Wat
kunnen de neurowetenschappen verklaren?
Gerrit
Glas
Mevrouw A heeft een
depressie. Alles is grijs. Niets geeft haar meer plezier. Ze heeft moeite om
zich tot iets te zetten. Ze komt met moeite uit bed en zit overdag het liefst op
de bank. Het leven trekt zich aan haar voorbij, ze kan zich moeilijk
concentreren. ’s Nachts wordt ze vaak wakker en ’s morgens vroeg kan ze de slaap
helemaal niet meer vatten. Haar seksuele gevoelens zijn verdwenen. Haar
geloofsleven heeft een dieptepunt bereikt: het geloof zegt haar weinig en wat ze
in de kerk hoort is aan haar niet meer besteed.
Mevrouw A bezoekt de
psychiater. Deze onderzoekt haar en constateert dat er sprake is van een
depressie. Er volgen gesprekken. Tegelijk wordt er gestart met medicijnen. Na
twee weken verbetert de slaap. Na vier weken rapporteert mevrouw A dat haar
energie weer aan het terugkeren is. Ook voelt ze zich minder gedeprimeerd. Na
twee maanden is de depressie over.
Laten we er van uit gaan dat het hier niet gaat om
een spontaan herstel, dat toevallig in de tijd samenvalt met het bezoek aan de
psychiater. Laten we er ook vanuit gaan dat de antidepressieve medicatie
minstens voor een deel verantwoordelijk is voor de verbetering. Dan moeten we
concluderen dat het herstel van mevrouw A’s stemming, concentratievermogen en
zelfs haar geloofsleven ten minste deels wordt ‘veroorzaakt’ door het gebruik
van medicijnen. De vraag die ons in dit artikel zal bezig houden, is wat die
uitspraak betekent. Bewijst die uitspraak niet dat voelen, denken, willen en
geloven uiteindelijk gewoon het product, het causale gevolg, zijn van bepaalde processen in
de hersenen? Betekent het misschien zelfs dat voelen, denken, willen en geloven
niets anders zijn dan een
hersenproces en dat ze daartoe herleid kunnen worden? Of moeten we uitgaan van
een heel andere denkwijze waarin
brein, bewustzijn en gedragingen niet eerst los van elkaar worden gekoppeld of
tot elkaar worden herleid? We gaan eerst in op beide eerst genoemde benaderingen
en komen daarna terug op deze laatste weg.
Causatie en reductie
Mevrouw A gebruikt een
antidepressief middel, een antidepressivum. Antidepressiva behoren tot de
zogenaamde psychofarmaca, medicijnen die zijn gericht op beïnvloeding van de
psyche. Het gaat om stoffen met een bepaalde chemische samenstelling, die de
zogenaamde bloed-hersen barrière kunnen passeren en in de hersenen op het niveau
van individuele neuronen (=zenuwcellen) hun werkzaamheid ontplooien, met name in
de ruimtes tussen de neuronen waar het ene neuron verbonden is met het andere
(zgn. synapsen). Die werkzaamheid bestaat uit het bevorderen of remmen van de
afgifte van bepaalde stoffen door de aangrenzende neuronen in de synaps. Door
genoemde stoffen (zgn. neurotransmitters) wordt de prikkeloverdracht van de ene
naar de andere zenuwcel beïnvloed; daarnaast kunnen allerlei moleculaire
processen in de ontvangende zenuwcel worden bijgestuurd. Het gaat hier om deels
fysisch-chemische en deels biologische processen.
De vraag luidt nu hoe het kan dat die
(bio)chemische processen in de hersenen een verandering van gevoel, stemming,
concentratie et cetera teweeg
brengen. Globaal zijn er twee benaderingen die dit effect trachten te verklaren.
Deze twee benaderingen corresponderen met twee opvattingen over de verhouding
van lichaam (hersenen) en geest. Volgens de ene opvatting moeten lichaam en
geest als twee zelfstandige entiteiten of werkelijkheidsgebieden worden gezien.
Ze hebben min of meer een bestaan in zichzelf. De filosoof Descartes wordt als
een van de belangrijkste vertegenwoordigers van deze positie gezien. Volgens
Descartes zijn lichaam en geest twee aparte substanties; de ene substantie is
materieel van aard en uitgebreid in de ruimte; de andere is de denkende
substantie. Deze twee substanties interacteren met elkaar, maar die interactie
doet aan de gescheidenheid van de substanties niets af. De interactie zelf vindt
volgens Descartes plaats in de pijnappelklier en wordt bewerkt door een soort
etherische stof (de zogenaamde spiritus
animales). Het gaat hier om een causale interactie. Causaal wil zeggen dat
een bepaald proces in de ene substantie oorzaak is van een proces in de andere
substantie. Interactie wil zeggen dat de veroorzaking in beide richtingen kan
plaats vinden. Deze interactie speelt zich af in de tijd; ze heeft zelf een
procesmatig karakter. Deze benadering staat bekend als dualistisch interactionisme. Een
dualistisch interactionistische visie op de werking van psychofarmaca houdt in
dat de verandering van de stemming wordt gezien als een verandering in het
werkelijkheidsdomein van de geest die wordt veroorzaakt door een daaraan vooraf
gaande verandering in het werkelijkheidsdomein van het lichaam die wordt teweeg
gebracht door het medicijn.
