Sterven voor de goede zaak: enkele opmerkingen over martelaarschap

 

Wie het vandaag over fundamentalisme heeft, denkt al gauw aan fundamentalisme in islamitische gedaante. Martelaarschap vormt een belangrijk element in deze moslimideologie. Op ons netvlies doemen de beelden op van fanatieke religieuze leiders die in retorische stijl hun volgelingen oproepen tot heldendom en martelaarschap. We herinneren ons de afbeeldingen die familieleden van ‘suicide bombers’ tonen – jonge Palestijnen die zichzelf opblazen voor de zaak van hun volk, een zaak die zij identiek achten met de zaak van de hoogste profeet. Martelaarschap heeft hier een zowel politieke als religieuze functie.

De christelijke kerk kent ook haar martelaren. Tot de 4e eeuw na Christus was het martelaarschap min of meer gewoon. Paulus rept veelvuldig over zijn lijden ter wille van het evangelie. In onze tijd kent de christelijke kerk haar martelaren in het Verre Oosten en tot voor kort ook in Oost-Europa en Rusland. Martelaarschap is daar, net als in de vroeg-christelijke kerk, verbonden met het staan voor de goede zaak. Dit martelaarschap had en heeft geen politieke bedoeling. We moeten erkennen dat de spiritualiteit van dit martelaarschap de moderne westerse gelovige vreemd is geworden. ‘Het bloed der martelaren is het zaad van de kerk’. Deze woorden van Cyprianus zijn gevleugeld geworden. Maar wat staan ze ver van ons af. Ze roepen een zelfde sfeer op als sommige uitspraken in het oude avondmaalsformulier, als het gaat over het ‘vieren’ van de ‘bittere gedachtenis aan het lijden en sterven van onze Middelaar Jezus Christus’. Martelaren zijn in onze beleving heiligen, die een afschuwelijk lot ondergingen. We kunnen moeilijk contact maken met het aspect van verheerlijking waarvan de literatuur over de spiritualiteit van het martelaarschap rept. We zijn geneigd het de psychoanalyticus na te zeggen, dat wie lust schept in zijn ongeluk, een masochist is; iemand met een pathologische behoefte aan straf of een andere vorm van zelfbewerkt leed.

 

Dubbelzinnigheid

Het beeld wordt nog complexer als we aan de recente gebeurtenissen in eigen land denken. Ik doel uiteraard op de moord op een politiek leider. De jonge Palestijn blaast zichzelf op en kiest daarmee zelf voor de dood. Hij is geen slachtoffer tegen wil en dank. Hij, zijn familie en zijn volk ensceneren het martelaarschap. Christenen in de vroeg-christelijke kerk zochten het martelaarschap niet. Hun martelaarschap was een uitvloeisel van hun getuigenis. Zij werden gedood,  gepijnigd en verminkt vanwege de zaak van het evangelie. Het getuigenis over die zaak was belangrijker en groter dan hun persoon en dan enig ander aards doel. In het geval van de vaderlandse partijleider is de situatie dubbelzinnig. Hij wordt doodgeschoten. Hij is daarin passief. Hij kiest niet voor de dood. Toch is er een suggestie van enscenering, niet van het plot van de moord, maar wel van de interpretatie mocht het ooit zover komen: Fortuyn als slachtoffer van het politieke establishment en de media; Fortuyn die reeds tijdens zijn leven zich meer dan eens publiekelijk uitliet over een mogelijk voortijdig einde en er geen twijfel over liet bestaan wie hij daarvoor dan verantwoordelijk zou achten. Na zijn dood maakt het volk van hem een figuur met messiaanse trekken. Hij was een man met een missie, hij kwam om het land te redden, vocht tegen een overmacht, versaagde niet (‘it’s a hell of a job’), en stierf in het harnas.

 

Complexiteit

Een martelaar, zegt van Dale, is “iemand die om zijn geloof niet te verzaken lichamelijke kwellingen verduurt of zijn leven offert”; een “bloedgetuige”. Steeds zijn er dus drie elementen in het geding: de zaak, de persoon en het lot dat de betrokkene ondergaat. De persoon vereenzelvigt zich met een bepaalde zaak en betaalt daarvoor de hoogste prijs. Maar de wijze waarop dat gebeurt, bepaalt wat er werkelijk gebeurt. Want het luistert hier nauw.

Bij de Palestijnse ‘suicide bomber’ is er weliswaar een zaak die de persoon overstijgt, maar het martelaarschap wordt mede gezocht of tenminste vergemakkelijkt door de eer, de beloning (in het hiernamaals) en soms het geldelijk gewin (voor de familie).

