Gronden om te geloven
Inleiding in de 'reformed epistemology'
(syllabus college reformatorische wijsbegeerte februari - mei 1999)
Prof.Dr. G. Glas
Faculteit Wijsbegeerte Leiden
(deze syllabus is niet ter publicatie of om uit te citeren)
Inleiding
Het terrein
Kan geloof in God rationeel zijn als het geen fundering heeft? Zijn er gronden om te geloven? Is het geloof in God verenigbaar met intellectuele integriteit? Deze en andere vragen staan centraal in deze cursus die in het bijzonder gewijd zal zijn aan een groep Amerikaanse filosofen die momenteel krachtig van zich doet spreken. Deze zgn. `reformed epistemologists' pogen een weg te banen tussen natuurlijke theologie enerzijds en fideïsme anderzijds. Gebruik makend van het wijsgerig idioom uit de angelsaksische traditie worden bestaansvragen uit de moderne tijd verbonden met posities in het klassieke middeleeuwse denken.
Vanouds (ik volg hier deels de introductie van Geivett & Sweetman 1992) is er een sterke traditie geweest die wordt aangeduid met de term natuurlijke theologie. Deze was erop uit het bestaan van God te bewijzen uit de eigenschappen van de werkelijkheid. Thomas van Aquino (1225-1274) is de meest bekende natuurlijke theoloog. Van hem zijn een vijftal godsbewijzen bekend, waarvan de bekendste het kosmologische, het ontologische en het teleologische godsbewijs zijn. Ook in de 18e eeuw floreerde het godsbewijs, maar nu in de vorm van een fysicotheologie. Deze was erop uit om de natuurwetenschap in te zetten om het `argument from design' verder te ontwikkelen. Deze redenering beriep zich op de teleologie (doelgerichtheid) van de werkelijkheid; uit die doelgerichtheid werd het bestaan van de Schepper afgeleid.
In de 18e eeuw lanceerde de Britse filosoof David Hume (1711-1776) een scherpe aanval op het programma van de natuurlijke theologie. Hume en andere sceptici meenden simpelweg dat er geen of onvoldoende evidentie is om het bestaan van God te bewijzen. En dat die evidentie ook nooit zo groot zal worden dat ze de evidentie voor het tegendeel omver zal kunnen werpen. Zo redeneert hij bijvoorbeeld als het gaat om de eventuele evidentie die uit wonderen zou kunnen voortvloeien. Hume argumenteert dan dat het wonder zo onwaarschijnlijk is dat het zelden door twee personen tegelijk zal worden waargenomen; en dat er dan altijd vragen te stellen zijn over de oordeelsbekwaamheid van de betrokkenen.
Hume's filosofie was echter in zoverre ook weer wel traditioneel dat hij in zijn bewijsvoering zich beriep op evidentie, met name de evidentie van de zintuigen. De religieuze epistemologie kreeg in onze tijd weer een nieuwe impuls toen dit `evidentialisme' (of `foundationalism') werd aangevallen en uiteindelijk ten onder ging. Waar gaat het om?
Het 'foundationalism' of funderingsdenken stelt dat kennis, om als waar te kunnen worden aangemerkt, ofwel uit zichzelf evident (self-evident) dient te zijn ofwel gefundeerd dient te zijn op waarnemingen of inzichten met een zelf-evident (niet te betwijfelen) karakter. Kennis moet rusten op een niet-te-betwijfelen fundament, op basisproposities die boven iedere twijfel verheven zijn. Alle andere kennis dient op logische wijze uit deze basiskennis te kunnen worden afgeleid. Geloof in God kan, aldus de funderingsdenkers, niet gelden als een dergelijke basale vorm van niet-te-betwijfelen kennis, - simpelweg omdat het niet zelf-evident is. En het geloof in God herleiden tot een basis die evident is, is een operatie die tot mislukking gedoemd is.
Samengevat stelt het funderingsdenken dus dat
(1) er overtuigingen (beliefs) zijn die basaal of fundamenteel zijn in de eigenlijke des woords (properly basic); de waarheid van deze overtuigingen staat op voorhand vast; hun waarheid is basic, dat wil zeggen ofwel zelf-evident (of: noodzakelijk waar; zoals. 2+1=3), ofwel oncorrigeerbaar (zoals pijn en andere innerlijke ervaringen) ofwel te herleiden tot de zintuigen;
(2) kennis bestaat uit genoemde overtuigingen en de proposities die uit deze overtuigingen kunnen worden afgeleid.
Ik hoef hier niet uitvoerig te zijn als ik betoog dat dit funderingsdenken op een mislukking is uitgelopen (zie voor wat betreft de wetenschapsfilosofie: F. Suppe). De onbetwijfelbare basis bleek en blijkt een illusie. Wittgenstein en een hele reeks continentale filosofen deden er alles aan om de mythe van het evidentialisme te doorbreken; bijvoorbeeld door erop te wijzen dat iedere waarheid een contextuele waarheid is, dat waarheid niet een absolute categorie is, maar gebonden is aan de `waarheid' van het betreffende taalspel of de betreffende praxis. De zogenaamde `reformed epistemologists' scharen zich bij de critici van het funderingsdenken en stellen tegelijk dat het geloof in God niet op rationele gronden kan worden afgewezen. Plantinga formuleerde het in dit verband zo: geloof in God is `properly basic'. Daarmee wil hij niet terugkeren naar een nieuwe vorm van funderingsdenken, maar aanduiden dat dit geloof een volstrekt vanzelfsprekende zaak is voor veel mensen, net zo vanzelfsprekend als andere levensvormen (vgl. Wittgenstein).
Een aantal benaderingen
* Atheïsme
In mensen als Anthony Flew (The Presumption of Atheism, 1976), J.L. Mackie (The Miracle of Theism, 1982) en B. Russell (Why I am not a Christian, 1957) heeft het atheïsme in onze eeuw een aantal krachtige verdedigers gevonden. Plantinga duidt hun benadering aan als de `evidentialist objection to belief in God'. Het is zijns inziens een benadering die gebaseerd is op het funderingsdenken (zie onder).
* Theïstisch evidentialisme
R. Swinburne, C.S. Lewis, William Paley en B.B. Warfield kunnen als representanten van het theïstisch evidentialisme worden beschouwd. Zij laten het funderingsdenken intact en proberen de vijand met eigen wapens te verslaan; vb: de waarde van het getuigenis; wonderen; herneming van het `argument from design’ bij Swinburne; ook herneming van de klassieke godsbewijzen (o.a. in de Utrechtse school).
* Fideïsme
Het gaat hier om een heel spectrum van benaderingen, die alle gekenmerkt worden door de stelling dat het geloof in God zich ook niet hoeft waar te maken in termen van het funderingsdenken; die wijze van denken is simpelweg niet geschikt om de waarheden van het geloof ter sprake te brengen; Tertullianus was misschien wel de eerste fideïst (credo, quia absurdum); Clark noemt Kierkegaard en Karl Barth, die beiden wijzen op het paradoxale karakter van het geloof in God; maar je hebt ook allerlei andere vormen, zoals de langzamerhand meer bekendheid krijgende vorm van fideïsme die zich op Wittgenstein beroept (Phillips; in zeker zin ook Brümmer; modellen); het Wittgensteiniaans fideïsme beschouwt het geloof in God als een taalspel; beantwoordend aan bepaalde praktische regels die de wijze van gebruik en daarmee de betekenis bepalen. Van belang is dat deze laatste vorm van fideïsme ook het funderingsdenken op de korrel neemt. Dat geldt niet voor alle vormen van fideïsme.
