College: geschiedenis
van de filosofie als achtergrond van het hedendaagse denken.
Tijd: 10 colleges van begin september tot half november 1999
Docent: H.G. Geertsema
Opbouw van de colleges:
Bij elk college worden er lijnen
doorgetrokken naar het postmoderne denken.
Tentamenliteratuur:
Verplicht voor iedereen:
Verder:
Voor niet-filosofiestudenten: uit een boek
over geschiedenis van de filosofie de gedeelten over de op college 2 t/m 10
besproken filosofen;
Voorbeelden:
Voor filosofiestudenten: enige in overleg vast te stellen ondersteunende
literatuur naar eigen keuze bij de gedeelten over Kant, Hegel en Marx;
eventueel oorspronkelijke teksten van deze denkers.
Tentamen:
Schriftelijk studieverslag waarin in eigen
woorden de hoofdlijnen van de stof (college en literatuur) worden weergegeven,
eventueel met eigen commentaar. In het studieverslag moet duidelijk zijn
aangegeven welke extra literatuur is bestudeerd en hoeveel pagina’s.
Aan de hand van dit verslag wordt
mondeling over de stof doorgesproken.
Aan het einde van de cursus worden er
afspraken gemaakt voor de tijd waarop het tentamen wordt afgenomen. In principe
vindt het tentamen plaats in de eerste 4 weken na afsluiting van de cursus.
I Term: postmodern
-
kunst/archtitectuur: spel met verbinding van verschillende
stijlen
-
filosofie: Lyotard, La condition postmoderne – rapport sur le
savoir (Het postmoderne weten)
1979
-
algemeen: typering van onze tijd: pluralisme van
levensovertuigingen, fragmentarisch levensgevoel, anti-rationalisme,
individualisme.
Hegel (1770-1831)
Tekst uit: Einleitung in de Geschichte der Philosophie
(nach den Vorlesungen 1823 – 1827/1828), S.87-88:
Die allgemeine Bildung der
Zeit hat es zum Grundsatz gemacht: Wahres sei nicht zu erkennen. Dieser
Grundsatz ist als ein groszes Zeichen der Zeit anzusehen. Deswegen geschieht es
auch in der Theologie, dasz man nicht mehr in der Lehre, in der Kirche, in der
Gemeinde das Wahre sucht und dasz nicht mehr ein Symbol, ein Glaubensbekenntnis
darin zur Grundlage gemacht wird, sondern dasz Jeder nach seiner eigenen
Überzeugung sich eine Lehre, eine Kirche, einen Glauben zurechtmacht, und dasz
andererseits die theologischen Wissenschaften nur geschichtlich getrieben
werden: man beschränkt sich darin auf historische Forschungen, als ob man in
ihnen nichts mehr zu tun habe, als die verschiedenen Meinungen kennenzulernen,
denn von der Wahrheit ist dort nicht die Rede; es sind nur subjektive
Betrachtungen. Auch die Fortbildung der christlichen Lehre wird nur als ein
Zusammenflusz von Meinungen angesehen, so dasz das wahre nicht das Ziel ist. –
Die Philosophie fordert allerdings die eigene Überzeugung als das Letzte,
absolut Wesentliche nach der Seite der Subjektivität; aber sie macht den
Unterschied, ob die Überzeugung auf nur subjektiven Gründen, auf Ahnungen,
Gefühlen, Anschauungen usf., überhaupt auf der Besonderheit des Subjekts
beruht, oder ob sie aus der Einsicht in der Natur der Sache, in den Begriff des
Gegenstandes hervorgeht. Die besondere
Überzeugung des Subjekts ist nur die Meinung.
Diesen Gegensatz zwischen
Meinung und Wahrheit, der sehr auffallend ist und in unserer Zeit sehr im Flor
ist und sehr prononziert wird, erblicken wir auch in der Geschichte der
Philosophie, z.B. schon in der sokratisch-platonischen Zeit, einer Zeit des
Verderbens des griechischen Lebens, in welcher bei Plato der Unterschied
zwischen ‘doxa’ und ‘epistèmè’ aufgeht. Es ist derselbe Gegensatz, den wir in
der Zeit des Undergangs des römischen, politischen Lebens unter Augustus und in
der Folge sehen, z.B. im Epikuräismus, als Gleichgültigkeit gegen die
Philosophie, wie denn Pilatus, als Christus sagte: “Ich bin gekommen in die
Welt, die Wahrheit zu verkünden”, antwortete: “Was ist Wahrheit!” Das ist
vornehm gesprochen und heiszt soviel als: die Wahrheit ist etwas Abgetanes, mit
dem wir fertig geworden, worüber wir schon hinaus sind; es lohnt sich nicht
mehr, die Wahrheit erkennen, über die Wahrheit sprechen zu wollen.