De tweede
benadering zegt dat wat we geneigd zijn geest te noemen, in werkelijkheid een
illusie is en kan worden herleid tot het lichamelijke, met name de werking van
de hersenen. Deze opvatting gaat er van uit dat er in feite maar één echte
werkelijkheid is, namelijk die van fysica en biologie. Zoals de fysica het
verschijnsel warmte heeft weten te herleiden tot op elkaar botsende moleculen,
zo zal de neurowetenschap op een gegeven dag in staat zijn om fantasie, emotie,
denken en taal te herleiden tot de klare taal van met elkaar interacterende
neuronen. Deze opvatting staat wel bekend als fysicalisme (of naturalisme).
Omdat het fysicalisme mentale eigenschappen en functies herleid tot
hersenprocessen gaat het om een vorm van reductionisme. Het herleiden impliceert
een reductie; het mentale dat gereduceerd wordt, is ‘niets anders dan’ (‘nothing
but’) een materieel proces. Er zijn allerlei varianten van dit fysicalisme,
waarvan ik er twee noem: een eliminatieve en een niet-eliminatieve vorm. Het
eliminatief materialisme gaat uit van de veronderstelling dat het mogelijk is
het mentale geheel te herleiden tot het fysische. Dit betekent dat op de duur
psychologische termen hun betekenis verliezen en vervangen zullen kunnen worden
door fysische taal. Het niet-eliminatief fysicalisme meent dat er nog wel ruimte
is om mentale termen te gebruiken, als een soort handige afkortingen van fysisch
zeer ingewikkelde processen. Maar dit oogluikend toestaan van mentale taal neemt
niet weg dat het hier gaat om een werkelijkheid die in wezen fysisch van aard
is.
Een fysicalistische opvatting van de werking van
psychofarmaca houdt in dat de verandering van mentale toestand wordt gezien als
niets anders dan een epifenomeen (bijverschijnsel) van veranderingen op
neuronaal niveau. Causaal is niet de verhouding tussen het fysische en het
mentale, maar alleen de werking van het geneesmiddel op het brein. De
eliminativist zal daar aan toevoegen dat we in de wetenschap op den duur
afmoeten van de taal waarmee mentale veranderingen worden aangeduid. Die taal
leidt tot een nodeloze verdubbeling. Waar het omgaat kan veel preciezer op
neurowetenschappelijke wijze worden aangeduid.
Oorzaak en verklaring
Deze paragraaf wil laten
zien dat de term oorzaak vooral thuis hoort in de alledaagse taal en dat de term
verklaring meer van toepassing is in de wetenschap. Daarna bespreek ik een
nuancering.
Om de gedachten te bepalen letten we op de situatie
dat biljartbal A op biljartbal B stuit en deze in beweging brengt. In de
alledaagse werkelijkheid, bijvoorbeeld aan de biljarttafel, zeggen we dat A de
beweging van B ‘veroorzaakt’. De beweging van A is de ‘oorzaak’ van de beweging
van B. De term oorzaak sluit aan bij de alledaagse werkelijkheidservaring. Dat A
de oorzaak is van B is een kwestie van goed kijken. Dat de gedachte van
veroorzaking wordt gewekt, heeft te maken met (o.a.) de nauwe relatie in de tijd
tussen het een (de beweging van A) en het ander (de beweging van B).
Voor de wetenschapper ligt dat anders. Deze zal ter
verklaring van het gebeuren verwijzen naar de wetten van de mechanica. Het zijn
de wetten van massa en beweging die de invloed van A op B verklaren. De
wetenschapper verklaart dus in termen van de gelding van bepaalde natuurwetten.
Hij verklaart ‘nomologisch’ (nomos=wet).
Wetenschappers kunnen vaak niet zoveel met de term
oorzaak (zo dadelijk een nuancering). Dat heeft een aantal redenen. De
belangrijkste reden is dat de wetenschapper geïnteresseerd is in het algemene
verband en dat zodra men op zoek gaat naar het algemene verband men vaak alleen
maar last heeft van het begrip oorzaak. Neem het voorbeeld van de biljartballen.
Waaruit bestaat nu precies de ‘causale kracht’ die er voor zorgt dat A B in
beweging brengt? Is dat een kracht binnen in A? Maar om wat voor soort kracht
gaat het dan? En houdt die kracht op als B in beweging komt? Wordt die kracht
soms overgedragen op B? Hoe moet men zich zo’n energie overdracht voorstellen?
Dit zijn vragen die onbeantwoordbaar zijn gebleken. De moderne natuurwetenschap
werd pas mogelijk toen het aristotelische wereldbeeld met z’n ‘doeloorzaken’
werd afgeschaft. Doeloorzaken waren van die geheimzinnige inwendige krachten die
een ding een bepaalde richting in duwden.
Wetenschap houdt zich bezig met het bedenken van
verklaringen. Verklaringen geven een antwoord op de vraag ‘waarom?’. Op de vraag
naar het waarom van een bepaald verschijnsel X wordt geantwoord: omdat X
onderhevig is aan de gelding van een bepaald wetmatig verband of wet Y. Wetten
en wetmatige verbanden oefenen hun ‘werking’ uit vanwege hun gelding en niet omdat ze verschijnsel X
veroorzaken. Als de appel van de boom
valt, dan komt dat omdat de appel onderhevig is aan de werking van de
zwaartekracht; oftewel omdat de wet van de zwaartekracht geldt. De wet van de
zwaartekracht is niet de oorzaak van het vallen van de appel. Dat te zeggen zou
een oneigenlijke wijze van spreken zijn.