* Reformed epistemology
Voorstanders van deze benadering, zoals A. Plantinga, N. Wolterstorff, G. Mavrodes en W.P. Alston, scheppen ruimte voor het geloof in God met behoud van intellectuele integriteit, door de premissen waarop het funderingsdenken is gebaseerd kritisch te ondervragen. Wolterstorff meent dat de range van `properly basic' proposities, wanneer de criteria goed worden gebruikt, een veel te smalle basis opleveren om wetenschap op het bedrijven. Plantinga’s kritiek is nog directer, wanneer hij stelt dat het funderingsdenken zelf, als theorie, niet voldoet aan de criteria die het zelf formuleert; het funderingsdenken is zelf-referentieel inconsistent.Het komt erop aan het areaal van properly basic uitspraken te verruimen: in het dagelijks leven gaan we ook uit van evidenties die we strikt genomen niet helemaal hard kunnen maken en waar we toch geen spijt van krijgen.Geloof in God kan een `properly basic belief' zijn. Voortbordurend op Reid en Calvijn: welbeschouwd gaat het hier natuurlijk niet alleen om een weerlegging van het funderingsdenken, maar ook om een nieuwe kijk op de menselijke rationaliteit.
* Prudentiële benaderingen benadrukken dat, anders dan in de wetenschap, in het geloof ook niet een overstelpende hoeveelheid evidentie nodig is om geloof in God rationeel te doen zijn. Gegeven het feit dat er enige evidentie is voor het bestaan van God, is het op prudentiële gronden (gronden die te maken hebben met wijsheid en praktisch inzicht) geoorloofd te concluderen tot geloof in God. Het is met andere woorden verstandig om in God te geloven; stel dat Hij niet zou bestaan, dan zou je niets verloren hebben; als Hij wel bestaat en je ontkent, loop je het risico van het eeuwige oordeel. Dit is natuurlijk een oppervlakkige redenering die de grond om te geloven reduceert tot eigenbelang. Maar in de meeste prudentiële beschouwingen is dit slechts een opstapje naar rijpere en meer ontwikkelde vormen van geloof.
Plantinga (I)
Achtergronden; biografische gegevens
Voor achtergronden en biografisch materiaal zij in eerste instantie verwezen naar het hoofdstuk van A. Vos in De kentheorie van Alvin Plantinga (R. van Woudenberg, B. Cusveller, red.). Plantinga (1932) is uit afstammelingen van Friese voorouders geboren. Zijn vader, Cor Plantinga, was hoogleraar psychologie. Hij groeide op in een typisch calvinistisch/puriteins milieu dat zo kenmerkend is voor het amerikaanse protestantisme. Ook wijsgerig gezien werd hij in deze levensbeschouwelijke traditie gevormd. Het meest uitgesproken op wijsgerig gebied was in dit opzicht zijn leermeester Jellema, die hij overigens veel later, in 1963, zou opvolgen in Calvin College (Grand Rapids, Michigan).
Vos schetst Plantinga als een denker op de overgang van traditioneel protestants-apologetisch en theologisch-filosofisch denken enerzijds en een geprofessionaliseerde christelijke wijsbegeerte anderzijds. Aan die professionalisering droegen andere leermeesters ook bij, met name C.I. Lewis (logicus, kentheoreticus) en R.M. Chisholm, vooral door hun manier van filosoferen, die gekenmerkt werd door een volhardend streven naar duidelijkheid. Genoemde filosofen stonden in de angelsaksische traditie die eigenlijk pas na 1920-1930 geleidelijk vorm begint te krijgen in Noord-Amerika. Plantinga krijgt een beurs voor Harvard; verlaat zijn begeerde positie aldaar om college te gaan volgen bij Jellema (Calvin College 1951-1954) aan de universiteit van Michigan (1954-1955) en van Yale (1955-1958). Hierna heeft hij een productieve periode als medewerker aan de Wayne State University in Detroit. In 1963 volgt hij Jellema op, om uiteindelijk in 1982 te vertrekken naar Yale, waar hij tot de dag van vandaag godsdientswijsbegeerte doceert.
Plantinga's belangrijkste werken zijn:
Voor het jaar 2000 wordt het derde afsluitende deel verwacht, namelijk Warranted Christian Belief.
Is geloof in God properly basic?
Dit in 1981 in Nous verschenen en sindsdien verschillende keren herdrukte artikel, bevat een bondige uiteenzetting van Plantinga’s kentheorie ten aanzien van de Godsvraag. Het artikel begint met te stellen dat voor- en tegenstanders van de filosofische verdediging van het geloof in God het erover eens zijn dat er voldoende evidentie moet bestaan voor het bestaan van God, wil deze verdediging hout snijden. Kennis is 'justified true belief', zo vat Plantinga elders deze traditie van denken samen. `To justify' betekent: gronden hebben, over evidentie beschikken. Het gaat hier om een evidentialistische benadering.
Vanouds hebben denkers in het voetspoor van de Reformatie zich tegen de natuurlijke theologie gericht. De natuurlijke theologie beweegt zich ook in het evidentialistische denkstramien zoals wij in het vorige college zagen. Plantinga vindt deze 'Reformed objection to natural theology' wijsgerig niet zo sterk, maar deelt inhoudelijk wel het achterliggende gedachtengoed. In wezen biedt het artikel een verbeterde versie van deze 'Reformed objection' en wel door de gedachte te verdedigen dat geloof in God `properly basic' is.
Vervolgens gaat het artikel nader in op de evidentialistische benadering van het kennen, en dus ook van Godskennis. Eigenlijk gaat het hier om een normatieve benadering van rationaliteit, van wat als een rationele argumentatie mag gelden. Het gaat om een 'ethiek van het intellect', om een plicht of verplichting, die nu eens wordt geconstrueerd op de wijze van een deugdenethiek, dan weer deontologisch (als een zuivere plicht die omwille van zichzelf of het statuut van het mens-zijn vervuld moet worden), dan weer teleologisch (als een manier waarop andere hogere goederen of doelen bereikt kunnen worden).
Plantinga wijst de evidentialistische objectie tegen geloof in God van de hand en wel omdat deze gefundeerd is in een of andere vorm van klassiek funderingsdenken, volgens hetwelk een bepaalde overtuiging `properly basic' is dan en alleen dan als p ofwel zelfevident of niet corrigeerbaar is (modern funderingsdenken) ofwel zelfevident of evident voor de zintuigen is (antiek en middeleeuws funderingsdenken). Voor de afwijzing van de evidentialistische objectie verwijst hij naar het essay Reason and belief in God (zie volgende colleges).
Maar wat dan? Als de evidentialistische objectie niet klopt, dan impliceert dat op zich nog niet dat geloof in God terecht voor `properly basic' kan worden gehouden. Maar, zo vraagt Plantinga zich af, wat zouden de bezwaren dan wel kunnen zijn? Tot zover het eerste deel van het artikel. In het tweede en derde deel formuleert hij twee bezwaren tegen de opvatting dat geloof in God properly basic is; om beide bezwaren vervolgens beargumenteerd af te wijzen. Het eerste mogelijke bezwaar luidt: als er geen bewijs is voor het bestaan van God, is mijn geloof in God dan niet zonder grond, gratuite, of arbitrair (A)? Het tweede mogelijke bezwaar luidt: als we geloof in God laten meetellen als `properly basic', betekent dat niet dat 'just any belief' kan worden opgevat als properly basic? Anders gezegd: wordt zo niet de deur wagenwijd opengezet naar allerlei vormen van irrationalisme, onbezonnen redenaties of regelrechte nonsense (B)?
