>> home >> agenda >> netschrift >> bijdragen

TER INLEIDING
OP HET BREED BERAAD VAN 29 SEPTEMBER 2000

door Prof. Mr. A.K. Koekkoek

  1. Op 21 september 1996 heeft voor de eerste maal een Breed Beraad van verschillende verantwoordelijken (bestuur, curatorium, redacties, hoogleraren, centrum) van de Vereni­ging/Stichting voor Reformatorische Wijsbegeerte plaatsgevonden. In een nabeschouwing op het Breed Beraad schreef het bestuur dat ‘divergentie onder ons’ een van de aanleidingen tot het beraad vormde, maar tijdens het beraad op de achtergrond bleef. Om over meningsverschillen te kunnen spreken zou de discussie goed gestructureerd moeten worden. Deze inleidende notitie is bedoeld als leidraad voor het Breed Beraad op 29 september 2000.
    Tijdens het eerste Breed Beraad bleek een verschil in gewenste aanpak tussen Stafleu en Buijs/Cusveller/Evink/Hoogland. Stafleu zag de WdW als een wetenschappelijk programma dat om uitvoering vraagt. Buijs c.s. wilden dat de reformatorische wijsbegeerte vooral zou bijdragen aan het publieke debat. Een punt van discussie is thans of, en zo ja hoe, beide doelstellingen met elkaar te verbinden zijn.
  2. Hoogland en Buijs preadviseerden voor het Breed Beraad in 1998 over de vraag welke mogelijkheden het huidige universitaire klimaat biedt voor professionele filosofiebeoefening vanuit reformatorisch wijsgerige inzichten. Zij noemen een aantal oorzaken waardoor de reformatorische wijsbegeerte de aansluiting aan de heersende filosofiebeoefening mist. Voor de toekomst van de beweging zien zij drie wegen: een gezamenlijk onderzoeksprogramma, een onderzoeksinstituut of tenminste het opleiden van jong talent.
  3. Van 1992 tot 1997 heeft een Commissie Wetenschapsbeleid gefunctioneerd, die tot taak had wijsgerig-wetenschappelijke onderzoeksactiviteiten te bevorderen. De commissie deed een veelomvattend voorstel dat in het Breed Beraad van 1996 aan de orde is geweest. In mei 2000 moest het bestuur concluderen dat de doelstelling van de Commissie Wetenschapsbeleid om een meerjarenprogramma voor conferenties op te stellen niet haalbaar was. Zij stelde aan de ledenvergadering voor een wetenschappelijke (advies)raad in te stellen, bestaande uit de hoogleraren van de Stichting, met dezelfde taakstelling als de commissie, evenwel zonder de opdracht een meerjarenprogramma voor te bereiden.
  4. De aanleiding voor het komende beraad is een artikel van Dengerink, getiteld ‘Christelijke wijsbegeerte?’, bestemd voor Beweging, waarin hij reageert op uitspraken van Hoogland en op artikelen van Geertsema. De redactie van Beweging vond het artikel van Dengerink te lang en te moeilijk, zodat het niet is geplaatst. Voor Dengerink was dat zeer teleurstellend omdat het voor hem een bevestiging was dat de beweging op de verkeerde weg is. Misschien is de niet-plaatsing een ‘blessing in disguise’ omdat het artikel van Dengerink nu centraal staat in het Breed Beraad.
  5. De voorbereidingscommissie (Dengerink, Geertsema, Griffioen, Koekkoek, Meinema, Vlot, Volbehr) heeft het onderwerp van het Breed Beraad van 29 september 2000 omschreven als:

    Wat is de blijvende betekenis van de structuurtheorie van Dooyeweerd?

    Ter voorbereiding van de discussie hebben Dengerink en Geertsema (een notitie met) stellingen geformuleerd.

  6. Doelstelling van het Breed Beraad is elkaar beter te begrijpen. Dat is belangrijk, maar nog belangrijker is te trachten het met elkaar eens te worden. Vervolgens is de vraag wat er met de resultaten van het beraad gebeurt. Omdat de verantwoordelijkheid van de deelnemers verschillend is, heeft het beraad een adviesfunctie aan de verschillende organen van de Vereniging/Stichting. Bij een advies hoort dat er ook binnen redelijke termijn een reactie op komt. Dan kan het Breed Beraad van 29 september 2000 een impuls vormen voor onze beweging.
  7. Om tot resultaten te komen heb ik op basis van de stellingen van Dengerink en Geertsema een aantal vraagpunten geformuleerd. De bedoeling is dat de discussiegroepen de vragen beantwoorden en daarover plenair rapporteren. Op basis van deze rapportages zullen plenair conclusies worden getrokken die als advies naar de organen van de Vereni­ging/Stichting gaan.
    Vraagpunten:
  1. Bent u het eens met Dengerink (stelling 1) dat elke menselijke activiteit religieus van aard is? Heeft de structuurtheorie van Dooyeweerd behalve een theoretische betekenis ook een religieuze betekenis (Geertsema, stelling 1)?
  2. Kunt u zich vinden in de opvatting dat theorieën verwijzingen naar in het scheppingswoord besloten wetten zijn (Dengerink, stelling 2-4). Ziet u verschil met de opvatting van Geertsema in zijn stelling 1?
  3. Welke betekenis hebben zondeval en verlossing door Christus voor onze wetenschapsbeoefening en die van anderen (Dengerink, stelling 5; Geertsema, stelling 2)?
  4. Ervaart u wijsgerige systemen als dat van Dooyeweerd als ‘wereldvreemde constructies’ (Hoogland)? Zo ja, wat is dan nog de betekenis van zijn structuurtheorie? Zo nee, is zij dan ‘een wetenschappelijke analyse van de bovenwillekeurige structuren/orde van de werkelijkheid’ (Dengerink, stelling 6)?
  5. Welke betekenis heeft de structuuranalyse voor:
    • de dialoog met andere filosofen en maatschappelijke/politieke discussies;
    • de beoordeling van culturen;
    • analyse van de samenleving en
    • analyse van het functioneren van de mens?

  6. (Zie Dengerink, stelling 7; Geertsema, stelling 2.)
  7. Zijn de verschillen binnen de reformatorische wijsbegeerte een gegeven of moeten we proberen verschillen te overbruggen? In het laatste geval: wat kunt u zelf bijdragen aan de eenheid binnen de Vereniging (Dengerink, stelling 8; Geertsema, stelling 2 en 3)? Welke onderwijs-, onderzoeks- of andere activiteiten op het terrein van de reformatorische wijsbegeerte zou u samen met een ander of anderen willen ondernemen?
  8. Andere vragen die deelnemers aan de orde willen stellen.


Alle teksten op deze site © copyright Stichting voor Reformatorische Wijsbegeerte.

Overige bijdragen Breed beraad
29-09-2000

J.D. Dengerink

H.G. Geertsema

Email SRW