Nu de
nuancering. Allereerst is er over de status van wetten en wetmatige verbanden
veel te doen in de wetenschapsfilosofie. Dat moet ik nu laten
rusten.
Belangrijker voor
dit moment is de tegenwerping dat er heel wat wetenschappen zijn waarin het
helemaal niet mogelijk lijkt om te verklaren in termen van de gelding van
wetten. Dat geldt niet alleen voor de geschiedwetenschap, maar ook voor
bijvoorbeeld de biologie. Vooral de biologie is een ingewikkeld voorbeeld, omdat
deze wetenschap zich in zoveel richtingen ontwikkeld heeft (moleculaire
biologie, populatiegenetica, taxonomie). Het gaat me hier vooral om het punt dat
er wetenschappen zijn, zoals de biologie, die zich wel degelijk met de
beschrijving van in de tijd verlopende processen bezig houden. Is er in deze
wetenschappen niet toch plaats voor de term ‘oorzaak’? Het antwoord op die vraag
is ontkennend. Zo kan de embryoloog de ontwikkeling van de nier beschrijven, van
de vroegste embryonale aanleg tot aan volwassenheid. Het gaat dan evenwel om een
ideaaltypische beschrijving; of om een reeks van generaliserende beweringen over
dit proces, beweringen die met een bepaalde mate van statistische
waarschijnlijkheid waar zijn (voorbeeld: ‘in 5% van de gevallen neemt de
nierkelk een andere vorm aan’). In ideaaltypische beschrijvingen of
generaliserende beweringen met een statistisch karakter valt de term oorzaak
echter niet. De gelding zit in iets semi-wetmatigs: het ideaaltypische karakter
van de beschrijving; of de statistische kans dat de bewering (on)waar is.
Het is erg
verwarrend dat wetenschapsfilosofen als het om deze generaliserende
beschrijvingen van processen gaat, soms de term ‘causale historie’ in de mond
nemen. Met causale historie wordt dan bedoeld ‘hoe het een uit het ander
voortkomt’ in een bepaald in de tijd verlopend proces. Het woord causaal heeft
hier geen zware lading. Het gaat om een keten van gebeurtenissen. Het ‘causale’
zit in de keten; in het feit dat de gebeurtenissen in een bepaalde volgorde bij
elkaar horen. De term causale historie gaat dus voorbij aan veronderstellingen
over ‘causale kracht’. Kortom, als de wetenschapsfilosoof zegt dat er
wetenschappelijke verklaringen bestaan die het karakter hebben van een
beschrijving van de causale historie, dan dient men zich te realiseren dat het
hier om een fletse notie van causatie gaat en, belangrijker, nog dat bedoelde
beschrijving een ideaaltypisch of statistisch generaliserend karakter heeft. De
gelding zit hem in dit laatste en niet in de veronderstelde causatie.
Abstractie en reïficatie
Er zijn nog twee begrippen
die kort de aandacht verdienen, voor we weer terugkeren naar de verhouding
tussen stemmingsverandering en neuronale processen. Ik doel op de begrippen
abstractie en reïficatie. De term abstractie duidt op het feit dat de
wetenschapper in zijn benadering van een bepaald vraagstuk van allerlei aspecten
afziet (abstraheert) en deze als het ware tussen haakjes plaatst. Vaak wordt
voor dit afzien-van de term reductie, of methodische reductie, gebruikt. Die
term is bruikbaar mits men zich realiseert dat het hier om een reductie in
gedachten gaat en niet om een werkelijke reductie. Het is de onderzoeksmethode
die de observatie van een bepaald aspect bevordert en beperkingen oplegt ten
aanzien van de waarneming van het overige. Door de onderzoeksmethode wordt er
geabstraheerd van allerlei andere, op zich mogelijk ook relevante aspecten van
een verschijnsel. Wetenschap is niet mogelijk zonder abstractie (of reductie).
Reïficatie betekent onterechte verzelfstandiging;
doen of iets een ding is, een aparte entiteit, terwijl het in feite helemaal
geen ding is, maar een optelsom van eigenschappen of een metafoor of een bepaald
begrip. Als iemand zegt: “Dat mag je zeker niet van je geloof” dan gaat het om
een onjuiste verzelfstandiging van iets wat in wezen een ingewikkeld complex van
overtuigingen, gedragingen, en gevoelens is. Reïficatie treedt veel op bij de
popularisering van wetenschappelijke resultaten. Wetenschappelijke abstracties
(begrippen, theoretische inzichten) worden dan behandeld als ging het om
zelfstandige entiteiten (dingen). Denk bijvoorbeeld aan de manier waarop over
‘stress’ wordt gepraat of over ‘life events’ (ingrijpende levensgebeurtenissen)
of, vroeger, over ‘zwakke zenuwen’(neurasthenie; zenuwzwakte).
Hersenen en geest – bezwaren tegen het dualistisch
interactionisme
Gewapend met deze
inzichten kan er nu iets worden gezegd over de twee besproken benaderingen van
de verhouding tussen lichaam en geest.
Eerst iets over het dualistisch interactionisme. De
veronderstelling dat gedachten, voorstellingen en gevoelens een soort
‘mind-stuff’ zijn die wordt geproduceerd door het brein is om een aantal redenen
niet aannemelijk.
