>> home >> agenda >> netschrift >> bijdragen

DECONSTRUCTIE VAN EEN DESTRUCTIEVE KRITIEK:
HERMAN PAUL OVER VOLLENHOVENS PROBLEEMHISTORISCHE METHODE

door A. (Tony) Tol

Inleiding

In de aflevering van oktober 2000 van Beweging is een artikel geplaatst, binnen de rubriek “kritische discussie”, dat D.H.Th. Vollenhovens probleemhistorisch werk bespreekt onder een vetgedrukte titel Het probleem van Vollenhovens [sic] probleemhistorische methode. Er wordt hier inderdaad "kritiek" geuit op het werk van Vollenhoven. Na diverse keren het artikel te hebben doorgenomen, kan schrijver dezes echter niet anders concluderen, dan dat, waar de redactie van Beweging van een “vloeiend betoog” spreekt (blz.2), de hoofdlijn van het artikel een opeenstapeling is van onjuistheden en suggestieve opmerkingen. Dit is zeer te betreuren. Het zou te wensen zijn dat een werkelijk kritische discussie van Vollenhovens werk gevoerd werd. Maar zo’n discussie moet natuurlijk een degelijke en relevante kennis van het onderwerp als basis hebben. De auteur, de heer Herman Paul, geeft echter blijk van een dusdanige oppervlakkige en gebrekkige kennis van Vollenhovens probleemhistorische methode, dat een discussie op basis van de door hem geformuleerde problemen, nauwelijks zin heeft. Maar de lezer van Beweging die niet vertrouwd is met Vollenhovens werk, kan niet weten dat de door de auteur genoemde “problemen” zelf uiterst problematisch zijn en een verwrongen beeld van Vollenhovens werk oproepen. Vandaar dat ik in deze repliek voornamelijk het problematische karakter van het bewuste artikel wil aangeven en de door de heer Paul genoemde problemen toetsen.
Het hoofdprobleem, zoals dat door de auteur wordt geformuleerd, is de "snelle afkalving" van interesse in Vollenhovens probleemhistorisch werk na diens dood (in 1978) (blz.22, kol.2). Daarvoor geeft hij drie hoofdoorzaken aan: een te strakke systematische insteek, een veronderstelde objectiviteit van het historische veld van onderzoek, en de opvatting van wijsgerige problemen als tijdloos. Laten we eerst zien waar de “afkalving” op slaat.

Afkalvende interesse?

De auteur memoreert terecht dat Vollenhoven grootse plannen had ten aanzien van zijn historisch werk. Hij wilde de gehele geschiedenis van de wijsbegeerte bespreken volgens de probleemhistorische methode. Van de geplande negen of tien delen is alleen het eerste deel over de Preplatonici verschenen. Niet na, maar vooraf aan de verschijning van dit deel was er reeds sprake van de hulp van anderen, met name K.J. Popma en S.U. Zuidema. Dat deze samenwerking niet van de grond kwam, ligt - praktisch-financiële aangelegenheden daargelaten - niet alleen aan de specifieke eisen die Vollenhovens methode stelde, maar tevens aan de voortdurende ontwikkeling en uitbouw van de methode zelf. Vollenhoven bracht steeds verbeteringen in de methode aan, die op colleges en, na zijn emeritaat, tijdens privatissima werden kenbaar gemaakt. Wie dus niet in de gelegenheid was Vollenhoven op de voet te volgen kon alleen met grote voorzichtigheid, of op z’n eigen manier, met de methode werken. Zolang de methode nog in ontwikkeling was, was er behoefte aan "feed back" van Vollenhoven zelf. Houdt men ook rekening met het feit dat Vollenhoven beter was in het werken met de methode dan in het uitleggen ervan, dan wordt duidelijk dat alleen de directe leerlingen van Vollenhoven in de gelegenheid verkeerden de nodige kennis op te doen van Vollenhovens historiografisch werk. Aan deze feitelijke omstandigheden gaat de auteur voorbij, omstandigheden die alles te maken hebben met het taxeren van “interesse” voor de methode.