Ad (A): Dat er geen ultieme evidentie voor het geloof in God bestaat, leidt slechts tot relativistische consequenties als stilzwijgend wordt uitgegaan van het evidentialisme. Geloof in God gedraagt zich echter als alledaagse kennis. Als ik iemand voor mijn ogen pijn zie lijden, ga ik niet een quasi-wetenschappelijk (evidentialistisch) experiment doen om vast te stellen dat er voldoende evidentie is om te veronderstellen dat de betreffende persoon pijn heeft. Iets dergelijks geldt voor het bestaan van God. Het rechtvaardigen van kennis is in eerste aanleg een activiteit die zich down to earth afspeelt aan de hand van concrete waarnemingen, argumenten of evidenties (of het gebrek daaraan). Pas als er twijfel ontstaat zal er noodzaak zijn nadere argumentatie te ontwikkelen (ongeveer zoals een rechter bewijs verzamelt, GG). Plantinga breidt hier aan de ene kant het areaal van `properly basic' uitspraken uit. Aan de andere kant blijft argumentatie wel een belangrijke rol spelen en wel primair aan de hand van de omstandigheden of voorwaarden waaronder een bepaalde bewering als gerechtvaardigd kan worden aangemerkt. Plantinga suggereert daarbij dat het soort kennis dat als `properly basic' kan worden gezien, meestal een gemengd karakter heeft, omdat het bestaat uit een waarneming of reeks van waarnemingen die omringd zijn door een schil van overtuigingen, verwachtingen, redeneringen etc. Wat volgens de evidentialist properly basic zou moeten zijn (de zintuigelijke waarneming bijvoorbeeld) blijkt met andere woorden zelden los voor te komen. Het is beter om het totaal te beoordelen en bij twijfel een nader onderzoek in te stellen, dan om bij voorbaat te proberen de zintuigelijke component uit dit geheel los te pellen teneinde de `harde' `properly basic' kern vast te stellen. Dat laatste lukt niet; het is werkelijkheidsvreemd. Maar nogmaals, dat op zich betekent niet dat genoemde overtuigingen zonder grond zijn, integendeel. De gronden worden gevormd door de bijzondere omstandigheden waaronder de overtuiging tot stand komt. Door die te specificeren wordt een bepaalde bewering of stand van zaken waarschijnlijk gemaakt. Absolute zekerheid is zelden/nooit nodig.
Het geloof in God is evenmin een abstract geloof (zoals bijv. 'God bestaat' een abstracte uitspraak is). Het is concreet en wordt uitgedrukt in zinnen als: `God spreekt tegen me', `God heeft alles geschapen'; 'God keurt af wat ik heb gedaan'; 'God vergeeft me'. Dit zijn proposities die `properly basic' zijn in de juiste omstandigheden. Wanneer wordt gezegd dat het geloof in God `properly basic' is, wordt dus niet gedoeld op de uitspraak `God bestaat', omdat dat een uitspraak met een betrekkelijk hoog niveau van abstractie is.
Ad (B): Wat betreft het tweede bezwaar, dit kan alleen dan gelden als wordt vastgehouden aan de gedachte dat er een a priori en universeel criterium bestaat aan de hand waarvan kennisaanspraken moeten worden gemeten. Het evidentialistische criterium wordt dus geformuleerd als een a priori en universeel criterium. De kentheoretische status van dit criterium is echter onhelder, aldus Plantinga. Het kan in ieder geval niet in termen van de evidentialistische benadering van kennis zelf worden opgelost, door te stellen dat het criterium zelf-evident is of te herleiden tot de zintuigen. Dat heeft Plantinga van Chisholm geleerd. Kenmerkend voor de Plantinga benadering van het rechtvaardigen van kennis is dat de criteria voor `proper basicality' van onderaf (inductief) ontwikkeld moeten worden.
|
Delen |
Argument |
Bijzonderheid |
|
I.Afwijzing 'evidentialist objection against belief in God' |
Afwijzing klassiek funderings-denken |
Dit impliceert ook een afwijzing van de natuurlijke theologie. Deze opvatting leidt overigens niet automatisch tot aanvaarding van de gedachte dat geloof in God `properly basic' is |
|
II. Is geloof in God dan zonder grond, arbitrair? |
Nee, want het gaat om de omstandigheden waaronder een bepaalde opvatting of overtuiging voor waar wordt gehouden; het zijn de individuele omstandigheden die als grond fungeren voor de rechtvaardiging van concrete kennisaanspraken |
De afwijzing van het niet-gegrond-zijn van het geloof in God, laat zien dat Plantinga geen fideïst is. |
|
III. Is 'just any belief' geschikt om als properly basic te worden aangemerkt? |
Nee, wie dat denkt gaat stilzwijgend nog uit van een evidentialistisch kennisideaal, d.w.z. die veronderstelt dat er een universeel criterium voor de geldigheid en waarheid van kennis geformuleerd kan worden (wat niet zo is) |
Implicatie van deze benadering is dat er een inductieve, bottom-up benadering van het rechtvaardigen van kennis nodig is |
Tabel 1
De argumentatielijn van het artikel is in tabel 1 nog eens een keer uitgeschreven.
Plantinga (II)
Reason and belief in God
Dit lange artikel gaat in op de vraag of de gelovige God accepteert louter op basis van geloof; of geloof in God rationeel is en op rationele gronden verdedigd kan worden ; en op de status van het godsbewijs.
Plantinga meent dat het meeste dat van calvinistische of protestant-christelijke zijde over deze onderwerpen te berde is gebracht `unclear, ill-focused, and unduly inexplicit' was. Het eerste deel van het artikel handelt over de evidentialistische objectie tegen het bestaan van God; d.w.z. de filosofie die meent dat geloof in het bestaan van God niet verdedigd kan worden omdat er onvoldoende evidentie is voor diens bestaan (evt. dat er meer evidentie tegen dan voor is). Het tweede deel gaat over de Thomistische conceptie van geloof en rede en, breder, de status van de natuurlijke theologie. Het derde deel gaat in op de protestantse objectie tegen natuurlijke theologie.
Deel I. De evidentialistische objectie tegen geloof in God
Deze objectie komt er simpelweg op neer dat er onvoldoende evidentie is voor het bestaan van God.
IA. Hoe moet theïstisch geloof worden opgevat?
Plantinga begint met de vraag: wat is precies geloof in God? Is geloof in God hetzelfde als geloven dat God bestaat? Nee, aldus Plantinga, met een verwijzing naar het bijbelboek Johannes, waar ergens staat dat ook de duivelen het bestaan van God aanvaarden en dat zij sidderen (bedoeld is dat deze duivelen niet echt geloven). Geloof in God impliceert vertrouwen, de werkelijkheid op een bepaalde manier zien, een bepaalde kijk op de toekomst hebben. Terwijl geloven dat God bestaat, niet meer is dan het aanvaarden van de waarheid van de propositie `God bestaat'. Geloof in God impliceert overigens wel het aanvaarden van de waarheid van de propositie dat God bestaat. Men kan de schoonheid van de bergen niet verwonderd een product van God de schepper noemen zonder tevens in het (feitelijke) bestaan van God te geloven.
Plantinga begint natuurlijk niet zonder reden met dit laatste te benadrukken. Want er zijn hele legers theologen en filosofen die anders beweren en die een metaforisch verstaan van religieuze taal voorstaan (zie het college over Alston). Plantinga noemt zelf als voorbeelden: Rudolf Bultmann, die zoals bekend sterk het `kerygmatische' karakter van het evangelie benadrukte en die een programma van `Entmythologisierung' voorstond waarin ook het feitelijk bestaan van een wezen dat we God noemen, op losse schroeven komt te staan; voorts noemt hij Richard Braithwaite, die stelt dat een religieuze uitspraak `een bevestiging is van een intentie, namelijk om een bepaalde handelwijze te volvoeren, die gesubsumeerd kan worden onder voldoende algemene principes om een moreel principe te zijn, dit tesamen met de impliciete aanname van bepaalde verhalen'. Voor Plantinga is het echter duidelijk dat het gaat om een feitelijk bestaan. Het geloof in God wordt uitgesproken in een existentiële bewering.
