College: geschiedenis van de filosofie als achtergrond van het hedendaagse denken.


Tijd: 10 colleges van begin september tot half november 1999

Docent: H.G. Geertsema


Opbouw van de colleges:

  1. Inleiding: schets van het postmoderne denken
  2. Parmenides
  3. Plato
  4. Aristotels
  5. Thomas
  6. Descartes
  7. Verlichting
  8. Kant
  9. Hegel
  10. Marx

Bij elk college worden er lijnen doorgetrokken naar het postmoderne denken.


Tentamenliteratuur:

Verplicht voor iedereen:

  1. selectie van artikelen over postmoderne denkers (bij docent verkrijgbaar)
  2. selectie uit H.G. Geertsema, Van boven naar voren (bij docent verkrijgbaar): pp 7-40, 112-164, 202-291

Verder:

Voor niet-filosofiestudenten: uit een boek over geschiedenis van de filosofie de gedeelten over de op college 2 t/m 10 besproken filosofen;

Voorbeelden:


Voor filosofiestudenten: enige in overleg vast te stellen ondersteunende literatuur naar eigen keuze bij de gedeelten over Kant, Hegel en Marx; eventueel oorspronkelijke teksten van deze denkers.


Tentamen:

Schriftelijk studieverslag waarin in eigen woorden de hoofdlijnen van de stof (college en literatuur) worden weergegeven, eventueel met eigen commentaar. In het studieverslag moet duidelijk zijn aangegeven welke extra literatuur is bestudeerd en hoeveel pagina’s.

Aan de hand van dit verslag wordt mondeling over de stof doorgesproken.

Aan het einde van de cursus worden er afspraken gemaakt voor de tijd waarop het tentamen wordt afgenomen. In principe vindt het tentamen plaats in de eerste 4 weken na afsluiting van de cursus.

1.    College Geschiedenis van de filosofie 1: postmodern denken


I Term: postmodern

-         kunst/archtitectuur: spel met verbinding van verschillende stijlen

-         filosofie: Lyotard, La condition postmoderne – rapport sur le savoir (Het postmoderne weten) 1979

-         algemeen: typering van onze tijd: pluralisme van levensovertuigingen, fragmentarisch levensgevoel, anti-rationalisme, individualisme.


Hegel (1770-1831)

 

Tekst uit: Einleitung in de Geschichte der Philosophie (nach den Vorlesungen 1823 – 1827/1828), S.87-88:

Die allgemeine Bildung der Zeit hat es zum Grundsatz gemacht: Wahres sei nicht zu erkennen. Dieser Grundsatz ist als ein groszes Zeichen der Zeit anzusehen. Deswegen geschieht es auch in der Theologie, dasz man nicht mehr in der Lehre, in der Kirche, in der Gemeinde das Wahre sucht und dasz nicht mehr ein Symbol, ein Glaubensbekenntnis darin zur Grundlage gemacht wird, sondern dasz Jeder nach seiner eigenen Überzeugung sich eine Lehre, eine Kirche, einen Glauben zurechtmacht, und dasz andererseits die theologischen Wissenschaften nur geschichtlich getrieben werden: man beschränkt sich darin auf historische Forschungen, als ob man in ihnen nichts mehr zu tun habe, als die verschiedenen Meinungen kennenzulernen, denn von der Wahrheit ist dort nicht die Rede; es sind nur subjektive Betrachtungen. Auch die Fortbildung der christlichen Lehre wird nur als ein Zusammenflusz von Meinungen angesehen, so dasz das wahre nicht das Ziel ist. – Die Philosophie fordert allerdings die eigene Überzeugung als das Letzte, absolut Wesentliche nach der Seite der Subjektivität; aber sie macht den Unterschied, ob die Überzeugung auf nur subjektiven Gründen, auf Ahnungen, Gefühlen, Anschauungen usf., überhaupt auf der Besonderheit des Subjekts beruht, oder ob sie aus der Einsicht in der Natur der Sache, in den Begriff des Gegenstandes hervorgeht. Die besondere Überzeugung des Subjekts ist nur die Meinung.

Diesen Gegensatz zwischen Meinung und Wahrheit, der sehr auffallend ist und in unserer Zeit sehr im Flor ist und sehr prononziert wird, erblicken wir auch in der Geschichte der Philosophie, z.B. schon in der sokratisch-platonischen Zeit, einer Zeit des Verderbens des griechischen Lebens, in welcher bei Plato der Unterschied zwischen ‘doxa’ und ‘epistèmè’ aufgeht. Es ist derselbe Gegensatz, den wir in der Zeit des Undergangs des römischen, politischen Lebens unter Augustus und in der Folge sehen, z.B. im Epikuräismus, als Gleichgültigkeit gegen die Philosophie, wie denn Pilatus, als Christus sagte: “Ich bin gekommen in die Welt, die Wahrheit zu verkünden”, antwortete: “Was ist Wahrheit!” Das ist vornehm gesprochen und heiszt soviel als: die Wahrheit ist etwas Abgetanes, mit dem wir fertig geworden, worüber wir schon hinaus sind; es lohnt sich nicht mehr, die Wahrheit erkennen, über die Wahrheit sprechen zu wollen.