De "snelle afkalving" waar de auteur van spreekt, zou voornamelijk blijken uit een dissertatietelling vóór en na Vollenhovens dood. Het noemen van drie proefschriften waarin Vollenhovens methode gebruikt werd - de proefschriften van J.A.L. Taljaard en C.G. Seerveld worden in dit verband niet genoemd - is nu niet bepaald een overtuigend bewijs van een groot interesse! Hoe beperkt dit aantal ook is, het is nog altijd meer dan de (tot nog toe) éne dissertatie (van K.A. Bril) na Vollenhovens dood. Maar - zo moet toch gevraagd worden - is het niet erg simplificerend in dit verband met slechts dit éne criterium van een dissertatietelling te werken om een historische tendens aan te geven? Wat dit criterium wel duidelijk maakt is het belang van begeleiding, en dus de aanwezigheid van Vollenhoven zelf bij deze studies. Maar dit zegt zeker niet alles over de interesse in, of het belang van de probleemhistorische methode los van de persoon van Vollenhoven.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Vollenhovens historische werk nooit een grote inhoudelijke belangstelling heeft gehad. Niemand wist dat beter dan Vollenhoven zelf. Pas in 1962, een jaar vóór hij met emeritaat ging, verschenen de “Schematische Kaarten”. Met deze kaarten gaf Vollenhoven voor het eerst een gedetailleerd en algeheel overzicht van kale resultaten (gerubriceerde namen van denkers), bereikt met zijn methode van onderzoek. Hij was zich ervan bewust dat zijn werk of zijn methode niet “levensvatbaar” zou zijn als het niet door directe volgelingen zou worden opgepakt. Toen echter bleek dat “verscheiden leden der jongere generatie in gelijken geest” met de methode werkten - let op de erg bescheiden “verscheiden leden” (zie het citaat, blz.22, kol.2) - , putte de oude Vollenhoven hier moed uit en sprak het vertrouwen uit dat zijn werk hem zou overleven. Was deze uitspraak nu “de plank misslaan”, zoals de auteur beweert?

Na zijn dood werd onmiddellijk het Vollenhovenarchief opgezet, waardoor het mogelijk werd op verantwoorde wijze studie te maken van Vollenhovens werk en zijn denkontwikkeling. Verscheiden volgelingen van Vollenhoven houden zich hier momenteel mee bezig. In 1992, ter gelegenheid van Vollenhovens honderdste geboortejaar, werd een symposium gehouden aan de VU over diverse aspecten van zijn werk, en ook werd een biografie van Vollenhoven aangeboden. In datzelfde jaar verscheen ook de dissertatie van J.H. Kok over de vroege ontwikkeling van Vollenhovens denken. Daarna is er een Vollenhovenstichting in het leven geroepen, die Vollenhovens nalatenschap beheert en zich tot doel stelt publicabele delen van die nalatenschap uit te geven alsmede studies van Vollenhovens werk te stimuleren. Dan zijn er in de laatste tien jaar vrij regelmatig wetenschappelijke artikelen over Vollenhovens werk verschenen. Ook verschijnen er in het buitenland publicaties in de geest van Vollenhoven, en worden daar momenteel publicaties voorbereid. Last but not least - alhoewel de auteur dit niet kon weten toen hij zijn artikel schreef - is aan de kritische uitgave van Vollenhovens “Schematische Kaarten” door K.A. Bril en P.J. Boonstra, onlangs de Dooyeweerd-prijs toegekend. Meer publicaties liggen in de planning. Langzaam worden we in staat gesteld een balans op te maken.

Wie deze ontwikkeling overziet, zal grote moeite hebben met de kwalificatie “snelle afkalving” van de auteur. Er wordt gewoon niet gezien wat er te zien is. Dit heeft voor de “kritische discussie” van de auteur verstrekkende gevolgen. Er hoeven namelijk geen oorzaken aangevoerd te worden voor wat niet bestaat en nooit heeft bestaan. Natuurlijk is er een groot verschil te constateren in de activiteiten rond de methode vóór en na Vollenhovens dood. Maar dat heeft te maken met de persoonsverbondenheid en niet met afkalvende interesse. Dus hiermee vervalt het hoofdprobleem van de auteur. De bespreking echter van de “oorzaken” die de auteur toch voert (zie de drie bovengenoemde), is dan beter te zien in verband met iets anders, namelijk met drie interpretatieproblemen van Vollenhovens probleemhistorische methode. Over interpretatie valt natuurlijk het een en ander te zeggen, en zeker wanneer, zoals de auteur doet, uitspraken van anderen zomaar worden gebruikt voor een eigen lezing van Vollenhovens werk. Ik zal daarom de drie genoemde problemen als interpretatieproblemen de revue laten passeren. Ik gebruik in dit verband dezelfde aanduidingen van de drie hoofddelen van de bespreking van de auteur.