Maar over wat voor soort wezen hebben we het dan? Onder invloed van Kant hebben immers vele theologen en filosofen volgehouden dat de naam van God zoals die door Christenen wordt gebruikt een idee is, of een begrip, of een of ander mentaal construct (bijv. Gordon Kaufmann; John Hick). Hoe kan men immers verwijzen naar een wezen dat een bestaan heeft in een realiteit die transcendent is aan de onze? Kaufmann maakt in verband met dit probleem een onderscheid tussen `available' en `real referents' van de naam God. De beschikbare referenten verwijzen naar een werkelijkheid waarvan wij de realiteit niet uit eigen ervaring kennen; maar waar we toch over kunnen spreken. Reële referenten hebben betrekking op een werkelijkheid die we uit eigen ervaring kennen. Plantinga verwerpt dit onderscheid. Als wij God vereren als schepper, dan vereren wij niet een bepaald mentaal construct of idee; als wij God schepper noemen, dan zeggen wij niet dat een bepaalde gedachten constructie (van ons zelf) de werkelijkheid geschapen heeft; dan hebben wij het over een reëel bestaande persoon over Wie nog zeer veel meer op te merken valt - een wezen dat handelt, gelooft, en doelen en plannen heeft.
IB. Objecties tegen het theïstische geloof
Plantinga noemt een aantal bezwaren op waar hij in ander werk al op ingegaan is en die hij hier niet verder bespreekt. Dat zijn bijv. het bezwaar dat de uitspraak `God bestaat' `cognitief betekenisloos' is; dat het bestaan van God intern inconsistent is (d.w.z. dat het logisch onmogelijk is dat er zo'n wezen is; bijv. omdat wezens zonder lichaam geen gebeurtenissen in de wereld kunnen veroorzaken). Een derde bezwaar is dat het bestaan van een almachtige en goede God logisch incompatibel is met de erkenning van het bestaan van het kwaad in de wereld. Plantinga gaat wel vrij uitvoerig in op de probabilistische versie van dit bezwaar die luidt dat het niet rationeel is te geloven in het bestaan van God als het incompatibel is met de mate waarin het kwade bestaat in deze wereld.
Plantinga noemt twee manieren om op dit bezwaar in te gaan (de 'low road' en de 'high road'; 'low' betekent hier: de weg van de logica en waarschijnlijkheidsrekening; we laten dat hier rusten; het wordt in ander werk veel uitvoeriger behandeld). Kern van de zaak is dat twee op het oog contraire proposities heel wel met elkaar verenigbaar blijken in de context van een derde propositie. Het voorbeeld is `Feike is een Fries en 9 van de 10 Friezen kunnen niet zwemmen' en `Feike kan zwemmen'. Op het oog zijn dit contraire proposities, die echter volmaakt met elkaar verenigbaar zijn als geldt `Feike is Friese lijfwacht en 99 van de 100 Friese lijfwachten kunnen zwemmen'. Degene die tegen het theïsme argumenteert, heeft aan twee losse proposities niet genoeg; maar heeft op een of andere manier een objectie nodig die het corpus van totale evidenties betreft; zodanig dat de uitspraak dat God bestaat (almachtig, goed en wijs is) onwaarschijnlijk wordt in het licht van deze totale evidentie (de zgn. `evidential set'). Anders gezegd: de gelovige is gerechtigd om de uitspraak dat God bestaat, goed is etc. te aanvaarden als deze uitspraak verantwoord is in het licht van deze `evidential set'. Het probleem is nu voor Plantinga vooral of geloof in God niet zelf tot deze evidential set gerekend moet/kan worden. Het probabilistische argument mondt aldus uit in de vraag: welke overtuigingen zijn rationeel of redelijk genoeg om te dienen als start-punt (van de evidential set)?
Plantinga heeft zoals in een vorig college aangegeven zich veel moeite getroost om filosofisch het bestaan van het kwaad niet in mindering te laten komen op de goedheid en almacht van God; en om deze laatste twee niet in strijd te laten komen met de menselijke vrijheid (de verdediging hiervan staat ook wel bekend als de 'free will defense').
IC. De evidentialistische objectie
Nu komt Plantinga toe aan het eigenlijke punt, de evidentialistische weerlegging van geloof in God. Deze bespreekt hij in een aantal varianten. Na Clifford genoemd te hebben, een 19e eeuwse bestrijder van het bestaan van God, gaat Plantinga eerst uitvoeriger in op Anthony Flew, die beweert dat de bewijslast bij de theïst ligt en dat men moet beginnen vanuit de `presumption of atheism'. Met atheïsme wordt echter iets dubbelzinnigs bedoeld, namelijk enerzijds het niet innemen van een standpunt voor of tegen het bestaan van God (dus zowel een a-theïsme als een a-a-theïsme, zegt Plantinga snedig); maar anderzijds ook een afwijzing van theïsme omdat het irrationeel is theïst te zijn als je geen argumenten hebt.
Vervolgens is M. Scriven aan de beurt. Deze gaat een stap verder door te stellen dat als er geen argumenten voor het bestaan van God zijn, dat dan de enig rationele benadering is om niet meer in God te geloven; d.w.z. actief atheïsme. In de afwezigheid van enig Godsbewijs, is atheïsme een epistemische (of intellectuele) plicht; oftewel ongeloof. Maar het omgekeerde zegt hij niet, namelijk dat als de argumenten voor het atheïsme falen dat dan theïsme een intellectuele plicht is. Plantinga kritiseert deze asymmetrie op logische gronden. Dat doet hij door de volgende twee zinnen tegen elkaar uit te spelen aan de hand van de epistemische verplichtingen van Scriven
(a) er is tenminste een menselijk wezen dat niet door God is geschapen;
(b) als God bestaat, dan heeft God alle menselijke wezens geschapen.
Als er geen argumenten voor (a) zijn, moeten wij volgens de eisen van Scriven de ontkenning van (a) accepteren. De ontkenning van (a) is:
(c) ieder menselijk wezen is geschapen door God.
Echter als er wel argumenten zijn voor de waarheid van (a) ontstaat er een bewijs voor het niet bestaan van God, omdat dan niet alle mensen door God geschapen zijn. Nu ontstaat de volgende situatie: als de argumenten tegen het bestaan van God falen, zijn wij rationeel verplicht om te geloven dat ieder menselijk wezen door God is geschapen; en als de argumenten voor en de argumenten tegen het bestaan van God falen, dan zijn wij verplicht te geloven zowel dat God niet bestaat als dat we alle door hem zijn geschapen. Dat is erg onaantrekkelijk vanuit het gezichtspunt van Scriven.
De evidentialistische objectie kan echter ook worden verwoord in termen van intellectuele verplichtingen. Allereerst maakt Plantinga een onderscheid tussen godsbewijzen en het rationeel gerechtigd zijn om te geloven in het bestaan van God. Het bestaan van God bewijzen, is een heel andere zaak (veel kwestieuzer) dan de ruimte claimen voor bepaalde `properly basic' overtuigingen. De eis van intellectuele zuiverheid, c.q. de verplichting om tot rationeel zo verantwoord mogelijke afwegingen te komen, berust op een normatieve visie; ze heeft een waarde-geladen karakter. Er bestaan plichten en verplichtingen ten aanzien van overtuigingen (beliefs). Zo wordt er de laatste jaren in de angelsaksische filosofie veel gediscussieerd over de zgn. `ethics of belief'. Om wat voor plichten gaat het dan? Dat kunnen heel verschillende zijn. Het kunnen plichten zijn met betrekking tot het verwerven en/of het onderhouden van kennis. Het kunnen echter ook plichten zijn die utilitaristisch worden ingevuld (intellectueel utilitarianisme), ze kunnen ook volgens een deugdenethiek geconstrueerd worden (aretaïsch; Frankena) of (tenslotte) ook deontologisch (als universele verplichting; bijv. zoals Chisholm over `intellectual requirements' spreekt).
Plantinga erkent wel dat er zoiets als een prima facie verplichting bestaat. Maar deze prima facie verplichtingen kunnen worden overruled; ze kunnen ook onderling conflicteren. Maar deze verplichtingen worden vaak te hard geïnterpreteerd. Vb. van de veertienjarige die zijn hele leven in een religieuze omgeving heeft doorgebracht; deze jongen verzaakt geen intellectuele plicht door geen kritische vragen te stellen over het godsbestaan. Of denk aan Thomas van Aquino; stel dat hij in zijn godsbewijzen en in z'n andere theologische geschriften ongelijk heeft; dan nog kan men niet zeggen dat deze grote geleerde zijn intellectuele verplichtingen verzaakte. Bovendien kan men wel zeggen: heb evidentie of houd anders op te geloven; maar zo makkelijk gaat dat niet. Het geloof is niet een voorwerp dat je buiten de deur kunt zetten; het doortrekt je hele bestaan.
