Concepties van de menselijke persoon – implicaties
voor de bio-ethiek
Faculteit
Wijsbegeerte Universiteit Leiden
Tel.:
06 10 91 45 13
(mobiel)
0572 369 481
(secr.: maandag, woensdag, donderdag)
INLEIDING
We
bespreken in dit werkcollege het boek
Body and Soul. Human Nature and the Crisis in Ethics van twee Amerikaanse
filosofen: J.P. Moreland en Scott B. Rae. De eerste is filosoof en de tweede
ethicus. In dit boek wordt een thomistische visie op de mens verdedigd en wordt
uitgelegd wat de betekenis van deze antropologie voor de ethiek
is.
Meer in het bijzonder
voert dit boek een pleidooi voor een aangepaste versie van het
substantiedualisme (lichaam en ziel als aparte substanties, in plaats van als
namen voor functies van een en dezelfde substantie). De motivatie hiervoor is
zowel intellectueel als religieus van aard. De intellectuele motivatie is dat
elke andere verdediging van het bestaan van de ziel, laat staan een
onsterfelijke ziel, uitmondt in een positie waarin het bestaan van de ziel in
haar zelfstandigheid verloren gaat. De religieuze motivatie wordt in de woorden
van Dallas Willard, auteur van The Divine
Conspiracy, weergegeven (p. 8):
“To
understand spirit as ‘substance’ is of the utmost importance in our current
world, which is so largely devoted to the ultimacy of matter. It means that
spirit is something that exists in its own right, to some degree in the human
case, and absolutely so with God” .
De
ziel van de mens moet wel substantie hebben wil ze niet zodanig vervluchtigen
dat men geen verweer meer heeft tegen het oppermachtige materialisme in onze
dagen. Daarmee is het front ook wel getekend: het boek richt zich met name tegen
fysicalistische benaderingen van de mens, benaderingen met andere woorden waarin
de mens uiteindelijk herleid wordt tot materie of een bundel fysische processen.
Daarachter ligt het sciëntisme: die benadering die meent dat de wetenschap het
belangrijkste en meest beslissende over de mens en over de werkelijkheid te
zeggen heeft.
Overigens
impliceert de radicale stellingname van de auteurs ook dat een andere benadering
wordt afgewezen: het complementarisme. Het complementaire denken gaat er van uit
dat wetenschap en religie niet met elkaar interacteren en elk op zich staande
beschrijvingen van de werkelijkheid bieden. Wie dit als gelovige meent, levert
zich bij voorbaat uit aan het fysicalisme, aldus de auteurs. Want dit
complementarisme laat de fysicalistische benadering in wezen onverlet. Het
betekent dat het hele terrein van religie en ethiek uit de sfeer van het
wetenschappelijk denken wordt verbannen en uiteindelijk wordt geprivatiseerd
(m.a.w. tot een zaak van subjectieve, individuele waardering wordt gemaakt) en
daarmee voor het intellectuele en maatschappelijke debat onschadelijk gemaakt.
Twee fronten dus: fysicalisme en complementarisme.
De
inleiding citeert Blaise Pascal die opmerkte dat niets een mens meer zou moeten
aangaan dan de onsterfelijkheid van de ziel. Het beschrijft hoe Edmund Husserl
zich bij het schrijven van Die Krisis in
der europäischen Wissenschaften zich reeds realiseerde hoezeer de
privatisering van het morele bewustzijn de bevolking vatbaar maakt voor
manipulatie door machtige leiders. Het sciëntisme heeft dus morele betekenis.
Voorts wordt een recensent van Books and
Culture geciteerd die opmerkt hoe oorverdovend stil het van theologische
zijde is gebleven na alle publicaties waarin mentale processen, het bewustzijn
incluis, tot epifenomeen van hersenprocessen worden herleid. Waar blijft de
filosofisch-theologische reactie op het werk van Paul en Patricia Churchland?
Waar blijft die reactie als het gaat om het werk van Edward O. Wilson, die
moreel gedrag herleid tot de werking van (socio)biologische principes.
Het
boek gaat niet alleen de zelfstandigheid (substantialiteit) van de menselijke
ziel verdedigen. Het zal ook toelichten hoe de ziel identiek is met de
menselijke persoon (11). Personen zijn dus ten diepste immateriële substanties.
Voor
een reformatorisch filosoof is het werk van Moreland and Rae interessant omdat
zij in een traditie staan die door de grondleggers van deze vorm van filosoferen
altijd is afgewezen. Met name Dooyeweerd heeft zeer gestreden tegen het
substantie-denken, en wel omdat in de idee van substantie een onterecht element
van verzelfstandiging zit (daarom is de toevoeging ‘to some degree’ in het
Willard citaat zo interessant – omdat het een opening geeft voor gesprek). In
het voetspoor van Calvijn, Kuyper en belangrijke theologen stelt Dooyeweerd dat
het feit dat al het bestaande schepsel is, betekent dat het per definitie nooit
een bestaan in of op zichzelf heeft. Alle ding is immers uiteindelijk en ten
diepste in z’n bestaan afhankelijk van de Schepper. Ook zag Dooyeweerd in de
idee van substantie de dreiging van een te abstracte kijk op wat de essentie van
de werkelijkheid is. Het substantiebegrip is een theoretisch begrip dat vergeefs
en uiteindelijk ten onrechte probeert om iets te pakken te krijgen wat boven de
modale verscheidenheid (de verscheidenheid van functioneerwijzen) uitreikt. Het
lukt de wetenschapper simpelweg niet om binnen de begrenzingen van de eigen
discipline te blijven als deze een overstijgende notie die iets van de samenhang
en eenheid van het onderwerp van studie laat zien, probeert te formuleren.
Op
zich is dat niet erg. De (vak)filosofie is juist bedoeld om van die samenhang en
eenheid iets te laten zien. Vaak gebeurt dat in metaforische taal. Maar dat
gebeurt dan tastenderwijs, intuïtief, gebruik makend van begrippen uit andere
disciplines; en niet in termen van zelfstandige entiteiten of wezens, waarvan
het bestaan wordt op theoretische gronden wordt geponeerd (denk bijvoorbeeld aan
termen als sociale cohesie, stress, tijdpad). In het substantiebegrip hebben we
dus te maken met een verzelfstandiging van iets dat je alleen theoretisch,
middels de abstractie, kan kennen. Natuurlijk hangt die theoretische abstractie
niet in de lucht (Dooyeweerd is geen constructivist); idealiter volgt de
abstractie de lijnen waarlangs de werkelijkheid is geordend. Maar dan nog
geschied die verwoording steeds met het voorbehoud dat eigen is aan ieder
wetenschappelijk kennen. De substantiedenker gaat steeds net een stap verder,
door het zelfstandige bestaan te veronderstellen van wat alleen middels
theoretische abstractie zo kan worden geconceptualiseerd als het wordt
geconceptualiseerd. Weliswaar volgt die theoretische abstractie de
voorwetenschappelijke intuïtie, maar zij kan uit zichzelf aan die
voorwetenschappelijke intuïties geen extra ontologisch gewicht
toekennen.