1. "Systematische insteek"

De bedoeling van dit eerste hoofddeel wordt aan het begin van het derde hoofddeel duidelijk gesteld: de probleemhistorische methode kampt met een te strakke systematiek (blz.24, kol.2). Het probleem dat hierdoor ontstaat - althans dat wordt hier gesuggereerd - is dat de geschiedenis van de filosofie ondergeschikt gemaakt wordt aan de systematische filosofie. Dit blijkt uit de volgende overwegingen: (i) geschiedschrijving heeft “louter een propedeutische functie” bij Vollenhoven (blz.23, kol.1), (ii) Vollenhoven hanteert een voor-wetenschappelijk standpunt als uitgangspunt voor geschiedschrijving (blz.23, kol.1-2), en (iii) Vollenhovens methode komt neer op een samenspel van horizontale en verticale lijnen (van resp. tijdstromingen en typen) (blz.23, kol.2).

Wat bij de bespreking van dit onderwerp of "probleem" geheel ontbreekt, maar wat met de essentie ervan te maken heeft, is het inzicht dat Vollenhoven met zijn probleemhistorische methode op wetenschappelijk verantwoorde wijze het gebied van de geschiedenis van de filosofie wilde bestuderen. Vanzelfsprekend hebben we dan te maken enerzijds met algemene veronderstellingen ten aanzien van wetenschapsbeoefening, anderzijds met de opzet of condities - die niet anders dan systematisch kunnen zijn - van de methode van onderzoek zelf. Binnen het huidige postmodernistische klimaat staat men niet lang stil bij voorwaarden. Maar wie door deze slordigheid heen kan kijken, zal ook kunnen inzien dat rekening houden met voorwaarden voor de studie van filosofie-geschiedenis nog niet hetzelfde is als die geschiedenis ondergeschikt maken aan systematiek.

Wat deze ondergeschiktheid bij voorbaat inhoudelijk tegenspreekt is Vollenhovens notie van tijdstroming. Het hele spreken van tijdstromingen is bedoeld om historisch opeenvolgende fasen of perioden aan te geven, die niet alleen wijsgerig denken beïnvloeden, maar ook de wetenschapsbeoefening en het culturele leven. We komen op dit punt terug bij de bespreking van de verhouding tussen tijdstromingen en typen.

Maar laten we nu de drie punten nagaan die de auteur in zijn discussie van dit eerste "probleem" naar voren brengt.

Ad i. Hoe de auteur tot zijn stelling komt dat geschiedschrijving bij Vollenhoven "louter een propedeutische functie" zou hebben, is een raadsel. De verhouding tussen systematiek en geschiedschrijving bij Vollenhoven is complex, en verdient ongetwijfeld opgehelderd te worden. Maar nooit heeft geschiedschrijving bij hem slechts een propedeutische functie. Wel zag Vollenhoven in geschiedenisstudie een pedagogisch moment: we kunnen en dienen van geschiedenis te leren tot in het hoogste niveau van wijsgerig denken, opdat men niet onbewust de fouten van het verleden herhaalt of voortzet. Een voor Vollenhoven belangrijke “hoofdfout” is wat hij “synthese” noemt, namelijk die synthese waarbij “pagane begrippen met Schriftuurlijke themata” (zie blz.23, kol.1) verbonden worden. Hiermee wordt, volgens hem, zowel aan Schrift-verstaan als aan de beoefening van de wijsbegeerte onrecht gedaan, en leidt dit tot metafysische constructies en een intellectualisering van de (christelijke) religie. Geschiedenis-studie kan ons inzicht verschaffen in het ontstaan en doorwerking van dergelijke misstanden, en ons gevoelig maken voor hun mogelijke doorwerking in ons eigen denken en doen. Dit is niet geschiedenis aan systematiek ondergeschikt maken; dit is historisch onderzoek verrichten vanuit een principiële probleemstelling.

