Schepping en verstoring: het kennen van de scheppingsorde en de werking van het kwaad

 

Gerrit Glas

 

In hoeverre is de zonde een barričre voor het filosofisch beroep op de scheppingsorde? Dat is een vraag die centraal staat in deze themakern. Elders in dit nummer treft u de bijdrage van Govert Buijs. Deze betoogt dat het goede oorspronkelijk is en dat het kwaad parasiteert op de ‘basale goedheid’ van de geschapen werkelijkheid. Ook stelt Buijs dat de reformatorisch-wijsgerige structuurleer aanknopingspunten biedt om de vele vormen van verstoring van het geschapene preciezer in beeld te krijgen. Dit artikel is complementair; het snijdt andere aspecten van dezelfde zaak aan. Ik richt me daarbij meer op wat de grondleggers van de reformatorische wijsbegeerte zelf hebben gezegd en op welke punten dit aanvulling verdient.

 

Ik kies daarbij voor het volgende drieluik. Eerst licht ik aan de hand van enkele citaten van de grondleggers van de reformatorische wijsbegeerte de betekenis van het begrip ‘wet’ toe. Vervolgens ga ik in op de vraag hoe de verstoring van het geschapene gedacht kan worden in het bestek van de theorie van de ontsluiting. Ten slotte maak ik enkele opmerkingen over de noodzaak van een beschouwing over menselijke vermogens in relatie tot de ontsluiting van het geschapene.

 

De wet als teken van Gods trouw

Ik herhaal: is de zonde een barričre voor het filosofische beroep op de scheppingsorde? Laten we eerst het laatste deel van deze vraag eens onderzoeken. Wat wordt bedoeld met scheppingsorde? En: is er een filosofisch inzicht in die scheppingsorde mogelijk, zodanig dat daar normatieve claims aan ontleend kunnen worden?

Scheppingsorde duidt op de orde die in de werkelijkheid te ontdekken valt. Die werkelijkheid wordt als schepping gezien. De schepping is het resultaat van het bevelend spreken van God. Het geschapen karakter van de werkelijkheid duidt er op dat wat er is niet zomaar bestaat, zonder reden, maar dat deze een bestemming heeft, ergens voor bedoeld is. De filosofische term voor dit bevelend spreken is ‘wet’.

      Vollenhoven zegt: “De schriftuurlijke wijsbegeerte leert de rechtstreekse soevereiniteit van die God, die zich in zijn woord geopenbaard heeft over alle dingen, op welk terrein en in welk verband ook, en onderscheidt in overeenstemming daarmee helder tussen God als de Souverein en het door Hem geschapene”[1] Het woord wet valt in deze passage – we spreken 1933 – nog niet. In de Isagoogč Philosophiae enkele decennia jaar later wel.[2] Uit de uitleg blijkt dat soevereiniteit, wet en grens nauw met elkaar verbonden zijn. God regeert door zijn woord, zijn scheppend spreken. Dat is iets dat zo ongelooflijk is in zijn aard en effect dat we God niet anders dan als volstrekt soeverein kunnen zien, dat wil zeggen, als zelf verheven boven de wet. Daarom is er van de mens naar God toe een grens, en niet omgekeerd, aldus Vollenhoven. De mens is aan de wet – het scheppend spreken – onderworpen. Met een technische term: hij is aan de wet sub-ject. Dit onderworpen-zijn is natuurlijk maar een aspect. In de latere verwerking van de gedachte van het scheppend spreken (bijv. bij Johan van der Hoeven en Henk Geertsema) komt meer de nauwe betrokkenheid en zorg naar voren. God is ten nauwste bij zijn maaksel betrokken.

Vollenhoven benadrukt dat de term grens niet ruimtelijk verstaan moet worden. Dat zou strijden met de immanentie van God, zijn tegenwoordigheid in deze wereld. God en de kosmos kunnen ook niet als twee uiteinden van dezelfde zijnladder worden beschouwd, bijvoorbeeld als het hoogste zijnde tegenover het laagste zijnde. Ze verhouden zich evenmin als geheel en delen. En God is niet zelf aan de wet onderworpen. Dat zijn stellingen met een grote filosofische importantie. Vollenhoven kan tal van filosofische stromingen plaatsen als ofwel resultaat van vergoddelijking van een deel van de wereld (partieel theďsme) of van het wereldlijk (= kosmisch) maken van een deel van God (partieel kosmisme).

