>> home >> agenda >> netschrift >> bijdragen

REFORMATORISCHE WIJSBEGEERTE IN DE ONTWIKKELING VAN DE TIJD
VERSCHEIDENHEID EN EENHEID

door prof. dr. H. G. Geertsema

'Lijdt de reformatorische wijsbegeerte niet aan een zekere mate van verstarring, doordat zij onder de naam 'wijsbegeerte der wetsidee' gaat functioneren als een dogmatisch systeem?' Dit was één van de vragen die genoemd werden in de introductie op het eerste artikel over 'reformatorische wijsbegeerte in de ontwikkeling van de tijd' (Beweging, maart 1998, p.3-5). In dat artikel stond de kritiek op de Verlichting centraal, alsmede de betekenis die de veranderde waardering van de Verlichtingsidealen in bijvoorbeeld het postmoderne denken zou moeten hebben voor de reformatorische wijsbegeerte. De genoemde vraag was daarbij alleen indirect aan de orde.

In het nu volgende artikel probeer ik een impressie te geven van verscheidenheid die de reformatorische wijsbegeerte altijd heeft gekenmerkt. Daarmee probeer ik de indruk weg te nemen dat het in de reformatorische wijsbegeerte zou gaan om de verdediging van een dogmatisch systeem. De ruimte van het verleden is een kostbaar goed, ook voor het heden. Dat neemt niet weg dat eenheid in de verscheidenheid even onmisbaar is, wil de reformatorische wijsbegeerte aan haar oorspronkelijke doelstelling kunnen blijven beantwoorden.

Wat is reformatorische wijsbegeerte?

Sommigen denken bij 'reformatorische wijsbegeerte' of met de oudere aanduiding 'wijsbegeerte der wetsidee' nog steeds aan een dogmatisch systeem van 14 of 15 wetskringen waar heel de werkelijkheid in geperst kan worden. Tot dat beeld is in het verleden misschien wel eens aanleiding gegeven en mogelijk gebeurt dat nog wel, maar ik hoop dat iedere lezer het met mij eens is dat dit beeld op een karikatuur berust. De structuurtheorie die met deze karikatuur bedoeld wordt, is eerder een zeer verfijnde poging om theoretisch aan de complexe verscheidenheid en samenhang in de werkelijkheid recht te doen dan een dogmatisch systeem dat aan de werkelijkheid wordt opgelegd. Als zodanig is zij veel meer genuanceerd dan de meeste vergelijkbare pogingen een kader te bieden waarmee de werkelijkheid als geheel benaderd kan worden.

Tegelijk is de reformatorische wijsbegeerte ook meer dan een structuurtheorie van de werkelijkheid. Zij bevat bijvoorbeeld een eigen benadering van de geschiedenis van de filosofie, zelfs meer dan één: Vollenhoven en Dooyeweerd gaan wat dit betreft geheel eigen wegen. En vooral, zij is een heel eigen uitwerking van een poging tot radicaal christelijk denken in de traditie van de calvinistische reformatie.

Eigenlijk heb ik mij zo nog niet precies genoeg uitgedrukt. Je kunt je namelijk afvragen: in hoever is het zinvol van 'de reformatorische wijsbegeerte' te spreken? Bestaat zij echt als een eenheid? Sommige vertegenwoordigers van deze wijsbegeerte gebruiken inderdaad uitdrukkingen als: 'volgens de reformatorische wijsbegeerte is iets zus of zo'; of: 'de reformatorische wijsbe-geerte leert...'. Hiermee is de gedachte verbonden dat met de reformatorische wijsbegeerte of de wijsbegeerte der wetsidee een duidelijk wetenschappelijk onderzoeksprogramma gegeven is. Toen Dooyeweerd de Wijsbegeerte der Wetsidee publiceerde stond iets dergelijks hem ook uitdrukkelijk voor ogen.

Voor mij is de vraag of op deze wijze aan de verscheidenheid binnen de reformatorische wijsbegeerte wel voldoende recht wordt gedaan. Vormt de reformatorische wijsbegeerte wel een duidelijk te omschrijven eenheid? Zelf zie ik haar - met een zinspeling op Wittgenstein - eerder als een grote familie, onderling sterk verwant, met veel overeenkomsten maar ook met grote verschillen. Er zijn twee geestelijke vaders: Dooyeweerd en Vollenhoven, sterk verwant maar ook verschillend. Er zijn opeenvolgende generaties, elk met eigen kenmerken, ook al grijpen die ook over de generaties heen. Er is aangetrouwd: er zijn invloeden van buiten die zich slechts bij enkelen laten gelden, maar die toch ook bij nieuwe generaties doorwerken, bijvoorbeeld die van het joodse denken, en meer recent de 'reformed epistemology'. Met andere woorden, de reformatorische wijsbegeerte vormt eerder een eigen wijsgerige traditie dan een wel omschreven onderzoeksprogramma. Daarbij kan worden opgemerkt dat, hoe jong deze traditie ook is, zij wortels heeft die veel ouder zijn: niet alleen in het neocalvinisme van Kuyper en Groen, maar ook bij denkers als Calvijn en Augustinus.