Ad ii. Inzake het zgn. "voor-wetenschappelijke standpunt" van Vollenhoven als uitgangspunt voor een filosofische conceptie, lopen verschillende zaken door elkaar, nog los van een zeer onnauwkeurig lezen in dit verband van een geciteerde uitspraak van Vollenhoven (waarover straks). Hier lopen met name de algehele vooronderstellingen van wijsgerig denken en de bepalingen van een wijsgerige conceptie door elkaar. Het spreken van “God-wet-kosmos” heeft bij Vollenhoven te maken met de (levensbeschouwelijke) vooronderstellingen van wijsgerig denken. Het is daarom ook van betekenis voor een wijsgerige conceptie. Echter dit een “uitgangspunt voor een beschrijving van ...[een] filosofische conceptie” (blz.23, kol.2) te noemen, is misleidend, althans op de wijze waarop de auteur dit aangeeft. Een wijsgerige conceptie wordt namelijk door Vollenhoven beschreven vanuit wat hij “kosmische bepaaldheden” noemde (van modale eenheid en veelheid, inter- en intra-individualiteit, structuur-genesis). Zo’n conceptie weerspiegelt de opvatting van een denker betreffende de structuur van de werkelijkheid. Zo’n opvatting is echter geen autonome verworvenheid, maar zal deels door specifieke voorgangers aangereikt zijn, deels geformuleerd worden vanuit een relevante aansluiting op levensvragen van de denker of vanuit zijn tijd. Dit alles speelt zich af op het “niveau” van de kosmos, en is daarom bespreekbaar vanuit de voorwaarden die voor zo=n conceptie gelden. Maar de activiteit van het verwerven van een conceptie door de denker vraagt ook om aandacht. Hier hebben we te maken met de vraag hoe een denker in zijn tijd staat en hoe hij met de problemen die het wijsgerig denken uitdagen, omgaat. Het is hier dat de historicus, volgens Vollenhoven, vooral op levensbeschouwelijk gezagvolle uitgangspunten dient te letten. Zulke uitgangspunten leggen een verband tussen een conceptie en de opvatting (of visie) aangaande “de plaats van de wet”, want een conceptie vertoont een ordening waarin het gezagvolle dat men aanneemt, verankerd wordt. Dit "niveau van de wet" heeft dus te maken met de visie op en de voorwaarden van normativiteit en is breder dan wat voor een specifieke conceptie geldt. Omdat, tenslotte, de geschiedenis van spanningen en een grote onrust getuigt ten aanzien van het vinden en aanhangen van dergelijke gezagvolle uitgangspunten, is een nog omvattender perspectief nodig om te peilen wat datgene is waar het verschijnsel van de historische periodisering (de onrust omtrent het gezagvolle) mee te maken heeft. Hier ziet Vollenhoven de meest directe relevantie van de Woordopenbaring voor de wijsbegeerte.

Ik herhaal nu het citaat van Vollenhoven die de auteur in dit verband geselecteerd heeft: "Derhalve hangt het probleem der voornaamste periodiseering van de geschiedenis der philosophie ten nauwste samen met de geschiedenis der verhouding van de wijsbegeerte tot de Woordopenbaring” (blz.23, kol.1). Let op hoe voorzichtig en secuur Vollenhoven zich uitdrukt: het probleem wat betreft de voornaamste periodisering van de geschiedenis van de filosofie, kan niet opgelost worden zonder rekening te houden (vanwege de “nauwste samenhang”) met de verhouding van wijsbegeerte tot de Woordopenbaring. De auteur nu voert dit citaat aan als steun voor zijn opmerking, die aan het citaat voorafgaat: “Omdat hij [Vollenhoven] het woord van God als normerend voor het gehele leven beschouwde, nam hij dit als de maatstaf voor ieder filosofisch denken.” Niets van de voorzichtige aanduiding van Vollenhoven is terug te vinden in het gebruik door de auteur van “maatstaf” en (iets verder op) van “uitgangspunt voor een beschrijving van een wijsgerige conceptie". De auteur lijkt daarom te suggereren dat voor Vollenhoven filosofisch denken kant en klaar vanuit de Schrift beoefend of getoetst kan worden, zonder zich verder met algemene of specifieke voorwaarden in te hoeven laten. Zou de auteur een dergelijke suggestie toch niet bedoeld hebben, dan heeft hij toch volledig over het hoofd gezien dat het nauw samengaan van wijsbegeerte en Woordopenbaring bij Vollenhoven in eerste instantie blijkt uit de visie op de periodisering van de geschiedenis van de wijsbegeerte, en niet in de systematiek (of ontologie) van een conceptie. “Lees niet een ontologie in de Schrift” hield hij zijn gehoor vaak voor (zie bijv. A.Tol/K.A.Bril, Vollenhoven als wijsgeer, Amsterdam, 1992, blz. 206). Met andere woorden, ook hier hebben we geenszins te maken met een ondergeschiktheid van de geschiedenis aan de systematiek.