Dooyeweerd’s gedachten gaan in dezelfde richting als hij spreekt over de wetsidee. De term wetsidee benadrukt meer het tastende zoeken. Mensen vormen zich een idee omtrent de oorsprong, het geheel, en de samenhang-in-verscheidenheid van al wat bestaat. De wetsidee is dus een theoretische intuďtie over de oorsprong, het geheel en de samenhang van het geschapene. Aanvankelijk was Dooyeweerd geboeid door denkers bij wie gedachte van een wereldorde belangrijk is. Later betrekt hij daarin ook de menselijke houding en respons op die orde. De wet en het subjecte (dat wat aan de wet ‘onderworpen’ is) moeten samengedacht worden als twee zijden van een zaak. Vandaar ook dat Dooyeweerd een voorkeur toont voor het spreken over een wets- en een subjectszijde van het bestaan.[3] Opnieuw is hierbij de notie van de wet als grens belangrijk, omdat die tot uitdrukking brengt dat geen enkel kennen op eigen kracht in staat is over dit alles iets te zeggen. Het denken stuit hier op een grens.

Ook bij Dooyeweerd duidt het grenskarakter primair op de soevereiniteit van God.[4] Denkstelsels die genoemde grens overschrijden en vrijelijk hun gedachten laten gaan over – bijvoorbeeld – het wezen van God, bewegen zich in het spoor van de speculatieve metafysica. Denkstelsels die iets in het geschapene zelf de functie van oorsprong toekennen vergoddelijken iets in het geschapene. Dooyeweerd noemt dit immanentiefilosofie.

Voor de wetsidee treedt in het latere werk de term grondmotief in de plaats. Die term drukt nog duidelijker uit dat het Dooyeweerd in de eerste plaats gaat om de dynamiek in de relatie tussen Schepper en schepsel. Die dynamiek voltrekt zich in het op elkaar betrokken zijn van de wets- en de subjectszijde van het bestaan. “De wet heeft slechts zin in onverbrekelijke correlatie tot het subject. De wetsidee impliceert de subjectsidee…”, aldus Dooyeweerd.[5] De wetsidee duidt dus primair op een verhouding, een relatie. Ze is een theoretische formulering voor het soort relatie dat er bestaat tussen enerzijds het geschapene, en daarin met name de mens, en anderzijds de wet van God, opgevat als uitdrukking van oorsprong, totaliteit en samenhang-in-verscheidenheid van dat wat is.

 Als de wet, of wetsidee, de respons van het geschapene omvat en als het accent valt op de verhouding tussen goddelijk bevelen en menselijk antwoorden, dan vallen scheppingsorde en wet, strikt genomen, niet samen.[6] De orde die zich in de werkelijkheid aftekent is dan uitdrukking van de wet. De wet zelf is niet vaststelbaar, ze is geen ding. Dat ligt voor de hand, als men bedenkt dat de grondleggers van de reformatorische wijsbegeerte de wet gelijk stelden met het bevelend spreken van God. De wet is dus ook geen blauwdruk of bouwplan. Een blauwdruk legt een ontwerp vast. Dit ontwerp heeft een instrumentele betekenis. Het structureert het maakproces. God heeft echter de wet niet nodig om zijn werkzaamheden te structureren. De wet geldt. Dat ze door te gelden orde brengt, zegt in de eerste plaats iets over de Ontwerper en Spreker. De orde mag worden gezien als blijk van Gods trouw; trouw aan Zichzelf en zijn bedoeling met de wereld en trouw aan de mens. Dit wordt bijvoorbeeld duidelijk bij de verbondsvernieuwing met Noach na de zondvloed.