Aan het slot van deze paragraaf gaat Plantinga in op de vraag of ik een intellectuele verplichting kan hebben als ik mijn overtuigingen niet in de hand heb. Hier komt dus de rol van de wil in beeld. Plantinga gaat verder op het punt dat in de laatste alinea werd genoemd, namelijk dat overtuigingen geen dingen zijn waarvan je zomaar afstand kan doen. Hij nuanceert hier de gedachte dat de theïst zich tegen de evidentialistische kritiek kan verweren door te zeggen dat je geloof nu eenmaal hebt. Het is met andere woorden te gemakkelijk om te zeggen dat je het niet kan helpen dat je gelooft of dat bepaalde overtuigingen je overkomen. Denk bijvoorbeeld aan de antisemiet: deze is niet alleen moreel te veroordelen als hij naar zijn overtuigingen handelt, maar ook om die overtuigingen zelf.
Zorgvuldigheid en eerlijkheid in het proces van besluitvorming zijn ook geen garantie dat je tot de goede overtuigingen komt. De veroordeling van iemands beliefs heeft dus niet alleen betrekking op de manier waarop genoemde beliefs tot stand komen, maar ook op de inhoud er van. Evenmin is het een excuus om te zeggen dat je het slachtoffer bent van beslissingen die je ooit genomen hebt en die nu niet meer ongedaan te maken zijn. Wij zijn het er over eens dat je beter bepaalde opvattingen maar niet kunt hebben; dat mensen beter zouden moeten weten. Waarom wij dat vinden is moeilijk te zeggen; het is iets dat bij de geneigdheden (`promptings and leadings') van de menselijke natuur hoort dat je bepaalde overtuigingen wel onderschrijft en andere niet. Ergo: wij zijn het er over eens dat een persoon verantwoordelijk kan worden gehouden voor de overtuigingen die hij heeft.
Dat is ook op een andere manier nog te verduidelijken, namelijk door een onderscheid te maken tussen overtuigd van iets zijn (believing) en iets accepteren of onderschrijven (accepting). Je kunt wel geneigd zijn iets te vinden, maar dat is nog wat anders dan die overtuiging onderschrijven. Een gelovige kan een bepaalde geloofswaarheid onderschrijven zonder er echt van overtuigd te zijn (dat Christus voor de zonden van mensen gestorven is bijvoorbeeld). En omgekeerd is het mogelijk om - Humeaans - de uitspraak te onderschrijven dat er geen wereld buiten mijzelf bestaat, terwijl die persoon toch regelmatig handelt vanuit het geloof dat er zo'n wereld van huizen, bomen en auto's bestaat. De claim van de evidentialistische objector kan nu zo worden geherformuleerd dat deze zegt dat wij een prima facie verplichting hebben met betrekking tot het accepteren (onderschrijven) van de uitspraak dat er een persoon is zoals God.
Ten derde is er ook nog zoiets als een indirecte beheersing van de eigen overtuigingen. Men kan bepaalde dingen doen en andere nalaten om bepaalde overtuigingen te versterken en andere te doen afzwakken. Ik kan de neiging hebben in God te geloven, maar tegelijk menen dat dit intellectueel onder de maat is; en vervolgens besluiten de bijbel niet meer te lezen, en evenmin Augustinus en C.S. Lewis. Dus als je bepaalde beliefs hebt, kun je nog allerlei zaken ondernemen om die beliefs te versterken of te doen verminderen.
Tenslotte kan de evidentialist ook nog zeggen dat degene die gelooft in het bestaan van God aan een mentaal gebrek lijdt; dat deze sympathie nodig heeft, in plaats van censuur.
Maar de vraag blijft, waarom vindt de evidentialist dit; waarom is er een prima facie verplichting om niet in het bestaan van God te geloven; terwijl er zoveel is dat wij zonder slag of stoot aannemen. Wij hebben geen tijd om voortdurend alles wat we vinden en geloven te onderzoeken op z'n evidentie. Waarom moet dat dan wel als het gaat om geloof in God?
Deel II. Thomas van Aquino en het funderingsdenken
IIA. Thomas van Aquino en evidentialisme
1. Aquino over kennis
Thomas van Aquino sluit zich in zijn kennisleer eigenlijk geheel aan bij Aristoteles. In de Analytica Posteriora stelt Aristoteles dat kennis eigenlijk uit twee delen bestaat, dat wat zelf-evident is, geweten wordt door zichzelf en dat wat geweten wordt door iets anders. Het eerste zijn de principes die onmiddellijk gekend worden door de intuïtie of een andere onmiddellijke vorm van inzicht (intellectus; understanding; `seeing of the principles’); het tweede is de wetenschap (scientia); deze ontstaat niet door onmiddellijke kennis maar door het onderzoek van de rede; door demonstratie. Zo is 2 + 1 = 3 een voorbeeld van het eerste; terwijl 281 maal 29 = 8149 een voorbeeld van het tweede is.
Anders dan bij Plato omvat de scientia ook het contingente (veranderlijke); ze omvat contingente proposities; en dus ook kennis van de materiële wereld. Het niet-materiële kennen wij niet eens direct, maar door analogie.
Naast de zelf-evidente proposities is er nog een andere categorie van proposities waarvan de waarheid onmiddellijk wordt ingezien, namelijk proposities die zijn gebaseerd op zintuiglijke waarneming. Heel het bouwwerk van de kennis is gebouwd op het fundament van de zelf-evidente en de zintuiglijk verankerde proposities.
2. Thomas van Aquino over kenns van God
Thomas gelooft dat de mens wetenschappelijke kennis kan bezitten inhoudende dat God bestaat en dat Hij attributen heeft zoals eenvoud, eeuwigheid, immaterialiteit, onveranderlijkheid en dergelijke. In de Summa Theologiae treffen we de vijf godsbewijzen aan (zie eerste college, noot 1); in de Summa contra Gentiles is er nog een ander argument, namelijk vanuit de categorie van de beweging. Er is een natuurlijke kennis van God mogelijk. Niet dat de meeste mensen geloven op basis van wetenschap en argumentatie. Dat zijn er zeer weinigen. Maar het bewijs voor het bestaan van God is wel mogelijk, aldus Thomas.
Thomas gaat niet in op het gedrag van degenen die in God geloven zonder zich te verdiepen in de argumenten voor dit geloof; hij gaat echter wel in op een ander punt, namelijk of mensen die iets (gelovend) aannemen dat `boven de rede’ uit gaat, irrationeel zijn of tenminste ongepast lichtvaardig.
Thomas ontkent dat de gelovige irrationeel is. De geheimen van de goddelijke wijsheid openbaren zichzelf en hun waarheid, in de zichtbare manifestatie in werken die de menselijke maat en de maat van de natuur als geheel overschrijden. Thomas noemt dan als voorbeelden: wonderen, opstanding uit de doden, het geïnspireerd worden van de geest in bijvoorbeeld het uitspreken van profetieën, en ook de wijsheid van ongeletterden. Het gaat hier om de `evidence’ voor het geloof in God. Wat er voor het geloof spreekt dat na zoveel eeuwen nog zoveel mensen er in geloven en dat het zich zo snel heeft verspreid. De kwestie is ook niet of het gek is als mensen iets geloven op gezag van God; want als God bestaat zou het veel irrationeler zijn om wat Hij zegt niet te aanvaarden dan om dit wel te aanvaarden. De kwestie is vooral wanneer wij en of wij kunnen weten dat God iets (een bepaalde geloofsinhoud) heeft uitgesproken. Met het oog op die vraag hanteert Th. Van Aquino in wezen een evidentialistisch denkstijl, door te zeggen dat bepaalde geloofwaarheden inderdaad wijzen op God en wel omdat in het licht van bepaalde evidente (`properly basic’) waarheden het waarschijnlijker is dan niet dat ze waar zijn.