Ad iii. Te beweren dat Vollenhovens methode neerkomt op een samenspel van horizontale en verticale lijnen, en dit aan te voeren als wederom een bewijs van de ondergeschiktheid van geschiedenis aan systematiek, is zo ondoordacht als het verwarren van een menukaart met het diner dat de kaart beschrijft. Zou de opmerking alleen beschrijvend bedoeld zijn, los van de bedoeling van de auteur, dan is er iets voor te zeggen. Maar dan moeten we ons wel afvragen wat precies beschreven wordt. Het kruispunt van verticale en horizontale lijnen (respectievelijk type en tijdstroming) geven de plaats van een conceptie aan voorzover hier een type van denken vertegenwoordigd wordt, dat een structurele verwantschap vertoont met een vroeger denken (type), en de geest van de (dan relevante) tijd benoemt waarin gedacht werd (besef van normering). Het samenspel van horizontale en verticale lijnen is in dit verband een wetenschapsfilosofische aangelegenheid, want het maakt een tweedimensionale vergelijking van concepties mogelijk. Wanneer Vollenhoven in dit verband van een "minimum van historicale acribie" sprak (van de concept-beschrijving of concept-plaatsing zelf; nadruk van A.T.), dan geeft dit aan wat hier als minimale voorwaarde in acht dient te worden genomen bij een studie van de geschiedenis van de wijsbegeerte. Tijdstroming- en type-bepaling van een conceptie zijn geen eindpunten van onderzoek, maar beginaanduidingen van wat inhoudelijke wijsgerige besprekingen dienen te worden. Wat ermee aangegeven wordt is welke systematische inzichten of visies uit de traditie, die als erfenis voor een denker gelden, door een denker worden aangegrepen (type), en in welke geest die keuze verwerkt wordt (tijdstroming), gelet op de actuele problematiek waarmee de denker te maken heeft. Heeft die verwerking enige betekenis, dan wordt dit denken vervolgens een historische mogelijkheid voor toekomstige generaties. Met andere woorden, het opereren met de noties van tijdstroming en type geeft in een notendop de historische werkzaamheid van een conceptie aan. Dus het samenspel van horizontale en verticale lijnen geven het tegendeel aan van een ondergeschikt stellen van geschiedenis aan systematiek.

2. "Veronderstelde objectiviteit"

Ook in dit gedeelte komen er wonderlijke dingen voor. Om te beginnen, Vollenhoven zou met nadruk hebben gesteld “dat hij iedere wijsgerige conceptie als uniek beschouwde en deze uniciteit, ondanks de rubricering in de Geschiedenis der wijsbegeerte, graag wilde honoreren” (blz.24, kol.1). Waar dit in Vollenhoven te vinden is, vooral met betrekking tot het “ondanks”, zal de auteur moeten aangeven, want een vindplaats is me niet bekend. Zoals het hier staat is het eerder een lezing vanuit de sympathieke bespreking van S.U. Zuidema, dan dat Zuidema hier Vollenhoven volgt, zoals de auteur beweert. Want Vollenhoven ging uit van een andere gedachte. Iemands wijsgerige conceptie is uniek bij Vollenhoven niet “ondanks de rubricering”, zoals de auteur stelt, maar blijkens de rubricering! Wanneer de wijsgerige conceptie van een denker namelijk te onderscheiden is van die van een andere denker, dan wordt dit gemarkeerd door een verschil in tijdstroming of type of beide, afhankelijk van wat het geval is. (Een denker kan in dit verband ook eventueel de auctor intellectualis worden van een variatie op voorgaande of bestaande concepties.) Zuidema mist bij Vollenhoven de betrokkenheid van de denker bij de behandeling van wijsgerige concepties. (Er zijn namelijk “primaire” en “secundaire” denkers, wat Vollenhoven allerminst ontkent.) Zuidema probeert aan te geven hoe dit gegeven te verdisconteren is in Vollenhovens werk. Op zich verdient dit punt bespreking, maar die zullen we hier achterwege moeten laten. Wel kunnen we stellen dat Zuidema onvoldoende rekening houdt met de wetenschappelijke pretenties van de probleemhistorische methode. Niet het “existentiële” karakter van denken gaat hierbij voorop, maar de historisch verworven mogelijkheden worden aangegeven. Bij dit laatste speelt het onderscheid tussen “grote en kleine denkers” een minder belangrijke rol. Ook een “kleine denker” kan een conceptie ontwikkelen, daarbij een (misschien onopvallende) historische mogelijkheid oppakken, maar ook doorgeven. Zoiets wilde Vollenhoven "graag honoreren", maar dit is anders dan Zuidema bedoelde.