In de eerste plaats is het hebben van gedachten,
voorstellingen en gevoelens afhankelijk van het bestaan van een functionerend
brein. Het zijn geen etherische entiteiten die even boven het hoofd vrij
rondzweven, maar in feite complexe verschijnselen die het karakter hebben van
handelingen of verrichtingen.[1]
Ten tweede. Een handeling is geen ‘ding’ en ook
niet louter een gebeurtenis. Gedachten, voorstellingen en gevoelens verwijzen
impliciet naar een actor, een auteur aan wie ze toegeschreven kunnen worden, een
persoon die ter verantwoording kan worden geroepen. Zonder dit zelfverwijzende
karakter zouden gedachten, voorstellingen en gevoelens een gebeurtenis karakter
hebben. Ze zouden zich gewoon voordoen, als feiten in de wereld. De
zelfverwijzing houdt in dat er in de wereld één persoon bestaat die zich op
unieke wijze tot deze ‘feiten’ verhoudt, namelijk de actor als degene aan wie ze
kunnen worden toegeschreven. Het actorschap van de mens is niet exclusief
verbonden met de menselijke geest.[2]
Het is zo fundamenteel dat het, net als het persoon-zijn, aan het onderscheid
tussen het lichamelijke en mentale voorafgaat.
Ten derde. In feite is het spreken over lichaam en
geest als aparte entiteiten een voorbeeld van wat zojuist reïficatie werd
genoemd, onterechte verzelfstandigingen van slechts een aspect van een bepaald
verschijnsel. Elke gedachte, elk woord, elk gevoel heeft zowel mentale als
lichamelijke aspecten.
Het bovenstaande maakt duidelijk dat het spreken
over een causale interactie van lichaam en geest op een aantal misverstanden
berust. Lichaam en geest zijn niet los verkrijgbaar, men moet ze niet
reïficeren. Het lichaam op zich bestaat niet, het is een abstractie. Hetzelfde
geldt voor de geest. Dus berust ook de gedachte dat een lichamelijk proces een
mentaal proces kan veroorzaken, op een verkeerde voorstelling van zaken. Het
functioneren van de menselijke persoon kent lichamelijke en geestelijke
aspecten.
Hersenen en geest – bezwaren tegen het
fysicalisme
Ook het fysicalisme,
eliminatief en niet-eliminatief, stuit op bezwaren. In de eerste plaats gaat het
fysicalisme uit van een gereïficeerde opvatting van het menselijk lichaam, alsof
dat een in zichzelf gesloten fysisch-biotische werkelijkheid is. Om dit nog even
te illustreren: de meeste fysicalisten gaan uit van de these van de causale
geslotenheid van het fysische. Hun reductionisme houdt in dat al wat er aan
interacties en beïnvloeding plaats vindt in het fysische domein, zelf ook in
fysische termen beschreven kan worden. Als ik het plan opvat om over een uur een
lange wandeling te maken, dan heeft het opvatten van het plan als mentaal proces
geen enkele invloed op wat mijn benen over een uur gaan doen. Wat wel invloed
heeft is het neuronale proces dat ten grondslag ligt aan (of gepaard gaat met)
het wilsbesluit. Het wilsbesluit als mentaal verschijnsel is in causale zin
inert (machteloos). Causaal is alleen het proces in het zenuwstelsel.
De stelling van de causale geslotenheid van het
fysische moet afgewezen worden. Haar belangrijkste functie is om een
reïficerende kijk op het fysische in stand te houden. Een dergelijke kijk doet
geen recht aan hoe de werkelijkheid in elkaar zit en wordt ervaren.
Dat blijkt – ten tweede – vooral uit het
reductionisme waartoe het fysicalisme leidt. Mentale verschijnselen worden
hooguit een bijproduct, of epifenomeen, van processen in de hersenen. Een
dergelijk reductionisme heeft geen taal waarin recht kan worden gedaan aan het
zelfverwijzende karakter van mentale processen en handelingen. Ze elimineert het
perspectief van de eerste persoon: dat alleen ik (eerste persoon) de wereld om
mij heen en mijn lijf zo kan ervaren als ik het doe. En ze heeft geen plaats
voor noties als actorschap, vrijheid en verantwoordelijkheid. Ze keert aldus de
verhouding tussen wetenschap en alledaagse ervaring om.
Wetenschappelijke kennis is niet maatgevend voor
wat ervaring mag heten. Wetenschap verdiept ons zicht op de werkelijkheid door
zich te richten op een bepaald aspect. Maar daardoor verliest ze gemakkelijk het
geheel uit het oog. De alledaagse
ervaring blijft hoe dan ook de bodem, de springplank en de uiteindelijke toets
voor het wetenschappelijk kennen. Dat dit zo is, kan worden beargumenteerd door
te wijzen op het falen van het evidentialisme (of ‘foundationalism’).
Evidentialisten beweren dat men alleen gerechtigd is die kennis te aanvaarden,
waarvan vast staat dat die berust op logisch redeneren of wetenschappelijk
bewijs. Maar dat is natuurlijk niet met het leven verenigbaar. Als we van alles
waar we in het dagelijkse leven vanuit gaan eerst de wetenschappelijke
betrouwbaarheid zouden moeten vaststellen, dan zouden we aan het bestaan
überhaupt niet meer toekomen. We staan op de schouders van anderen; vertrouwen
ons toe aan de inschattingen en oordelen van anderen; en leren ook vertrouwen te
stellen in eigen ervaringen.
Psychofarmaca en de verhouding tussen hersenen en
geest
Ik maak de balans op.
