Dit zijn de sheets die door prof. dr. H. G. Geertsema zijn gebruikt in zijn colleges 'Inleiding Reformatorische wijsbegeerte' in Groningen en Utrecht.

(1): INLEIDING


Doel van het college


Opzet


I Samenvatting gangbare wijsgerige benadering (vergelijk college ’geschiedenis van de filosofie’):


A Griekse en moderne filosofie


B Moderne filosofie


C Aanduiding eigene van ref. wijsbegeerte:

  • A. Plaats van de rationaliteit:
  • B. Plaats van het subject:


  • II Historische schets van de reformatorische wijsbegeerte


    Namen:

    Vgl. H. Dooyeweerd, De Wijsbegeerte der Wetsidee, 3 delen. 1935-1936

    Vgl. D.H.Th. Vollenhoven, Het Calvinisme en de reformatie van de wijsbegeerte, 1933

    Ook: Vereniging voor Calvinistische wijsbegeerte, opgericht 1935

    Vgl: reformatie van de wijsbegeerte

    Nu: Vereniging voor Reformatorische Wijsbegeerte


    Beeld en werkelijkheid:

    A Beeld:


    B Werkelijkheid


    III De postmoderne uitdaging



    INLEIDING REFORMATORISCHE WIJSBEGEERTE (2): THEORIE VAN DE ASPECTEN (1)


    Vooraf



    Opsomming van aspecten met zinkern:

    1. Aritmetisch discrete hoeveelheid
    2. Ruimtelijk continue uitgebreidheid
    3. Kinematisch beweging
    4. Fysisch energetische wijze van werking
    5. Biotisch leven
    6. Sensitief/psychisch waarneming en gevoel
    7. Logisch analytische onderscheiding
    8. Historisch vrije vormingsmacht
    9. Linguïstisch symbolische betekening
    10. Sociaal omgang
    11. Economisch spaarzaam beheer
    12. Esthetisch harmonie
    13. Juridisch vergelding
    14. Ethisch liefde
    15. Pistisch geloof/zekerheid



    Opmerkingen:

  • Voorlopigheid wat betreft:
  • Sensitief/psychisch als twee aspecten: perceptief en sensitief (Ouweneel)

    Tijd als eerste aspect (Dengerink)

    Esthetisch: ‘allusivity’ (Seerveld)

    Economisch: rentmeesterschap (Goudzwaard)

  • B. Historische achtergrond
  • C. Criteria:
  • Eerste typering: universele relaties van samenhang

  • A. Namen:
  • B. Universele samenhang:
  • C. Filosofische betekenis:
  • Cartesiaanse subject-object schema:

    Dooyeweerd:

    Opm. De Cartesiaanse subject-objectrelatie komt bij Dooyeweerd terug als kenmerk van het wetenschappelijk kennen. Deze blijft echter afhankelijk van de voorwetenschappelijke ervaring



    Tweede typering: kwalitatieve verscheidenheid in samenhang

  • A. Verscheidenheid
  • B. Samenhang
  • C. Filosofische betekenis:
  • Daartegenover: niet alleen de bouwstenen van belang, vooral de fundamentele eigenschappen en wetten van een bepaald gebied.

    Daartegenover: meer genuanceerde primaire verscheidenheid: onderscheid binnen het ‘fysische’ tussen aritmetische, ruimtelijke, kinematische, fysische en biotische; onderscheid binnen het ‘mentale’ tussen sensitieve, logische, historische, taal, recht enz.



    Enkele problemen




    INLEIDING REFORMATORISCHE WIJSBEGEERTE (3): THEORIE VAN DE ASPECTEN (2)


    Tweede typering: kwalitatieve verscheidenheid in samenhang


    Fundamentele verscheidenheid:

    1. Aritmetisch discrete hoeveelheid

    1. Ruimtelijk continue uitgebreidheid
    2. Kinematisch beweging
    3. Fysisch energetische wijze van werking
    4. Biotisch leven
    5. Sensitief/psychisch waarneming en gevoel
    6. Logisch analytische onderscheiding
    7. Historisch vrije vormingsmacht
    8. Linguïstisch symbolische betekening
    9. Sociaal omgang
    10. Economisch spaarzaam beheer
    11. Esthetisch harmonie
    12. Juridisch vergelding
    13. Ethisch liefde
    14. Pistisch geloof/zekerheid

    Vraag: welke verscheidenheid heeft grotere intuïtieve aannemelijkheid: de ‘moderne’ of die van de reformatorische wijsbegeerte?


