door Herman Paul
Vijftig jaar geleden publiceerde D.H.Th. Vollenhoven het eerste deel van zijn Geschiedenis der wijsbegeerte. Het boek was een proeve van wat de auteur een ‘probleemhistorische’ benadering noemde. Jarenlang werkte Vollenhoven aan deze methode en hij hoopte de gehele geschiedenis van de wijsbegeerte hiermee te kunnen beschrijven. Maar van de tien beoogde boekwerken verscheen slechts het eerste. Niet alleen gooide een ingetrokken ZWO-subsidie roet in het eten, belangrijker was dat Vollenhoven niet in staat was met de grondigheid van het eerste deel ook de wijsbegeerte van Plato tot zijn eigen tijd te beschrijven. Voor zo’n project was een mensenleven te kort.
Vollenhoven was daarom aangewezen op de hulp van anderen. Aan studenten en promovendi probeerde hij de waarde van zijn methode duidelijk te maken, met de bedoeling dat zijn levenswerk door anderen zou worden voortgezet. H.E. Runner toonde in 1951 met zijn dissertatie over Aristoteles aan Vollenhoven schatplichtig te zijn. A.W. Begemann en H. Hart volgden in de jaren zestig met proefschriften over achtereenvolgens Plato en Dewey. Niet zonder reden kon Vollenhoven in de jaren zeventig schrijven ‘…dat ik alle reden heb te vertrouwen, dat dit werk, ook als ik zelf zal zijn heengegaan, dankzij de samenwerking van verscheiden leden der jongere generatie in gelijken geest zal worden voortgezet.’
Vollenhoven kon wellicht niet vermoeden hoezeer hij met deze woorden de plank missloeg. Gelijkgezindheid was, naarmate de jaren vorderden, steeds verder te zoeken en van verdere ontwikkeling van de probleemhistorische methode was nauwelijks sprake. Hoewel Vollenhoven stof had voor tenminste honderdvijftig promotie-onderzoeken, voegde feitelijk alleen K.A. Bril aan de eerdergenoemde dissertaties een boek in de geest van zijn leraar toe. Heden ten dage houdt nog slechts een enkeling zich met Vollenhovens probleemhistorische methode bezig. Dit alles roept de vraag op hoe deze snelle afkalving kan worden verklaard. Waardoor sloeg de methode op lange termijn niet aan?
Systematische insteek
Zoals gezegd besteedde Vollenhoven een groot deel van zijn werkzaam leven aan de ontwikkeling van de probleemhistorische methode. Het leek daardoor alsof Vollenhoven, anders dan zijn zwager H. Dooyeweerd, vooral in de geschiedenis van de filosofie geďnteresseerd was en systematische bezinning graag aan anderen overliet. Toch had ook Vollenhoven een sterk systematiserende inslag. Dit blijkt reeds uit het werk waarop hij in 1918 met lof promoveerde, getiteld De wijsbegeerte der wiskunde van theďstisch standpunt. Hoewel Vollenhoven letteren en theologie had gestudeerd, ging zijn belangstelling sterk naar natuurwetenschappelijke thema’s uit. Dooyeweerd suggereerde later dat de vermeende autonomie van de menselijke rede, waartegen zowel hij als Vollenhoven bij voortduur fulmineerden, op deze terreinen zó duidelijk naar voren treedt, dat Vollenhoven zich geroepen voelde de vijand in diens machtigste bolwerk aan te vallen. Bestrijding van niet-christelijke filosofische opvattingen leidde in 1932 tot de publicatie van Het calvinisme en de reformatie van de wijsbegeerte. In kuyperiaanse geest zette Vollenhoven hierin een program uiteen voor de doorwerking van het evangelie op het terrein der wijsbegeerte. Vollenhoven was, kortom, niet minder systematicus dan historicus.
