Op zoek naar het verbindende.

 

Gerrit Glas

 

Samenvatting

Dit essay geeft enig commentaar bij de GWG-studiemiddag over het zgn. Jasperse debat. Ik ga voorbij aan de persoon van Jasperse en de wijze waarop hij aandacht heeft gevraagd voor zijn probleem. Ik ga in op een achterliggend thema, dat van de onverbondenheid als kenmerk van onze cultuur. Het is de onverbondenheid die Jasperse’s zieleroerselen uittillen boven die van een willekeurige pastor met identiteitsproblemen. De splijtende werking die er van deze onverbondenheid uitgaat, mag als een manifestatie van de macht van het kwaad gezien worden. De aard van die splijting wordt geïllustreerd aan de hand van wat er ter vergadering gebeurde. Aan het eind wordt een poging gedaan een houding te schetsen die ten aanzien van de onderhavige problematiek kan worden ingenomen.

 

Onverbondenheid

Desoriëntatie en gebrek aan veiligheid; dat waren de twee sleutelwoorden waar de middag aan opgehangen was. Aan de laatste term ga ik voorbij: veiligheid in de kerk is wel een belangrijk onderwerp, maar om te begrijpen wat er de 23e november gebeurde toch van secundair belang. Wel een kanttekening bij de term desoriëntatie: ik vind die niet het meest geschikt om het probleem van Jasperse mee aan te duiden. Wat Jasperse beschrijft is dat hij, zonder dat hij er vat op heeft, zich een buitenstaander is gaan voelen bij tal van interne discussies in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt. Daarnaast bekruipt hem een gevoel van irrelevantie en vervreemding bij de gebruikelijke vertolking van basale geloofswaarheden. Buitenstaander zijn, irrelevantie, en vervreemding – bij die beschrijving past een andere term beter, namelijk ‘onverbondenheid’. Onverbondenheid met de gemeenschap, onverbondenheid met de traditie en onverbondenheid met de basics van het christelijk geloof.

Het is het thema van de onverbondenheid dat de Jasperse discussie interessant maakt. Bij veel van wat Jasperse schrijft bekruipt mij de gedachte dat we dat toch allemaal tien jaar geleden al gehad hebben in de inmiddels tot op de draad versleten discussie over het postmodernisme, in het spreken over ‘De boodschap en de kloof’ en nog eerder over het synoderapport God met ons. Ook toen ging het al om fragmentatie, om het teloor gaan van ‘de’ grote verhalen en de scheiding tussen ervaring en dogma, ontmoeting en inhoud, subjectieve beleving en objectieve waarheid. Onverbondenheid, evenwel, is iets dat daar achter ligt. Met onverbondenheid bedoel ik het verlies van contact met wat uiteindelijk en ten diepste motiveert; met wat een mens het gevoel geeft dat hij leeft en dat z’n bestaan zin heeft. Die onverbondenheid is een gelaagd en complex fenomeen. Verbondenheid is niet alleen een gevoel, het heeft ook te maken met hechting en met het delen van fundamentele overtuigingen, ze drukt zich uit in de manier waarop we omgaan met onszelf en anderen. Voor een christen krijgt die verbondenheid een pregnante betekenis en fundering in de band met Jezus Christus. Verbondenheid maakt vitaal. Buiten Christus verdort het leven op den duur en wordt de wereld grijs.

 

Onverbondenheid als filosofisch thema

Het thema van de onverbondenheid is een existentiële vertaling van een problematiek die in de filosofie van de laatste vijftig jaar wel wordt aangeduid als ´dialectiek van de verlichting´. Kort gezegd komt het er op neer dat door de rede absoluut te maken er een proces van objectivering en instrumentalisering zonder weerga in gang werd gezet dat zich uiteindelijk tegen de menselijke vrijheid in de diepste zin van het woord keert. Dit proces van objectivering en instrumentalisering leidde niet alleen tot een onttovering van de wereld (deze werd een razend ingewikkeld mechaniek), maar ook tot een andere, abstracte opvatting van het zelf, van de mens. Het ik, of zelf, werd een abstracte actor, een neutrale en calculerende bestuurder met een slechts uiterlijke verbinding met de zaken die het leven de moeite waard maken. De filosoof Charles Taylor spreekt in dit verband van een ´punctual self´, een zelf zonder vlees en bloed, losgesneden van de verhalen en tradities waarin het is ingeweven. Het goede degradeert in deze rationalistische mensopvatting tot dat wat nuttig is. Kiezen is niet meer je geven aan een bepaalde zaak, maar een weloverdachte keuze afgaande op het profijt dat de verschillende opties opleveren. Ook bij filosofen als Alisdair MacIntyre en Paul Ricoeur treft men dergelijke analyses aan. De onverbondenheid waar genoemde filosofen op doelen betreft niet alleen de tussenmenselijke relaties, maar ook de verbondenheid met zichzelf en de betekenisvolle verhouding tot het goede. Deze onverbondenheid is maar geen modieus en vluchtig thema, maar de onvermijdelijke consequentie van het slagen van het Verlichtingsproject. De rede drijft een wig in de verhouding van de mens tot zichzelf. Deze wig snijdt diep. Een terugkeer naar een premodern werkelijkheidsbesef is niet zonder meer mogelijk. Anderzijds kan de postmoderne mens wel proberen geen last te hebben van zijn stuurloosheid en vervreemding. Maar dat lukt toch maar ten dele, getuige bijvoorbeeld de therapeutisering en medicalisering van de samenleving.