II
Drie lijnen in het postmoderne denken
A Anglo-Amerikaanse variant: wetenschapsfilosofie
Achtergrond:
-
neopositivistisch wetenschapsideaal: idee van methodisch
strikt bewezen wetenschappelijke kennis; kritiek op godsdienst en metafysica:
jaren ’30
-
Popper: falsificatie tegenover onmogelijk geachte
verificatie: vooral vanaf jaren ’50
-
Kuhn: geen rationeel-logische ontwikkeling van
wetenschappelijke kennis maar paradigmawisselingen met sprongkarakter: jaren
’60
-
Invloed van Wittgenstein: taalspelen.
Kern:
-
loslaten van het onhaalbaar gebleken Cartesiaanse ideaal
van methodisch afgeleide, mathematisch zekere kennis voor de empirische
wetenschappen.
Vormen:
-
Geldige kennisclaim op basis van praktische rationaliteit:
Putnam
-
sociaal constructivisme:
Latour
-
pragmatisme: Rorty
Evaluatie:
-
positief: erkenning van betrekkelijkheid van
wetenschappelijke kennis
-
negatief: tendens naar relativisme
Opmerking: deze vorm van denken is vaak verbonden met een of andere vorm van
naturalisme: heel de werkelijkheid is met natuurlijke middelen te begrijpen;
maar vergelijk Putnam
B Franse variant: sociaal-politieke filosofie
Achtergrond:
-
marxistische ideaal van rechtvaardige, klassenloze
samenleving tegenover schijnvrijheid en -gelijkheid van het kapitalisme
-
kritiek van Solzjenitsyn, Goelagarchipel: jaren ’60
Kern:
-
afwijzen van de idee van een ‘redelijke’ samenleving
(communistisch of kapitalistisch) vanwege het totalitaire karakter daarvan;
einde van de grote verhalen: Lyotard
-
kritiek op de rede zelf als totalitair
-
kritiek op het autonome redelijke subject (vergelijk de
aansluiting bij de denkers van de argwaan: Marx, Nietzsche, Freud)
-
nadruk op differentie tegenover eenheid: Derrida,
Irigaray.
-
NB. Later nieuwe aandacht voor transcendentie: Derrida,
Lyotard: niet positief kenbaar; absolute norm als negatief oordelend, niet als
richtlijn voor positief handelen
Evaluatie:
-
positief: kritiek op de maakbaarheid van de samenleving;
aandacht voor verscheidenheid
-
negatief: de weigering positief richting te wijzen voor de
ontwikkeling van de samenleving, omdat iedere positief geformuleerde norm
intrinsiek gewelddadig wordt geacht; problematisering van de mens als
verantwoordelijk subject.
C Het postmoderne levensgevoel
-
afbrokkeling van verbondenheid met tradities van
zinervaring en normativiteit
-
scepsis t.a.v. de zin van een redelijke verantwoording van
fundamentele overtuigingen of eigen handelen
-
scepsis t.a.v. grote idealen; argwaan tegenover de
maatschappelijke werkelijkheid en beleving daarvan als schijn vooral i.v.m.
media en politiek
-
grote kwetsbaarheid voor invloed van primaire en
emotionele prikkels vanwege het ontbreken van normatieve kaders en de behoefte
aan redelijke verantwoording
-
enerzijds cynisme en nihilisme, anderzijds vlucht in
activiteiten en vermaak
-
grote gevoeligheid voor en betrokkenheid bij
maatschappelijke misstanden.