    Aard van de verscheidenheid

    Samenhang in verscheidenheid:

    Filosofische betekenis:

    Daartegenover: niet alleen de bouwstenen van belang, vooral de fundamentele eigenschappen en wetten van een bepaald gebied.

    Daartegenover: meer genuanceerde primaire verscheidenheid: onderscheid binnen het ‘fysische’ tussen aritmetische, ruimtelijke, kinematische, fysische en biotische; onderscheid binnen het ‘mentale’ tussen sensitieve, logische, historische, taal, recht enz.



    Taal als illustratie



    Enkele problemen



    INLEIDING REFORMATORISCHE WIJSBEGEERTE (4): THEORIE VAN DE ENTITEITEN


    Kernvraag:



    Theorie van de entiteiten: eerste aanloop: entitaire structuren


    Opmerkingen:

    1. zowel subject- als objectfunctie kan het kwalificerende aspect zijn: boom: biotische; dier: psychisch-sensitieve; schilderij: esthetische; computer: logische vgl. echter andere functie van een computerprogramma (anderen: technisch = formatief, of taal).
    2. Naast de kwalificerende functie noemt Dooyeweerd ook de funderende i.v.m. bijvoorbeeld artefacten als schilderij en computer (historisch-formatieve) en samenlevingsverbanden (gezin: funderend: biotische; kwalificerend: ethische).
    3. Indeling in rijken of radicaaltypen met modale kwalificatie: anorganische, planten, dieren, (mensen) en subrijken van menselijke artefacten en samenlevingsverbanden (resp. tafels etc als sociaal, kunst als esthetisch; economische, politieke = juridisch gekwalificeerde, religieuze verbanden).
    4. Onderverdeling in stamtypen (met intern verschillend structuurtype vgl. vogel, zoogdier, vis, insect) en variabiliteittypen (met extern bepaalde verscheidenheid, vgl. bronzen, houten of gipsen beeld tegenover beelden, schilderijen of romans).
    5. Deel-geheel verhouding: armen en botten hebben geen eigen interne structuurbepaaldheid; zij vormen delen van het lichaam als geheel en ontlenen hun structurele bepaaldheid aan dat geheel.



    Theorie van de entiteiten: tweede aanloop: enkaptische vervlechtingen



    Betekenis i.v.m. beginvraag:


    Opmerkingen:



    INLEIDING REFORMATORISCHE WIJSBEGEERTE (5): DE WET



    Zie eerdere colleges:

    • Aspecten als wetkringen: modale wetten met universeel karakter en onderling onherleidbaar
    • Entitaire structuren: typische wetten van groepen van verschijnselen, eveneens onderling onherleidbaar


    Kern:

    Wat is de aard van de orde die we in de werkelijkheid aantreffen?


    Opzet:

    • Inleiding in het thema
    • Elementen uit de geschiedenis van de filosofie
    • Opvatting van de reformatorische wijsbegeerte
    • Problemen daarbij


