvan en van de techniek als onmisbaar aspect van de niet-technisch gekwalificeerde activiteiten van de mens?

Hoogland beseft blijkbaar niet, dat zonder een mede door de wijsbegeerte verdiept inzicht in de techniek een beoordeling van de ontsluitende of toesluitende inwerking van bepaalde levens- en wereldbeschouwingen op de technische ontwikkelingen en de gevolgen daarvan voor de samenleving en de natuur onmogelijk is. Evenmin beseft hij blijkbaar, dat zonder zulk een inzicht het niet mogelijk is tot de ontwikkeling van de door hem beoogde alterna­tieve beleidslijnen te komen en men onvermijdelijk vervalt in ad-hoc discussies en oplossingen.

In feite zegt Hoogland vaarwel tegen de christelijk-wijsgerige traditie, waarvoor Dooyeweerd en Vollenhoven de grondslagen hebben gelegd en waarop onder meer Mekkes, Popma, Van Riessen, Stafleu, Troost en Verburg, ieder op eigen wijze, hebben voortgebouwd. In deze traditie, die natuurlijk niet feilloos is, ligt een rijk kapitaal opgeslagen. Een kapitaal, dat met de vereiste kritische zin vruchtbaar is te maken voor een verdere ontwikkeling, niet alleen in de wetenschap, maar ook voor het menselijk bestaan in de niet-wetenschappelijke sectoren van de samenleving. Enkele hoofdgegevens daarin zijn:

I. Dooyeweerds beschouwingen over de modaliteiten. Geertsema merkt, in reactie op gedachten van Mekkes en ondergetekende, op dat deze als theorie abstract blijven en niet als een geloofsstuk mogen worden gezien.(7) Dit komt als een geforceerde tegenstelling over. Immers - ook Geertsema laat zich in deze geest uit - is alle wetenschappelijk theoretiseren blijft een concrete, menselijke activiteit, naast andere. De mens is daarbij met zijn volle persoonlijkheid betrokken, dit is met al zijn bewustzijnsfuncties, inclusief zijn gelovig bewustzijn, en zijn diepste re­ligieuze motieven. Dit theoretiseren voltrekt zich binnen de gegeven werkelijkheid, in onverbrekelijke verbondenheid daarmee.

Het theoretiseren levert geen pure abstracties op, maar eigensoortige, concrete producten, die mee-functioneren in het ge­heel van het menselijk bestaan. Deze zijn machtige instrumenten in de handen van mensen, door middel waarvan de ontwikkeling van de samenleving en de natuur in sterke mate wordt beïnvloed. Zij zijn één van de middelen om de mogelijkheden die in de schepping liggen te ontdekken en te ontsluiten.

In dit verband is van belang te constateren, dat Dooyeweerd niet eerst op basis van een intensief wetenschappelijk onderzoek tot de ontdekking van het bestaan van modaliteiten is gekomen. Naar eigen zeggen, kwam hij door een plotselinge ingeving tot het inzicht ter zake, om zich eerst daarna te wagen aan een ana­lyse van de eigen structuur van de modale aspecten en hun onderlinge samenhang.(8) Gedreven door zijn geloof in God als Schepper, stuitte hij op een structuur in de werkelijkheid, die voor hem een diepreligieuze betekenis kreeg. Hij stuitte op kernwoorden of -waarden in de geschapen werkelijkheid, waarvan ook het Evangelie getuigt, zoals onder meer betrouwbaarheid, goedheid, gerechtigheid, schoonheid, vruchtbaarheid, verbond(enheid), heerlijkheid (macht), wijsheid, leven, kracht, vrijheid, matigheid. In de modaliteiten ziet Dooyeweerd fundamentele bestaansvoorwaarden voor alles in de werkelijkheid, welke als zodanig volop religieus gela­den zijn.(9) De modaliteitenleer staat derhalve niet als theorie tegenover het geloof, zoals Geertsema suggereert. Veeleer zijn beide intrinsiek met elkaar verbonden.