Er zijn echter - kleine lettertjes - aanwijzingen dat Th. van Aquino ook meent dat er een onmiddellijke en intuïtieve kennis van God bestaat. Deze kennis is weliswaar weinig omlijnd, onvolledig en vooral van praktische aard. Maar ze kan toch wel tellen als een onmiddellijke kennis van God middels de natuurlijke rede. Mogelijk is Thomas van Aquino in dit opzicht wel een vroege Calvinist, zo oppert Plantinga ondeugdend.
IIB. Funderingsdenken
Plantinga stelt vervolgens iets dat overbodig lijkt, namelijk dat de redeneervorm van Thomas van Aquino past bij het klassieke funderingsdenken. Plantinga maakt namelijk een onderscheid tussen evidentialisme en funderingsdenken. De term evidentialisme fungeert vooral in de context van de zgn. evidentialistische objectie tegen het geloof in God. De term funderingsdenken heeft een veel bredere betekenis; ze duidt op een bepaalde epistemologie; het klassieke funderingsdenken vormt daarvan slechts een van de varianten, zij het de belangrijkste. De evidentialistische objectie sluit naadloos aan bij het klassieke funderingsdenken. Wij moeten het verschil tussen funderingsdenken en klassiek funderingsdenken wel onthouden, want Plantinga is op zich niet een tegenstander van alle vormen van funderingsdenken.
Voor het klassieke funderingsdenken geldt nu ook dat het uitgaat van een normatieve these over de manier waarop een systeem van overtuigingen moet zijn gestructureerd. Volgens de funderingsdenker bestaan er bepaalde normen of plichten of verplichtingen waaraan met betrekking tot een bepaalde overtuiging moet zijn voldaan, alvorens van kennis kan worden gesproken. Men moet zijn epistemische vermogens op een bepaalde geëigende manier gebruiken. Men kan dit `moeten’ duiden als een verplichting, maar ook als het voldoen aan een bepaalde standaard van excellentie.
Dit kan verduidelijkt worden door de term noëtische structuur in te voeren. Onder noëtische structuur wordt verstaan:
"de set van proposities waarvan een bepaalde persoon overtuigd is, samen met bepaalde epistemische relaties die er tussen hem en die proposities bestaan" (48).
In een bepaalde noëtische structuur zijn er vaak basis-proposities en daarnaast proposities die op basis van deze proposities bestaan. De term noëtische structuur veronderstelt of impliceert een dergelijk onderscheid tussen proposities die basaal zijn en die dat niet zijn. In de tweede plaats impliceert noëtische structuur dat er een index is van de mate van overtuigd zijn. Het gaat hier om een personalistische interpretatie van de waarschijnlijkheidstheorie. In de derde plaats houdt de term noëtische structuur ook een verwijzing in naar de index van de `diepte van ingressie’. Hiermee bedoelt Plantinga dat er proposities zijn die zich aan de rand van het bouwwerk van de kennis bevinden. Het opgeven daarvan heeft weinig invloed op de rest. De diepte van ingressie is gering. Maar er zijn ook proposities die veel centraler zijn. Het opgeven daarvan heeft grote gevolgen voor het bouwwerk van de kennis. Het gaat, samengevat, dus om drie kenmerken, die onderling overigens onafhankelijk van elkaar opereren: `basicality', `degree of belief' en `depth of ingression'.
In de kleine lettertjes gaat Plantinga dan nog in op het criterium `basicality'. `Basicality' is moeilijk te definiëren. Volgens Chisholm moet je dan de vraag stellen: wat zijn je redenen om p te geloven? Of: waarom geloof je p? Maar Plantinga denkt dat je er zo niet uitkomt. Neem bijvoorbeeld de gronden (reasons) die men kan aanvoeren voor de uitspraak: ik zie een boom. Wat zijn de redenen die ik kan aanvoeren dat ik een boom zie? De vraag is in de eerste plaats meerzinnig; ze kan betekenen dat ik moet zoeken naar redenen om aan te nemen dat het gaat om een boom (en niet om een struik); ze kan ook betekenen dat ik moet zoeken naar redenen om aan te nemen dat ik de boom zie (in plaats van voel of ruikt); ik kan de vraag echter ook zo interpreteren dat ik U (jou) moet overtuigen (redenen moet geven om te geloven) dat ik een boom heb gezien. Alle drie de varianten van de vraag roepen op tot het aandragen van ervaringen; preciezer nog tot het aandragen van proposities waarin ik mijn ervaring verwoord. Maar, en dat is het punt waar het Plantinga om gaat, de grond voor het geloof dat ik een boom zie is helemaal niet een bepaalde experiëntiële propositie; een uitspraak, met andere woorden, over iemand's ervaringen. Als ik een boom zie en er wordt mij gevraagd waarom ik denk een boom te zien, is het meest waarschijnlijke antwoord dat ik die boom gewoon zie; m.a.w. dat het hier om iets zelf-evidents gaat. Op het moment dat je je aan het concentreren bent op het zien van de boom heb je helemaal geen behoefte aan zinnen die de ervaring van het zien van de boom onder woorden brengen. Dat komt later wel, als het dan nog nodig is. Je kan een ander achteraf nog wel eens uitleggen waarom je dacht een boom te zien, maar dat wil nog niet zeggen dat ik zelf de experiëntiële propositie nodig heb om overtuigd te kunnen zijn van het zien van de boom.
Het funderingsdenken kan nu het beste worden weergegeven als een these over rationele noëtische structuren. Rationeel wil hier zeggen: beantwoordend aan bepaalde epistemische verplichtingen. Voorts wil het zeggen dat deze noëtische structuur een bodem heeft, een bepaalde fundering. Rationaliteit wil nu zeggen dat je beweringen die niet basaal zijn of tot het fundament behoren, alleen aanneemt als ze tot een dergelijke basis kunnen worden herleid.
Plantinga verduidelijkt dit nog verder door te zeggen dat deze basis relatie in een rationele noëtische structuur irreflexief en asymmetrisch is; irreflexief wil zeggen dat de basisbeweringen beweringen zijn die niet zelf nog weer naar bepaalde beweringen verwijzen (bijv. naar zichzelf). Als een bewering zelf-evident is, is het niet omdat in die bewering een bewering wordt gedaan plus (impliciet) een bewering over die bewering. Nee, de evidentie voor de bewering is de bewering zelf; zelf-evident betekent dat er geen evidentie nodig is. Asymmetrie wil zeggen dat als A de basis is voor B, dat dan het omgekeerde niet geldt, namelijk dat B de basis is voor A.
Vervolgens zegt Plantinga dat deze relatie tot de basis een onmiddellijke is: iedere niet-basis overtuiging heeft een onmiddellijke basis. En iedere basis-overtuiging (B) in een bepaalde noëtische structuur (N) behoort zelf tot het hoogste niveau in N. Asymmetrie en irreflexiviteit kunnen nu nog anders worden gedefinieerd aan de hand van de hiërarchie van beweringen in noëtische structuur (N). Je kan van iedere `non-basic’ bewering een pad reconstrueren naar de basis of fundering.
Hoe is de relatie tussen beweringen op verschillende stadia van het pad? B ondersteunt A, zeggen we. Dat betekent zo ongeveer: er is evidentie voor A, namelijk B vormt de evidentie voor A. Locke's uitspraak dat de mate waarin men van iets overtuigd is, evenredig moet zijn met de graad van evidentie voor het bedoelde feit, speelt hier een rol. Je kan dit zien als een waarschijnlijkheidsrelatie. Maar voor het weten geldt de waarschijnlijkheidsrelatie niet: je weet iets of je weet iets niet. Er zijn dus paradoxen met deze benadering en er liggen filosofische problemen.
