door drs. W. Vollbehr
"De bijzonder hoogleraar is op zijn retour" kopte NRC Handelsblad eind februari 1998.
Een onderzoek van die krant wees uit dat universiteiten vinden dat er een eind moet komen aan
de groei van het aantal bijzondere leerstoelen. Een op de vier hoogleraren is 'bijzonder'.
Nu zijn er maar iets meer dan 3.000 hoogleraren in Nederland, dus dat maakt iedere professor op
zichzelf al bijzonder.
Maar met de term 'bijzonder hoogleraar' wordt bedoeld dat de hoogleraar niet wordt benoemd en
betaald door de universiteit (dat is bij 'gewone' hoogleraren het geval) maar door een bedrijf
of instelling. Als het onderzoek van NRC Handelsblad klopt lijkt het er op dat de houding van
universiteiten de laatste tien jaar is gewijzigd: zag men voorheen vooral de voordelen, zoals
externe financiering van onderwijs en verrijking van het aanbod, nu valt het oog vooral op de
kwaliteit van het onderwijs, en het ontbreken van wetenschappelijke onafhankelijkheid bij
bijzonder hoogleraren. Heeft de bijzondere leerstoel zijn langste tijd gehad? Ik denk het niet.
Wellicht was er de laatste jaren een verkeerde ontwikkeling, toch blijft het instituut van grote
betekenis.
Om deze stelling te onderbouwen wil ik eerst kijken naar de achtergrond van het instituut
'bijzondere leerstoel'. Vervolgens geef ik kort de ontwikkeling aan. Tot slot ga ik in op de
betekenis van christelijke bijzondere leerstoelen in onze tijd.
Achtergrond
Het instituut 'bijzondere leerstoel' dateert van 1905. De Hoger-onderwijswet die toen werd
aangenomen, kwam tot stand onder het kabinet van A. Kuyper, die naast minister-president ook
minister van binnenlandse zaken was. In deze wet kregen de bijzondere universiteiten dezelfde
rechten als de rijksuniversiteiten. Voor de Vrije Universiteit, die toen juist 25 jaar bestond,
was dat van grote betekenis, omdat de academische graden een overheidserkenning kregen. Maar
door de nieuwe wet werd het ook mogelijk aan openbare universiteiten bijzondere leerstoelen te
vestigen.
En anders dan vaak wordt gedacht, kwam dit voorstel niet uit de koker van Kuyper. Het was in de
wet terechtgekomen om A. F. de Savornin Lohman tegemoet te komen. Lohman was twaalf jaar
hoogleraar geweest aan de VU, maar in 1905 na een conflict over de toepassing van de
gereformeerde beginselen, vertrokken. Vanaf die tijd zag hij steeds minder in een eigen,
christelijke universiteit. Hij zocht het veel meer in 'aanvullend' onderwijs door middel van
bijzondere leerstoelen. Kenmerk van deze leerstoelen was de levensbeschouwelijke grondslag ervan.
Verschillende richtingen in de samenleving konden zo hun geluid laten horen. In 1899 schreef De
Savornin Lohman dat de christenen mannen uit hun midden konden aanstellen om "vooral in die
vakken waarin het zo hoog nodig is de band tussen God en de wetenschap in het licht te stellen,
aan de bestaande universiteiten college te geven." Zijn ideaal was "hoe moeilijk de taak voor de
hoogleraar ook moge zijn, als Christusbelijder op te treden temidden van - zo nodig tegenover -
de verwerpers van de Christus, en, ook tegenover een ongelovige jongelingschap, dan aan dag aan
te wijzen hoe menig vraagstuk eerst dan tot zijn recht en tot een behoorlijke oplossing kan
komen, wanneer het geplaatst wordt onder het licht van het evangelie."
Tegen het instituut van de bijzondere leerstoelen kwam uit de wereld van de wetenschap soms
heftige oppositie. Zo stelde de Leidse universiteit dat de zogenoemde 'secte-katheders' een
gevaar zouden vormen voor de onafhankelijkheid van de wetenschap. "De hoogleraar, die tot
dusver aan onpartijdige schildering van onderscheidene gedachtenstelsels de voorkeur gaf boven
eenzijdig pleiten voor zijn eigen, zal licht in de verzoeking komen om in een andere trant te
vallen, wanneer hij weet, dat naast hem anderen zijn overtuiging regelmatig zullen bestrijden."
Het is opmerkelijk hoe sterk in die tijd de gedachte overheerste dat de wetenschap neutraal en
objectief is, en gezuiverd is van vooroordelen. De wetenschap had zich juist bevrijd van de
banden van kerk en geloof, en die gewonnen vrijheid mocht niet verloren gaan. In de wetenschap
mocht levensbeschouwing geen rol spelen, en voor christelijke wetenschapsbeoefening was dus al
helemaal geen plaats.