In het geval van Fortuyn lijkt de zaak met de persoon samen te vallen. Hier valt het esthetiserende aspect op, het spelen met de eigen rol, de reflectieve positie ten opzichte van die rol, en zelfs het incalculeren van de rol van hogere machten, of dit nu God is die de mens een levensopdracht geeft of het lot dat iemand slachtoffer laat worden van een sprakeloos makende moord. De indruk die men overhoudt is dubbelzinnig. De man stond ergens voor, representeerde iets, zelfs een heel volksdeel. Tegelijk is zijn optreden allerminst uit een stuk. Hij wisselt van standpunt, herroept vergaande uitlatingen en beweert dat wat hij zegt soms niet zo serieus moet worden genomen. Zijn missie heeft een narcistische kleuring.

In de christelijke spiritualiteit van het martelaarschap staat de zaak voorop. Men kiest niet voor het martelaarschap, men wordt martelaar, vaak tegen wil en dank. Toch is het moeilijk om het martelaarschap geheel te vrijwaren van het element van berekening. In de opera ‘Dialogues des Carmélites’ van Francis Poulenc gaat moeder-overste Marie heel bewust, haast berekenend, de weg van het martelaarschap. Zij kiest voor een carričre in religieuze zin.[1] De opera, die in de tijd van de Franse Revolutie speelt en de lotgevallen beschrijft van een groep nonnen die door de revolutionairen worden bedreigd, stelt de figuur van Blanche centraal. Blanche, een angstige jonge vrouw, juist toegetreden, met een authentiek maar ambivalent roepingsbesef, is neutraal ten aanzien van het martelaarschap. Eigenlijk weet ze niet zo goed, hoe ze zich een houding moet geven. Als ze gedwongen wordt te kiezen, gaat ze terug naar haar vaders huis. Daar ondergaat zij, terwijl vader niet aanwezig blijkt, een innerlijke verandering die haar tot een definitieve keuze voor haar roeping als non brengt. Als de overgebleven nonnen uiteindelijk worden gefusilleerd, treedt zij uit de menigte naar voren, voegt zich bij haar collegae en kiest uit vrije wil voor de dood, zich zo ook verenigend met haar alter ego Constance, een vrolijke en fantasierijke jonge vrouw met wie ze in het klooster veel optrok en die zonder er erg in te hebben door de gebeurtenissen wordt meegesleept.

 

Martelaarschap

Het woord martelaar is afgeleid van het griekse ‘marturos’ dat getuige betekent. Het is goed zich deze oorspronkelijke betekenis te herinneren. Bij marteling denken wij aan het toebrengen van pijn, als doel in zich zelf of als middel om iemand tot een bekentenis te dwingen. Iets bekennen is precies het omgekeerde van getuigen. Het is iemand met geweld iets ontfutselen. Paulus, die door de kerk door de eeuwen heen als martelaar is gezien, voldoet geenszins aan dit moderne beeld. Paulus ging naar Rome om te getuigen. Zijn hechtenis was mogelijk meer bedoeld om hem te beschermen tegen aanvallen van buitenaf, dan om hem te straffen. De gedachte dat Paulus het lijden zocht om als martelaar te sterven, lijkt dus misplaatst.

Nu zijn er passages in zijn brieven waarin Paulus op een positieve manier over zijn lijden lijkt te spreken. Zo heeft hij het over het ‘roemen in de verdrukkingen’ (Romeinen 5:3), over ‘mijn verdrukkingen om uwentwil, die een eer zijn voor u’ (de Efeziërs; Efeze 3: 13), over de ‘lichte last van de verdrukking van een ogenblik’ die ‘een alles te boven gaand eeuwig gewicht van heerlijkheid bewerkt’ ( 2 Korinthiërs 4:17). Het voert te ver om hier een grondige evaluatie van de mentale gesteldheid van Paulus te geven (zo dit al mogelijk zou zijn). Toch zou ik willen stellen dat Paulus zijn lijden en dood niet gezocht heeft.[2] Wel heeft hij de effecten van het lijden op zijn zelfbeeld en zijn religieuze ontwikkeling uiteindelijk als positief beoordeeld. Het lijden hield hem bescheiden. Bedacht moet worden dat deze ‘minste der apostelen’ zichzelf en zijn gehoor steeds herinnerde aan zijn verleden als vervolger van christenen. Maar die context maakt hem nog niet tot een religieus masochist die van zichzelf zo nodig straf moest krijgen. Doorslaggevend lijkt niet te zijn dat Paulus geen raad weet met zijn schuldgevoel en dit wil delgen door een leven van boetedoening en religieus geďnterpreteerde zelfbestraffing, maar dat hij door zijn roeping te vervullen op het hoogst mogelijke plan getuige kan zijn van het evangelie.