Bij Vollenhoven kunnen meerdere denkers een zelfde conceptie huldigen. Dit doet niets af van hun mogelijk persoonlijk onderling belang. Ieder kan zich met onderling verschillende zaken bezighouden, bijv. antropologie of kennisleer. Vollenhoven bedoelt ermee aan te geven dat zij, staande in eenzelfde tijdstroming, uitgaan van een eensluidende grondopvatting inzake de structuur van de werkelijkheid. Het is de conceptuele uniciteit van die opvatting, als historische mogelijkheid, waar het Vollenhoven in eerste instantie om gaat.

Het meest wonderlijke in dit gedeelte is toch wel Vollenhovens zgn. "objectiviteitsideaal". Zoals de auteur dit hanteert, wordt het als een multifunctioneel struikelblok tegen Vollenhoven gebruikt: zijn werk is constructivistisch, positivistisch en inconsistent. De aanleiding hiervoor is een citaat van Vollenhoven waarin hij stelt dat de onderzoeker de geschiedenis niets mag opleggen, want de chronologische orde en het systematische verband moeten vanuit de bronnen blijken en mogen niet door de historicus geconstrueerd worden (zie het citaat van Vollenhoven, blz.24, kol.1). Ook dit is een - laat ik het nog eens zeggen - wetenschapsfilosofische verantwoordingsuitspraak, die o.a. bedoelt aan te geven dat historische uitspraken getoetst dienen te kunnen worden en niet speculatief ingelegd in het veld dat onderzocht wordt. Wanneer de auteur, naar aanleiding hiervan, zegt dat Vollenhoven lijkt “een objectieve geschiedschrijving na te streven, in de zin dat hij het verleden wilde reconstrueren ‘wie es eigentlich gewesen’" (blz.24, kol.2; hierbij Von Ranke nasprekend), ontgaat het hem blijkbaar dat Vollenhoven in het citaat (re)constructie expliciet heeft afgewezen en dat het citaat geheel niet oproept tot een beschrijven “wie es eigentlich gewesen”. De auteur houdt in deze wel een slag om de arm, door te zeggen dat Vollenhoven “leek” dit na te streven. Maar daarmee is de suggestie wel gewekt, en deze suggestie wordt in dezelfde alinea nog aangedikt. Dit streven, dat de auteur nu “positivistisch” noemt, zou Vollenhoven niet voldoende beseft hebben, sterker nog, hij zou voorbij gegaan zijn aan de erkenning “dat een onderzoeker zijn eigen vooronderstellingen en preoccupaties nimmer terzijde kan schuiven” (blz.24, kol.2). Zou Vollenhoven dit werkelijk niet voldoende beseft hebben, hij die zo nadrukkelijk van algemeen religieuze bepalingen van wijsgerig denken sprak en van wetenschapsfilosofische condities van de studie van de geschiedenis van de filosofie in het bijzonder? Dat de auteur hier een inconsistentie vermoedt tussen "niet-wetenschappelijke onderstellingen" en het "positivistisch streven", ligt geheel aan de auteur. Wie begrijpt dat onderstellingen en bepalingen in eerste instantie het wetenschappelijk denken oriënteren, is niet in het minst geremd in zijn omgang met feiten en standen van zaken; integendeel, er is dan een context die die omgang bespreekbaar maakt en waardoor verantwoording af te leggen is. Dat Vollenhoven in dit verband van “onpartijdigheid” - dus toch positivisme? - zou spreken, is erg kort door de bocht. Ten aanzien van de vraag of zijn werk een “toppunt van partijdigheid is”, antwoordt Vollenhoven “ja en neen”. Hij zegt: “Ja, inzoverre als men geen stap in [de studie van de geschiedenis van de filosofie] wagen kan zonder partij gekozen te hebben in den groten, geheel de geschiedenis, dus ook die der wijsbegeerte omspannenden strijd voor of tegen den Christus,[....] Neen, inzoverre als men, juist door hier partij te kiezen, boven de [...] aan al de concepties der gangbare wijsbegeerte inhaerente partijdigheid, uit is" (D.H.Th. Vollenhoven, "Conservatisme en progressiviteit in de wijsbegeerte”, in Tol/Bril, a.w., blz. 315-316).