Toch benadrukken Taylor en anderen dat de situatie niet hopeloos is. Op de achtergrond van onze cultuur resoneren nog steeds de grote thema´s van weleer, ook de premoderne, en het is nog steeds mogelijk daar contact mee te krijgen. Weliswaar dreigt bij deze herbronning het gevaar van overmoed en zelfverzekerdheid. Er zullen altijd mensen zijn die de waarheid voor zichzelf claimen. Maar met een gezonde dosis bescheidenheid en terughoudendheid moet het mogelijk zijn de fouten van vroeger niet weer te maken.

Toch is het de vraag of deze analyse op den duur niet tekort schiet. Vanuit een christelijke optiek zou er een pleidooi in gelezen kunnen worden voor eerherstel van het beroep op de schepping(sorde). Maar de vraag is of dat voldoende is en of het scheppingsperspectief niet de aanvulling behoeft van een beschouwing over zonde en genade. Een proeve van een dergelijke beschouwing treft u aan in het vervolg.

 

Onverbondenheid en de macht van het kwaad

Onverbondenheid betekent niet alleen verlies van contact. Ze duidt niet alleen op het in het ongerede raken van de verbindingslijn. Dat is een te onschuldige beeldspraak. In het onverbonden-zijn van onze tijd manifesteert zich naar mijn indruk een macht met destructieve en splijtende trekken. We kunnen hier spreken van de macht van het kwaad. Dat is een forse stelling, realiseer ik me. Maar aan de andere kant toch ook weer niet zo vergezocht als men zelf de onmacht heeft ervaren en anderen van zich heeft zien wegdrijven, zonder in staat te zijn hen te bereiken.

Het kwaad parasiteert op de onverbondenheid en manifesteert zich als splijting. De term splijting duidt op de destructie van de natuurlijke samenhang der dingen, op het uiteendrijven van verschillende aspecten van een zaak tot het niet meer met elkaar te verzoenen polen in een tegenstelling zijn geworden. Dat kan op alle denkbare niveaus gebeuren: innerlijk, tussen mensen, in de samenleving, maar ook in het denken over hoe de wereld in elkaar zit. Denk bijvoorbeeld aan de juist genoemde polen van subjectieve beleving en objectieve inhoud. Als ik geen contact meer heb met wat mijn bestaan vitaal en spiritueel maakt, dan weet ik het allemaal nog wel, maar dan voel ik er niets meer bij. Dan raakt de geloofsbeleving los van de geloofsinhoud. In de manier waarop in onze tijd beleving en inhoud uit elkaar geduwd raken, bespeur ik een macht die het voorzien heeft op de samenhang van het geloof; en op de omgang met ons zelf, anderen en de wereld. Ik vind om deze reden dat soms wat te luchthartig wordt gedaan over de fragmentatie van het bestaan. Ook de ‘woestijnervaring’ kreeg tijdens de studiemiddag een eenzijdig positieve inkleuring.

 

Splijting

Het interessante van de GWG-bijeenkomst was dat deze een levendige illustratie bood van het fenomeen splijting. Er gebeurde namelijk iets paradoxaals. Terwijl drie van de vier forumleden (ds. de Jong bleef prikkelend dwars) stevig hun best deden om zich in te leven in de ervaring van Jasperse en mild waren in hun commentaar, kregen zij toch het verwijt dat er ‘weer’ niet werd geluisterd. Met name de vrijgemaakte forumleden staken hun hand ver uit in de richting van Jasperse. Desondanks kregen zij het zwaar voor de kiezen en nam de onrust achter in de zaal toe naarmate de vergadering vorderde. De evidente verschillen tussen de forumleden bleken voor de ontevredenen nauwelijks relevant. Het forum fungeerde ‘en bloc’ als een scherm waarop allerlei onlust werd geprojecteerd. Onbedoeld werd het forum voor dit deel van de zaal de zoveelste herenclub die ‘over iets’ praatte, objectiverend en dus er over heen; terwijl het ‘eigenlijke’ probleem, het onvermogen tot subjectief geloofservaren, niet werd gepeild. De splijting die de achtergrond vormt van de Jasperse-ervaring herhaalde zich dus.