Psychofarmaca veroorzaken mentale veranderingen. Deze uitspraak is gewettigd
zolang men dicht bij de dagelijkse ervaring blijft. Ze bewijst niet, zoals het
dualistisch interactionisme wil, dat er eerst veranderingen zijn in het brein
(opgevat als fysisch/biotische entiteit) die even later oorzaak zijn van mentale
verschijnselen (opgevat als onlichamelijke gebeurtenissen). Er is wel een
volgorde in de gebeurtenissen, maar die gebeurtenissen hebben steeds zowel
lichamelijke als mentale aspecten. Het kost enige tijd voor antidepressieve
middelen hun bedoelde effect hebben. Dat komt niet omdat de interactie tussen
lichaam en geest tijd kost, maar omdat pas na enige tijd zich een nieuw
evenwicht instelt in het functioneren van allerlei neuronale circuits, zodanig
dat daardoor ook op andere niveaus van functioneren ruimte ontstaat voor herstel
van het normale functioneren.
Betekent dit dat het mentale louter een epifenomeen
is en dat de uitspraak dat psychofarmaca mentale veranderingen veroorzaken, op
een fictie berust, namelijk de fictie dat er zoiets bestaat als een mentale
verandering? Het antwoord luidt ontkennend. Mentale eigenschappen hebben een
eigen aard en kwaliteit die niet kan worden herleid tot het fysische. Het is
volkomen te rechtvaardigen om van mentale processen te spreken, zolang men
daarbij niet denkt aan onlichamelijke gebeurtenissen of substanties.
Daarmee lijken we in een impasse te belanden. Aan
de ene kant kan de wetenschapper niet zeggen dat hersenprocessen causaal
verantwoordelijk zijn voor het optreden van mentale processen zonder daarmee
tevens hersenprocessen en mentale processen te verzelfstandigen; anderzijds
kunnen mentale verschijnselen niet worden gereduceerd tot veranderingen op
neuronaal niveau. Toch lijken die neuronale veranderingen wel cruciaal, ja zelfs
determinerend, voor het verklaren van het effect van psychofarmaca. Daarmee
staan we voor de vraag die we in de inleiding al stelden of er misschien een
andere manier is om de samenhang tussen processen in het brein, bewustzijn en
allerlei gedragingen te conceptualiseren; een manier die het brein en mentale
processen niet eerst ontkoppelt of het ene proces tot een ander herleidt.
De mens; drie fundamentele
intuïties
De onderstaande
gedachtegang is een poging zo’n derde weg te schetsen, uiteraard heel
rudimentair en vanuit de overtuiging dat elke formulering tastend moet
blijven.[3]
Het gaat hier om een van diepste problemen van de filosofie en om een
werkelijkheid die uiteindelijk niet begripsmatig in de greep te krijgen valt. De
kern van deze gedachtegang is dat de mens een eenheid vormt waaraan tal van
aspecten (en deelstructuren) te onderscheiden zijn die onderling een bepaalde
samenhang en orde vertonen. Deze aspecten zijn aan de ene kant onherleidbaar
(contra het reductionisme), aan de andere kant zijn het geen zelfstandige
entiteiten (contra interactionisme), terwijl ze wel een onherleidbare samenhang
vertonen. De aspecten beschrijven de kwalitatieve verscheidenheid in de manieren
waarop mensen, dingen en gebeurtenissen functioneren tegen de achtergrond van
een intuïtie van samenhang (in verscheidenheid), eenheid (van het persoon-zijn)
en radicale afhankelijkheid (van de Schepper).
De wetenschapper
kan uit die veelheid van met elkaar samenhangende aspecten er één uitlichten en
die in zijn onderzoek centraal stellen. Het eigenaardige is dat nadien de
oorspronkelijke samenhang tussen de aspecten nooit meer helemaal teruggewonnen
kan worden. De wetenschappelijke abstractie verbreekt de samenhang van de
aspecten en die is men vervolgens kwijt. Ze kan hoogstens gedeeltelijk
wetenschappelijk worden gereconstrueerd. Denk bijvoorbeeld aan de wijze waarop
in de dans allerlei aspecten van het functioneren op vloeiende wijze samenkomen:
ruimtegebruik, omgang met het lichaam in kinetische en fysische zin; uitbuiten
van mogelijkheden tot expressie; gevoel voor ritme en stijl. Men kan elk van die
aspecten apart nemen, maar dan raakt de wetenschapper de samenhang kwijt. Ook
als men alles wat er wetenschappelijk bekend is over de verschillende aspecten
van de dans bij elkaar voegt, heeft men nog geen adequate formulering voor de
totale ervaring van samenhang. Het vloeiende en vanzelfsprekende, het momentane
reliëf of patroon, is men kwijt.
In het menselijk
functioneren is er dus tegelijk sprake van samenhang en verscheidenheid. In het
samengaan van die twee toont het menselijk bestaan tegelijk eenheid. Ook daarvan
hebben we een intuïtie. Natuurlijk is het bestaan vaak verscheurd en zijn mensen
ambivalent en verdeeld, ook als het om basale keuzes gaat. Maar die
verscheurdheid en ambivalentie kunnen pas als zodanig worden beleefd en gedacht
tegen de achtergrond van een nog fundamenteler besef van eenheid. Die eenheid
hoeft met andere woorden geen realiteit te zijn, ze is wel een ideaal waarnaar
wordt verlangd of een referentiepunt in de chaos. Dat blijkt bijvoorbeeld
hieruit dat ook ernstige psychopathologie of langdurig verlies van bewustzijn
het persoon-zijn van de mens in juridische en morele zin niet aantast.