Mensen
hebben in hun alledaagse bestaan wel een intuïtie van die achterliggende eenheid
en samenhang der dingen, maar die eenheid krijgen ze theoretisch en dus ook
filosofisch nooit helemaal in de greep. Die eenheid is een grensbegrip; zo men
wil: een transcendentale notie. We zouden kunnen zeggen dat Dooyeweerd te zeer
Kantiaan is om aan de notie van substantie vast te kunnen houden. Bij die
typering moet echter worden aangetekend dat Dooyeweerd ook de kantiaanse
filosofie krachtig bestreed; en wel eveneens vanwege haar verzelfstandiging van
de theoretische rede. De transcendentalia in het denken van Kant blijven in
hoofdzaak epistemische noties. Dooyeweerd doelt echter – meer middeleeuws ben ik
geneigd te zeggen – op achterliggende structuren en patronen in de
werkelijkheid; structuren en patronen waarvan mensen wel een vermoeden hebben,
maar waarover de theoretische rede niet het laatste woord spreekt. We komen op
dit punt nog terug.
Het
hoofdstuk begint met aan te sluiten bij common sense noties omtrent de ziel, als
die entiteit die de persoon verlaat bij het sterven.
Christelijke
voorstellingen sluiten hier bij aan, net als de ideeën van Griekse
(metafysische) filosofen; met dit verschil dat de Grieken een onsterfelijke ziel
leerden en de christenen niet (vanwege de idee dat de ziel ook geschapen wordt
en door God in stand gehouden).
Historisch
en numeriek gezien heeft het antropologisch dualisme sterkere papieren dan welke
vorm van monisme ook.
Waarom
is dit dualisme onder christelijke intellectuelen zo
impopulair?
·
vanwege
ideeën over de eenheid van de menselijke persoon (de bijbel geeft een
‘holistische’ visie)
·
vanwege
de sociologische factor: dat je je wetenschappelijk uit de markt prijst met
iedere niet monistische opvatting.
Toch
is het van groot belang het antropologisch dualisme niet te snel op te geven; en
wel omdat de crisis in de hedendaagse ethiek er mee te maken heeft (met
sciëntisme, materialisme) en omdat, meer in het algemeen, de bijbelse noties
omtrent de mens als slechts figuurlijk bedoeld worden opgevat en dusdoende
‘verharmlost’.
·
kosmisch
dualisme; vb. zoroastrianisme; taoïsme; gnostiek; het christendom kent geen
kosmisch dualisme in de zin van twee onafhankelijk van elkaar bestaande krachten
die elkaar door de geschiedenis heen bestrijden (maar wel een dualiteit: God –
schepping; goed – kwaad, et cetera)
·
Antropologisch
dualisme
(1) metafysisch dualisme; dit is
eigenschap-gebeurtenis (property-event) dualisme: mentale en fysieke
eigenschappen of gebeurtenissen zijn werkelijk verschillende soorten van
entiteiten; gedachten, gevoelens, voorstellingen, sensaties enz. zijn mentale
gebeurtenissen waarin mentale eigenschappen zijn ingebed (bijv.
intentionaliteit). Tegenover property-event dualisme staat strikt fysicalisme of
monisme (‘pijn is een C-vezel vuurpatroon’). Twee
varianten
(a)cartesiaans
dualisme (externe, causale relatie tussen lichaam en
geest)
(b)thomistisch/aristoteliaans
dualisme: de ziel is levensprincipe; de geest een faculteit van de ziel; deze
laatste is integrerende grond en principe van de ontwikkeling van lichaam en
ziel. Sommige thomisten identificeren de persoon met het hele lichaam-ziel
complex; anderen identificeren de persoon met de ziel.
Deze
twee vormen van metafysisch dualisme zijn compatibel met functioneel holisme, maar niet met ontologisch holisme! Functioneel holisme
laat het toe dat de ziel onafhankelijk van het lichaam bestaat, maar legt voor
het overige de nadruk op de functionele samenhang en integratie van de
verschillende menselijke kwaliteiten en vermogens (21). Ontologisch holisme laat
‘disembodiment’ niet toe. Ontologisch holisme is verenigbaar met property
dualisme, maar niet met substantie dualisme.
(2) eschatologisch dualisme: dit is een
dualisme ten aanzien van de onsterfelijkheid van de ziel; klassiek voorbeeld is
het platoonse dualisme, dat de leer van de onsterfelijkheid van de ziel
verdedigt; dit is niet verenigbaar met het christelijk denken (zie
eerder).
(3) axiologisch dualisme; dit is een
dualisme dat antropologische dualiteit verdeelt al naar gelang de waarde die een
bepaald aspect of vermogen heeft; de gnostici verachten het lichaam en stelden
de geest of ziel centraal; sommige axiologische mensopvattingen identificeerden
het lichamelijke met het kwade.
In
plaats van het persoon-zijn van God uit het persoon-zijn van de mens af te
leiden, moet de omgekeerde weg worden bewandeld, zoals Calvijn, Plantinga en
Delitzsch hebben betoogd. God is de ‘paradigm-case’. Het persoon-zijn van de
mens moet uit het persoon-zijn van God worden begrepen. Dat betekent per
definitie dat het persoon zijn een immateriële realiteit betreft. Want God
wordt, net als de engelen en de engel des Heeren als immaterieel beschreven.
Engelen kunnen wel worden waargenomen (tijdelijk), maar dat doet aan hun
immateriële karakter niet af.
Bezwaar van de monist (Warren
Brown, Nancey Murphy en H. Newton Malony): persoon zijn is ‘meer een functioneel
vermogen van een complex fysiek organisme, dan een aparte spirituele essentie’.
Abstracter: persoon-zijn is een niet zozeer een natuur [een essentie] die door een
individu wordt geëxemplificeerd; het is meer een set van functionele toestanden die een individu
realiseert. Een functionele toestand is niet zozeer iets dat door zijn
intrinsieke eigenschappen wordt gekarakteriseerd, maar beschrijft de rol die die
toestand vervult in termen van relaties tussen in- en output (GG.: dit is wel
een erg krappe definitie!).
Moreland en Rae geven hier een heel
technische definitie van iets dat ook veel common sense achtiger kan worden
verwoord; door vervolgens deze technische definitie te vergelijken met de wijze
waarin in de omgangstaal over God wordt gesproken, trachten zij de functionele
benadering te kritiseren. Maar substantie-theoretische beschrijvingen zijn
minstens zo technisch en gemakkelijk te ridiculiseren (zoals A. Troost eens deed
door een theologische substantie-achtige beschrijving van God toe te passen op
zijn partner: “zij is één, enig, goddelijk wezen” etc; zie artikel 1 van de
Nederlandse Geloofsbelijdenis).