We stuiten hier op het onontwijkbare van de notie van ‘innerlijke transformatie’. Paulus kon zichzelf alleen als waardige getuige zien doordat hij zich het evangelie had eigen gemaakt en doordat het evangelie hem had veranderd. Vanuit een positie als meest onwaardige (vanwege zijn verleden als vervolger) was hij getransformeerd tot de getuige bij uitstek, uitgekozen om het evangelie aan de heidenen te verkondigen. Die transformatie (bekering) kan alleen vanuit een religieus referentiekader worden begrepen. Want alleen zo, in religieuze zin, is Paulus innerlijke verandering geen zeepbel, maar draagkrachtig genoeg om in de praktijk tegen aanvechting en gevaar bestand te zijn. Zonder die religieuze duiding zou Paulus een bedroevend geval van psychologisch zelfbedrog zijn geweest.

Daarmee zijn we overigens nog een eind verwijderd van de latere, met name middeleeuwse verwerking van het martelaarschap. Dan zal het martelaarschap worden gesitueerd in de context van zelfopoffering, glorificatie, heiligheid en ascese. Wat eens een onbedoeld gevolg was, wordt nu een middel dat de religieuze groei bevordert. Zo kunnen zelfpijniging en ascese religieuze doelen gaan dienen. Voor ik hier nog iets meer over zeg, maak ik bij wijze van contrast nog een opmerking over het joodse denken over martelaarschap.

 

Martelaarschap in het joodse denken

Het joodse denken kent eigenlijk nauwelijks de notie van het martelaarschap.[3] Martelaarschap wordt pas een begrip onder omstandigheden van grote druk en vervolging, zoals ten tijde van de jodenvervolging in de Middeleeuwen en in de tweede wereldoorlog. Het is dan meer een kwestie van heldendom. Niemand kan worden verplicht tot heldendom. Evenmin kennen Thorah en Talmud een plicht tot martelaarschap.

Het joodse denken kent de notie van het plaatsvervangend lijden nauwelijks. Evenmin speelt de idee van zelfopoffering een grote rol. Het martelaarschap mag nimmer omwille van zichzelf worden gezocht. Het judaďsme legt overwegend nadruk op de menselijke gehoorzaamheid en wetsbetrachting. Bij het gehoorzamen aan de wet kan de gelovige het slachtoffer worden van een onoplosbaar conflict van plichten. Hij is dan in zekere zin martelaar, maar strikt genomen wordt de term dan in een oneigenlijke zin gebruikt.

 

Martelaarschap en offer

In de vroeg-christelijke kerk is de martelaar primair een getuige. Het judaďsme blijkt gericht op gehoorzaamheid aan de goddelijke wet en toont zich uiterst terughoudend als het gaat om het toekennen van een bijzondere, louterende betekenis aan het lijden omwille van de geloofsovertuiging. Een voorlopige conclusie moet dus zijn dat het verband tussen martelaarschap en zelfopoffering, tussen pijn en loutering, niet door Paulus is gelegd, maar van later datum is. We zagen dat zelfs van Dale de verbinding met het offer legt. Toch vallen martelaarschap en zelfopoffering historisch niet samen. Het is niet zonder betekenis dit te constateren. Het duidt er bijvoorbeeld op dat het niet vanzelfsprekend is de navolging van Christus, het ‘in Christus’ zijn, op te vatten als een verlangen om te lijden of een streven naar vernedering en kastijding.

Martelaar word je voor een bepaalde zaak. Martelaarschap is niet iets dat je kiest, maar wat je overkomt. De zaak waarvoor men sterft is niet het martelaarschap zelf. Want het martelaarschap is niet in zichzelf nastrevenswaardig. Het offer is dat wel. Het heeft in zichzelf betekenis, het staat voor iets. Offeren kan allerlei betekenissen hebben. Het kan een gave zijn, een geschenk. Het kan ook duiden op de veranderde verhouding tussen twee partijen en met name de verzoening tussen die partijen. Verzoening wordt dan door het offer bewerkt čn gesymboliseerd. In het offer is er dus sprake van een wezenlijke relatie tussen de zaak waar het om gaat en het offer zelf.