III
Modern/Postmodern
A Kenmerken van de moderniteit:
-
streven naar systematische beheersing; idee van
maakbaarheid
-
ideaal van vrijheid en streven naar realisering daarvan:
democratie
-
breuk met traditie: nadruk op vrijheid tegenover elk
gezag; fundering van ethiek en recht in het kritische denken
-
metafysische wending: zelfverstaan van de mens vanuit
zichzelf en opvatting van de wereld als materiaal voor zelfverwerkelijking
tegenover zelfverstaan binnen zinvolle orde; vrijheid als uit-huis tegenover
thuis-zijn; zingeving tegenover zinverstaan; idee van een redelijke en daarom
universele godsdienst
B Dezelfde kenmerken in de postmoderniteit
-
argwaan tegenover technische beheersing en de idee van
maakbaarheid
-
argwaan tegenover ideologieën om vrijheid te realiseren
-
constatering van het failliet van een redelijk gefundeerde
ethiek; radicalisering van de breuk met de traditie: geen behoefte aan
redelijke verantwoording; autonomie van de behoeften
-
constatering van het failliet van de universele rede;
ieder zijn eigen overtuiging;
-
radicalisering van de ontworteling; metafysische angst;
vlucht in activiteiten en vermaak
IV Relativering
-
invloed van het postmoderne denken niet totaal: de
werkelijkheid is meer dan gevolg van denken; wel is er het probleem van de
diepere bronnen van waaruit mensen hun oriëntatie ontvangen
-
blijvende invloed van het moderne denken:
-
in de wetenschap en techniek: beheersing
-
in de politiek: idee van de liberale democratie (Fukuyama)
-
bestuur: organisatiedenken en bureaucratie
-
andere vormen van kritiek op de moderniteit: herwaardering
van traditie met waarheidsclaim: Gadamer, Taylor, MacIntyre
-
het blijvende perspectief van het bijbelse geloof: de
werkelijkheid in het teken van schepping en herschepping
I Achtergrond/ thema
Eindigheid en oriëntatie in de werkelijkheid:
II Biografisch
Tijd: ong. 500 v. C
Plaats: Elea,
Zuid Italië, Magna Graecia
Overlevering: wetgever
Bron: leerdicht (fragmenten); oude
filosofiegeschiedschrijving
III Denken
A Proloog
B Kern
C Betekenis
IV Doorwerking
A Filosofie
1. Elementen:
2 Postmoderne reactie
B Theologie
1 Elementen:
2 Daartegenover:
Athene;
vooraanstaande familie; teleurgesteld in politiek: terechtstelling van Socrates
(399), corruptie en machtsmisbruik bij oligarchie en democratie (manipulatie
van het volk); wending naar de filosofie (leerling van Socrates); politieke
experimenten op Sicilië.
Plato’s werken:
dialogen, met meestal Socrates als gespreksleider; enkele brieven.
Weg van het
concrete naar het algemene: begrip en definitie; van de verschijnselen naar de
idee; van de concrete kennis naar het theoretische schouwen. Vergelijk
Nietzsches typering van het christendom als ‘Platonisme voor het gewone volk’:
afwending van het aardse leven naar de hemel. Daartegenover de postmoderne
tendens: terug naar het concrete, naar het aardse, naar de verschijnselen in
hun complexiteit.
A Phaedrus:
B De Staat
C Symposium
"een
Schoonheid die eeuwig is, die niet ontstaat en vergaat, niet toeneemt en
afneemt, die niet betrekkelijk is – in het ene opzicht mooi en in het andere
lelijk -, die geen tijd kent en geen relatie … Men moet zich haar voorstellen
als op zichzelf, enkelvormig en eeuwig, en al het andere, alle mooie dingen,
als deelhebbend aan haar …"
"Meen je
dat het leven weinig waard wordt wanneer een mens in die richting kijkt en dat
beschouwt met het orgaan waarmee men het moet beschouwen, en daarmee samen is?
Komt het niet bij je op dat het hem daar en daar alleen, gegeven zal worden,
wanneer hij het Schone ziet met het orgaan waarmee het te zien is, voort te
brengen – geen schijnbeelden van deugd, maar ware deugd, omdat hij met
de Waarheid – met het ware Zijnde – in contact is? En wanneer hij dan ware
deugd heeft voortgebracht, dat hij dan door de Godheid geliefd wordt en, zo
ooit enig mens, onsterfelijk?"
A Relatie
tot Parmenides
B Kennis en werkelijkheid
C Antropologie
5 Doorwerking en reactie
Kennis en werkelijkheid vanuit Plato
Daartegenover vanuit postmoderne denken
6 Plato, het christendom en Nietzsche
1. Thema
De verhouding tussen theologie en
filosofie of tussen christelijk geloof en (theoretisch) denken: in hoever
bepaalt de verbinding van geloof/theologie met filosofie de opvatting van het
geloof zelf.
Wat betekent in dit verband de kritiek van
het postmoderne denken. Vgl. de verbinding van het denken van het zijn bij
Parmenides met het denken over God in de christelijke theologie; de plaats van
het algemene en de idee van het Goede bij Plato en de invloed van het
neoplatonisme (Augustinus).
2. Aristoteles (384-322)