    Inleiding in het thema

    • Waarom valt een blad?
    • Wet van de zwaartekracht
    • Orde van leven en dood; functie van zonlicht i.v.m. bladgroen
    • NB betekenis van gezichtspunt van onderzoek
    • Wat is de aard van deze ordelijkheid:
    • Door ons waargenomen regelmaat?
    • Orde die bestaan van levende natuur mogelijk maakt?
    • Herleidbaarheid van orde vanuit verschillende gezichtspunten?
    • Waarom veroordeelt een rechter iemand van wie bewezen is dat hij iemand anders met gif om het leven heeft gebracht?
    • Werking van de giftige stof: fysisch-biotisch
    • Wet die aantasten van het leven strafbaar stelt
    • Wat is de aard van deze ordelijkheid:
    • Gelijkheid wat betreft aard van ordelijkheid van fysische en juridische?
    • Verschil tussen fysische als geconstateerd (en constitutief) en juridische als ingesteld?
    • Verschil tussen fysische als geconstateerd (en constitutief) en juridische als geconstateerd (constitutief: [ervaring van] recht en onrecht als zodanig) en nader vorm gegeven?
    • Waarom vinden we een schilderij mooi of niet mooi, respectievelijk een goed of een slecht schilderij?
    • Objectieve of subjectieve criteria?
    • Zijn er criteria die het schilderij tot schilderij (esthetisch gekwalificeerd) maken?
    • Indien ja, zijn deze in alle culturen gelijk?



    Geschiedenis van de filosofie

    • Griekse filosofie (vgl. Hist. Wörterbuch der Phil. s.v. Gesetz):
    • ‘wet’ (= nomos) oorspronkelijk verbonden met levensorde in de polis (politiek, religieus, zede)
    • onderscheid tussen ‘natuur’(= phusis: gegeven orde) en ‘wet’ (= nomos: door mensen ingesteld en wezenlijk toevallig)
    • ‘wet’ als voor de mens nodig in onderscheid van de goden die geen wet nodig hebben vanwege hun volmaakte verstand/intellect/inzicht; zoeken naar inzicht in het grondprincipe van de wet (orde in de samenleving) (Plato: ideeënleer voor heel de werkelijkheid; Aristoteles: leer van de essenties)
    • Christelijke denken (vgl. C. Kaiser, Creation & the history of science)
    • Fundamentele orde (wetmatigheid) in de werkelijkheid als geheel: de ene logos (vgl. Heraclitus)
    • Deze orde gaat terug op de wil en wijsheid van God (vgl. Mesopotamië)
    • Het menselijk verstand kan deze orde tot op zekere hoogte kennen omdat het beeld of reflectie is van deze orde (logos) (wel comprehensibility, geen exhaustibility).
    • Gebruik van beeld van mechanisme voor de werkelijkheid i.v.m. begrijpelijkheid en relatieve zelfstandigheid
    • Wetenschap en techniek in dienst van genezing en herstel in door zonde en gevolgen daarvan aangetaste wereld
    • Vgl. Basileus van Caesarea (4e eeuw):
    • Gebruik van idee van de 4 elementen uit Griekse denken (Aristoteles e.a.)
    • Het gedrag van de elementen moet worden verstaan in termen van door God gegeven wetten, niet in termen van essenties als bij Aristoteles
    • Hemelse lichamen zijn even vergankelijk als aardse en zijn onderworpen aan dezelfde natuurwetten tegenover idee van bezielde hemellichamen
    • De natuur, wanneer eenmaal geschapen en in beweging gezet, ontwikkelt zich zonder onderbreking en verlies van energie: relatieve autonomie van de natuur
    • Moderne tijd:
    • Scheiding tussen de rationele (natuurwetenschap) en de politieke wet (afkomstig van wetgeving gebaseerd op de wil van de soeverein: vorst of volk/individu)
    • Wet in de natuur als relationele samenhang waardoor het menselijk verstand de objecten van de natuur in een mathematisch-fysisch te begrijpen betrekking brengt: wet als door subject tot stand gebrachte verbinding ® probleem van aard en geldigheid ervan: alleen subjectief of ook reëel.
    • Descartes: natuurwet gaat terug op de wil van God
    • Later: natuurwet (vgl. natuurrecht) als autonoom (‘etsi deus non daretur’)
    • Wet als in de werkelijkheid gegeven en in het menselijk denken gereproduceerd (Hegel, Marx)