Op diverse wijzen vond deze systematische insteek zijn neerslag in de wijze waarop Vollenhoven de geschiedschrijving van de filosofie bedreef. Allereerst bleek dit uit de manier waarop de geschiedschrijving en de systematische filosofie zich naar Vollenhovens oordeel tot elkaar verhouden.Aan de eerste kende Vollenhoven louter een propedeutische functie toe. Het ging hem, evenals Dooyeweerd, primair om de ontwikkeling van een expliciet christelijke wijsbegeerte. Van een synthese tussen christelijke en niet-christelijke wijsbegeerte - 'een verbinding van pagane begrippen met Schriftuurlijke themata' -wilde Vollenhoven niets weten. De geschiedenis van de wijsbegeerte kreeg nu de functie dergelijke synthesen te ontmaskeren. 'Wil men met een en ander ernst kunnen maken, dan zal men het pagane denken terdege in zijn geschiedenis moeten bestuderen: alleen zo zal men zijn dilemma's kunnen verstaan en afwijzen', aldus Vollenhoven. Of, zoals hij later schreef: als we de gevaren van monisme en dualisme '…helder onderkennen, zullen we aan de tegenstellingen, die een vroegere generatie verdeeld hielden, niet ten onder gaan, maar deze samen overwinnen.' De geschiedenis van de wijsbegeerte was dus aan de systematische filosofie ondergeschikt.
Beter nog bleek Vollenhovens systematische insteek uit de wijze waarop hij de geschiedenis van de wijsbegeerte categoriseerde. Omdat hij het woord van God als normerend voor het gehele leven beschouwde, nam hij dit als de maatstaf voor ieder filosofisch denken. 'Derhalve hangt het probleem der voornaamste periodiseering van de geschiedenis der philosophie ten nauwste samen met de geschiedenis der verhouding van de wijsbegeerte tot de Woordopenbaring', aldus Vollenhoven in de inleiding tot zijn Geschiedenis der wijsbegeerte. Iedere systematische filosoof moet een stand punt bepalen tegenover God, tegenover de wet die Hij gegeven heeft en tegenover de door Hem geschapen kosmos. Dit v66rwetenschappelijke stand punt was voor Vollenhoven het uitgangspunt voor een beschrijving van de betreffende filosofische conceptie.
Vollenhoven werkte dit - het moge hier kort in herinnering worden geroepen - naar
twee kanten uit. In de eerste plaats stelde hij dat iedere periode uit de geschiedenis van de filosofie, zoals de Verlichting, het idealisme en het positivisme, zich kenmerkt door een omlijnde visie op 'de plaats der wet', ofwel door een standpunt inzake de fundering van normativiteit, van goed en kwaad en van het recht. Een dergelijke periode noemde hij een 'tijdstroming'. In de tweede plaats onderscheidde Vollenhoven 'typen' of 'denktradities', die zich gelijktijdig, binnen een bepaalde tijdstroming kunnen voordoen. Waar tijdstromingen zich uitspreken over normen, hebben typen betrekking op de feitelijke structuren van de werkelijkheid. Ze spreken zich uit over 'de verticale structuur van dingen en rijken'. Deze typen blijven niet tot een tijdstroming beperkt, maar kunnen te allen tijde voorkomen. Vollenhovens probleemhistorische methode was daardoor een samenspel van horizontale en verticale lijnen. 'In een conceptie kruisen dus steeds een bepaalde tijdstroming en een bepaald type', vatte Vollenhoven
samen. 'Vandaar dat een conceptie eerst goed doorzien is, wanneer beide - tijdstroming en type - zijn aangewezen.'