Vervolgens staan ze stil bij het
belangrijkste bijbelse argument: dat van het voortbestaan van de ziel na de
dood. Zij onderscheiden drie interpretaties:
-
tijdelijke
disembodiment
-
extinctie
– recreatie
-
onmiddellijke
opstanding.
Zij
kiezen voor de eerste, meest gevolgde interpretatie, die stelt dat na de dood de
ziel tijdelijk, tot de dag van de opstanding, in een tussentoestand geraakt en
‘wacht’ op de dag van het oordeel.
Wat is
de geëigende methode in het vormen van een model van de constitutie van de
menselijke persoon?
Moreland
en Rae gaan niet de weg van bijvoorbeeld Peacock en Giberson die voor een
complementaire benadering kiezen; want dan geef je teveel uit handen.
Christelijke theologie moet zich veel meer met de natuurwetenschappen verstaan
en nieuwe manieren van verstaan van de bijbel aanreiken.
Anderzijds
realisere men zich dat de natuurwetenschappen heel weinig werkelijk relevante
kennis ten aanzien van werkelijk interessante/belangrijke kwesties in de
menswetenschappen heeft opgeleverd. Searle meent dat fenomenen als bewustzijn,
intentionaliteit en persoonlijke identiteit tot nu toe onverklaard zijn
gebleven. Moreland en Rae voegen er aan toe dat de beslissende vragen ook ten
principale niet door de wetenschap zijn te beantwoorden, omdat ze berust op
achterliggende assumpties over hoe de wereld in elkaar zit, over haar oorsprong
en haar bestemming. De wetenschap kan de vraag naar wie de mens is niet
beantwoorden.
In het
vervolg gaat het om een program dat in vijf punten kan worden samengevat. Dit program schetst de weg waarlangs
christenen tot een coherente visie op het lichaam-geest vraagstuk en op de
menselijke persoon kunnen komen.
1. Ontwikkel
een christelijke worldview (vgl. Plantinga)
2. Werk
die filosofisch uit; filosofie richtte zich op het essentiële, dat wat
noodzakelijk geldt.
3. Gebruik
inzichten uit de vakwetenschappen
4. Gebruik
ethisch inzicht
Met
een dergelijke benadering kom je dicht uit bij een benadering die wel is
aangeduid als ‘theologisch realisme’.
Vragen:
·
Aristoteles
kan niet zonder meer een dualist genoemd worden; zijn opvatting van de lichaam –
geest verhouding is ingewikkeld en ontwikkelt zich ook in de loop van zijn werk;
zijn uiteindelijke positie is die van het hylemorphisme; dat de ziel ziet als
een bewegingsprincipe dat het organische, dierlijke en menselijke leven,
doelgerichtheid en een innerlijke kracht geeft (de ziel is niet zonder meer
substantie)
·
Wat
zeg je als je zegt: een sensatie is een mentale gebeurtenis? Heb je het dan over
een ‘disembodied’ activiteit? Dat te zeggen is toch zelf al een vorm van
abstractie? Omdat het veronachtzaamt dat een mentale gebeurtenis per definitie
belichaamd is.
·
Waarom
wordt persoon-zijn gelijk gesteld met de aanwezigheid van de ziel als
substantie; als essentie?
·
Kan je
wel in wetenschappelijke (filosofische) zin iets zeggen belangrijke aspecten van
het mens-zijn over de grenzen van de dood heen? Is de realiteit van de dood niet
net zo’n mysterie als het mysterie van de menswording? En vanuit christelijk
theologisch standpunt te vergelijken met het mysterie van de
schepping?
Hoofdstuk
2: Menselijke
personen als substanties of ‘property-things’
De auteurs signaleren
hoezeer ook christelijke intellectuelen zich in de definitie van de menselijke
persoon laten bepalen door criteria die vanuit de wetenschap worden aangedragen,
zoals het bekende 14 dagen of 6 weken criterium (ontwikkeling neurale lijst;
hersenen). Zij willen deze benadering ondergraven vanuit een aantal metafysische
distincties.
Eigenschappen: deze
kenmerken zich daardoor dat men er –heid achter kan zetten (roodheid; wijsheid;
driehoekigheid).
(1)eigenschappen
zijn universeel: zij kunnen in meer dan een ding of persoon tegelijk
voorkomen;
(2)ze
zijn in zichzelf onveranderlijk; het is niet de roodheid die veranderd, maar het
blad dat roodheid inwisselt voor bruin of een andere
kleur;
(3)Zij
zijn eigenschappen in de dingen; de dingen hebben die
eigenschappen.
Men
kan verder nog onderscheiden tussen alles-of-niets eigenschappen (nondegreed
properties) en graduele eigenschappen (degreed properties; gekenmerkt door het
groter dan, of minder dan iets anders zijn).
Belangrijke
vraag in deze context: kan men meer of minder persoon-zijn? Is persoon-zijn een
degreed of een nondegreed eigenschap?
Volgend
onderscheid: accidentele en essentiële eigenschappen; accidentele eigenschappen kan een ding
missen zonder op te houden dat ding te zijn; voor essentiële eigenschappen geldt
dat als men die mist, dat het ding dan ophoudt dat ding te zijn. Men kan ook
zeggen: essentiële (=noodzakelijke)
eigenschappen zijn die eigenschappen die in alle mogelijke werelden voorkomen.
Een
mogelijke wereld is ‘a total way things could have been, including, of course,
the way things are’. Men
kan deze mogelijke werelden ontologie zo voorstellen alsof God voor zich een
reeks van totale alternatieven voor ogen heeft gesteld; zodanig dat voor elk van
die alternatieven geldt dat ze als totale wijze van rangschikking der dingen
consistent is, logisch mogelijk is met andere woorden. Pijn doet in alle
mogelijke werelden zeer (essentieel); maar de invloed die het op gedrag heeft is
een accidentele aangelegenheid.
Metafysische
noodzakelijkheid gaat verder dan fysische noodzakelijkheid. Fysische
noodzakelijkheid is gebonden aan het bestaan van natuurwetten die die noodzaak
bepalen. Maar er zijn mogelijke werelden waarin die fysische wetten
ontbreken.
Een
eigenschap wordt door iets geëxemplificeerd. Dat iets wordt een
‘property-instance’; een instantiëring van die eigenschap; een tot aanzijn komen
van die eigenschap. Dit exemplificeren of instantiëren geeft aan eigenschappen
een individuele bepaaldheid; preciezer: twee rode vlekken op een vel papier
kunnen precies gelijk zijn; ze hebben dezelfde roodheid; toch is het rood op
plek 1 niet dezelfde als het rood op plek 2.