Tenslotte, en
meest fundamenteel, ontleent de mens zijn bestaan niet aan zichzelf. Hij is niet
de eigenaar van zijn bestaan. Christenen belijden de fundamentele
afhankelijkheid van de Schepper, van moment tot moment en vanaf ‘den beginne’.
Er is letterlijk niets in deze wereld dat z’n bestaan aan zichzelf ontleent. De
Schepper – schepsel relatie bepaalt al wat bestaat als fundamenteel afhankelijk,
dat wil zeggen als ‘uit, door en tot God’. Heel de werkelijkheid, en daarin de
mens, wordt bepaald door deze ‘oorsprongsrelatie’.
We hebben hier
dus te maken met drie fundamentele assumpties of intuïties omtrent het menselijk
bestaan: verscheidenheid en samenhang van de aspecten; dit tegen de achtergrond
van een nog fundamenteler eenheid, namelijk die van het persoon-zijn, en,
tenslotte, bepaaldheid door de oorsprong, dat is de Schepper-schepsel relatie.
De hersenen: noch orgaan noch onpersoonlijke
actor
Denkend aan de hersenen
hebben de meesten onzer een voorstelling die ontleend is aan illustraties in de
krant, een tijdschrift of een leerboek. Die plaatjes suggereren dat de hersenen
een apart orgaan zijn, te vergelijken met de lever of het hart, alleen
onnoemelijk veel complexer door het
enorme aantal neuronen (100 biljoen) en de connecties tussen de neuronen (elk
neuron maakt met zo’n duizend andere contact). Natuurlijk realiseren we ons dat
er talloze verbindingen bestaan tussen de hersenen en de buitenwereld. Maar het
overheersende beeld is toch dat het allemaal daar gebeurt, in de windingen van
het brein. Volgens deze voorstelling van zaken komt het er op neer dat de
hersenen een biotisch orgaan zijn met ‘hoger dan biotische’ functies, namelijk
mentale functies.
Het gevaar van reductie en van reïficatie is hier
levensgroot aanwezig. Reductie: want hoe kan een biotisch orgaan een hoger dan
biotische functie hebben? Is die hogere functie dan niet eigenlijk alleen maar
in schijn hoger? Zijn mentale processen niet louter een epifenomeen van
biologische processen? Reïficatie: want als het allemaal daar gebeurt, in de
windingen van het brein, dan kan er geen andere conclusie zijn dan dat het brein
zèlf denkt, voelt en waarneemt. Het brein wordt dan een zelfstandige entiteit
met handelende eigenschappen, een soort onpersoonlijke actor. De neiging de
hersenen in dit opzicht zelfstandigheid toe te kennen wordt in de hand gewerkt
door de nieuwe mogelijkheden tot visualisering in het huidige beeldvormende
onderzoek van het brein (neuroimaging).
Is er een visie op het functioneren van de hersenen
die aan reductionisme en reïficatie weet te ontsnappen? Ik meen dat er zo’n
visie mogelijk is en denk daarbij aan een benadering waarbij de hersenen worden
gezien als deel uitmakend van een reeks van deelstructuren die onderling een
hiërarchische ordening vertonen.[4]
In elk van die deelstructuren spelen de hersenen een andere rol, preciezer
gezegd: worden er andere functiemogelijkheden ontsloten. De term deelstructuur
heeft hier een abstracte betekenis en doelt op een samenstel van wetmatige
verbanden dat wordt gekwalificeerd door een bepaald aspect of modus van
functioneren. Deelstructuren zijn dus geen concrete dingen; ook geen organen of
orgaansystemen. Het zijn combinaties van wetmatige verbanden die voor een
bepaald type van functioneren gelden. In het menselijk functioneren zou men vier
van die typen van functioneren kunnen onderscheiden, corresponderend met een
viertal deelstructuren: een fysische, een biotische, en een psychische
deelstructuur en tenslotte de actstructuur.[5]
De actstructuur omvat, als hoogste structuur, het geheel en is dus in strikte
zin geen deelstructuur.
Deze benadering ontsnapt aan het juist geschetste
probleem van reductie en reïficatie. De hersenen zijn een concrete entiteit,
maar die entiteit fungeert in verschillende deelstructuren. Al naar gelang de
deelstructuur worden er andere functies van het brein ontsloten. Dat het hier
werkelijk om eigen geaarde wijzen van functioneren gaat blijkt uit het feit dat
elk van die wijzen van functioneren een eigen context heeft, waartoe het zich op
eigen wijze verhoudt.
In fysische zin zijn de hersenen
bijvoorbeeld nauwelijks anders of interessanter dan andere delen van het
menselijk lichaam. In fysische zin is de verhouding hersenen – omgeving bijna
een non-issue; de wetten die deze verhouding bepalen zijn geen andere dan die
welke de verhouding tussen de stoel waarin ik zit, en zijn omgeving bepalen. Het
gaat hier om processen op moleculair niveau.
Dat verandert als we kijken naar de hersenen als biotisch fenomeen. De hersenen fungeren
hier, als quasi-orgaan, in de context van het lichaam. Ze zijn bijvoorbeeld net
zo afhankelijk van voeding en bescherming tegen infecties, als de lever dat is.
Daarnaast is er een relatie met de biotische omgeving in ruimere zin. Zo hebben
de afwisseling van dag en nacht en het klimaat invloed op de wijze van
functioneren van het brein. Maar het belangrijkst is toch de belangrijke rol van
de hersenen in de regulatie van het interne milieu, door de uitscheiding van
allerlei hormonen die van belang zijn voor de vochthuishouding (nier) en de
stofwisseling (schildklier, bijnier).