Veronderstelde objectiviteit
Vollenhoven was er op bedacht dat zijn methode niet overal met enthousiasme zou worden ontvangen. Wellicht zou het systematische, schematische karakter velen afschrikken. Daarom stelde Vollenhoven met nadruk dat hij iedere wijsgerige conceptie als uniek beschouwde en deze uniciteit, ondanks de rubricering in de Geschiedenis der wijsbegeerte, graag wilde honoreren. Hij noemde de indeling naar typen en tijdstromingen slechts het 'minimum van historicale acribie'. De schema's achtte hij, met andere woorden, niet meer dan uitgangspunten voor nadere bestudering van filosofen uit het verleden. S.U. Zuidema sloot zich in 1963 in een artikel over Vollenhoven hierbij aan. Hoewel hij enig 'cultuurhistorisch reliëf' in de methode node miste -een belangrijke filosoof en een derderangs denker werden ten onrechte op dezelfde wijze gecategoriseerd -achtte hij een strakke indeling nodig om lijnen door de geschiedenis te kunnen trekken. 'Zij (de probleemhistorische methode) zal gaarne gewonnen geven, dat geen wijsgerige conceptie van een denker van betekenis samenvalt met die van een tweede denker van enig formaat. Zij zal zelfs een open oog hebben voor het feit, dat elke conceptie van enige importantie jets unieks biedt, dat in zijn enigheid onanalyseerbaar is, en als totaliteit meer is dan de delen, waaruit het is samengesteld, daar ook de samenstellende delen meer zijn dan losse fragmenten, en slechts door hun functie in het geheel en dank zij het geheel waarin zij een plaats hebben, tot hun recht komen. Maar zij zal terstond opmerken, dat bij consequente toepassing van deze gedachte het onmogelijk is geworden om een geschiedenis der filosofie te schrijven, daar zij geen ruimte laat voor samenhang en verband, voor vergelijkbaarheid en ontwikkeling.'
Hoe plausibel dit argument wellicht klinkt; de recensenten van Vollenhovens Geschiedenis der wijsbegeerte oordeelden anders. Zo sprak het tijdschrift Gnomon over een 'klassifikatorischen Gefangnis'. 'Durch Klassifikation will er (Vollenhoven) zur Interpretation gelangen,
und in der Tat, durch den Panzer seines gewaltigen, in einer groBen Tabelle dargestellten Einteilungsschemas dringen keine Pfeile historischer Kritik', aldus recensent H. Kuhn. Hoewel dergelijke oordelen volgens Dooyeweerd Vollenhovens methode geen recht deden, merkte ook hij op dat '...the schematic manner in which thinkers were classified could occasion criticism that was not altogether un- founded.' De methode loopt het risico de rol van de logica in het historisch onderzoek te overschatten, oordeelde hij.
Vollenhoven bracht hiertegen reeds in de inleiding van de Geschiedenis der wijsbegeerte in, dat de schema's door hem niet op het wijsgerige verleden werden gesuperponeerd, maar dat deze als vanzelf voortvloeiden uit het bestudeerde materiaal. Letterlijk schreef hij, dat ten aanzien van het verleden ' ...noch de chronologische orde noch het systematische verband door den onderzoeker mag worden geconstrueerd: beide dienen, integendeel, door ons uit de bronnen, die ons omtrent den stand van zaken in het verleden inlichten, te worden afgelezen, zoodat onze taak zich beperkt tot het zoeken en aantoonen van zulke verbanden.' De ordening van wijsgerige concepties in de Geschiedenis der wijsbegeerte was volgens Vollenhoven dus uitsluitend gebaseerd op het historische materiaal. Hiermee had hij een weerwoord op de hierboven aangehaalde verwijten.
Dit antwoord riep echter direct een volgend probleem op. Waar Vollenhoven schreef verbanden in het historische materiaal te willen aflezen en aantonen, leek hij een objectieve geschiedschrijving na te streven, in de zin dat hij het verleden
wilde reconstrueren 'wie es eigentlich gewesen'. Dit werd bevestigd door zijn opmerking dat een historicus van de filosofie zich moet toeleggen op 'het blootleggen van systematisch verband', waarbij een 'met betrekking tot het geheel der geschiedenis gevergde onpartijdigheid' dient te worden betracht. Een dergelijk objectiviteitsideaal was echter niet onproblematisch. AI in Vollenhovens dagen hadden velen het positivistische streven naar objectiviteit de rug toegekeerd, vanuit de erkenning dat een onderzoeker zijn eigen vooronderstellingen en preoccupaties nimmer terzijde kan schuiven. Het is opmerkelijk dat Vollenhoven hieraan goeddeels voorbijging, temeer daar binnen de reformatorische wijsbegeerte veel aandacht bestond (en bestaat) voor niet-wetenschappelijke vooronderstellingen. Het blijft onduidelijk of en hoe Vollenhoven deze pijlers van zijn wijsgerige denken op consistentie dacht te kunnen brengen.