In het vervolg probeer ik de verscheidenheid die onze beweging steeds heeft gekenmerkt nog eens vanuit de geschiedenis te typeren. Daarmee bedoel ik niet een historisch overzicht van de reformatorische wijsbegeerte sinds haar ontstaan te geven, laat staan een daarop gebaseerde evaluatie. Het gaat om een aantal opmerkingen met het oog op de plaatsbepaling van de reformatorische wijsbegeerte met het oog op het heden. Aan het einde wil ik dan nog kort iets zeggen over wat ons verbindt.

Verscheidenheid binnen de reformatorische wijsbegeerte

In twee rondgangen wil ik proberen een beeld te schetsen van de verscheidenheid die steeds kenmerkend is geweest voor de reformatorische wijsbegeerte. Eerst schets ik een aantal ontwikkelingen die sinds het ontstaan van de beweging hebben plaats gevonden. In de tweede plaats probeer ik uit het geheel van de afgelopen periode een algemene conclusie te trekken. Ik beperk mij daarbij steeds tot de Nederlandse situatie.

Van toen naar nu

Ik noem een beperkt aantal gezichtspunten van waaruit we veranderingen in het oog kunnen krijgen.

  1. Het filosofische klimaat
    Ik geef een aanduiding van de verschillende perioden, met overlappingen, van de typerende filosofische stromingen en noem enkele namen uit de reformatorische wijsbegeerte die in de desbetreffende tijd voor het eerst op de voorgrond treden. De opsomming is zeker niet als uitputtend bedoeld. Sommige namen noem ik pas bij B, niet omdat zij minder belangrijk zouden zijn maar omdat zij daar meer op hun plaats zijn. De aanduidingen zijn steeds globaal.
    In de jaren '30 tot '50 treden het neopositivisme, het neokantianisme en de fenomenologie op de voorgrond. Dooyeweerd is vooral met de laatste twee in discussie, waarbij wellicht de grondige lectuur van Heideggers Sein und Zeit belangrijker is dan uit zijn publicaties blijkt. Vollenhoven richt zich sterk op de geschiedenis van de filosofie als geheel.
    In de jaren '50 - '60 komen het existentialisme en het (neo)marxisme op. Zuidema en Mekkes, als denkers van de tweede generatie, houden zich hier sterk mee bezig. Van Riessen, eveneens tot deze generatie behorend, richt zich meer tegen het positivisme. Op een heel eigen wijze treden in deze tijd ook K.J. Popma en M.C. Smit op.
    De cultuurfilosofische benadering, die reeds Van Riessens werk kenmerkte, wordt voortgezet in de jaren '70 - '80 door Goudzwaard en Schuurman, vooral in confrontatie met kapitalistisch en technicistisch denken als kenmerken van de westerse samenleving. Anderen gaan de kritische discussie aan met verschillende filosofische denkers en stromingen: Van der Hoeven, Klapwijk, Dengerink, Griffioen, Geertsema. Bos richt zich vooral op de antieke filosofie en de invloed daarvan tot op vandaag.
    Tenslotte, nieuw in de jaren '80 - '90 is de confrontatie met naturalisme, postmodernisme en New Age door Glas, Hoogland, Van Woudenberg. De laatste is duidelijk geboeid door de beweging uit Noord-Amerika die wel als 'reformed epistemology' wordt getypeerd. In heel deze periode vindt ook voortdurend een confrontatie met scholastiek denken in zijn verschillende vormen plaats: Vol-lenhoven, Dooyeweerd, Zuidema, Popma, Troost, Bos, Ouweneel.
  2. Verandering in kerkelijke achtergrond
    In de jaren '30 - '50 wordt de kerkelijke achtergrond van de reformatorische wijsbegeerte sterk bepaald door de Geref. kerken. Daardoor heeft ook de kerkstrijd in de jaren '30 en '40 belangrijke gevolgen.
    In de jaren '50 - '70 vindt enerzijds een verbreding plaats: Dooyeweerd voelt zich meer een oecumenisch christelijk denker dan typisch calvinistisch. Er ontstaat nu ook duidelijk sympathie voor de reformatorische wijsbegeerte buiten de kerkelijk gereformeerde kring. Anderzijds krijgt de reformatorische wijsbegeerte in toenemende mate een conservatief imago.
    In de jaren '80 - '90 worden de accenten verschillend gelegd. In theologisch, ethisch en politiek opzicht worden er verschillende posities ingenomen. Dooyeweerds denken over de staat krijgt behalve in de RPF ook weer meer invloed in het CDA. Maar het beeld blijft overwegend behoudend gereformeerd, ondanks de sympathie die er ook is in meer oecumenische en evangelische kring.
  3. Verandering in pretentie
    Lange tijd, van de jaren '30 tot '60, domineert de overtuiging van de eigen betekenis. Bepalend is de gedachte dat met de reformatorische wijsbegeerte voor het eerst een radicaal christelijke filosofie optreedt. Er wordt soms wel veel nadruk gelegd op discussie, maar in de praktijk treedt het getuigend en religieus kritisch karakter sterk op de voorgrond. Echte discussie vindt slechts in beperkte mate plaats. Daardoor raakt de reformatorische wijsbegeerte steeds meer in een isolement. Vanaf de jaren '70 wordt, vooral aan de VU, een poging ondernomen echt in gesprek te komen. Hiermee gepaard gaat een meer bescheiden opstelling, met het oog op het gesprek en wellicht ook door dat gesprek. Ook ontstaat er openheid voor de betekenis van de joodse filosofie. In het algemeen is de benadering minder programmatisch. Daarnaast werkt vooral Stafleu aan de programmatische opzet in verband met de natuurwetenschappen en zet Van Eikema Hommes Dooyeweerds werk op het gebied van de rechtsfilosofie voort. De waardering daarvoor blijft echter beperkt, zowel buiten de eigen kring als erbinnen.
Door de tijd heen