Relaties
zijn universalia die twee of meer entiteiten nodig hebben om te kunnen worden
geëxemplificeerd. Een relatie is elk reëel, onderscheidbaar aspect van twee of
meer dingen die tezamen worden genomen. Er zijn allerlei soorten relaties: deel
– geheel; causale relaties, spatiotemporele relaties; de wetten van de wiskunde
en logica.
Nu
zijn er interne en externe relaties. Interne relaties definiëren (1) een relatie
R tussen a en b zodanig dat voor alles wat niet in relatie R tot b staat geldt
dat het niet a kan zijn. Voorts (2) zijn interne relaties niet primitief, maar
gefundeerd in de natuur of essentie van de dingen die de relatie met elkaar
verbindt. De ontologische grond voor de relatie of verbinding tussen twee
entiteiten ligt m.a.w. in de natuur van die entiteiten en in niets anders.
Anders
gezegd (met D.M. Armstrong): interne relaties zijn zodanig dat er geen mogelijke
wereld is waarin de objecten a en b onveranderd blijven, maar waarin de interne
relatie niet geldt. Die relatie gaat als het ware deel uitmaken van wat het is
om dat object a of b te zijn.
Er
zijn nogal wat opvattingen die ene levend organisme een systeem van hiërarchisch
met elkaar verbonden delen achten. Deze systeem opvattingen moeten echter wel
duidelijk maken wat precies onder de structuur (samenhang) van het systeem wordt
verstaan; en ook of de relaties tussen de delen extern of intern is.
M&R
verdedigen de property exemplification theory die stelt dat een gebeurtenis het
ontstaan, het voortdurende bezit of het verdwijnen van een eigenschap is die
toebehoort aan een ding (een substantie) of die tussen dingen bestaat. Dit
T-shirt is (nu) groen; het licht van de bliksem ontstond, bestond en is nu weer
voorbij et cetera. De eigenschap is ‘groen’ resp. ‘licht geven’. Het is het
individuele ding (het particular) dat verandert; maar die verandering wordt tot
uitdrukking gebracht door het gaan en komen van eigenschappen van dat
ding.
Er
zijn hier vier vragen aan de orde die goed van elkaar dienen te worden
onderscheiden:
1. Als x
en y gelijktijdig bestaan, wat betekent het voor x om identiek te zijn met y
(betekent het = wat wordt daarmee over x, y en hun onderlinge relatie
uitgesproken)? Wat betekent het voor een ding om identiek te zijn met
zichzelf?
2. Als x
en y niet gelijktijdig bestaan, wat betekent het voor x om identiek te zijn met
y? Blijven de dingen zichzelf door verandering heen?
3. Wat
voor soort bewijs of wat voor criteria zijn er die ons in staat stellen te weten
dat een bepaalde x en een bepaalde y identiek zijn.
4. Wat
voor verschillende soorten van identiteitsbeweringen bestaan
er?
De
vragen 1 en 2 zijn basale metafysische vragen. Vraag 3 is in wezen een
epistemologische vraag. Vraag 3 moet als epistemologische vraag goed worden
onderscheiden van de vragen 1 en 2. Vraag 4 is van taalfilosofische aard.
Laten
we beginnen met Leibniz wet oftewel de wet van de ononderscheidbaarheid van
identieke entiteiten (‘the law of indiscernibility of identicals’). Kortweg komt
die wet erop neer dat x en y identiek zijn als x en y precies dezelfde
eigenschappen met elkaar delen. Voor elke eigenschap geldt dat die eigenschap
alleen voor x geldt als die ook voor y geldt. Het voorbeeld is de identiteit
tussen de schrijver (J.P Moreland) en ‘de jongste zoon van Eileen Spiek zijn’.
Met
kan de wet van Leibniz ook op gebeurtenissen toepassen: gebeurtenis 1 is
identiek met gebeurtenis 2 als de substanties, de eigenschappen en de tijden die
deze gebeurtenissen constitueren identiek zijn.
In
termen van mogelijke werelden: er is geen mogelijke wereld waarvoor geldt dat
het ding dat met x wordt aangeduid niet identiek is met het ding dat met y wordt
aangeduid.
Toegepast
op het menselijk lichaam en de identiteit van de persoon: als lichaamloos
voortbestaan voor menselijke wezens metafysisch mogelijk is, dan kan de
menselijke persoon niet identiek zijn met zijn of haar lichaam. Een eigenschap
die waar is voor de persoon is dan immers niet toepasbaar op het lichaam (nl.
‘disembodied existence’).
De
identiteitsrelatie moet worden onderscheiden van
·
de
oorzaak – gevolg relatie; want oorzaken kunnen effecten bewerken met nieuwe of
andere eigenschappen
·
een
relatie van co-extensionaliteit; letterlijk: tegelijk bestaan; voorbeeld
driehoekigheid en drie-zijden-hebben; deze twee eigenschappen zijn niet
identiek, omdat zijden geen hoeken hebben
·
Een
relatie van onscheidbaarheid (inseparability); vorm en kleur van een
suikerklontje kunnen niet van elkaar worden onderscheiden in het ding zelf; maar
toch is kleur wat anders dan vorm. Property-instances (instantiëringen van
eigenschappen) behorend tot een en hetzelfde ding zijn wel ononderscheidbaar,
maar daarom nog niet identiek; want kleur is nu eenmaal niet identiek met
vorm.
Vervolgens
gaan de auteurs door met het bespreken van het onderwerp distincties
(onderscheidingen), aan de hand van het werk van de eind-middeleeuwse filosoof
Suarez. Deze onderscheidt
verschillende typen van onderscheid:
·
reële
onderscheidingen: hier blijven de twee onderscheiden zaken na hun scheiding los
van elkaar bestaan; ’t criterium is dus: onafhankelijkheid van
bestaan
·
dan
onderscheidingen van het verstand (de rede); twee typen:
(a)het
onderscheid van het redenerende verstand (reasoning reason); dit onderscheid
bestaat alleen in de taal en ontstaat omdat we in de taal een woord tweemaal
gebruiken (Peter is Peter);
(b)het
onderscheid van het verstand dat geredeneerd heeft (reasoned reason); vb. het
rode voorwerp is het zoete voorwerp (een appel bijv.); of de ochtendster is de
avondster (Venus)(een zinnetje dat beroemd werd vanwege Frege, vele eeuwen
later); het gaat om hetzelfde object, maar om verschillende aspecten of
eigenschappen van die objecten; eigenschappen die elkaar niet
overlappen.