Is er een filosofisch beroep op de scheppingsorde mogelijk? Niet als daarmee wordt gedoeld op een bouwplan dat slechts op ontdekking wacht. Wel in de zin dat er in het aftasten van hoe de werkelijkheid bedoeld is, betekenissen oplichten en mogelijkheden zich voordoen die echt iets over het geschapene zelf duidelijk maken. Betekenissen blijken dan meer dan louter subjectieve interpretaties te zijn: ze tonen een weg. En mogelijkheden blijken meer dan alleen toevallig zich aandienende kansen te zijn: ze laten zien hoe het leven vrucht kan dragen.

 

Ontsluiting en het kwaad

Is de zonde een belemmering voor het filosofisch beroep op de scheppingsorde? Ik ga nu in op het eerste deel van deze vraag, de zonde. Vollenhoven en Dooyeweerd spreken wel over het kwaad, maar summier. Ik beperk me hier tot Dooyeweerd en citeer (en vertaal) een bekende passage uit diens A New Critique, deel II: “Is een werkelijkheid in zonde nog steeds zin? Is ze niet zinloos, of veeleer de tegenstander van zin, omdat zin alleen maar kan bestaan in de religieuze afhankelijkheid van de Oorsprong? Hier raken we inderdaad het diepste probleem van de christelijke wijsbegeerte. De laatste kan het probleem niet oplossen zonder verlicht te worden door de goddelijke openbaring, als ze tenminste niet terug willen vallen in de immanentiefilosofie. Ik voor mij durf niets te proberen en te weten omtrent enige zaak die met dit probleem te maken heeft, behalve wat God goed heeft gedacht ons te openbaren door zijn Woord.”[7]

      Het citaat toont de huiver om over het kwaad in filosofische zin iets te zeggen. Die huiver is ook wel begrijpelijk in het licht van eeuwenoude tradities waarin het kwaad of werd verzelfstandigd tot een anticreatuurlijke macht (gnostiek) of onschadelijk werd gemaakt (door het te zien als negatie of als noodzakelijk contrast) of werd gelijkgesteld met iets in het geschapene zelf (het lichamelijke, driftmatige).

      Het kwaad komt tot uitdrukking in het vergoddelijken van iets in het geschapene; in het zien van een zaak als bestond deze uit zichzelf, tot zichzelf en in zichzelf, ongeacht de context. Een dergelijke omschrijving stelt het kwaad gelijk aan afgoderij en dat is meen ik ook wat de grondleggers van de reformatorische wijsbegeerte primair op het oog hadden als ze het over de zonde en het kwaad hadden. Afgoderij is iets in het geschapene de plaats van de Schepper laten innemen. Dat kan alleen als eerst de band tussen Schepper en schepsel wordt doorgesneden.

Afgoderij manifesteert zich in het veelzijdige proces van ontsluiting van de zinzijden van de kosmos en wel onder leiding van een ‘afvallig’ grondmotief. Deze zinzijden zijn de welbekende aspecten of wetskringen (modaliteiten), maar dan wel opnieuw verstaan vanuit het op elkaar betrokken zijn van wets- en subjectszijde. Ontsluiting houdt in dat zinmomenten in een bepaalde wetskring tot gelding komen die anticiperen op hogere (of: latere) wetskringen (d.w.z. die vooruitlopend iets laten zien van wat pas ten volle tot uitdrukking komt in hogere aspecten). De vergoddelijking van iets in het bestaande, bijvoorbeeld economische groei of technische beheersing, leidt onvermijdelijk tot scheefgroei en uiteindelijk tot stilstand in het proces van differentiatie. Het leidt ook tot betekenisverlies, zegt Dooyeweerd, omdat de eigensoortige kwaliteit van dat wat op zichzelf gesteld wordt, pas goed uit de verf komt in samenhang met de andere aspecten en relaties en omdat juist die samenhang verbroken wordt. Het is uit die scheefgroei en de daaruit voortvloeiende innerlijke tegenstrijdigheden in de theoretische verwoording, dat iets duidelijk wordt over de orde aan de wetszijde en daarin over hoe de werkelijkheid bedoeld is. Omgekeerd leidt het respecteren van de gegeven orde tot bloei, vruchtbaarheid en vreugde.[8]