II. Dooyeweerds analyse van de constante, interne orde van de concrete gegevens, door hem aangeduid als individualiteitsstructuur: natuurlijke stoffen; planten; dieren; mensen en de producten van hun arbeid; samenlevingsverbanden; deze alle in hun complexe onderlinge verhoudingen. Eén en ander in direct verband analyse van de modaliteiten. Reeds heeft hij ter zake belangrijke ontdekkingen gedaan. In velerlei opzicht is er echter nog slechts sprake van het aangeven van richtingen. Ook hier gaat het niet om puur theoretische beschouwingen, maar om verdieping van inzicht in de opbouw van de werkelijkheid. Dit geeft de vrijmoedigheid om, uiteraard met de nodige kritische zin, op het werk van Dooyeweerd voort te bouwen.

Ik geef slechts een enkel voorbeeld, dat tegelijkertijd grote actualiteit heeft, namelijk wat Dooyeweerd heeft aangeduid als het enkaptisch structuurgeheel. Daarmee wil hij aangeven, dat we in de werkelijkheid nooit te maken hebben met een enkelvoudige structuur of orde, maar binnen een omvattend geheel met deelstructuren met een, modaal gezien, geheel eigen typering. Aan deze gedachte heeft hij een voorlopige uitwerking gegeven met betrekking tot het menselijk lichaam, het kunstproduct, het bestaan van dieren en planten.

Dooyeweerd is er echter niet aan toegekomen deze idee nader uit te werken voor de samenlevingsverbanden. Ook daar blijkt zij haar nut en betekenis te hebben. Te denken valt aan de ontwikkelingen op staatkundig gebied.

Onder invloed van de liberale tijdgeest worden we geconfronteerd met een hardnekkig streven naar verzelfstandiging en zelfs privatisering van typische overheidsdiensten, om - zo is de redenering - te komen tot een meer bedrijfsmatig verantwoorde opzet van de desbetreffende taken. Men beseft echter niet, dat zo monopolistische grootheden ontstaan, waarover de politiek verantwoordelijken elke controle missen en waarin kiemen worden gelegd voor een corruptieve ontwikkeling. Bovendien is men zich niet bewust, dat de staatsoverheid op deze wijze wordt beroofd van bevoegdheden, die alleen haar als behartiger van het algemeen belang, de salus publica, toekomen en dat zij dientengevolge een innerlijk verdeelde en machteloze instantie dreigt te worden.
De overheid is geroepen tot allerlei taken welke niet, naar de aard van de staat als geheel, publiekrechtelijk zijn gekwalificeerd, maar niettemin alleen door haar op verantwoorde wijze kunnen worden vervuld: zorg voor de infrastructuur (weg, water, spoor, het verzekeren van minimum bestaansvoorwaarden voor alle burgers (sociale wetgeving), zorg voor een veilige omgeving, bescherming tegen natuurlijk geweld, ruimtelijke ordening en in verband daarmee zorg voor een geïntegreerd openbaar vervoerssysteem, bescherming van het natuurlijk milieu, garanderen van een betrouwbaar geldstelsel, etc.

Deze taken moeten met elkaar worden ingepast in het totaal van het overheidsbeleid. Dit vraagt op zijn beurt om een zorgvuldige afweging van alle belangen, die in het geding zijn. Daarbij zal de overheid zich niet, zoals tegenwoordig dikwijls het geval is, primair moeten laten leiden door economische motieven, maar door beginselen van publieke gerechtigheid. Alleen zo zal zij, naar de eigen aard van haar opdracht, dienstbaar kunnen zijn aan alle burgers en hun onderlinge verbanden.