Samenvattend: (1) volgens het funderingsdenken is de geloven-op-basis-van relatie asymmetrisch en niet-reflexief; (2) een rationele noëtische structuur heeft een fundering; (3) in een rationele noëtische structuur is het geloof dat men hecht aan overtuigingen die niet tot de basis behoren, evenredig met de mate van support vanuit de fundering.
IIC. Condities met betrekking tot `proper basicality'
Volgens Thomas behoren die beweringen tot de basis, die ofwel zelf-evident zijn of evident voor de zintuigen. Wat betekent zelf-evident? Bij Thomas in ieder geval dat arithmetische en bepaalde logische waarheden basaal zijn; en misschien ook generalisaties van de eenvoudige waarheden van de logica; bepaalde proposities die te maken hebben met eenheid en diversiteit. Thomas noemt nog andere voorbeelden, maar waar het om gaat is dat de waarheid van deze beweringen onmiddellijk wordt gezien; en omdat de snelheid waarmee mensen dingen inzien als het gaat om de basis, verschilt, zijn er dus ook verschillen in `basicality' al naar gelang de persoon die je voor je hebt. Dit zien (visuele metafoor) heeft dan een epistemische kant en een fenomenologische kant. Het epistemische aspect betreft vooral de onmiddellijkheid van kennis van de basis. Het fenomenologische aspect heeft zelf twee kanten: namelijk aan de ene kant de `lumineuze aura' die evidenties omgeeft en aan de andere kant de neiging om de waarheid van dit inzicht zonder verdere tegenspraak te onderschrijven. Daarnaast is voor Thomas de evidentie van de zintuigen belangrijk.
In de moderne tijd kwam dit laatste op de helling te staan: kennis van de zintuigen is niet zonder meer te vertrouwen. Het criterium werd geherformuleerd tot `incorrigeerbaarheid'. Een bewering behoort tot de basis als ze niet-corrigeerbaar is. Incorrigeerbaar houdt dan een verwijzing naar het eigen mentale leven in. Ik zie een boom is dan: het komt mij voor dat ik een boom zie; of dat ik iets groens zie (Chisholm maakt hiervan: I am appeared greenly to).
P is niet corrigeerbaar voor S indien en alleen indien (a) het niet mogelijk is dat S p gelooft en dat p onjuist is; en (b) het niet mogelijk is dat S niet-p gelooft en dat p waar is.
De Antieken en Middeleeuwse denkers noemden als criterium voor 'proper basicality' dus: zelf-evidentie en evidentie voor de zintuigen; in de moderne filosofie is properly basic dat wat hetzij zelf-evident is of niet-corrigeerbaar voor S.
IID. De collaps van het funderingsdenken
Het fundamentele principe van het klassieke funderingsdenken luidt:
(1) Een propositie p is 'properly basic' voor persoon S indien en slechts indien p zelf-evident is voor S, niet-corrigeerbaar voor S of evident voor de zintuigen van S.
Plantinga stelt dat het zo niet werkt; dat heel veel van de waarheden waar ik dagelijks mee werk niet aan deze criteria voldoen en dat omgekeerd sommige van de waarheden die voor zelf-evident, niet-corrigeerbaar en gebaseerd op zintuigelijke waarneming doorgaan, bij nadere beschouwing helemaal niet aan die criteria voldoen. Neem bijv. de bewering dat er objecten bestaan die volharden in hun bestaan; of dat de wereld langer dan vijf minuten bestaat; of dat er andere personen buiten mij bestaan. Dat zijn proposities die helemaal niet zelf-evident of niet-corrigeerbaar zijn. Het enige is het bestaan van entiteiten buiten mij als je het criterium van de zintuigen gebruikt (middeleeuwse variant). Aan de andere kant zijn er heel veel proposities wel `properly basic' die het volgens dit criterium niet zijn, bijvoorbeeld dat ik vanmiddag heb geluncht.
Het tweede bezwaar tegen het principe van funderingsdenken is dat het zelf-referentieel inconsistent is. Propositie (1) is met andere woorden zelf niet een uitspraak die zelf-evident is of niet-corrigeerbaar of evident voor de zintuigen. Preciezer: de uitspraak dat A properly basic voor mij is slechts indien A zelf-evident of niet-corrigeerbaar of evident voor de zintuigen is, is ofwel onjuist ofwel ze vraagt van mij om tekort te doen aan mijn `noëtische verantwoordelijkheden (of verplichtingen)'. Die verplichting houdt in dat ik als ik iets vind, ik de plicht heb hier evidentie voor aan te dragen en wel volgens het juist gegeven criterium van `proper basicality'. De evidentialist dwingt de theïst dus iets aan te nemen dat tegen de door de evidentialist zelf gestelde noëtische plicht ingaat.
Plantinga bespreekt nog een tweetal verfijningen van dit argument. De eerste verfijning is: `properly basic' is datgene dat voldoet aan uitspraak (1) èn aan de uitspraak dat er "paden in S' noëtische structuur zijn van p naar proposities q1 --- qn; paden die basic zijn voor S, en zelf-evident, evident voor de zintuigen of niet corrigeerbaar voor S en die p ondersteunen".
De tweede verfijning is dat `properly basic' datgene is dat voldoet aan uitspraak (1) èn aan het vereiste dat het geaccepteerd wordt door bijna iedereen. Deze laatste uitspraak is helemaal dubieus, omdat de overtuiging dat ik tussen de middag gelunchd heb voor mij properly basic is (en terecht volgens Plantinga); maar voor de meeste anderen in deze wereld niet. De eerste verfijning weerlegt Plantinga door de verschillende logische mogelijkheden van deze uitspraak na te lopen.
Deel III De Reformed Objection tegen de natuurlijke theologie
IIIA. De initiële formulering
Herman Bavinck (Nederlands theoloog aan het eind van de vorige en het begin van deze eeuw) formuleert een klassieke afwijzing van de natuurlijke theologie. Zijn eerste punt is dat de gelovige de godsbewijzen niet nodig heeft omdat de bron van het geloof in God niet in deze bewijzen ligt, maar in het geloof zelf. Geloven doe je niet op basis van argumenten. Het tweede punt is dat de gelovige geheel in zijn epistemische recht staat wanneer hij (bijv.) gelooft dat God de wereld heeft geschapen. Je hebt het bewijs niet nodig om epistemisch gerechtvaardigd te zijn. Enkele toevoegingen: de godsbewijzen werken ook niet volgens Bavinck (hier sluit B. zich zelfs aan bij Kant's reserves tegen het ontologische godsbewijs). Vervolgens: de Schrift (= de bijbel) kiest God als beginpunt van het verhaal en van iedere redenering. Maar in de natuurlijke theologie is God het eindpunt van onze redeneringen. Geloof is God - ten derde - lijkt in dit opzicht op geloof in een wereld buiten ons, in ons eigen bestaan en - voegt Plantinga toe - het bestaan van andere mensen en het verleden.
Volgens Johannes Calvijn heeft God in ieder mens een aangeboren neiging of dispositie geplant om in Hem te geloven (sensus divinitatis). Die neiging wordt weliswaar, omdat de mens zondig is, onderdrukt maar dat doet aan het feit als zodanig van deze neiging niets af. Verder moeten wij de kracht van onze overtuiging niet ontlenen aan de menselijke rede, maar aan het innerlijke getuigenis van de heilige Geest (testimonium Spiriti Sancti). Juist door het geloof afhankelijk te maken van argumenten, maak je het onstabiel en zwevend, aldus Calvijn. We moeten een voorbeeld nemen aan de apostelen en profeten, die ook niet met schitterend vertoon van woorden en prachtige argumentatie het bestaan van God onderbouwen, maar die veeleer de heiligheid van de naam van God verkondigen. Eigenlijk ben je een beetje zielig als je je geloof laat afhangen van argumenten; want dan zou je bij wijze van spreken iedere maand de belangrijkste filosofische tijdschriften moeten raadplegen om na te gaan, of zeg: Anthony Flew, niet intussen het dodelijke argument tegen geloof in God heeft bedacht.