Nog weer een ruimere en andere context ontmoeten we
als het brein wordt bezien als deel uitmakend van de psychische deelstructuur. Op dit niveau
is het onvruchtbaar om de hersenen te zien als orgaan. Het gaat veel meer om
dynamiek, interactie, en ontwikkeling. Zo is bijvoorbeeld de vroege moeder-kind
interactie van grote betekenis voor de manier waarop het brein zich ontwikkelt.
Tactiele, visuele, auditieve en bewegingssignalen worden geïntegreerd tot een
stabiel beeld van de ander. Dit beeld van de ander raakt geassocieerd met een
basisgevoel van veiligheid en met aanmoedigingen om de wereld te ontdekken. Deze
ervaringen zijn van groot belang voor de stressgevoeligheid en de regulatie van
het gevoelsleven op volwassen leeftijd. De context is hier ruimer, want per
definitie relationeel (moeder-kind). De hersenen integreren ervaringen in
allerlei zintuiglijke modaliteiten, maar dat integreren veronderstelt genoemde
context. Op dit niveau kunnen de hersenen het dus niet alleen af (geen
onpersoonlijke quasi-actor). Om ervaringen te kunnen integreren, moet de context
stabiel zijn en voldoende gedifferentieerd. Zo wordt ook de basis gelegd voor
het vermogen om emotioneel en sociaal adequaat in te ‘tunen’ op de
omgeving.
Vanuit het perspectief van de actstructuur komen de hersenen eigenlijk
pas in de meest recente theorievorming in beeld. Zo is het aannemelijk dat de
innerlijke voorstelling van het eigen lichaam in de loop van de ontwikkeling
verbonden raakt met allerlei vroege ervaringen. Die ervaringen worden als het
ware lichamelijk ‘gemarkeerd’.[6]
Het kind dat zich brandt, herinnert zich hoe het precies ging door te denken aan
de plek waar de brandwond zat. Geleidelijk ontwikkelt dit lichaamsbeeld zich tot
een register van opgeslagen ervaringen, een register dat in staat is gevoelig en
gedifferentieerd te reageren op signalen uit de omgeving. Emotionele
sensitiviteit vormt aldus de bodem voor morele waardering. Het lichaamsbeeld
fungeert daarbij als een kompas. Duidelijk is dat ook vanuit de actstructuur
gezien de hersenen niet als zelfstandige entiteit opereren. Ze zijn opgenomen in
het geheel van de lichaamsstructuur en worden in het handelen en ervaren van de
mens ontsloten. Dat ‘ontsluiten’ is een tot ontplooiing komen van nieuwe
functiemogelijkheden.
Ondersteuning voor een dergelijke benadering wordt
gevonden in de huidige cognitieve neurowetenschap die de noties connectiviteit
en plasticiteit centraal stelt. Het brein kan het best worden opgevat als een
razend ingewikkeld samenstel van neuronale (of: neurale) netwerken. Die
netwerken staan niet op zich, maar vertonen een zekere gelaagdheid en
functionele specificiteit. Die ordening en specificiteit toont zich in de
interactie tussen neuronen onderling, maar ook in de interactie tussen het brein
en zijn omgeving. Denken, zich voorstellen, taal en emotie zijn dus geen
functies van het brein op zich, maar functies van het brein in interactie met
zichzelf en z’n omgeving. Het zijn strikt genomen eigenschappen van deze
interacties en dus niet van de hersenen als verzelfstandigd ‘ding’.
Toenemend ligt daarbij de nadruk op de plasticiteit
van het brein: neurale netwerken kunnen elkaars functie overnemen. Die functies
zijn niet strikt gelokaliseerd; er worden van seconde tot seconde nieuwe
verbindingen tussen neuronen aangemaakt of uitgeschakeld. Er komen – anders dan
men tot voor kort dacht – zelfs in de volwassenheid nog nieuwe neuronen bij. Wat
er bij nauwkeuriger observatie te zien valt, is dus dit: geen orgaan op sterk
water, maar een complex van netwerken die in sterke mate verbonden zijn met de
rest van het lichaam en de buitenwereld.
De hersenen staan dus in een context en wel volgens
een hiërarchie van deelstructuren. Deze gedachte is in strijd met de idee dat de
hersenen een aparte biotische entiteit vormen. Een dergelijke reïficatie leidt
ofwel tot de gedachte dat de hersenen louter een orgaan zijn, een instrument in
de handen van een mysterieuze Cartesiaanse bestuurder; of tot de stelling dat
mentale activiteit niets anders is dan hersenactiviteit. In deze laatste
gedachtegang worden de hersenen een soort quasi-actor, met de nadruk op het
‘quasi’.[7]
Wat kunnen de neurowetenschappen
verklaren?
Ik keer terug naar de
uitgangsvraag: wat kunnen de neurowetenschappen verklaren? Het hangt er in de
eerste plaats van af op welk niveau de wetenschapper insteekt: dat van de
(bio)fysica, de biologie, de psychologie of nog een andere wetenschap. Elk
niveau van organisatie heeft zijn eigen wijze van verklaren; de fysicus meer
nomologisch, de bioloog meer in termen van causale historie, de psycholoog vaak
in de vorm van descriptieve generalisaties met een statistische
waarschijnlijkheid. Ik heb betoogd dat de hersenen in strikte zin geen ‘oorzaak’
zijn van mentale processen. In de omgangstaal is er weliswaar beperkt ruimte
voor dit type uitspraken, maar zodra men preciezer probeert te zijn verdwaalt
men al gauw in het moeras van het dualistisch interactionisme of de woestijn van
het fysicalisme.