Ontwikkelingen
Aan theologie- en filosofie-faculteiten werden de eerste bijzondere leerstoelen ingesteld. Zo
dateert de leerstoel van de Gereformeerde Bond aan de Universiteit van Utrecht van 1914. De
eerste bijzondere leerstoelen werden ingesteld door de katholieke Radboudstichting. In 1947
werden de eerste leerstoelen reformatorische wijsbegeerte ingesteld. Inmiddels onderhoudt de
Stichting voor Reformatorische Wijsbegeerte leerstoelen aan acht rijksuniversiteiten. Later
voegde ook de humanistische stichting Socrates haar hoogleraren toe, waardoor er op dit moment
aan veel universiteiten een kleurrijk palet van levensbe schouwelijk filosofie-onderwijs is. De
samenwerking aan de meeste universtiteiten is heel goed, en het onderwijs wordt als een
verrijking gezien.
Naast de levensbeschouwelijke leerstoelen kwamen er vanaf de jaren zestig steeds meer
bijzondere leerstoelen op een specialistisch terrein. Eerst vooral om aandacht te krijgen voor
een bepaald vakgebied: persgeschiedenis, verslavingszorg, gehandicaptenzorg enz. De laatste
twintig jaar is vooral het bedrijfsleven geinteresseerd geraakt: een leerstoel gaf de status en
uitstraling van een prof.-titel, terwijl de universiteiten het onderwijs niet behoefden te
betalen. Niet de levensovertuiging was de motivator, maar status en geld. Universiteiten
ontdekken echter nu dat geld ook via andere kanalen binnen te halen valt; daar is niet een
leerstoel voor nodig. Er was op dat terrein een 'wildgroei' ontstaan. Heel anders ligt dat
echter bij de levensbeschouwelijke leerstoelen. Deze dragen bij aan de pluriformiteit van het
hoger onderwijs en bieden een bijdrage aan de bezinning op de normen en waarden in wetenschap
en cultuur. Juist daarvoor is vandaag de dag zoveel aandacht.
Betekenis in onze tijd
Wat is nu de betekenis van de levensbeschouwelijke leerstoelen in onze tijd? In vergelijking met
1905 is de visie op de wetenschap sterk veranderd. De reformatorische wijsbegeerte is er altijd
van uitgegaan dat het helemaal niet mogelijk is om 'levensbeschouwelijk neutraal' filosofie te
bedrijven. Sterker nog: iedere filosofie wordt bedreven vanuit een bepaalde levensbeschouwing,
die bovendien steeds religieus van aard is. Dat was in de begintijd van de beweging voor
reformatorische filosofie baanbrekend en omstreden. Tegenwoordig beseft men veel meer dat
vooroordelen, uitgangspunten en verwachtingen een belangrijke rol spelen in de wetenschap.
Daarom zegt prof. dr. J. Hoogland, bijzonder hoogleraar reformatorische wijsbegeerte aan de
Universiteit Twente, in zijn onlangs gehouden oratie:
"Ik draag deze instelling van bijzondere leerstoelen een warm hart toe. Toch kan zij aanleiding
zijn tot een misverstand: de gedachte namelijk dat het beoefenen van de wetenschap vanuit
levensbeschouwelijk perspectief iets heel bijzonders is. Alsof de gewone hoogleraren het
professionele, wetenschappelijke filosofie-onderwijs voor hun rekening nemen, en de bijzonder
hoogleraren geven filosofie vanuit een subjectieve, levensbeschouwelijke invalshoek. Binnen de
reformatorische wijsbegeerte wordt daar heel anders over gedacht. Daar is een centrale idee, dat
het onmogelijk is wijsbegeerte en wetenschap op een levensbeschouwelijk neutrale wijze te
beoefenen. Alle filosofie is even levensbeschouwelijk en reformatorische wijsbegeerte is niet
bij voorbaat minder professioneel."
Bijzondere leerstoelen vanuit een christelijke levensbeschouwing hebben in onze tijd nog altijd
een grote betekenis. Allereerst natuurlijk voor studenten die in hun studie worden geconfronteerd
met theorieen, die hun geloof aan het wankelen kunnen brengen. Voor hen is het van belang een
christelijke visie te ontwikkelen op de verhouding tussen Schrift en wetenschap. Zij kunnen met
deze colleges studiepunten krijgen voor de vrije ruimte in hun studie. Maar de bijzondere
leerstoelen betekenen ook dat christenen in de wereld van de wetenschap present zijn, en dat
ook daar onderzoek kan worden gedaan bij het licht van Gods Woord. Niet vanaf de zijlijn, maar
op het wetenschappelijke veld zelf. De hoogleraren doen voluit mee in het wetenschappelijke
debat en dragen zo bij aan christelijke wetenschapsbeoefening. Die mogelijkheid mogen we niet
verloren laten gaan.