>> home >> agenda >> netschrift >> bijdragen

BEANTWOORDING
VAN DE 'VRAAGPUNTEN' VAN PROF. A.K. KOEKKOEK

door Prof. Dr. A. Troost

Zie voor de bijbehorende vragen artikel 4 door A.K. Koekkoek.

Bij vraag 1

Ja, eens met Dengerink, maar Geertsema zal het daarmee ook wel eens zijn.

Tweede deel van de vraag: als het leven erkend wordt als totaal-religieus, d.w.z. in alle delen en opzichten in relatie staand met God in Christus, dan heeft ook een wetenschappelijke theorie, die een menselijke theorie is, deze relatie met God. Primair is er dan sprake van het staan in de waarheid, of in de leugen, onwaarheid. Daarvan is niets uitgezonderd.

Wie de eenheid van wetenschap en menselijk leven geloofsmatig gezien heeft, kan met Dooyeweerd zeggen: 2 maal 2 is vier en dat kan toch nog een leugen zijn, als deze deelwaarheid is losgemaakt van Hem die gezegd heeft: Ik BEN de waarheid. (Vgl.WdW II,505, NC II,572)

Bij vraag 2

Ja, ik ben het eens met Dengerink dat christelijke wetenschappelijke theorieën heenwijzingen (dus geen foto’s of reproducties) zijn naar de creatuurlijke structuren van de werkelijkheid. Menselijke pogingen tot een goed inzicht en een goede verwoording daarvan.

Het ‘bijbels-christelijk karakter’ van die theorieën schuilt echter niet alleen in de subjectieve ‘wil’ om de scheppingsrijkdom tot zijn recht te laten komen, zoals Geertsema in stelling 1a suggereert, want die wil kan oprecht en goed zijn, maar dat garandeert niet dat de gevormde theorie geen baarlijke onzin is. Het bijbels-christelijk karakter moet ook theoretisch blijken in het geven van een inhoudelijk bijbels antwoord op de noodzakelijke wetenschappelijk-filosofische grondvragen die door de filosofie zelf niet beantwoord kunnen worden, omdat die beantwoording de grenzen van de filosofie overschrijdt. De christelijke filosofie komt dan onder inspiratie van het schep­pings­geloof en in antwoord op de scheppingsopenbaring tot een filosofische interpretatie van wat de Schrift noemt het geschapen zijn van alle dingen ’naar hun aard’ en ‘in Christus’. Het lijkt me waarschijnlijk dat Geertsema het daarmee ook eens is.

Bij vraag 3

De betekenis van zondeval en verlossing voor onze wetenschapsbeoefening, is velerlei. Zij kunnen betekenen een stukje levensvernieuwing door de Heilige Geest. Zij kunnen ook meebrengen de haat van ‘de wereld’, zich uitend in misverstanden, roddel of negatie. Zo is er nog veel meer te noemen.

Bij vraag 4

Een wijsgerig systeem als dat van Dooyeweerd een ‘wereldvreemde constructie? Ja, maar niet in de zin die Hoogland bedoelde. Wel in de Bijbelse zin van het woord ‘wereld’. De verbondenheid van Dooyeweerds systeem met Gods openbaring in Christus maakt dat niet alleen het evangelie zelf, maar ook al wat daarmee sterk verbonden is (geloof, kerk, christelijke levensstijl, etc.) voor de wereld ‘dwaasheid’ is. Dat betekent niet voor ons, maar wel voor de wereld een identificatie van het evangelie met een menselijk antwoord daarop.

Bij vraag 5

Welke betekenis heeft de structuuranalyse voor:

  • de ‘dialoog’...? Dat wij met deze structuurtheorieën iets zinnigs hebben in te brengen dat in het algemeen gesproken (individuele misvattingen daargelaten) meer recht doet aan de werkelijkheid dan de meeste gangbare filosofieën. Ook dat in die dialoog de kans zich kan voordoen te getuigen van Gods genade in Christus, wanneer wij nl ons niet generen voor onze geloofsuitgangspunten terzake van de wijsgerige grond­ideeën van oorsprong, eenheid en samenhang in de verscheidenheid der werkelijkheid.
  • De beoordeling van culturen? Voorzover wij tot zulk een oordelen geroepen zijn, kunnen we er op wijzen dat door een Gode-afvallige ontsluiting in wezen minstens veel partiële toesluiting ofwel verarming van het leven plaats vindt.
  • Analyse van de samenleving? Het onderscheiden van de ‘eigen aard’ van diverse samenlevingsvormen, en het voorop plaatsen van hun eigen taak, alsmede de consequenties daarvan voor hun onderlinge verhouding (eigensoortige verantwoorde­lijkheid, v/h ‘soevereiniteit in eigen kring’).
  • ‘Het functioneren van de mens’? De structuuranalyse door de WdW laat de grote verscheidenheid en samenhang daarin zien, en vooral de eenheid daarvan in het menselijk hart, zodat geen enkele functie of aspect verabsoluteerd behoeft te worden tegenover het menselijk (niet-rationele, en niet-irrationele) ‘ik’.
Bij vraag 6

Vraag zes is niet ondubbelzinnig. Gaat het over de wijsbegeerte of over de leden van de organisaties daarvoor? In beide gevallen kan men zeggen dat er van meet af veel onderlinge verschillen waren. Als vereniging (van mensen) voor de beoefening van christelijke wijsbegeerte, moet men m.i. proberen de verschillen uit te praten. Daarom juich ik het nieuwe NetSchrift-plan toe, mits niet de door mij al meermalen ervaren diskwalificatie van de oude garde en van het systeem van Dooyeweerd tot het dogma­tisch uitgangspunt gaat behoren. Het liefst zag ik twee nieuwe studiekringen met vooral schriftelijke communicatie:

  1. Bestudering van de belangrijkste systematische verschillen tussen Vollenhoven en Dooyeweerd en hun directe leerlingen.
  2. Een e-mail kring over de vakfilosofie van de theologie, niet voor dominees die graag wat preekstof ontvangen, maar voor ieder die belang stelt in wetenschappelijke theologie. Zelf schreef ik een nog niet gepubliceerde ‘Vakfilosofie van de geloofswetenschap’, die ik graag (bijv. iedere maand een hoofdstuk) in algemene bespreking zou willen geven in een e-mail kring voor geestverwante geïnteresseerden.
A.Troost, Niersstraat 61, 1078 VJ Amsterdam,
Telefoon: 020-6640488
E-mail: troos004@wxs.nl


Alle teksten op deze site © copyright Stichting voor Reformatorische Wijsbegeerte.

4
A.K. Koekkoek

J.D. Dengerink

H.G. Geertsema

Email SRW