Dit is het moeilijkste. Want nu wil ik probe-ren een typering van heel onze traditie te geven. Nog steeds vanuit het gezichtspunt van de verscheidenheid. Heel gemakkelijk worden dan bepaalde aspecten ten onrechte weggelaten. Maar alles opsommen, als dat al zou kunnen, heeft geen zin. Dat leidt niet tot een karakterisering.

Laat ik uitgaan van de reeds eerder genoemde programmatische bedoeling die Dooyeweerd had bij de publicatie van de Wijsbegeerte der Wetsidee. Dit program is maar zeer ten dele uitgevoerd. Vooral de naam van Stafleu moet hier genoemd worden. Systematisch heeft hij gewerkt om de betekenis van Dooyeweerd filosofie voor de natuurwetenschappen duidelijk te maken. Daarbij is ook grote aandacht besteed aan de wetenschapsfilosofie in het algemeen.

Verder noem ik het werk van Van Riessen voor de filosofie van de techniek, van Verberg voor de taalfilosofie, van Troost voor de antropologie, van Haan en anderen voor de economie. Reeds eerder verwees ik naar Van Eikema Hommes voor de rechtsfilosofie. Van recente datum zijn de studies op het gebied van de staatsfilosofie van Klink en Klop. Hier kan ik slechts met moeite de neiging bedwingen om ook buitenlandse namen te noemen.

Er is dus duidelijk gewerkt aan de uitwerking van Dooyeweerds ideeën. En er is natuurlijk nog meer te noemen, zoals het werk van Smit op het gebied van de geschiedfilosofie en van anderen voor de cultuurfilosofie. Maar dan is er veel minder sprake van uitvoering van het door Dooyeweerd beoogde programma. Enerzijds is er een discussie met Dooyeweerd zelf, anderzijds gaat het meer om zo iets als een transcendentale kritiek, maar dan in de ruime zin van een inhoudelijke peiling van de religieuze achtergronden van het denken en de ontwikkelingen in de cultuur en het gesprek daarmee.

In het algemeen is het laatste, de kritische analyse van het denken tegen de achtergrond van religieuze overtuigingen, denk ik, veel meer typerend geweest voor de publicaties vanuit onze kring, dan de uitvoering van het met de structuurtheorie van de wijsbegeerte der wetsidee gegeven programma. Daarbij komt dan nog de discussie over de verschillende onderdelen van Dooyeweerds transcendentale kritiek: de verhouding van geloof en wetenschap, de religieuze grondmotieven, de boventijdelijkheid van het hart, om maar enkele thema's te noemen. Bovendien is Vollenhoven, zij het veel minder opvallend, altijd zijn eigen weg gegaan, en dat niet alleen op het gebied van de geschiedenis van de filosofie. Pas in de laatste tijd is er weer meer aandacht gekomen voor Vollenhovens eigen benadering van de systematische wijsbegeerte, vooral door het werk van Bril en Tol. Ook bij studenten is er duidelijk nieuwe belangstelling voor het werk van Vollenhoven.