3. "Philosophia perennis"

De bespreking van de vorige twee "problemen" hebben de meeste steun voor het derde "probleem" reeds weggenomen. Het probleem hier zou zijn het ahistorisch karakter van de geschiedenis van de filosofie volgens de probleemhistorische methode. De auteur concentreert zich nu geheel op de typen. Hier komen namelijk de wijsgerige thema=s voor die een voortdurend karakter hebben, en dus de “philosophia perennis” gedachte oproepen. Ter illustratie wordt uit de Griekse oudheid, Prodikos, en uit de moderne tijd, Charles Darwin, genoemd wiens denken tot hetzelfde type van wijsgerige concepties behoort, een type dat vervolgens met Vollenhoveniaanse termen wordt aangegeven. Wat moet dit illustreren, vooral wanneer die termen niet worden uitgelegd? Gaat het er soms om aan te geven hoe ver Vollenhoven zijn “constructie” van de geschiedschrijving van de wijsbegeerte doorzet en daarbij juist de werkelijke geschiedenis negeert? Dit wordt zo niet beweerd, maar wel gesuggereerd. Afgezien van het feit dat de auteur bij dit voorbeeld van een verouderde typologisering van de twee denkers uitgaat, wordt ook hier Vollenhovens probleemstelling onrecht gedaan, en voorzover het de auteur aan kennis ontbreekt, wordt naar andere verwezen (A.W. Begemann, C.G. Seerveld) om zijn eigen probleemstelling steun te verlenen.

Om te beginnen moet opgemerkt worden dat de auteur onder het "minimum van historicale acribie" duikt wanneer hij de notie van een type gaat afzonderen van een tijdstroming. Uiteraard kan men typen en typologie bespreken, wat Vollenhoven en ook Bril hebben gedaan, bijvoorbeeld om didactische redenen. Wanneer alle aandacht op typologie valt, wordt, door weglating van tijdstromingen, die de historische opeenvolging en spanningen vastleggen, de bespreking niet anders dan systematisch of ontologisch. Dat vanuit zo’n benadering geschiedschrijving ondergeschikt lijkt te worden aan systematiek, is dan vanzelfsprekend. Dit treft dan natuurlijk niet Vollenhoven, maar degene die onder het minimum van historicale acribie duikt.

De auteur ziet in de gestalte van de typologie het ahistorische karakter van de probleemhistorische methode. Het voorgaande heeft duidelijk gemaakt dat die zienswijze voor de verantwoording van de auteur komt. We zouden de bespreking hierbij kunnen afsluiten ware het niet dat de auteur er iets bijhaalt dat misschien als het meest hardnekkige misverstand ten aanzien van Vollenhovens denken geldt. De auteur spreekt in dit verband van Vollenhovens “geloof in philosophia perennis”, dat voortkomt uit “het geloof in de schepping” (blz.24, kol.2).