·
het
modale onderscheid: als a modaal onderscheiden is van b, dan kan a zonder b
bestaan, maar niet omgekeerd; b is een modus van a, b is een niet te
onderscheiden aspect van a, en b is afhankelijk van a. Dit onderscheid is vooral
van belang om het onderscheid tussen een eigenschap in het algemeen en de
instantiëring van die eigenschap in een ding te maken; de eigenschap op zich
heeft dit bepaalde ding niet nodig om te bestaan; maar de roodheid van deze
appel heeft wel de algemene eigenschap roodheid nodig om te kunnen
exemplificeren. De instantiëring van roodheid is modaal onderscheiden van
roodheid. De auteurs gaan in hoofdstuk 6 beweren dat het lichaam modaal
onderscheiden is van de ziel [vraag of de ziel van het lichaam?? zie p.
59].
Hier
gaan de auteurs in op een probleem dat door de logicus Frege aan het begin van
de 20e eeuw was geanalyseerd. Stel, zoals de Antieken deden, de
avondster is Hesperus; de ochtendster is Phosphorus. Dan is er toch een verschil
tussen
(p)
Hesperus is identiek met Hesperus
(q) Hesperus is
identiek met Phosphorus.
Het
eerste is een noodzakelijke waarheid. Het tweede is een empirische waarheid, na
vele eeuwen hemelwaarneming ontdekt door natuurkundigen. Bewering (p) is
noodzakelijk waar; (q) is contingent waar (het had ook anders kunnen zijn). In
zijn artikel over Sinn (betekenis; meaning) en Bedeutung (verwijzing; reference)
tracht Frege het onderscheid zo onder woorden te brengen dat Hesperus en
Phosphorus wel naar het zelfde ding verwijzen (nl. Venus), maar toch iets
verschillends betekenen. Deze benadering noemen M&R een metalinguïstische
benadering. Identiteitsbeweringen zeggen volgens deze benadering primair iets
over de taal zelf, namelijk over de relatie tussen twee verwijzende expressies.
M&R
laten de vraag in het midden of Frege gelijk heeft; maar ze zeggen wel dat dit
voorbeeld aantoont dat identiteitsrelaties heel wat anders zijn dan
identiteitsbeweringen. De identiteitsrelatie is helder en duidelijk [a la
Leibniz]; een identiteitsbewering kan veel ambiguer zijn.
Er
zijn soorten identiteitsbeweringen:
·
betekenis
identiteitsbeweringen; vb.: een vrijgezel is een ongetrouwd iemand. Er is hier
sprake van gelijkenis in verwijzing; terwijl de betekenis gelijkheid kan worden
vastgesteld door conceptuele analyse of gebruik van het woordenboek; het gaat
hier dus om een identiteit in de taal, op het niveau van de
taal.
·
referentiële
of naamsidentiteitsbeweringen; namen van individuen of twee natuurlijke soort
termen staan aan weerszijden van het ‘is’ van de identiteitsbewering; de namen
van individuen worden ook wel ‘rigid designators’ genoemd; ze zijn in alle
mogelijke wereld waar (vb.: Benjamin Franklin). Het gaat hier dus om de
verwijzing naar de werkelijkheid. Je hebt ook nog ‘definite descriptions’
(voorbeeld: de uitvinder van ‘bifocals’)
·
Contingentie
identiteitsbeweringen; het is toevallig het geval dat de aangeduide persoon of
zaak op een bepaald moment over de eigenschap beschikt die over hem/haar/het
wordt geprediceerd.
We
zijn er bijna. Nog drie opmerkingen:
1. wanneer
iets ‘de re’ (= over de zaak; de zaak betreffende) geldt of iets over iets de re
wordt gezegd, betekent het dat die bewering de zaak zelf betreft; dit in
onderscheid met de dicto uitspraken (= de uitspraak betreffende), die betrekking
hebben op de manier waarop iets wordt gezegd.
Modaliteit
drukt een van de vier volgende noties uit: (a) noodzakelijkheid; (b)
mogelijkheid en actualiteit; (c) mogelijkheid zonder actualiteit; en (d)
onmogelijkheid. Je hebt nu modaliteit de
re en modaliteit de dicto. Het
eerste heeft betrekking op noodzakelijkheid, mogelijkheid et cetera van een
bepaalde zaak (Franklin bezit de eigenschap menselijkheid); het tweede op de
wijze waarop de uitspraak zelf is gevormd (2+2 = 4 is noodzakelijk waar de
dicto). De zin ‘de langste spion is een spion’ is een contingente waarheid, als
deze zin de re wordt verstaan. Dan verwijs ze naar bijv. Smith, die
toevalligerwijs de langste spion is. Maar er is een wereld denkbaar waarin dat
iemand anders was. Dus gaat het om een contingente en niet om een noodzakelijke
waarheid. Als de uitspraak de dicto wordt genomen, dan is ze wel noodzakelijk
waar. De langste spion is immers per definitie en in alle mogelijke werelden een
spion.
2. Ware
betekenis identiteit beweringen zijn
noodzakelijk de dicto. Ware naam identiteitsbeweringen zijn
noodzakelijk waar de re.
3. Er zijn vier typen van
noodzaak:
-
strikt
logische noodzakelijkheid; dit is noodzaak de dicto, dat wil zeggen, simpelweg
in alle mogelijke werelden waar krachtens de betekenis van de termen of de vorm
van de propositie
-
metafysische
of Kripkeaanse noodzakelijkheid (Kripke is een beroemd metafysicus en
wetenschapsfilosoof; schreef een boek over natuurlijke soorten); dit is de re
noodzakelijkheid; vb.: water is H2O
-
fysische
noodzakelijkheid; gegeven de contingente natuurwetten moeten bepaalde dingen
volgens die wetten verlopen; maar er zijn mogelijke werelden met andere
natuurwetten
-
epistemologische
noodzakelijkheid; dit drukt de onmogelijkheid uit het verkeerd te hebben met
betrekking tot een bepaalde bewering.
·
Individuele
ontologische reductie; bijv. van macro naar micro (stoel bestaan uit een
verzameling atomen; genen bestaan uit aminozuren). Twee
versies:
-
sterke
versie: er is sprake van identiteit; de macro identiteit is niets anders dan de
verzameling van micro entiteiten
-
zwakke
versie: de micro entiteiten constitueren de macro entiteit; een ‘is’ in
constituerende zin verschilt van een ‘is’ in identiteitszin volgens vele
filosofen; bijvoorbeeld omdat het voortbestaan van de micro entiteiten niet
afhangt van het voortbestaan van de macro entiteit. De zwakke versie van
individuele ontologische reductie is consistent met de afwijzing van property
reductie; de sterke versie wordt meestal verdedigd met een beroep op causale of
theoretische reductie.
·
Property
ontologische reductie: een bepaalde eigenschap wordt geacht identiek te zijn aan
een andere eigenschap (warmte identiek met kinetische energie; kleur met
golflengte; pijn met een hersentoestand). M&R wijzen property reduction af.