Het voorgaande betekent tevens, dat de onderscheiden overheids­diensten er niet alleen voor zichzelf, maar ook voor elkaar zijn, alsook dat zij met elkaar de samenleving hebben te dienen. Dit maakt tevens duidelijk, dat ook de staatsgemeenschap en de over­heid daarbinnen in al haar activiteiten gebonden zijn aan de eerder genoemde waarden of kernmomenten, dit is functioneren in alle modaliteiten als haar fundamentele bestaanswijzen.(10)

III. Het door Dooyeweerd gemaakte onderscheid tussen wet(szijde) en het daaraan subjècte, de subjectszijde van de werkelijkheid. Deze zijn direct op elkaar betrokken: geen wet zonder subject, geen subject zonder wet. Zij liggen beide in het scheppingswoord be­sloten.
Daarmee is de mogelijkheid tot het kennen van de wet, zowel in haar modale als in haar structurele verscheidenheid gegeven. In haar spreekt God, de Schepper, de mens op directe wijze aan. Tot dit (leren) kennen heeft de wijsbegeerte haar eigen bijdrage te leveren.
Ook te dezer zake meent Geertsema een waarschuwing te moeten laten horen, te weten tegen 'de wijze waarop soms de structuuranalyses van de reformatorische wijsbegeerte verbonden worden met de wet van God. De filosofie wordt evenals de wetenschap ge­zien als gericht op de wet van God. De structuuranalyses kunnen daardoor een haast religieuze betekenis krijgen. Ook hier ben ik geneigd, met anderen, te benadrukken dat het slechts om een the­oretische analyse van de werkelijkheidsorde gaat. Deze is wel be­trokken op Gods wet, maar mag daarmee niet gelijk gesteld worden.

Bovendien is ons zicht op die orde zelf beperkt. Het gaat erom de werkelijkheid theoretisch zoveel mogelijk recht te doen, niet om haar theoretisch in de greep te krijgen.(11)

Hierbij plaats ik een viertal opwerkingen:

  1. Geertsema wekt door het gebruik van het woord slechts de indruk, dat het in de wetenschappelijke kennisverwerving gaat om een activiteit, die ten opzichte van andere activiteiten een min-waarde heeft. Of is het volgens hem zo dat het ook in het onderwijs, de kunst, de politiek, het huwelijk, enz. -, slechts gaat om ....? Zoals eerder werd opgemerkt, is de wetenschap een volwaardige, menselijke activiteit, waarin op eigen wijze een bijdrage wordt geleverd aan de opdracht tot het bebouwen en bewa­ren, het ontsluiten van de aarde, het ontdekken van de mogelijk­heden die daarin besloten liggen.

  2. We treffen opnieuw een onderscheid aan, dat als zodanig geen onderscheid kan zijn, nu niet van theorie en geloof, maar van theorie en religie. Daarmee miskent Geertsema, dat alle theoretiseren, evenals de werkelijkheid waarmee dit zich bezighoudt, religieus geladen is.

  3. Geertsema maakt niet duidelijk, wat het onderscheid tussen gericht en betrokken zijn op de wet van God is.

  4. Voorts maakt hij niet duidelijk, wie en wat hij binnen de beweging voor reformatorische wijsbegeerte op het oog heeft, wanneer hij spreekt van pogingen om de werkelijkheid theoretisch in de greep te krijgen. Hier wordt iets gesuggereerd, dat om nadere argumentatie vraagt.
Hiervoor werd als uitgangspunt geformuleerd, dat het weten­schappelijk onderzoek gericht is op een analyse van de opbouw en wijze van functioneren van de werkelijkheid. Daarin gaat het primair om het ontdekken van wetmatigheden in wat zo juist werd aangeduid als de subjectszijde van de werkelijkheid. Voor de onderzoeker gaat het echter meer, in de veronderstelling dat het in deze wetmatigheden niet gaat om een toevallig product in de geschiedenis van de kosmos, maar dat zij gerelateerd zijn aan fundamentele wetten of beginselen. Voor de onderzoeker komt het erop aan ook het inzicht daarin te verdiepen en dit vast te leggen in wetenschappelijk geformuleerde wetten.
Deze wetten komen voor Dooyeweerd en degenen die in zijn voet spoor willen verder niet in de plaats van de wetten zelf. Zij zijn door hen niet bedoeld om deze, zoals Geertsema suggereert, in de greep te krijgen, doch veeleer als een verantwoorde ver­wijzing daarnaar.