    Reformatorische wijsbegeerte

    • Term ‘wetsidee’ bij Dooyeweerd:
    • Aanvankelijk:
    • Oorsprong van de wet: God als Schepper
    • Eenheid en verscheidenheid van wetten: soevereiniteit in eigen kring: maatschappelijk (Kuyper), kosmologie of ontologie (Dooyeweerd en Vollenhoven)
    • Later:
    • Oorsprong: God
    • Eenheid: liefdegebod betrokken op mens in centrale eenheid (hart); vgl.Christus als worteleenheid van de kosmos
    • Verscheidenheid en samenhang: idee van de wetkringen en modale aspecten
    • Wet als grens voor het geschapene:
    • Al het geschapene onder de wet: ‘subject’
    • God stelt de wet (¹ God is willekeurig; vgl. Calvijn: deus legibus solutus sed non exlex ); vgl. relatie tussen de wet van God en zijn ‘natuur’. Discussie tussen (extreem) nominalisme –voluntarisme en realisme- essentialisme
    • Menselijke kennis kan de grenzen van de wet niet overschrijden (¹ geen kennis van God mogelijk; wel: geen theoretische kennis van God mogelijk op grond van begrippen en logische conclusies en algemene wetmatigheden)
    • Wet als het geschapene mogelijk makend:
    • Dooyeweerd: wet als a priori
    • Van Riessen: wet als bevel tot bestaan. NB. Betreft oorsprong van de wet en inhoud
    • Onderscheid:
    • Modale wetten:
    • Natuurwetten: constitutief
      • Normatieve wetten: constitutief en normatief (mogelijkheid van overtreding; vgl. thora: Weisung: aanwijzingen voor het leven), positivering; mogelijkheid van verkeerde positivering.
    • Typische wetten: entitaire structuren: constitutief; ook hier onderscheid tussen structuren in de natuur en in de cultuur. In beide gevallen ontwikkeling mogelijk. Onderscheid wat betreft de cultuur: artefacten en samenlevingsverbanden (stoel of computer: vormgeving aan natuurlijk gegevene; gezin of sportvereniging: vormgeving aan relaties tussen mensen)
    • Onderscheid:
    • Autonomie als zelfwetgeving en als niet vreemd aan de eigen natuur
    • Heteronomie als oorsprong hebbend buiten het eigen bestaan en als vreemd aan het eigen bestaan.



    Problemen

    • Zijn alle wetkringen principieel vergelijkbaar?
    • Zijn er specifieke wetten voor de biologie vergelijkbaar met die van de fysica?
    • HsWb (s.v. Gesetzlichkeit, biologische) ‘Es gibt zytologische, anatomische, physiologische, genetische, ontogenetische, phylogenetische, ökologische, und biogeografische Gesetze, d.h. Gesetze die teils die interne Strukturentwicklung und internen Abläufe, teils die Beziehungen zur Umwelt betreffen.’ Daarbij wordt wel opgemerkt dat er vaak van uitzonderingen moet worden gesproken, omdat de structuren waarom het gaat zeer complex zijn resp. met open systemen moeten worden vergeleken. De vraag is echter: hoe absoluut gelden de wetten van de fysica? (zie onder)
    • Van belang in dit verband: onderscheid tussen modale en typische wetten
    • Wordt het onderscheid tussen natuurwetten en normatieve wetten en de verscheidenheid binnen de normatieve aspecten voldoende verantwoord?
    • Van belang:
      • het constitutieve (vgl. kwalitatieve) en normatieve
      • de positivering en historische vormgeving
      • de toenemende complexiteit vanwege de vooronderstelde eerdere aspecten en de daarbij behorende wetten.
      • Onderscheid tussen modale en typische wetten
    • De verhouding tussen wetenschap en wet:
    • Van Riessen:
    • wetenschap als talige duiding van de wet
    • wetenschap als universeel, modaal abstract tegenover de werkelijkheid als concreet, uniek
    • Hoe zit het dan met de concrete eenheid van de werkelijkheid in haar bepaaldheid door de wet?
    • Dooyeweerd:
    • Enerzijds achtergrond in (neo-)Calvinisme: idee van door God gegeven orde en daarin gegeven verscheidenheid als werkelijkheid mogelijk makend; structuren daarvan worden in filosifie en wetenschap onderzocht
    • Anderzijds: filosofie en wetenschap als theoretisch denken en daardoor abstract. Haar ‘Gegenstand’ heeft daarom ook een abstract karakter: verbinding van het logische en niet-logische
    • Vraag: enerzijds wordt afstand genomen van de speciale plaats van het logische of rationele in de traditie van de filosofie. Anderzijds lijkt de visie op de wet en de betekenis van wetenschap en theoretisch denken toch weer een speciale plaats aan het logische of rationele toe te kennen.
    • Punten van belang
    • Christelijke traditie:
      • Idee van wijsheid van God en mens als beeld van God i.v.m. kenbaarheid van de orde
      • Invloed van Griekse logosidee i.v.m. logische en rationele
    • Onderscheid tussen
      • kennen van de wet (orde) in de werkelijkheid in concrete leven
      • theoretisch onderzoek en formulering van orde
    • De aard van de wetenschappelijk ontdekte en geformuleerde wetten: counterfactual:
      • Glas is breekbaar (dispositie) als het heel is
      • De wet van behoud van energie als ‘de energie in een gesloten systeem is constant’ vanwege niet bestaan van gesloten systemen.
      • Cartwright: ‘de wetten van de fysica liegen’ (Stafleu, The idea of natural law. Ph. Ref. 1999/2, 98)
    • Onderscheid tussen:
      • De orde als aanwezig in de werkelijkheid
      • Deze orde als door God gegeven
      • Ons kennen van deze orde
      • Onze formulering, speciaal de wetenschappelijke met streven naar algemeengeldigheid
    • Belang van
      • Erkennen van gegeven orde
      • Spanning in christelijke traditie tussen de zelfstandigheid van deze orde en zijn afhankelijkheid van God. De verbinding van deze orde specifiek met het logische en de wetenschap leidt gemakkelijk tot verzelfstandiging.