·
Definitorische
of linguïstische reductie
·
Causale
reductie: de reducerende entiteit verklaart het bestaan en de eigenschappen van
de gereduceerde entiteit; warmte is kinetische energie omdat de beweging van de
moleculen en de daarin besloten energetische processen warmte
veroorzaken;
·
Theoretische
of verklarende reductie (zie hiervoor ook het standaardwerk van F. Suppe).
Theoretische bewering (concept; theorie; wet) op niveau 1 kan worden gereduceerd
tot theoretische bewering op niveau 2. De filosoof Nagel heeft veel werk van
deze vorm van reductie gemaakt. Deze reductie maakt gebruik van brugprincipes of
overbruggende regels of wetten. Het kernpunt is dat verklarende reducties op het
niveau van de theorie niet gepaard mogen gaan met ontologische claims ten
aanzien van de verschijnselen op het niveau van de verklaarde theorie (wet,
concept et cetera). Dat gebeurt stilzwijgend echter toch vaak. Property reductie
kan niet plaats vinden op basis van beweringen die zeggen dat elke keer dat iets
in termen van theorie 1 zus beschreven kan worden het in termen van theorie 2 zo
beschreven kan worden. [De theoretische of verklarende reducties betreffend dus
geïnstantieerde eigenschappen en niet eigenschappen per se. GG]
Deel-geheel
verhoudingen; mereologie (meros = deel)
Belangrijk
is hier de kwestie van voortbestaan van de delen als het geheel stuk gaat of
verdwijnt. Een onscheidbaar onderdeel kan niet voortbestaan zonder het grotere
geheel; een afscheidbaar deel wel. Een tafel heeft ‘separable parts’; de ziel
niet (deze is een primitive unity). Mereologisch essentialisme houdt in dat een
geheel elk van zijn delen noodzakelijkerwijs heeft. Het is vermoedelijk niet
toepasbaar op levende organismen; dat maakt het verschil tussen substanties en
property-things relevant.
Deze
is ontwikkeld door Aristoteles en Thomas van Aquino. M&R onderscheiden zeven
basiseigenschappen van substanties:
1. ‘Basic
ownership’ van eigenschappen;
Eigenschappen
zweven niet vrij rond; ze zijn geïnstantieerd in iets, in een ding of in een
persoon;
2. Eenheid
en geheel-heid op een bepaald moment:
Ontleent
eenheid aan eigen interne essentie, dat als principe van eenheid dient; het
geheel gaat boven de delen; los van het geheel verliezen de delen hun
eigenheid.
3. Hetzelfde
blijven door verandering heen
Het
gaat om absolute ‘sameness’ en ‘strict identity’ door accidentele verandering
heen
4. Wetmatige
verandering
Species-specifiek,
onherleidbaar, top-down proces van verandering; ontwikkeling verloopt onder
regie van de interne essentie (het wezen)
5. Eenheid
van klassenlidmaatschap
Natuurlijke
eenheid die berust op de idente essentie in elk geheel dat ‘t lidmaat-zijn in
een natuurlijke soort fundeert
6. Teleologie;
functionaliteit
Onherleidbare
teleologie en normatief functioneren krachtens innerlijke
essentie
7. Individuatie
Gegrond
in een metafysische (onbekende) individuator; door predikatie verbonden met een
essentie om een individuele substantie te vormen.
Substanties
versus eigenschap-dingen (‘property things’)
Er
zijn allerlei deel-geheel verhoudingen. Van zwak naar sterk: een hoop zout, een
auto, een plant. Kunstproducten (fabrikaten en halffabrikaten; GG) zijn typische
voorbeelden van dingen waarin er een diepere eenheid bestaat, tot uitdrukking
gebracht in termen als ‘property thing’, ‘geordend aggregaat’ of ‘gestructureerd
materiaal’. Toch is deze eenheid een andere dan die van een substantie.
De
delen van een ‘property-thing’ werken niet echt functioneel of doelgericht
(teleologisch), omdat er in een dergelijk ding geen bron van functionele
beweging bestaat. Een ‘property-thing’ is een passief medium waar energie
doorheen gaat en waarvan de delen via ‘efficient causal chains’ met elkaar in
relatie staan (de term causa efficiens komt uit de aristotelische metafysica en
betreft de zogenaamde werkende oorzaken; te onderscheiden van de formele en de
teleologische oorzaken). Het komt er op neer dat een property-thing wordt
gedefinieerd door het materiaal of de materialen waaruit het bestaat plus de
ordening tussen de delen waaruit het materiaal bestaat; het is ‘stuff’ plus een
set van relaties tussen de componenten. De eenheid van zo’n property-thing is –
zeker bij fabrikaten – een eenheid die vooral in het hoofd van de ontwerper (en
gebruiker) bestaat.
Substanties
hebben daarentegen in zichzelf een verenigende, doelgerichte essentie die het geheel een meerwaarde
geeft boven het samenstel van delen. M&R werken dit verschil tussen
property-things en substanties nu uit aan de hand van de zeven kenmerken van
substanties.
Ad
1
(basic ownership): property-things (PT) hebben geen (nieuwe) eigenschappen die
niet ook al present waren in de bestanddelen; voorbeeld: de klok (de ouderwetse
met een veer); dat een klok op het oog meer doet dan haar delen afzonderlijk,
ligt aan (1) het nieuwe type beweging dat wordt opgewekt (veerwerking wordt
omgezet in ronddraaiende wijzers); en (2) in het feit dat in het hoofd van
ontwerpers en gebruikers een klok een bepaalde functie heeft. Voor de
deel-geheel verhouding vanuit substantie perspectief geldt dit niet: daar heeft
het geheel echt een nieuwe eigenschap; in het geval van levende organismen bijv.
reproductie, assimilatie en groei.
Vraag
aan de PT benadering: heeft deze benadering voldoende intellectuele reserve om
(a) het verschijnsel emergentie te verklaren; en (b) om te verklaren hoe een
ding (fabrikaat) aan precies dit type van interne eenheid van delen,
eigenschappen en vermogens komt dat kenmerkend is voor levende
organismen?
Ad
2
(eenheid in de tijd): PT’s zijn accidentele (toevallige) combinaties van een
ordenende relationele eigenschap (de structuur van een tafel) die kunstmatig en
van buitenaf op preëxistent materiaal wordt gedrukt. De eenheid van het ding
bestaat eigenlijk alleen in het hoofd van de ontwerper. De delen bestaan voor
het geheel; temporeel en ook metafysisch. Voor substanties geldt precies het
omgekeerde, namelijk dat de delen worden verzameld, gebundeld en gevormd in de
richting van de bestemming van de betreffende substantie. De delen ontvangen hun
identiteit door incorporatie in het geheel. Het organisme wordt als geheel het
principe van eenheid. Dus: de interne structuur van een substantie bestaat uit
een geheel van interne relaties; terwijl de structuur van een PT bestaat uit een
set van externe relaties. Extern wil zeggen: de delen zijn uitwisselbaar gegeven
de relatie; ze zijn indifferent t.o.v. deze relaties.