Dit heeft Dooyeweerd ertoe gebracht zijn wijsbegeerte aan te duiden als wijsbegeerte der wetsidee.(12) Als zodanig is deze benaming dan ook te prefereren boven de nu gebruikelijke, in het huidige geestelijk-culturele klimaat, inhoudelijk nietszeggende naam reformatorische wijsbegeerte.

Hoe verder?

Geertsema stelt, dat volgens sommige vertegenwoordigers van de reformatorische wijsbegeerte met deze wijsbegeerte een duide­lijk onderzoeksprogramma is gegeven, onder de toevoeging dat ook Dooyeweerd dit uitdrukkelijk voor ogen had. Hij vraagt zich even­wel af, of de reformatorische wijsbegeerte wel een duidelijk te omschrijven eenheid is. Hij ziet haar eerder als een grote familie, onderling sterk verwant, met veel overeenkomsten, maar ook met grote verschillen. Dit geldt de geestelijke vaders, Dooyeweerd en Vollenhoven en hun nazaten. Geertsema wijst ook op invloeden van buiten, zoals die van het joodse denken en de Noord-Ameri­kaanse, reformatorische kennisleer. Daarom ziet hij de beweging meer als een eigen wijsgerige traditie dan als een verband met een welomschreven onderzoeksprogramma.

Geertsema noemt als kernpunten voor de reformatorische wijsbegeerte het onderscheid tussen Schepper en schepsel, het religi­eus niet-neutrale karakter van de filosofie, de verantwoordelijk­heid die er is voor de cultuur in de breedte en - als laatste -een structuurtheorie van de werkelijkheid, waarin rekenschap wordt gegeven van onherleidbare en tegelijk onderling samenhangende modale aspecten enerzijds en van daartoe niet te herleiden entitaire structuren.
Tegen deze achtergrond is er volgens Geertsema ruimte gegeven zowel voor het filosofisch onderzoeksprogramma als voor kritische discussie, met nadruk, zo voegt hij eraan toe, op de achtergrond in religieuze motieven of levensovertuiging.(13)

Voor het waarom van de toevoeging geeft Geertsema geen nadere verklaring. Dan rijst wel de vraag, of zo geen verenging in plaats van de beoogde verbreding van de wijsgerige discussie wordt veroorzaakt.

Wijsbegeerte is een wetenschap. Ook haar taak bestaat in het geven van een bijdrage aan een verdiept inzicht in de opbouw en wijze van functioneren van de werkelijkheid. Hiertoe behoort ook aandacht voor het menselijk handelen, inclusief de wetenschap zelf, in zijn gerichtheid door religieuze motieven, die zowel blikverruimend als blikverengend op het verstaan van de werkelijkheid kunnen inwerken.

Wijsbegeerte vraagt als wetenschap niet om een religieus neu­trale, wel om een zakelijke aanpak, die wetenschappelijk te verantwoorden is, juist in de discussie tussen representanten van onderscheiden stromingen. Dit is mogelijk, omdat er, zoals Dooyeweerd het stelt, ondanks alle religieuze tegenstellingen een denkgemeenschap is. De diepere grond daarvoor is dat alle wijsgeren deel uitmaken van één en dezelfde werkelijkheid en daarmee bezig zijn.
In deze discussie zal de structuurtheorie, mits telkens op verantwoorde wijze ingebracht en al naar gelang van de situatie 'vertaald', een belangrijk en kostbaar instrument blijken te zijn. Daarin gaat het niet, zoals hopelijk inmiddels uit het voorgaande duidelijk is geworden, om wereldvreemde constructies, zoals Hoogland stelt, maar om een wetenschappelijke verantwoor­ding van standen van zaken. Niet als een onwrikbaar en onfeilbaar gegeven, want zij blijft een menselijk product. Zij vraagt om voortgaande verdieping, verbreding en bijstelling. Dit vooronderstelt openheid voor tegenargumenten vanuit onderscheiden stromingen. In dit licht krijgt de beoefening van de wijsbegeerte haar eigenlijke, zinvolle betekenis.