In het gesprek tussen joden en christenen is dit een belangrijk punt. Voor de jood is Jezus een martelaar, niet iemand die zichzelf heeft geofferd. De offertheologie is een toevoeging van Paulus en de schrijver van de brief aan de Hebreeën, aldus bijvoorbeeld de judaďst Hyam Maccoby. De joodse godsdienst zou überhaupt niet de idee van plaatsvervangend lijden en het plaatsvervangende offer kennen. Het offerdier in de tempeldienst was een geschenk of hooguit een bezegeling van vergeving na voorafgaande boetedoening.[4]

Deze visie verschilt uiteraard sterk van de paulinische notie van Christus die door zijn leven te geven de band tussen de mens en God herstelt. Het ‘deelachtig worden’ van deze verzoening, de toeëigening, geschiedt door het geloof en de werking van de Heilige Geest. Joodse denkers zien in dit deelachtig worden een grieks element, een participeren in een goddelijke werkelijkheid. Maccoby suggereert zelfs Orfische invloeden bij Paulus (de Orfiek was een griekse mysterie-religie).[5] Dit laatste gaat ongetwijfeld te ver; denk bijvoorbeeld aan de oer-christelijke (ook paulinische) gedachte dat er een radicaal onderscheid bestaat tussen Schepper en maaksel. Maar zeker is wel dat in de latere mystieke verwerking deze grens soms werd uitgewist. Het is in die varianten van mystiek dat lijden, ascese en glorificatie hand in hand gaan. Zeker is ook dat er allerlei religieuze praktijken hebben bestaan en nog steeds bestaan waarin in de weg van de kastijding en door pijnigende vormen van boetedoening toegang wordt gezocht tot de Allerhoogste. Ook kent de geschiedenis van de christelijke religie talloze voorbeelden van welbewust streven naar eenwording met heiligen en leiders die juist om hun lijdensweg verheerlijkt worden. Denk van de heiligenverering, aan de processies, aan de rol van kerkelijke kunst en aan het bewust bewerken van trancetoestanden.

 

Conclusie

Dat martelaarschap en offer zo met elkaar vermengd zijn geraakt heeft ongetwijfeld te maken met de aantrekkingskracht van de lijdensmystiek. De verwachting te zullen lijden omwille van het evangelie versmolt, zo kan men zich voorstellen, met de voorstelling van Christus als offer – dezelfde Christus die zijn vlees en bloed aan de gemeente uitdeelt en met wie de gelovige één wordt.

Het evangelie kent zeker de – overigens ook bij de Grieken al levende – gedachte van innerlijke groei door het lijden. Maar daarmee wordt het lijden niet iets dat bewust gezocht moet worden. Weten dat lijden deze betekenis kan hebben, wil nog niet zeggen dat mensen om die reden het lijden moeten zoeken.

Martelaar wordt men voor een goede zaak. Het is geen doel in zich. De weg van de vernedering en van het ‘op zich nemen van het kruis’ kan een mens rijk maken. In gesprek met de katholieke spirituele traditie zou deze gedachte nog verder uitgewerkt kunnen worden. Dat wil echter niet zeggen dat het ‘door lijden tot heerlijkheid’ een dwingende volgorde vaststelt. Eerder gaat het om de beschrijving van een proces. In plaats van het lijden als een noodzakelijke voorwaarde voor de heerlijkheid te zien, zie ik de heerlijkheid meer als een beloofd vervolg. Het eerste – lijden als voorwaarde voor heerlijkheid – legt toch weer nadruk op de bijzondere spirituele prestaties van de mens. Door de heerlijkheid als een beloofde werkelijkheid te zien, niet op basis van ons lijden, maar als een vervolg op basis van Christus verdienste, blijft onze mensbeschouwing theocentrisch.

 

Gerrit Glas

 



[1] Aldus godsdienstpsychologe H. Alma in haar commentaar op de publieke vertoning van de DVD-registratie van deze opera, tijdens de internationale conferentie ‘Psychological Aspects of Biblical Concepts and Persons’ op 4-6 maart 2002 op de Vrije Universiteit te Amsterdam

[2] Ik baseer mij hier op de referaten van  J. van Bruggen (The martyrdom of Paul) en op H.W.M. Tajra, (Spiritual, human and psychological dimensions of St. Paul’s martyrdom) op de in de vorige noot genoemde conferentie.

[3] Ik baseer mij hier op het referaat van H. Maccoby (Martyrdom in Judaism) op eerder genoemde conferentie.

[4] H. Maccoby, Paul and Hellenism. London: SCM Press/Philadelphia: Trinity Press (1991), p. 73.

[5] H. Maccoby, a.w., p. 77, 78.