IIIB. Het Barthiaanse dilemma
Karl Barth heeft zeer sterke bezwaren tegen de natuurlijke theologie; ze past bij de menselijke eigenzinnigheid en trots. De natuurlijke theologie dwingt tot een dilemma, namelijk om ofwel het standpunt van het ongeloof [daadwerkelijk] in te nemen ofwel om te pretenderen dat je dat doet als een gebaar naar de andere partij. Het eerste is een vorm van desertie; het tweede is oneerlijk en een vorm van kwade trouw.
Waarom is het bedrijven van natuurlijke theologie het aannemen van het standpunt van het ongeloof? In essentie omdat men het geloof in God afhankelijk maakt van menselijke redenering. Men maakt de rede tot rechter over Christus en dat is in wezen zondige menselijke hoogmoed. Gelovigen kunnen het debat niet beginnen met in het midden te laten of het geloof in God gerechtvaardigd is. Dat is oneigenlijk voor het geloof. Plantinga laat doorschemeren dat in zijn optiek op zich het project van een natuurlijke theologie niet impliceert dat het `standpunt van het ongeloof' wordt aangenomen. Of preciezer: het standpunt van het ongeloof impliceert op zich niet een verwerping van het geloof. De natuurlijke theoloog accepteert dat het al dan niet eigenlijk (waar; gerechtvaardigd) zijn van het geloof het resultaat is van een afweging: het testen van het geloof tegen de `deliverances of reason'. Geloof is waar en te rechtvaardigen als het in de juiste verhouding staat tot deze `deliverances of reason'.
IIIC. Het klassieke funderingsdenken verworpen
Er is echter een weg tussen de beide poten van het dilemma. Men kan argumenten voor het geloof aandragen, zonder zelf zijn/haar geloof van die argumenten te laten afhangen; terwijl men ook niet hoeft te pretenderen dat het geloof daarvan afhangt. Men is dus niet veroordeeld tot enerzijds kwade trouw of anderzijds oneerlijkheid om toch argumenten voor het geloof aan te dragen. Men kan zelfs met Calvijn volhouden dat het geloof in God ook niet gebaseerd moet zijn op rationele argumentatie (omdat dat leidt tot gezwalk).
Het interessante punt in de 'Reformed objection to natural theology' is de gedachte dat geloof in God helemaal niet gebaseerd hoeft te zijn op rationele argumentatie; dat geloof in God `properly basic' is; dat er geen noetische verplichting wordt verzaakt wanneer in God wordt geloofd. Preciezer, het klassieke funderingsdenken omvat de volgende drie uitspraken:
(1) in iedere rationele noëtische structuur bestaat er een set beliefs die als basaal worden beschouwd, dat wil zeggen, als niet geaccepteerd op basis van andere overtuigingen.
(2) In een rationele noëtische structuur is belief dat niet tot de basis behoort proportioneel [gerechtvaardigd; waar] naar de mate van steun die dit belief van de fundering ontvangt.
(3) In een rationele noëtische structuur zullen basisovertuigingen zelf-evident zijn of incorrigeerbaar of evident voor de zintuigen.
De reformatorische theïst is geneigd (1) te accepteren; hij voelt geen bezwaren bij (2); maar hij protesteert bij (3), althans als daarmee wordt bedoeld dat geloof in God niet tot de basis behoort, maar product is van redenering. Want God is niet de conclusie uit een syllogisme (Bavinck). God is het uitgangspunt. Geloof in God behoort tot de fundering van de noëtische structuur, aldus Calvijn. We zouden zelfs twee dingen hieraan kunnen toevoegen:
(a) dat christenen God zelf niet mogen/moeten geloven op basis van andere beweringen; een wel-gevormde christelijke noëtische structuur zal feitelijk geloof in God in de basis opnemen.
(b) dat mensen die geloof in God als basis nemen, kunnen weten dat God bestaat. Men kan weten dat God bestaat, ook al heeft men er geen enkel argument voor.
Dat maakt de natuurlijke theologie niet overbodig, want ze kan - kort gezegd - nog allerlei apologetische doelen dienen.
Deel IV Is geloof in God 'properly basic'?
In deze paragraaf gaat Plantinga nog in op een aantal mogelijk tegenwerpingen tegen zijn stelling dat geloof in God `properly basic’ is. In de eerste plaats impliceert deze stelling niet dat dan alles maar `properly basic’ genoemd kan worden (de Great Pumpkin objectie). Het betekent verder niet dat geloof in God, als het basaal is, zonder grond is. Verder impliceert dit standpunt geen immuniteit tegen kritiek. En tenslotte gaat het hier niet om een vorm van fideïsme.
IVA. De 'Great Pumpkin' objectie
Deze (beroemde) tegenwerping komt er op neer dat als men geloof in God voor `properly basic’ houdt dat dan zowat elke overtuiging (just any belief) voor `properly basic’ mag worden gehouden. De Great Pumpkin (grote pompoen) is een figuur uit het Halloween feest waarvan de mare gaat dat hij bij dit feest terug keert. Betekent Plantinga’s verwerping van het klassieke funderingsdenken dat de poorten wijd open gaan voor iedere vorm van bijgeloof en irrationalisme.
Geenszins zegt Plantinga. Want in de eerste plaats moet worden bedacht dat wat `properly basic’ is sterk verbonden is met en afhankelijk van de context waar de bewering over gaat. De `reformed epistemologist' beweert slechts dat er in brede kring aanvaarde omstandigheden zijn waarin de uitspraak `God bestaat’ voor `properly basic’ wordt gehouden.
Een tweede punt is de status van de criteria van proper basicality of justified belief. Plantinga benadrukt sterk dat die criteria niet a priori bestaan; met andere woorden dat je niet eerst criteria hebt en vervolgens aan de hand van die criteria de kennis vaststelt. Ook het klassieke funderingsdenken loopt hier in de formulering van haar criteria vast, omdat niet op voorhand voor iedereen vast staat (evident is, niet-corrigeerbaar is) dat het door haar geformuleerde criterium juist is. De eigenlijke wijze waarop je tot de formulering van een criterium komt is inductief. Het gaat om het formuleren van de voldoende en noodzakelijk voorwaarden voor de condities waaronder een bepaalde overtuiging voor `properly basic’ kan worden gehouden. Deze particularistische kentheorie zal er inderdaad toe leiden dat mensen het vaak niet met elkaar eens zijn; maar dat is nog wat anders dan het openzetten van de deur naar een volstrekt subjectivisme.
IVB. De grond voor geloof in God
Plantinga’s stellingname impliceert ook niet dat geloof in God zonder grond is. Kern van de zaak is dat de omstandigheden waaronder een religieuze (of andere) uitspraak wordt gezien als `properly basic’ ook kloppen met de betreffende uitspraak. Is men m.a.w. onder de betreffende omstandigheden gerechtigd om die uitspraak te doen? Het gaat dus om de factoren die een rol spelen in de tot stand koming van een overtuiging. In principe gaat het er dat ik (a) geen epistemische verplichtingen schend; en (b) dat ik een intacte noëtische structuur heb met betrekking tot de betreffende propositie. Zo kan pijngedrag de grond zijn voor de overtuiging dat iemand pijn heeft. Het gaat hier niet om evidentie waaruit ik iets afleid, maar om de specifieke condities waaronder ik gerechtvaardigd ben om een overtuiging die op een bepaalde wijze gevormd wordt, aan te nemen gegeven een intact kenapparaat aan de zijde van mij als kenner. Steeds gaat het om de typische manier waarop er in een bepaalde situatie sprake is van mijn `being appeared to’ en de specifieke condities waaronder die `mij voorkomen’ transformeert (en mag transformeren) tot een overtuiging. Plantinga trekt hier vergelijkingen tussen kennis van God en kennis op basis van perceptuele waarneming, kennis van historische feiten en kennis van andere personen. Het is met geloofskennis niet zoveel anders gesteld als met kennis op deze andere domeinen. Geloofskennis ontwikkelt zich in een geloofscontext. Mijn geloof in God de schepper