      Dooyeweerd spreekt over het kwaad als een ontbreken van het goede (privationi boni) en ontkent daarmee dat het kwaad een zelfstandige macht is, zoals Manicheeërs en gnostici hadden beweerd. Maar het kwaad is wel een macht en niet alleen iets negatiefs, niet alleen iets dat ontbreekt (contra neo-platonici). Dat het kwaad in ‘positieve’ zin macht uitoefent komt omdat het gebonden blijft aan de dynamiek die in de structuur van het geschapene besloten ligt.[9] Dat klinkt rijkelijk abstract. Wat Dooyeweeerd er mee wil zeggen is vooral dat het kwaad de scheppingsorde niet doorbreekt en dat het juist daarom zijn macht kan uitoefenen. In die machtsuitoefening gaat het om een religieuze dynamiek. Dat het kwaad een religieuze lading krijgt komt omdat de werkelijkheid nu eenmaal zo in elkaar zit. Als het geschapene wordt ontplooid, wordt er per definitie ook religieus richting gekozen. Structurele ontplooiďng en religieuze richtingbepaling gaan altijd hand in hand. In het geval van het kwaad vindt die richtingkeuze plaats onder de leiding van een verkeerd grondmotief.

Dooyeweerd noemt in de betreffende passage het thema van de vloek wel even, maar in het geheel krijgt dit toch geen accent. Dat God toornt, dat hij de schepping aan vruchteloosheid onderworpen laat zijn (Romeinen 8:20), dat de mens zijn brood in het zweet zijns aanzijns eet en dat de vrouw voortaan met moeite kinderen zal baren (Genesis 3:17vv) – dat zijn aspecten die nagenoeg buiten beeld blijven. Dooyeweerd lijkt in het voetspoor van Abraham Kuyper meer geneigd te benadrukken dat God in zijn genade de orde in het geschapene vast houdt (de leer van de algemene genade). Wat zo onvoldoende uit de verf komt, is dat de verstoring in het geschapene niet alleen een kwestie is van afgoderij, maar dat God in zijn toorn de mens aan zichzelf overgeeft en dat om die reden (‘om uwentwil’) de aarde is vervloekt, zoals blijkt uit ziekte en gebrek, uit moeite en neergang, moeheid en slijtage. Ik mis, kortom, een aansluiten bij de bijbelse woorden over de vloek die God over de aardbodem heeft uitgesproken.[10]

Ik zou de relatieve verwaarlozing van de verstoring van het geschapene (die overigens door denkers als Popma en Van der Hoeven wel wordt gecorrigeerd) vooral willen duiden als een gevolg van het laten prevaleren van het motief van de algemene genade boven dat van de vloek. God houdt in zijn goedheid vast aan de orde in het geschapene: dat is wat bij Dooyeweerd vooral uit de verf komt. Die conclusie is van belang omdat ze duidelijk maakt dat het cultuuroptimisme dat vaak aan Dooyeweerds structuur- en ontwikkelingstheorie wordt toegeschreven, vooral samenhangt met een bepaalde theologische doctrine (die van de algemene genade) en niet zozeer het gevolg is van een rooskleurige visie op het menselijk vermogen Gods wet te ontcijferen.

 

Versluiert het kwaad ons zicht op de scheppingsorde?

Daarmee zijn we terug bij de vraag uit het begin. Is de zonde (het kwaad) een beperking voor het filosofisch beroep op de schepping? Uit het voorgaande vloeien al twee antwoorden op deze vraag voort. Het antwoord luidt in beide gevallen bevestigend. Ja, de zonde beperkt ons zicht op Gods wet en daarmee op de orde die de wet tot uitdrukking brengt. Want (Dooyeweerd): onder leiding van een afvallig grondmotief richt de filosofische blik zich op een bepaald aspect van de werkelijkheid, of een bepaalde zaak, die vervolgens apart wordt gesteld en vergoddelijkt. Dat belemmert elke poging iets te begrijpen van de oorsprong en de samenhang der dingen.