Philosophia perennis
Een strakke systematiek en een veronderstelde objectiviteit van de historicus waren niet de enige problemen waarmee Vollenhovens probleemhistorische methode te kampen kreeg, al was dit wel de voornaamste kritiek van de recensenten. De methode riep namelijk ook de vraag op in hoeverre denkers uit verschillende tijden adequaat in een categorie konden worden ondergebracht. Prodikos en Ch. Darwin rekende Vollenhoven qua type bijvoorbeeld beiden tot de niet-contradictoire, monistische, kosmogono-kosmologische, niet-mythologiserende denkers met een fytologische wisselwerkingstheorie, hoewel ze meer dan twee millennia van elkaar gescheiden leefden. Zoals gezegd achtte Vollenhoven weliswaar elke filosofische conceptie uniek, maar blijft in zijn ogen een bepaald type door de tijd heen constant. De historicus van de filosofie stuit op '... themata, wier verbinding soms hoog modern moge zijn, maar die zelf maar al te vaak de neerslag eener uiterst gecompliceerde traditie in de geschiedenis der wijsbegeerte blijken.'
Vollenhoven citeerde met instemming zijn leraar J. Woltjer waar deze in Ideëel en reëel de middeleeuwse universaliastrijd '...in den grond, onder allerlei vormen, ook nog de strijd onzer dagen...' noemde.
Evenals zijn tijdgenoten B.A.W. Russell en K. Jaspers was Vollenhoven van mening dat wijsgerige problemen een tijdloos karakter hadden. Deze opvatting vloeide voort uit zijn eerdergenoemde stelling dat alle filosofen zich, onwillekeurig de tijd of omstandigheden waarin ze leven, genoodzaakt zien een visie op de plaats der wet en de door God geschapen kosmos te ontwikkelen. Voor Vollenhoven kwam het geloof in philosophia perennis derhalve voort uit het geloof in de schepping. God gaf de door Hem geschapen kosmos een structuur. Daarom sprak Vollenhoven over 'scheppingsstructuren', die de kosmos tot het eind der tijden dragen. Ieder mens en derhalve ook iedere filosoof dient met deze structuren rekening te houden. Filosofie is daarom, zoals Vollenhovens leerling A.W. Begemann opmerkte, in principe tijdloos en daarnaast ook primair ontologisch georiënteerd. Een andere leerling, C.G. Seerveld, sprak eveneens expressis verbis over tijdloosheid van filosofische problemen bij zijn leraar: 'The fact that there are
similar philosophical responses made in time to the basic core of recurrent, creational meaning-problems, and therefore definite, fairly closed types of philosophy, is very humbling: there is nothing radically new under the sun in the history of philosophy...'
Een voor de hand liggend bezwaar tegen deze wijze van filosofiegeschiedenis was haar ahistorische karakter. Ze leek weinig tot geen rekening te houden met de historische context waarin een filosofische conceptie ontstaat. Hoewel ze zich als geschiedenis van de filosofie afficheerde, suggereerde ze dat het object van haar onderzoek boven de tijd uitstijgt. Vollenhoven kwam hieraan in de inleiding tot de Geschiedenis der wijsbegeerte tegemoet, door op te merken dat de filosofiehistoricus op de hoogte dient te zijn van 'den invloed van sociaal leven, kunst en politiek in de Oudheid’ en van de ‘ontwikkeling van industrie, techniek en verkeer in den modernen tijd’. Hij beperkte de invloed van deze factoren op de filosofie echter tot de uitwerkingen van concepties. Ondanks sociale, politieke en culturele veranderingen bleven voor Vollenhoven de belangrijkste filosofische vragen kennelijk ongewijzigd.
Wellicht is het te ver gezocht de radicale afwijzing van dergelijke perennial questions in het postmoderne denken een oorzaak te noemen voor het geringe succes van de probleemhistorische methode. Argumenten tegen het ahistorische karakter van Vollenhovens methode kwamen bij zowel geestverwanten als recensenten voor. Toch is evident dat in een tijd waarin statische scheppingsstructuren het (christelijke) filosofische denken minder beheersen dan voorheen, een methode als die van Vollenhoven weinig aansluiting vindt. Binnen de reformatorische wijsbegeerte is sinds de tijd van Vollenhoven meer aandacht gekomen voor het ‘antwoordkarakter’ van de werkelijkheid – een notie die aanzienlijk minder statisch is dan die van scheppingsstructuren. Zoals H.G. Geertsema in zijn Groningse oratie stelde: '...in hun antwoord-zijn zijn ze (de dingen) open en dynamisch, betrokken op veranderende omstandigheden en relaties, niet gefixeerd in een onveranderlijke definitie.' De mens verstaat Gods 'belofte-bevel' niet in algemene
zin, maar uitsluitend in zijn eigen concrete situatie, aldus Geertsema. Deze dynamische insteek is moeilijk op een lijn te brengen met die van Vollenhoven.