Ad
3:
PT-opvatting laat alleen bottom-up causatie toe (de delen interacteren onderling
en ‘veroorzaken’ aldus een proces waarin een nieuwe eigenschap naar voren komt);
maar geen top-down causatie. De substantie opvatting laat top-down causatie toe
(zie ook ad 5).
Ad
4:
Hetzelfde blijven door verandering heen. PT-opvatting gaat er van uit de PT’S
mereologische composities zijn. De identiteit van het ding verandert, zelfs bij
de kleinste verandering in de lichamelijkheid. Kan een echte PT-adept wel
begrijpen waarom er zoiets als top-down causale feedback
optreedt?
Ad
5: de
eenheid van het ding is een afgeleide, emergente eigenschap in de PT-benadering.
Deze theorie kent alleen relaties en materiaal (‘stuff’). Eenheid is een
emergente, afgeleide eigenschap. Substanties daarentegen hebben een diepe,
primitieve eenheid.
Ad
6: Het
PT is passief en kent dus geen innerlijke teleologie. Het richt de keten van
gebeurtenissen wel, maar stuurt niet actief.
Ad
7:
Substanties hebben drie kenmerken, (a) een universele natuur (of eigenschap);
(b) een individuerende component; en (c) een relatie van predicatie. Voor
levende wezens geldt dat hun geïndividueerde essentie er ontologisch eerder is
dan het lichaam.
Hoofdstuk
3:
Menselijke personen in naturalistisch en complementair
perspectief
Zowel
naturalisten als christelijke complementaristen neigen ertoe om metafysische
vragen te vermijden. Maar die vragen zijn niet te vermijden; het gevolg is
slechte metafysica. Dat heeft gevolgen voor hun ethische opvattingen inzake het
begin en het einde van het leven. In dit hoofdstuk wordt
·
het
strikt filosofisch naturalisme besproken en de visie op de menselijke persoon
die daarin is geïmpliceerd
·
het
christelijk complementarisme beschreven en de visie op de menselijke persoon die
daarin is geïmpliceerd
·
een
voorbeeld van zo’n complementarisme wat uitvoeriger
besproken.
Papineau
[die een boek over het filosofisch naturalisme schreef], Kim en Bishop worden
als voorbeelden genoemd. Het filosofisch naturalisme is dominant; zelfs volgens
John Searle (die nog wel verzet pleegt tegen naturalistische reducties van het
bewustzijn) is het de ‘modern worldview for reasonably well-educated persons’
[let op het impliciete waarde-oordeel in deze laatste uitspraak; als je wat
anders vindt ben je kennelijk ‘less well-educated’].
Het
gaat steeds om drie zaken:
(1)Een
naturalistische epistemische houding; een houding die met andere woorden gericht
is op het kennen van het tastbare en natuurlijke (de
‘materie’)
(2)Een
etiologische benadering van de vraag naar het ontstaan van
dingen
(3)Een
ontologie waarin alleen die entiteiten zijn toegelaten die bij een voltooide
fysica zouden passen.
De
volgorde tussen die drie is belangrijk: eerst is er de naturalistische houding,
dan een opvatting omtrent het onstaan der dingen (meestal in termen van de
evolutietheorie of van moderne kosmologie) en tenslotte vloeit de ontologie
daaruit voort.
Malcolm
Jeeves wordt genoemd als een christelijk wetenschapper die zich hierbij
aansluit. Lyons wordt geciteerd, die meent dat
Ad 1:
de naturalistische epistemische houding is sciëntistisch; d.w.z. ze neemt alleen
die kennis serieus die de wetenschap oplevert; wat bestaat is ofwel een ‘bruut
feit’ ofwel te verklaren door wetenschappelijke methoden. Dit heeft vier
implicaties:
-
er is
niet zoiets als prima philosophia;
filosofie met andere woorden die haar begrippen apparaat aan zichzelf ontleend
en los staat van of zelfs vooraf gaat aan de
natuurwetenschappen;
-
intentionele
relaties moeten in natuurlijke termen worden beschreven; mensen zijn ‘property
things’
-
eliminatie
van het eerste persoons perspectief;
reductie tot het derde persoonsperspectief;
-
scepticisme
wat betreft kennis voortvloeiend uit introspectie, berustend op common sense of op filosofische argumentatie als
zodanig.
Ad 2:
de auteurs spreken hier van ‘the naturalist Grand Story’; in wat voor variant
ook – darwinisme; big bang kosmologie – steeds treffen we dezelfde elementen:
-
het
gaat om een vorm van monisme [i.t.t.
dualisme];
-
de
materie is passief, of deze nu wordt
opgevat als corpusculair, als bestaande uit potentialiteitspunten, als centra
van massa of energie of als golven; er bestaat niet zoiets als ‘agent
causality’; d.w.z. er zijn geen entiteiten die oorzaak zijn van de verandering
die ze zelf bewerken; het gaat om ‘event causaliteit’; ook als het gaat om de
relatie tussen mentale gebeurtenissen en fysieke handelingen; dit betekent dus
een voorkeur voor de causale handelingstheorie; men kan dit ook onder woorden
brengen aan de hand van het principe van de spatiotemporele fixatie: de kansen
van alle gebeurtenissen binnen een bepaald spatio-temporeel domein worden
gedetermineerd door de kansen binnen een groter, meer omvattend spatiotemporeel
domein[1];
anders gezegd, de naturalist gaat uit van de ‘causale geslotenheid’ van de
fysische wereld; hetgeen inhoudt dat reductie van een gebeurtenis tot een andere
(micro)gebeurtenis ook altijd ‘causale reductie’ is; verder betekent het ook een
eliminatie van teleologie. Het is duidelijk dat deze visie geen substanties
toelaat; het hele idee van een ‘natuur’, laat staan een menselijke natuur (als
iets wezenlijks of substantieels), is iets dat door de evolutionaire biologie op
losse schroeven is komen te staan. Er zijn geen onveranderlijke essenties (Mayr;
Hull).
-
de
definitie van wat ‘bestaan’ is, vindt plaats in naturalistische termen: de
wereld is het systeem van (ruwweg) alle causaal gerelateerde
objecten.
Ad 3:
de naturalistische ontologie: alles wat bestaat is fysisch; universalia en
mentale toestanden kunnen evt. uit emergentie worden ‘verklaard’, maar – zeggen
M&R – het is de vraag hoe houdbaar dit ‘verklaren’ is.
Deze
paragraaf gaat in op drie onderwerpen: (A) property-substance dualism; (B)
absolute persoonlijke identiteit; (C) de vrije wil.