    Inleiding Reformatorische Wijsbegeerte (6): de tijd



    Inleiding

    • Tijd: ‘systeem’ van de structuurtheorie niet statisch maar dynamisch
    • Dooyeweerd: zijn filosofie als nieuwe opvatting van de tijd
    • Opzet:
    • Waardering van de tijd
    • Hoe bestaat de tijd?
    • Tijd en ontwikkeling



    Waardering van de tijd

    • Ervaring van de tijd als iets positiefs of als iets negatiefs?
    • Tijd en vergankelijkheid tegenover eeuwigheid
    • Tijd en veelheid tegenover eenheid
    • Tijd en verandering tegenover vaste en onveranderlijke
    • Tijd als mogelijkheid van voorwaarde voor bestaan
    • Tegenstelling in de Griekse filosofie met invloed in christelijke denken:
    • Tijdelijke als eindig, veranderlijk, voorbijgaand, sterfelijk, tegenover:
    • Goddelijke als eeuwig, onveranderlijk, een.
    • Plato en Neoplatonisme:
    • eenheid tegenover veelheid
    • eeuwige tegenover tijdelijke
    • onvergankelijke tegenover vergankelijke
    • goddelijke als maat voor het aardse: tijd als negatief
    • Reformatorische wijsbegeerte: positieve waardering van de tijd:
    • Als kenmerk van het geschapene als oorspronkelijk goed (vgl. Popma)
    • Tijd i.v.m. geschapen zijn als tot bestaan geroepen zijn: bestaan op de ‘baan van de tijd’ (Mekkes) vgl. tijd als mogelijkheid van creatuurlijk bestaan.
    • Geschapene te beoordelen naar eigen maatstaf niet die van het goddelijke of absolute
    • Dooyeweerd:
    • Tijd verbonden met verscheidenheid en samenhang tegenover (boventijdelijke eenheid).
    • Idee van kosmische tijd: continue band van samenhang tussen de aspecten waarvan in het theoretisch denken wordt geabstraheerd.
    • Verband met Neoplatonisme. Probleem van de boventijdelijkheid. Blijft: positieve waardering van de tijd. Parallel tussen antropologie en kosmologie:

    Oorsprongseenheid

    ¯ ­
    Eenheid van de zintotaliteit / het centrum van de mens in zijn hart
    ¯ ­