II  Drie lijnen in het postmoderne denken


A Anglo-Amerikaanse variant: wetenschapsfilosofie


Achtergrond:

-         neopositivistisch wetenschapsideaal: idee van methodisch strikt bewezen wetenschappelijke kennis; kritiek op godsdienst en metafysica: jaren ’30

-         Popper: falsificatie tegenover onmogelijk geachte verificatie: vooral vanaf jaren ’50

-         Kuhn: geen rationeel-logische ontwikkeling van wetenschappelijke kennis maar paradigmawisselingen met sprongkarakter: jaren ’60

-         Invloed van Wittgenstein: taalspelen.


Kern:

-         loslaten van het onhaalbaar gebleken Cartesiaanse ideaal van methodisch afgeleide, mathematisch zekere kennis voor de empirische wetenschappen.


Vormen:

-         Geldige kennisclaim op basis van praktische rationaliteit: Putnam

-         sociaal constructivisme: Latour

-         pragmatisme: Rorty


Evaluatie:

-         positief: erkenning van betrekkelijkheid van wetenschappelijke kennis

-         negatief: tendens naar relativisme


Opmerking: deze vorm van denken is vaak verbonden met een of andere vorm van naturalisme: heel de werkelijkheid is met natuurlijke middelen te begrijpen; maar vergelijk Putnam


B Franse variant: sociaal-politieke filosofie


Achtergrond:

-         marxistische ideaal van rechtvaardige, klassenloze samenleving tegenover schijnvrijheid en -gelijkheid van het kapitalisme

-         kritiek van Solzjenitsyn, Goelagarchipel: jaren ’60


Kern:

-         afwijzen van de idee van een ‘redelijke’ samenleving (communistisch of kapitalistisch) vanwege het totalitaire karakter daarvan; einde van de grote verhalen: Lyotard

-         kritiek op de rede zelf als totalitair

-         kritiek op het autonome redelijke subject (vergelijk de aansluiting bij de denkers van de argwaan: Marx, Nietzsche, Freud)

-         nadruk op differentie tegenover eenheid: Derrida, Irigaray.

-         NB. Later nieuwe aandacht voor transcendentie: Derrida, Lyotard: niet positief kenbaar; absolute norm als negatief oordelend, niet als richtlijn voor positief handelen

 

Evaluatie:

-         positief: kritiek op de maakbaarheid van de samenleving; aandacht voor verscheidenheid

-         negatief: de weigering positief richting te wijzen voor de ontwikkeling van de samenleving, omdat iedere positief geformuleerde norm intrinsiek gewelddadig wordt geacht; problematisering van de mens als verantwoordelijk subject.


C Het postmoderne levensgevoel

-         afbrokkeling van verbondenheid met tradities van zinervaring en normativiteit

-         scepsis t.a.v. de zin van een redelijke verantwoording van fundamentele overtuigingen of eigen handelen

-         scepsis t.a.v. grote idealen; argwaan tegenover de maatschappelijke werkelijkheid en beleving daarvan als schijn vooral i.v.m. media en politiek

-         grote kwetsbaarheid voor invloed van primaire en emotionele prikkels vanwege het ontbreken van normatieve kaders en de behoefte aan redelijke verantwoording

-         enerzijds cynisme en nihilisme, anderzijds vlucht in activiteiten en vermaak

-         grote gevoeligheid voor en betrokkenheid bij maatschappelijke misstanden.

III Modern/Postmodern

A Kenmerken van de moderniteit:

-         streven naar systematische beheersing; idee van maakbaarheid

-         ideaal van vrijheid en streven naar realisering daarvan: democratie

-         breuk met traditie: nadruk op vrijheid tegenover elk gezag; fundering van ethiek en recht in het kritische denken

-         metafysische wending: zelfverstaan van de mens vanuit zichzelf en opvatting van de wereld als materiaal voor zelfverwerkelijking tegenover zelfverstaan binnen zinvolle orde; vrijheid als uit-huis tegenover thuis-zijn; zingeving tegenover zinverstaan; idee van een redelijke en daarom universele godsdienst


B Dezelfde kenmerken in de postmoderniteit

 