Tot slot
Vollenhoven bedoelde met zijn probleemhistorische methode een verantwoorde aanzet tot geschiedschrijving van de filosofie te geven. Hij had met zijn methode een didactisch doel voor ogen en beoogde met zijn systematiek een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van christelijke wijsbegeerte. In het voorafgaande zijn enkele redenen genoemd waarom de methode op den duur niet standhield, of althans door velen terzijde werd gelegd. Op theoretisch niveau was de veronderstelde objectiviteit van de historische arbeid aanvechtbaar. Meer praktisch gekleurd was het bezwaar dat de methode door haar ahistorische karakter aan het eigene van het verleden te weinig recht deed. Ten slotte oogde de methode door haar systematische aard voor velen als een 'klassifikatorischen Gefangnis'. Deze bezwaren deden de balans voor Vollenhovens methode ongunstig uitslaan.
In het licht van dit alles is het opvallend dat sommigen heden ten dage de methode nog typeren als 'een gids voor vernieuwing' (A. Tol) of als een 'promising method' (K.A. Bril). Enerzijds geeft dit aan dat de genoemde kritiek niet allen uit de school van Vollenhoven heeft overtuigd. Anderzijds zou de huidige volgelingen aangerekend kunnen worden dat zij te hoge verwachtingen van de probleemhistorische methode hebben en de kritiek hierop niet ernstig genoeg nemen. Gelet op de snelle teloorgang van de methode en de oorzaken hiervan, lijkt een ongewone attitude nodig om Vollenhovens werkwijze in de eenentwintigste eeuw te blijven hanteren.
oktober 2000
H.J. Paul studeert geschiedenis en filosofie in Groningen en werkt als wetenschapsredacteur voor het Nederlands Dagblad.
Literatuur
- Begemann, A. W, Aanvangen der Griekse wijsbegeerte (Groningen 1975).
- Bril, K.A, H. Hart en J. Klapwijk eds., The idea of christian philosophy Essays in
honour of D.H.Th. Vollenhoven, themanummer van Philosophia Reformata 38 (1973).
- Bril; K.A. ed.., Vollenhoven's laatste werk, 197()-1975(Amsterdam 1982).
- Bril, KA., 'A comparison between Dooyeweerd and Vollenhoven on the historiography of
philosophy', Philosophia Reformata 60 (1995) 121-146.
- Geertsema, H.G., Horen en zien. Bouwstenen voor een kentheorie (Amsterdam 1985).
- Kerferd, G.B., recensie in The classical review 112 (1952) 76-76.
- Kuhn, Helmut, recensie in Gnomon 25 (r953) 191-192.
- Stellingwerff, Johan, D.H.Th. Vollenhoven (1892-1978) Reformator der wijsbegeerte
(Baarn 1992).
- Tol, A en KA. Bril eds., Vollenhoven als wijsgeer. Inleidingen en teksten (Amsterdam 1992).
- Tol, A., 'Vollenhovens probleemhistorische methode tegen de achtergrond van zijn
systematisch denken', Philosophia Reformata 58 (1993) 2-27.
- Vollenhoven, D.H.Th., Geschiedenis der wijsbegeerte I. Inleiding en geschiedenis der
Griekse wijsbegeerte v66r Platoon en Aristoteles (Franeker 1950).
- Vollenhoven, D.H. Th., Kort overzicht van de geschiedenis der wijsbegeerte voor den
cursus paedagogiek M O.A. (Amsterdam 1963).
- Zuidema, S.U., 'Vollenhoven en de reformatie der wijsbegeerte', Philosophia
Reformata 28(1963) 134-146.