Toch hebben psychofarmaca effecten op gevoel,
stemming, denken en aandrift. Het waarom van die effecten kan worden bestudeerd
door te kijken naar (meestal correlatieve) verbanden tussen processen in de
verschillende deelstructuren. Maar correlatie is wat anders dan veroorzaking.
Dat er in de werkelijkheid een samenhang is tussen de systeemniveaus is iets dat
door onderzoek kan worden bevestigd. Maar het karakter van die samenhang, ‘wie
alles sich zum Ganzen webt’ (Goethe), blijft ten diepste een mysterie. Het gaat
hier om een creatuurlijk gegeven, corresponderend met de intuïtie van samenhang
in verscheidenheid. Dat is voor de wetenschapper een weinig bevredigend
antwoord. Maar het tegelijk wetenschappelijk het meest zuivere, want minst
zelfoverschattende antwoord.
[1] Christenen hebben soms de neiging deze stelling te betwijfelen vanwege het voortbestaan van de ziel na de dood. Tegen deze gedachte kunnen drie met elkaar samen hangende bezwaren worden ingebracht. Het eerste bezwaar is dat wat uit de Bijbel kan worden afgeleid over het verdwijnen van de ziel uit het lichaam na de dood een groot mysterie is, net zo’n groot mysterie als de schepping van de mens uit leem en de adem van God. Het geheimenisvolle van dit gebeuren houdt in dat er niet zonder meer een isgelijkteken mag worden geplaatst tussen lichaam en ziel voor en na de dood. Dat wordt onderstreept door een tweede bezwaar, namelijk dat het lichaam zoals bedoeld in het dualistisch interactionisme een biotisch, dat wil zeggen levend en ademend lichaam is, terwijl het lichaam dat resteert na de dood een louter fysisch lichaam is, dat geleidelijk wordt afgebroken. De vergelijking tussen het lichaam van de dualistisch interactionisten en het (dode) lichaam uit de bijbel, gaat dus niet op. Een derde punt is dat de realiteit van de geestelijke wereld, met allerlei machten en engelen, geen verdediging nodig heeft via de band van het lichaam – geest dualisme. Men kan met andere woorden heel goed het bestaan van een geestelijke wereld erkennen, zonder het lichaam – geest dualisme aan te hangen. Dat is ook de reden waarom het trichotomisme (lichaam, ziel, geest) lange tijd zo populair was in christelijke kring.
[2] Hier komt nog een probleem voor de christen dualist in beeld. Wie actorschap exclusief met de menselijke geest verbindt ontkomt er niet aan ook het persoon zijn in de menselijke geest te lokaliseren. Dat leidt bijna onvermijdelijk tot een nogal instrumentalistische visie op het menselijk lichaam. Het lichaam is dan ‘slechts’ het voertuig, het vehikel, voor de ziel; het draagt niet bij aan het zelfverwijzende karakter van handelingen. Emoties zijn dan louter expressies en zeggen niets over de persoon zelf, althans niet rechtstreeks.
[3] Het hier ontwikkelde perspectief is schatplichtig aan
het werk van de Nederlandse filosoof Herman Dooyeweerd (1894-1977). Vgl. diens
De Wijsbegeerte der Wetsidee, deel I –
III. Amsterdam: H.J. Paris, 1935 (WdW I-III); en de later Engelstalige
editie: A New Critique of Theoretical
Thought, Vol. I-IV. Amsterdam: H.J.
Paris/ Philadelphia: Presbyterian and
Reformed Publishing Company, 1953-1958 (NC I-IV).
Het
gaat hier om een vereenvoudigende interpretatie die nauwelijks ingaat op
Dooyeweerd’s idee over de lichamelijkheid als een ‘enkaptisch structuurgeheel’,
dat wil zeggen als een hiërarchisch met elkaar vervlochten geheel van
deelstructuren. Ook ga ik voorbij aan het
belangrijke onderscheid tussen subjects- en objectsfuncties.
[5] Dooyeweerd, H.
(1942), "De leer van de mensch in de Wijsbegeerte der Wetsidee", Correspondentiebladen van de Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte
7: 134-144.
Dooyeweerd, H. (1961), "De taak ener wijsgerige
anthropologie en de doodlopende wegen tot wijsgerige zelfkennis". Philosophia Reformata
26: 35-58.
[6] Damasio, A.R., Descartes’ Error. Emotion, Reason, and the Human Brain. New York: AVON Books, 1994.
Damasio, A.R., The feeling of what happens. Body, emotion and the making of consciousness. London: Vintage, Random House, 1999.
[7] De filosoof Dennett is een representant van deze
richting. Hij vergelijkt het proces van bewustwording met het tot stand komen
van een editie van een krant. Er is een veelheid van informatiestromen die
parallel aan elkaar lopen. Die komen op een gegeven moment wel samen in de
ochtendeditie, maar wat er verschijnt en in welke ordening is een kwestie van
opportuniteit, die vooral wordt bepaald door omgevingsvariabelen (het zgn.
‘multiple drafts’ model). Dennett onkent het bestaan van een ‘ik’. Het ik is
volgens hem net zoiets als een mierenhoop.
Vgl. D.C. Dennett (1991), Consciousness explained. Boston: Little,
Brown and Company; hfdst 5 en hfdst 13.