Vanaf het begin met Vollenhoven en Dooyeweerd via het heterogene gezelschap van Mekkes, Popma, Zuidema, Van Riessen, Smit en Verburg tot nu toe is er dus steeds een grote verscheidenheid geweest. Het ging veel minder om een onderzoeksgemeenschap gericht op de uitvoering van een wijsgerig programma dan om een gemeenschap van mensen die zich verbonden wisten met Dooyeweerd en Vollenhoven in hun streven naar radicaal christelijk denken op het gebied van de filosofie in het besef van de religieuze roeping op dit gebied. De uitwerking van deze roeping is altijd door een grote verscheidenheid gekenmerkt geweest: verschillende accenten, verschillend besef van de inhoud van deze roeping, verschillende filosofische ideeën. En ik denk dat deze ruimte er moet blijven. Alleen zou het goed zijn als de onderlinge discussie zou toenemen, niet alleen met Dooyeweerd en Vol-lenhoven, maar met elkaar. Juist met het oog op de roeping naar buiten. Hiermee ben ik aangeland bij het laatste punt:

De eenheid van de beweging

Het bovenstaande zou de indruk kunnen wekken dat de beweging voor reformatorische wijsbegeerte vanaf het begin tot nu toe een nogal heterogeen gezelschap heeft gevormd, zonder een duidelijke verbondenheid. Die indruk zou onjuist zijn. Er is steeds een kern geweest die de reformatorische wijsbegeerte in al haar verscheidenheid tot een eenheid heeft gemaakt. Voor mijn besef gaat het om de volgende 4 punten. Vanwege de ruimte beperk ik me tot een korte typering.

  1. De fundamentele betekenis van het Schepper-schepsel onderscheid als uitgangspunt voor het denken. Daarmee is verbonden de betekenis van de wet: als grens, als verbinding, als het geschapene mogelijk makend en daaraan richting gevend. Hier hoort ook wat Dooyeweerd heeft aangeduid met het bijbelse grondmotief van schepping, zondeval en verlossing door Jezus Christus in de gemeenschap van de Heilige Geest.
  2. Het religieus niet-neutrale karakter van wetenschap en filosofie, omdat het daarin gaat om een volop menselijke activiteit, en niet alleen om een denkstructuur. Het menszijn van de mens is religieus van aard. Dat bepaalt uiteindelijk ook de wetenschappelijke activiteit.
  3. Een structuurtheorie van de werkelijkheid waarin de verscheidenheid in samenhang wordt verantwoord in een theorie van onherleidbare en tegelijk onderling samenhangende modale aspecten enerzijds en van daartoe niet te herleiden entitaire structuren in hun eigenheid en verbondenheid anderzijds.
  4. De verantwoordelijkheid die wij als christendenkers hebben voor de cultuur, in de breedste zin, waarvan wij zelf deel uit maken. Kritisch vanuit het christelijk geloof en meedenkend in de grote vragen waarvoor wij gemeenschappelijk staan.
Tegen deze achtergrond is er zowel ruimte voor het met Dooyeweerds filosofie gegeven filosofisch onderzoeksprogramma als voor kritische discussie met nadruk op de achtergrond in religieuze motieven of levensovertuiging. Zelf zou ik beide in die zin willen verbinden dat geprobeerd wordt in de filosofische discussies die nu gaande zijn de inzichten van de reformatorische wijsbegeerte in te brengen op zo'n wijze dat zij echt in die discussie kunnen gaan functioneren. Ik denk bijvoorbeeld aan de discussie over het reductionisme in de wetenschapsfilosofie en die over individualisering in de sociale wijsbegeerte.

Voor deze discussie is een vertaalslag nodig, die zich in de eerste plaats op de basisinzichten uit de reformatorische wijsbegeerte zal moeten concentreren. In die zin zal er van een uitwerking niet direct sprake zijn. Wel zullen de inzichten zelf daarmee onderwerp van discussie worden.


Alle teksten op deze site © copyright Stichting voor Reformatorische Wijsbegeerte.

Deel 1:
De waardering van de Verlichting

Email SRW