En (Glas): inderdaad is het zo dat het kwaad het zicht op de orde van het geschapene beperkt. Dat is om twee redenen het geval: omdat de vloek van God leidt tot verstoring en ontsporing van het geschapene en wel zodanig dat dit moeite oplevert om iets te ontdekken van een achterliggende orde en zin. En vervolgens omdat de verstoring van het geschapene niet alleen de wereld om ons heen betreft, maar zich ook uitstrekt tot de mens. De zonde schaadt ook onze kenvermogens en verlangens. Er is een veelheid van ontsporingen in de wereld om ons heen. In zichzelf maken die ontsporingen nog niet duidelijk hoe God de wereld bedoeld heeft. Over dat laatste kunnen we alleen iets zeggen als we zijn gezegend met een door het geloof geschoolde intuďtie. Maar juist die geloofsintuďtie laat ons nogal eens in de steek, onderhevig als we zijn aan twijfel, kortzichtigheid en verlangens die ons het geheel uit het oog doen verliezen.

Tot slot. De kentheorie heeft hier behoefte aan goede antropologie. In de reformatorische wijsbegeerte is de zonde vooral gethematiseerd als een richtingkeuze van het hart (onder invloed van een afvallig grondmotief). Die gerichtheid van het hart hecht zich aan dingen in de wereld om ons heen, in plaats van dat ze de Schepper erkent. Natuurlijk is dit religieus richting kiezen de kern. Maar tussen het richting kiezen en het zich hechten aan de Schepper of aan iets in de omringende wereld zit zo nog een gat. Wat ontbreekt is een antropologie die iets zegt over hoe het richting kiezen tot stand komt; hoe centrale keuzes worden bemiddeld door de levensgeschiedenis; door stemmingen, emoties en verlangens; door persoonlijkheid, temperament en allerlei disposities. Het is ook nodig te erkennen dat het richting kiezen doorgaans met tal van ambivalenties is omgeven en vaak ook niet eenduidig plaats vindt. Er is voorts behoefte aan herwaardering van de religieuze ervaring, in al haar dimensies. Zoals er behoefte bestaat aan de erkenning dat het kwaad zich kan nestelen in gewoonten, in stemmingen, in angst, twijfel, zelfbevangenheid en narcisme.

Is de zonde een belemmering voor het (al dan niet filosofische) beroep op de scheppingsorde? Het antwoord op die vraag kan nu worden aangevuld, aansluitend bij het werk dat door de grondleggers van de reformatorische wijsbegeerte al is verzet. Het antwoord is opnieuw bevestigend en betreft nu niet alleen het kennen in engere zin. De zonde en Gods toorn daarover versluieren het verstand. Een mens heeft slechts beperkt inzicht en overzicht en wordt bovendien van het vele lezen en denken moe. Maar het inzicht in hoe de werkelijkheid bedoeld is kan ook versluierd raken door stemming, levensgeschiedenis en allerlei persoonlijkheidsfactoren. Die beďnvloeden op hun beurt het kennen. Mensen hebben door hun temperament en biografie hun preoccupaties en gevoeligheden. Die vertekenen niet alleen het zicht, maar kunnen ook afstompen en verdoven. Genoemde preoccupaties en gevoeligheden geven mede richting aan het religieuze verlangen. Een onderdrukkende atmosfeer in de kerk en/of het gezin van herkomst kunnen leiden tot verzet en behoefte aan een anti-autoritaire God en een overgevoeligheid voor alles wat naar structuur en ordening riekt, zelfs in het theoretisch bezig-zijn. De religieuze beleving kan in dat geval verbonden raken met een verlangen naar het grenzeloze en mateloze. Een onstabiel zelfgevoel daarentegen kan behoefte geven aan een zo risicoloos mogelijk leven, door overmatige ordening en perfectionisme. Dat perfectionisme kan een doel in zichzelf worden en aldus religieuze trekken krijgen. Er is hier een eindeloze variatie mogelijk.