Het spreken van een "geloof in de schepping" ten aanzien van Vollenhovens denken, is wel erg ongelukkig geformuleerd. Types vertegenwoordigen een visie op wat Vollenhoven inderdaad noemt “de structuur van de geschapen werkelijkheid”. Wanneer de auteur dit uitlegt als “God gaf de door Hem geschapen kosmos een structuur. Daarom sprak Vollenhoven over ‘scheppingsstructuren’, die de kosmos tot het eind der tijden dragen” (blz.24, kol.2), dan legt hij Vollenhoven een wijsgerig realisme in de mond, een realisme dat Vollenhoven in ieder geval vanaf begin jaren 30 bestreden heeft. Realisten spreken van een structuur los van de kosmos. Vollenhoven heeft op vele plaatsen als zijn wijsgerige mening gegeven dat de structuur van de kosmos als inherent aan de kosmos moet worden gezien. Hoe die structuur eruit ziet vanuit Vollenhovens latere denken, heeft schrijver dezes elders trachten aan te geven (zie Phil. Ref. 60 (1995) 99-120). Kort gezegd komt het hier op neer dat structuur niet alleen met wetmatigheid te maken heeft, maar ook met relationaliteit en soortelijkheid. Deze structuur komt nooit voor, los van individualiteit of specificiteit. Juist omdat structuur niet los te zien is van wat erdoor gestructureerd wordt, hebben uitspraken zoals “structuren zijn constant” of “structuren zijn tijdloos”, een speculatief karakter, dat Vollenhoven niet voor zijn rekening neemt. Vollenhoven zag evolutie (wat hij “evolvering” noemde en scherp onderscheidde van evolutionisme) niet alleen in de maatschappij en de levensvormen, maar ook in de fysische natuur. Hij hield in ieder geval rekening met de mogelijkheid van een zeer dynamische werkelijkheid. Dit wordt in de typologie van de probleemhistorische methode op indirecte wijze weerspiegeld door de veelheid van typen die de geschiedenis van de filosofie bevat. Het duiden van structuur is geen sinecuur, vandaar dat er in de loop van de geschiedenis zoveel pogingen of alternatieven zijn te vinden.

Wanneer Vollenhoven dus van "God-wet-kosmos" spreekt, dan wordt onder "wet" iets anders verstaan dan de structuur van de geschapen kosmos. “God laat niet varen het werk Zijner handen” wordt in een eredienst vaak gehoord. Dat werk is door het scheppingsbevel tot aanzijn geroepen en “afgeleverd” met allerlei inherente mogelijkheden en dus structuren. Maar het is niet “zelf-richtend” of innerlijk normerend, want goed en kwaad bestaan niet krachtens schepping. Daarvoor acht Vollenhoven een “richtingbepalend gebod” nodig, die de mens “vanuit zijn hart” tot een keuze van richting oproept. De essentie van normering of het richtinggevende ziet Vollenhoven in de Woordopenbaring, gecentreerd in het liefdegebod, belichaamd in de Christus. De reactie in ongeloof op dit gebod is waar de tijdstromingen van getuigen. Vollenhoven zou in de uitdrukking “geloof in de schepping” een vergoddelijking van de schepping kunnen beluisteren, want de schepping zou dan, om geloofwaardig te zijn, als autonoom, zelf-bepalend, dus soeverein moeten worden opgevat. Vollenhoven was in deze zin nooit een creationist. Of er dus zo’n grote afstand bestaat tussen Vollenhovens denken en de gedachtes die ten aanzien van H.G. Geertsema worden vermeld, gedachtes die voor de auteur meer aanvaardbaar zijn, mag de lezer zelf bepalen.

Tot slot

Uit het voorgaande zal duidelijk zijn geworden waarom "de genoemde kritiek [van de auteur] niet allen uit de school van Vollenhoven heeft overtuigd" (blz.25, kol.2). Van Vollenhoven was en is te leren welke kritiek werkelijk ernstig te nemen is. Daaronder valt niet kritiek die op gebrek aan kennis van zaken is gebaseerd, of die in suggestie haar daadkracht moet tonen. Het is droevig wanneer geconstateerd moet worden dat wat als een hoofdprobleem gezien wordt, niet herkend kan worden, en dat de ondersteunende problemen en argumenten zo weinig stand houden bij een zakelijke ondervraging. Het is ook verontrustend, wanneer geconstateerd moet worden dat in de opgesomde literatuur, de nodige kennis aanwezig is, maar blijkbaar niet geraadpleegd. De “ongewone attitude” ligt daarom niet, zoals de auteur meent, bij “huidige volgelingen” die “een te hoge verwachting” ten aanzien van Vollenhovens werk “aangerekend kunnen worden” (blz.25, kol.2), maar bij de auteur die denkt zich op deze wijze te moeten opstellen en uitspreken.

Bijbehorende artikelen:

6 H. Paul

9 J.G. Friesen

Email SRW