Geertsema wijst vooral op de verscheidenheid in de beweging. Hij vraagt zich echter niet af, of dit mogelijk het gevolg is van het feit, dat haar leden dikwijls meer afzonderlijk dan met elkaar zijn bezig geweest. Een vereniging die streeft naar een intrinsiek christelijke wijsbegeerte is echter meer dan een familieverband van geestelijk verwante personen, die elk op eigen wijze bezig zijn. Om tot een heilzame ontwikkeling te komen, dient zij een werkverband te zijn, waarin de leden elkaar tot een hand en een voet zijn. Gelet op de geestelijk-culturele crisis waarin de mensheid zich bevindt, kan men zich in deze geen luxe veroorloven.

Een bijzondere plaats komt hierin toe aan de vakfilosofie. Hoogland zegt dat hij in vergelijking met Dooyeweerd heel weinig van de vakwetenschappen afweet. Maar ook Dooyeweerd kende maar één vakwetenschap goed, de rechtswetenschap. Die kennis verschafte hem evenwel het gezag om zich uit te spreken over de structuur van de werkelijkheid, omdat hij zijn theorieën kon toetsen in de rechtswetenschap. Men mag van niemand ver­wachten dat hij of zij alle vakwetenschappen beheerst. Zonder kennis van enige vakwetenschap blijft de wijsgeer echter in het luchtledige zweven. Dooyeweerd kende zijn beperkingen, en no­digde geestverwante vakfilosofen uit de structuurtheorie, waarvoor hij de grondslagen heeft gelegd, nader op hun eigen veld van onderzoek te testen en uit te werken. De Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte was bedoeld om dit onderzoeksprogramma te realiseren.

Alleen door op deze weg verder te gaan, uiteraard met de vereiste kritische zin, zal de Vereniging in de wijsbegeerte en, ruimer, in de wetenschappen, alsook van daaruit in de samenle­ving in breder zin een zoutend zout kunnen zijn, en tegenover de ontbindende krachten van het postmoderne fragmentarisme en allerlei vormen van absolutisme, in navolging van Christus en onder zijn leiding, een bijdrage kunnen geven aan de heelheid van de schepping.

Noten

  1. H.G. Geertsema heeft gepoogd deze ontwikkeling in twee artikelen te schetsen: Reformatorische wijsbegeerte in de ontwikkeling van de tijd: waardering van de Verlichting, Beweging 62/1 (maart 1998), 3-5; Identiteit tussen schijn en werkelijkheid, Beweging 62/3 (september 1998), 11-13.
  2. Nederlands Dagblad, 2 maart 1998.
  3. H. Dooyeweerd, De Wijsbegeerte der Wetsidee I, 6.
  4. In een gesprek met Diederik Cats en Herman Oevermans in Wapenveld, 47/1 (februari 1997), 29.
  5. J. Hoogland, Hoezo bijzonder? Over de vraag hoe universeel een standpunt kan zijn. (Inaugurele rede aan de Universiteit Twente, 5 maart 1998), 16.
  6. Hoezo bijzonder?, 25.
  7. H.G. Geertsema, Beweging, 62/1, 5.
  8. Marcel E. Verburg, Herman Dooyeweerd. Leven en werk van een Nederlands christen-wijsgeer, Baarn 1989, 40.
  9. Zie J.D. Dengerink, In het krachtveld van het scheppingswoord. Over de modaliteiten: haar fundamentele verscheidenheid, samenhang en eenheid, Philosophia Reformata 59 (1994/2), 137.
  10. Zie A. Klink, Christen-Democratie en Overheid, Delft 1991: J.D. Dengerink, Eerherstel voor de 'res publica', Christen Democratische Verkenningen 5/96, 228-236; idem, Onderscheid en samenhang - samenhang en onderscheid (over de verhouding van het publieke en private domein), Christen Democratische Verkenningen 6/99, 42-55.
  11. H.G. Geertsema, Beweging 62/1, 5.
  12. H. Dooyeweerd, De Wijsbegeerte der Wetsidee I, 58-59.
  13. H.G. Geertsema, Beweging, 62/3, 13.


Alle teksten op deze site © copyright Stichting voor Reformatorische Wijsbegeerte.

Email SRW