In de verwerking van de erfenis van de grondleggers van de reformatorische wijsbegeerte is er dus behoefte aan een verbinding tussen twee thema’s: dat  van de macht van het kwaad en dat van de menselijke ontwikkeling, met name in de sfeer van de affectiviteit en persoonlijkheid. Juist in stemming, emotie en de wijze waarop de persoonlijkheid vorm krijgt, wordt duidelijk hoezeer het kwaad demonische trekken kan aannemen.[11]

 

Prof. dr. G. Glas (1954) is bijzonder hoogleraar reformatorische wijsbegeerte aan de Universiteit Leiden.

 



[1] D.H.Th. Vollenhoven, Het Calvinisme en de Reformatie van de wijsbegeerte. Amsterdam: H.J.Paris, 1933, p. 23.

[2] Ik gebruik de editie van 1967. D.H.Th. Vollenhoven, Isagoogč Philosophiae. Amsterdam: Filosofisch Instituut Vrije Universiteit, 1967, pp. 12-14.

[3] Wetszijde en subjectszijde zijn zijden van de kosmos. Deze manier van formuleren impliceert dat de wet niet meer boven de kosmos staat, als iets aparts, maar zich in de kosmos toont. Vgl. J. van der Hoeven, Wetten en feiten. De ‘wijsbegeerte der wetsidee’ temidden van hedendaagse bezinning op dit thema. In: P. Blokhuis (e.a.), Wetenschap, wijsheid, filosoferen. Assen: van Gorcum, 1981, pp. 99-122 (met name 110). Men kan ook zeggen dat het spreken over de wet als grens hier wordt geradicaliseerd: de grens sluit iedere poging tot wetspositivisme af (als zou de wet zelf een stand van zaken zijn waarover je in constaterende zin kunt spreken).

[4] H. Dooyeweerd, De Wijsbegeerte der Wetsidee, deel I. Amsterdam: H.J. Paris, 1935, p. 58.

[5] Ibid, p. 59.

[6] Roger Henderson stelt, na bestudering van Dooyeweerds vroege geschriften, dat Dooyeweerd wel enige aanleiding heeft gegeven tot het misverstand dat orde (natuurwet) en wet samenvallen. Zie R.D.Henderson, Illuminating Law. The construction of Herman Dooyeweered’s Philosophy 1918-1928. Academisch Proefschrift: Vrije Universiteit, 1994, p. 199. Hij stelt terecht dat het verschil tussen die twee vermoedelijk diffuus wordt omdat Dooyeweerd nadruk legt op hoe wet en orde beide zijn aangelegd op de mens (‘geconcentreerd zijn in het menselijk hart’) .

[7] H. Dooyeweerd, A New Critique of Theoretical Thought. Vol. II. Amsterdam: H.J. Paris, 1953-1958, p. 33.

[8] Dooyeweerd is van mening dat in het proces van ontsluiting ook de wetszijde zich ontwikkelt. Hij spreekt zelfs van een ‘subjectief moment aan de wetszijde’. Zo ver hoeft men niet te gaan om toch volop te honoreren, dat in de ontplooiďng van het geschapene ook echt iets zichtbaar wordt van hoe de werkelijkheid bedoeld is. Zie J.H. van der Hoeven, Wetten en feiten, p. 119.

[9] Zie A New Critique I, p. 63; A New Critique II, pp. 32-33.

[10] Vgl. G. Glas, Ziekte als lijden. Enige opmerkingen over schuld en schuldgevoel bij ziekte. Radix jrg. 11 (1985) pp. 3-13.

[11] Vgl. C. Goldberg, Speaking with the devil. A dialogue with evil. New York: Viking, 1976. S. Kierkegaard, The concept of anxiety. A simple psychologically orienting deliberation on the dogmatic issue of heriditary sin (Translation of Begrebet Angest. Ed. and transl. by R. Thomte in collabora­tion with A.B. Anderson). Princeton University Press: Princeton, New Jersey, 1844/1980; S. Kierkegaard, The Sickness unto Death. A Christian Psychological Exposition for Edification and Awakening (translated with an introduction and notes by A. Hannay [1989]). Penguin Books: London, 1849 (first edition).