A.
Property-substance dualisme
Nogmaals
wordt Kim geciteerd die de gangbare opinie verwoordt, dat de idee van mentale
substanties onverantwoord is (want onnodig en tot religieuze en metafysische
speculatie leidend) en tot innerlijke tegenstrijdigheden leidt (bijv. met
betrekking tot de notie mentale causatie). Wat betreft dit laatste zullen
M&R de lijn gaan volgen dat als God – als immateriële substantie – in kan
grijpen in de wereld, dat dan het causaal inwerken van mentale substanties ook
mogelijk moet zijn.
Maar
wat valt er te zeggen over property dualisme? De meest bekende vorm is
superveniëntie fysicalisme. Superveniëntie wordt als volgt
gedefinieerd:
(1)lichaam
geest superveniëntie: het mentale supervenieert op het lichamelijke betekent dat
twee fysiek exact gelijke gebeurtenissen niet kunnen verschillen wat betreft
mentale eigenschappen; vb.: pijn – brein toestand
(2)het
anti-cartesiaans principe: er zijn geen louter mentale entiteiten; iets kan niet
een mentale eigenschap hebben zonder tegelijk een fysische eigenschap te
hebben;
(3)geest-lichaam
afhankelijkheid: de aard van mentale eigenschappen hangt af van de fysieke
eigenschappen.
Tot nu
toe werden de termen emergentie en superveniëntie door elkaar gebruikt. Nu wordt
er een onderscheid geïntroduceerd: emergente superveniëntie en structurele
superveniëntie.
In
beschouwingen waarin pijn als een nieuwe, emergente eigenschap wordt gezien gaat
het om emergente superveniëntie. In beschouwingen waarin pijn als een
functionele toestand van een fysisch systeem wordt gezien (het brein) is pijn
een structureel superveniënte eigenschap. Dat wil zeggen: het bestaan van de
pijn wordt gezien als samengesteld uit delen, eigenschappen, relaties en
gebeurtenissen op het subveniënte (onderliggende) niveau. Om het verschil tussen die twee te zien:
in het eerste geval is pijn een fenomeen met geheel nieuwe eigenschappen
[intrinsiek eigensoortig om het in de taal van de reformatorische wijsbegeerte
te zeggen]; in het tweede geval is pijn een functionele toestand van een systeem
die de relatie tussen een bepaalde input en output beschrijft. De ‘structurele’
eigenschap is een patroon; een bepaalde configuratie van een fysiek stelsel.
Gedachtenexperiment:
stel ik word geprikt, ik voel pijn en ik slaak een kreet. In de
functionalistische benadering maakt het niet uit wat de kwaliteit is van het
gevoel, omdat de ‘brain state’ die medieert tussen in- en output dezelfde
blijft. In de emergentie-opvatting maakt de kwaliteit van het pijngevoel wel
uit. Want stel ik zou in plaats van pijn een bananensmaak in mijn mond krijgen,
dan zou ik niet gerechtigd zijn te spreken van pijn [het is de vraag of de
fysicalistische benadering niet zodanig verfijnd kan worden, dat ze dit bezwaar
ondervangt; bijvoorbeeld door een theorie over verbale output te vereisen]. Kern
van de zaak is dat er in de structureel superveniënte benadering wel nieuwe
soorten van eigenschappen ontstaan, maar dit nieuwe drukt niets nieuws uit boven
het reeds bestaande.
Volgende
vraag: kan een naturalist worden gehouden aan een emergente superveniënte kijk
op mentale toestanden en eigenschappen? Er zijn vijf redenen waarom dat niet
kan:
(a)er is
geen behoefte aan nieuwe entiteiten ter verklaring van wat we willen weten,
aldus de fysicalist Paul Churchland;
(b)er is
ook geen ruimte voor, aldus P. Churchland en ook Arthur Peacock; want de nieuwe
functionele eigenschap zou dan opeens een nieuwe, heel andersoortige entiteit
moeten zijn; dat zou een soort creatio ex nihilo zijn (schepping uit het
niets);
(c) verder
is er het argument van de eenheid van wetenschap; het zou de causale
geslotenheid van het fysische bedreigen
(d)supervenience
emergentisme is in feite epifenomenalisme; epifenomenalisme is in feite niet
plausibel en het is in strijd met de naturalistische epistemologie, etiologie en
ontologie;
(e)het
heeft teveel associaties met theologie en het zet de deur open voor allerlei
andere vormen van irrationaliteit, zoals het vitalisme.
Voor
die laatste associatie is ook wel wat te zeggen, als men bedenkt dat filosofen
zoals Swinburne en Adams Godsbewijzen hebben geconstrueerd op basis van het
bestaan van mentale eigenschappen.
B.
Naturalisme en absolute persoonlijke identiteit in en door de tijd.
Bijna
alle naturalisten verwerpen absolute persoonlijke identiteit. Met dit laatste
wordt meestal een triplet van opvattingen bedoeld:
(1)het
onherleidbare bestaan van het eerste persoons gezichtspunt tezamen met een
substantieel zelf als zijn grond;
(2)fundamentele,
onafgeleide, absolute eenheid (is niet enkelvoudigheid) van het zelf op een
bepaald moment;
(3)fundamentele
‘sameness’ door verandering heen.
De
naturalist heeft simpelweg geen antenne, geen conceptuele ruimte, voor een notie
van eenheid die tussen enkelvoudigheid enerzijds en het geordend aggregaat
anderzijds in ligt.
Swinburne
heeft overtuigend aangetoond dat de beste manier om absolute persoonlijke
identiteit te rechtvaardigen bestaat uit de aanname van substantie dualisme,
aldus M&R.
Voorts
kan de naturalistische conceptie geen recht doen aan het eerste
persoonsperspectief, wat – volgens Thomas Nagel – tot uitdrukking komt in het
onvermogen om een wereld die geen enkel perspectivisch centrum heeft te
accommoderen met een wereld met de volgende zaken: (a) zichzelf; (b) het
gezichtspunt dat men hanteert; (c) het gezichtspunt van anderen (d) de objecten
die vanuit deze verschillende perspectieven verschijnen en waarover wordt
geoordeeld [Nagel schreef een boek: ‘The view from nowhere’, waarin hij het
onvermogen van objectivistische benaderingen beschreef om recht te doen aan a
t/m d).
C.
Naturalisme en wilsvrijheid (libertarian agency)
Libertarian
agency staat voor de volgende vier beweringen. Persoon p bewerkt vrijelijk en
intentioneel act e (bijv. heft zijn hand op om te stemmen) in het geval dat
(1)persoon
p een substantie is die het actieve vermogen heeft e teweeg te
brengen;
(2)persoon
p macht uitoefent als een eerste-beweger (een originator) ten einde e teweeg te
brengen;