Maar dat niet alleen, ze keerde ook om. De forumleden hadden stuk voor stuk het recht zich miskend te voelen. Hun empathie met Jasperse werd niet op waarde geschat. Onbedoeld werden ze toeschouwer van een groepsdynamiek in de zaal waar ze nauwelijks greep op hadden. Een soort omgekeerde Jasperse ervaring dus. Voor het ontevreden deel van de zaal bleef de uitgestoken hand een machteloos gebaar. Frustratie stapelde zich aldus op frustratie. Het kwam niet zover, maar voorstelbaar was een situatie waarin een deel van de aanwezigen de machteloosheid zou trachten te doorbreken door de zweep over de Jasperianen te leggen (Jasperse gedraagt zich onverantwoordelijk en slachtofferig), terwijl een ander deel daarin de zoveelste bevestiging zou zien van de intolerantie en het emotionele onbegrip dat vrijgemaakten nu eenmaal als handelsmerk lijken te hebben, en nog weer een ander deel dit alles sprakeloos en onmachtig zou gadeslaan.

Splijting is een psychologisch verdedigingsmechanisme. Splijting duidt op het kunstmatig uit elkaar houden van voorstellingen of gedachten met een sterke en tegengestelde emotionele lading. Splijting leidt onvermijdelijk tot loochening, d.w.z. tot ontkenning van een bepaald aspect van de innerlijke realiteit. Het misbruikte kind zegt dat het toch van de dader houdt. De woede en het verdriet worden geloochend en keren vervormd, bijvoorbeeld in geprojecteerde vorm, terug: niet ik ben boos op de ander, maar de ander is boos op mij; dat is terecht, want ik ben slecht. Betrokkene lijdt onder gebrek aan vertrouwen, achterdocht en is soms zelfs paranoïde.

Toch duidt de term splijting niet op een louter psychologisch fenomeen. Het gaat ook om een macht, om een dynamiek die degene die er het slachtoffer van is, machteloos maakt en uit het veld slaat. Die onmacht gaat zover en heeft soms zulke destructieve gevolgen dat we daarin de invloed van de geestelijke wereld mogen vermoeden. Het geestelijke en het psychologische zijn daarbij nauwelijks uit elkaar te halen. Het een versterkt het ander.

Met name in de psychoanalytische theorievorming is er voor deze andere dimensie van de splijting de laatste tijd toenemend belangstelling. Het kwaad bepaalt de analyticus immers bij de grenzen van het invoelbare en inzichtelijke. Vanouds heeft de psychoanalyse de psychologische condities onderzocht waaronder het kwaad zich verbreidt. Dat heeft ze met name gedaan door te wijzen op de betekenis van schaamte. De ervaren onmacht is krenkend; ze maakt onveilig; ze toont de betrokkene in zijn of haar zwakte. Deze voelt zich te kijk staan, vernederd en gekleineerd. Die vernedering kan op zijn beurt woede oproepen. Men spreekt in dit verband wel van de schaamte-woede cyclus. Genoemde woede kan op zijn beurt worden geprojecteerd: dan is het de ander die de opzet heeft mij klein te krijgen en te vernederen. De schaamte-woede cyclus ligt nog in het domein van het begrijpelijke, van dat wat door psychoanalytisch begrip kan worden geabsorbeerd. Maar er is – vermengd met deze dynamiek – ook een andere kant, een niet of hoogstens ten dele inzichtelijk te maken aspect van het kwaad. De psychoanalyse begint ook voor die kant de laatste tijd meer oog te krijgen. Men spreekt in dit verband wel van het radicale kwaad. Dan gaat het over pure slechtheid, over sadisme en pure gewetenloosheid. Deze kleine uitweiding bedoelt te illustreren dat de vermenging van het emotionele en het spirituele aspect van innerlijke conflicten en van gebroken verhoudingen momenteel ook vanuit psychoanalytische hoek wordt bestudeerd.

 

Uitweg uit de onmacht?