-         argwaan tegenover technische beheersing en de idee van maakbaarheid

-         argwaan tegenover ideologieën om vrijheid te realiseren

-         constatering van het failliet van een redelijk gefundeerde ethiek; radicalisering van de breuk met de traditie: geen behoefte aan redelijke verantwoording; autonomie van de behoeften

-         constatering van het failliet van de universele rede; ieder zijn eigen overtuiging;

-         radicalisering van de ontworteling; metafysische angst; vlucht in activiteiten en vermaak


IV Relativering

-         invloed van het postmoderne denken niet totaal: de werkelijkheid is meer dan gevolg van denken; wel is er het probleem van de diepere bronnen van waaruit mensen hun oriëntatie ontvangen

-         blijvende invloed van het moderne denken:

-         in de wetenschap en techniek: beheersing

-         in de politiek: idee van de liberale democratie (Fukuyama)

-         bestuur: organisatiedenken en bureaucratie

-         andere vormen van kritiek op de moderniteit: herwaardering van traditie met waarheidsclaim: Gadamer, Taylor, MacIntyre

-         het blijvende perspectief van het bijbelse geloof: de werkelijkheid in het teken van schepping en herschepping

 

2.    College Geschiedenis van de filosofie (2): Parmenides


I Achtergrond/ thema


Eindigheid en oriëntatie in de werkelijkheid:


II Biografisch


Tijd:                 ong. 500 v. C

Plaats:                      Elea, Zuid Italië, Magna Graecia

Overlevering:             wetgever

Bron:       leerdicht (fragmenten); oude filosofiegeschiedschrijving


III Denken


A Proloog


B Kern


C Betekenis


IV Doorwerking


A Filosofie

1. Elementen:


2 Postmoderne reactie


B Theologie

1 Elementen:


2 Daartegenover:

 

3.    Geschiedenis van de filosofie (3): Plato (427-347)

  1. Biografisch

Athene; vooraanstaande familie; teleurgesteld in politiek: terechtstelling van Socrates (399), corruptie en machtsmisbruik bij oligarchie en democratie (manipulatie van het volk); wending naar de filosofie (leerling van Socrates); politieke experimenten op Sicilië.

Plato’s werken: dialogen, met meestal Socrates als gespreksleider; enkele brieven.

 

  1. Algemene typering

Weg van het concrete naar het algemene: begrip en definitie; van de verschijnselen naar de idee; van de concrete kennis naar het theoretische schouwen. Vergelijk Nietzsches typering van het christendom als ‘Platonisme voor het gewone volk’: afwending van het aardse leven naar de hemel. Daartegenover de postmoderne tendens: terug naar het concrete, naar het aardse, naar de verschijnselen in hun complexiteit.

 

  1. 3 Voorbeelden

A Phaedrus:


B De Staat


C Symposium

"een Schoonheid die eeuwig is, die niet ontstaat en vergaat, niet toeneemt en afneemt, die niet betrekkelijk is – in het ene opzicht mooi en in het andere lelijk -, die geen tijd kent en geen relatie … Men moet zich haar voorstellen als op zichzelf, enkelvormig en eeuwig, en al het andere, alle mooie dingen, als deelhebbend aan haar …"

"Meen je dat het leven weinig waard wordt wanneer een mens in die richting kijkt en dat beschouwt met het orgaan waarmee men het moet beschouwen, en daarmee samen is? Komt het niet bij je op dat het hem daar en daar alleen, gegeven zal worden, wanneer hij het Schone ziet met het orgaan waarmee het te zien is, voort te brengen – geen schijnbeelden van deugd, maar ware deugd, omdat hij met de Waarheid – met het ware Zijnde – in contact is? En wanneer hij dan ware deugd heeft voortgebracht, dat hij dan door de Godheid geliefd wordt en, zo ooit enig mens, onsterfelijk?"

 

  1. Samenvatting in enkele punten

A Relatie tot Parmenides


B Kennis en werkelijkheid


C Antropologie


5 Doorwerking en reactie

Kennis en werkelijkheid vanuit Plato


Daartegenover vanuit postmoderne denken


6 Plato, het christendom en Nietzsche

 

4.    Geschiedenis van de filosofie (4): Aristoteles en Thomas


1. Thema

De verhouding tussen theologie en filosofie of tussen christelijk geloof en (theoretisch) denken: in hoever bepaalt de verbinding van geloof/theologie met filosofie de opvatting van het geloof zelf.

Wat betekent in dit verband de kritiek van het postmoderne denken. Vgl. de verbinding van het denken van het zijn bij Parmenides met het denken over God in de christelijke theologie; de plaats van het algemene en de idee van het Goede bij Plato en de invloed van het neoplatonisme (Augustinus).


2. Aristoteles (384-322)