Waartoe deze analyse? Maakt die ook weer niet onmachtig? Het kwaad heeft in de kern iets onbegrijpelijks, iets ondoordringbaars en ook onzegbaars. De ontmaskering van het kwaad begint, al sinds het paradijs, met verwoording en gaat onvermijdelijk gepaard met schaamte, en dus ook met onmacht, woede en frustratie. Als het waar is dat de splijting die zich in de vergadering voltrok, het topje van de ijsberg is en onderdeel is van een veel breder proces waarin splijting parasiteert op onverbondenheid; en als het waar is dat die splijtende dynamiek trekken van het kwaad vertoont (hoe anders valt de geweldige onmacht te verklaren?), dan heeft het zin dat tegen elkaar te zeggen. Verwoording is een eerste stap op weg naar contactherstel. Niet om vervolgens met het vingertje te gaan wijzen. Het accent komt dan anders te liggen. Het gaat dan niet primair om het gelijk of ongelijk van de een of de ander, maar om de erkenning dat we – bij alle verschil van inzicht – in hetzelfde schuitje zitten; om de erkenning dat we als collectief onderhevig zijn aan dezelfde splijtende dynamiek. Verwoording wordt zo de opstap voor verootmoediging en gebed; en voor het zoeken naar zuiverheid.

Hoe daarna verder? Dat is natuurlijk niet in een program van actie vast te leggen. Actie ontaardt zo gauw in activisme en dan zijn wij het weer die het tij moeten keren. Juist omdat we hier ten diepste met een geestelijke macht te maken hebben, is er niet een simpele oplossing. Rationele analyse en cultivering van het gevoel schieten tekort, hoewel beide een rechtmatige plaats hebben. We staan tot onze nek in de ellende en één ding is zeker, die ellende lossen we zelf niet op. Het belangrijkste lijkt me dat we ons niet dusdanig laten imponeren door onze onmacht, dat we menen dat er geen kruid tegen gewassen is. Geloven heeft de grondtrek van het ‘nochtans’ en wordt gekenmerkt door het ‘en toch’ (ontleend aan C. Trimp). Dat betekent dat, ook al zien we er niks van, er toch een vervolg is; dat niets ons daarvan kan scheiden, behalve onze eigen ontkenning of weigering om te aanvaarden. Dat betekent onder meer dat we niet eerst iets hoeven te voelen en te ervaren om aan dit ‘en toch’ toe te komen. Er zit veel waars in een opmerking die C.S. Lewis ooit maakte, dat wie niets meer ervaart, moet beginnen de gebedshouding aan te nemen. Geloof vraagt om te beginnnen een zekere discipline. Dat wisten de woestijnvaders al, vertrouwd als ze waren met aanvechtingen, vertwijfeling en wilszwakte.

De erkenning van eigen ellende leidt tot sensitiviteit voor de ellende bij de ander. Er is wat betreft die sensitiviteit nog veel te verbeteren. Dat heeft alles te maken met een kerkelijke cultuur die is gericht op beheersing en structuur en die geneigd is rebellie weg te masseren of te organiseren. Gevoelens van onvrede, frustratie en rebellie horen thuis in een volwassen kerk. Wie ervaart de rebellie op een bepaalde manier niet in eigen leden? Dissidentie leidt vaak pas tot spirituele rampen als het contact wordt verbroken. Ik heb het hier niet over het zich rondwentelen in zelfbeklag, maar over het samen peilen van werkelijke geestelijke nood.

Juist in onze tijd lijkt me nog een andere term van belang: erkenning van diversiteit. Er is niet één oplossing. Wat bij de een werkt, hoeft niet zo te werken bij de ander. Er is korte termijn en lange termijn. Wat jong nodig heeft, hoeft niet op te gaan voor oud. Wat in de stad belangrijk is, geldt weer anders op het platteland. De evangelicale hang naar beleving raakt op een gegeven moment uitgewerkt. Dan ontstaat er opnieuw behoefte aan uitleg, verdieping en verfijning. Sommige evangelicale broeders en zusters kon men dit tien jaar geleden al horen zeggen.

Ik zou tenslotte – met ds. de Jong – ook willen pleiten voor een wat lakoniekere houding tegenover de machten die de kerken bedreigen. Genoemde predikant zei het al op de studiemiddag: christenen moeten er niet van op kijken als de kandelaar op een gegeven moment wordt weggenomen. Dat geldt niet alleen voor de kerken, maar voor onze samenleving als geheel. De secularisatie is in haar omvang en tempo een raadsel. We voelen ons vaak onmachtig, te beginnen in eigen huis. Toch geeft de Geest nog steeds kansen, misschien wel meer dan ooit.