    Tijd als samenhang: kosmische tijd / tijdelijk lichaam als enkaptisch structuurgeheel

    Verscheidenheid van modale aspecten en typische structuren en samenhangen / lichaamsstructuren

    • Modale wetten en typische wetten of structuren zijn in de tijd; tegenover metafysica: essentie van de dingen als onveranderlijk en boven de tijd.
    • Tijd als de eenheid van de concrete dingen constituerend. Abstractie van de tijd als samenhang in het theoretisch denken
    • Tegenover Griekse idee van de statische orde van het zijn: geschiedenis als verwerkelijking van zijn: Charles de Bovelle (16e eeuw), Hegel e.a. (19e eeuw); Heidegger: Sein und Zeit (20e eeuw).


    Hoe bestaat de tijd?

    • Bestaan verleden, heden en toekomst?
    • Constantijn Huygens:

    Flus is wegh. Nu nu oock. ’t Aenstaende en is noch niet

    • Augustinus:

    Bestaan van verleden[, heden] en toekomst voor / in de ziel

    • Tijd als
    • ‘ding’ met eigen entitaire structuur?
    • modaal aspect; vgl. bestaan aan de dingen: hun tijdelijkheid?
    • eigen bestaanswijze; vgl. bestaan ‘in de tijd’
    • Uitdrukking van de tijd in alle aspecten:
    • getalsaspect: successie van de getallen
    • ruimtelijk: groter en kleiner, gelijktijdigheid
    • kinematisch: bewegingstijd;
    • fysisch: onomkeerbaarheid; klokkentijd; dag en nacht i.v.m. zon en maan
    • biotisch: cyclus van geboorte, groei, veroudering; bioritme
    • psychisch: gevoelstijd: lang of kort in beleving
    • logisch: logisch prius en posterius in het syllogisme van premissen en conclusie
    • historisch: historische ontwikkeling en verschil daarin; vgl. nomadische cultuur vroeger en nu
    • Moreel: ‘de tijd dringt’; ‘verloren tijd’; aard van het morele: geen algemene typering maar in moreel gekwalificeerde situaties bijvoorbeeld waarin de medemens hulp nodig heeft.
    • Verschil tussen:
    • Dooyeweerd: alle aspecten uitdrukking van de tijd
    • Vollenhoven: orde van getallen niet tijdsorde maar meer en minder; betekent niet: er bestaat binnen het geschapene iets buiten de tijd. Vgl. uitgaan van concrete dingen i.v.m. modale aspecten. Concrete dingen pas bij fysische subjectfunctie. Verbinding van tijd met verandering.
    • Concrete gekwalificeerde tijden:
    • Dag en nacht ritme met verschillende aspecten; jaarritme.
    • Seizoenen i.v.m. zaaien, groeien, oogsten.
    • Historische perioden; bijzondere gebeurtenissen; mogelijkheid van herdenken op basis van natuurlijke ritme van jaren.
    • Genesis 1 en Opb. i.v.m. ritme van dag en nacht; feesten in het O.T. en de viering van het Avondmaal.



    Tijd en ontwikkeling: ontsluiting

    • Differentiatie in de samenleving:
    • Ene patriarchale familie omvat relaties van ouders en kinderen, arbeid, recht
    • Moderne samenleving: verschillende relaties in zelfstandige verbanden: gezin, onderneming, staat
    • Idee: door differentiatie zijn de verschillende relaties ontsloten en daardoor tot zelfstandigheid gekomen
    • Differentiatie van organisme:
    • Eencellig organisme waarin alle functies in 1 cel opgenomen
    • Meercellig organisme met differentiatie van cellen i.v.m. functies: ademhaling, voedselopname, waarneming enz.
    • Ontwikkeling van kiemcel via celdeling naar complex organisme
    • Ontsluiting in entitaire structuren:

    Lagere modale aspecten komen tot ontsluiting o.l.v. hogere aspecten; vgl. kwalificerend aspect en andere aspecten: getalsmatige, ruimtelijke, kinematische en fysische van boom i.v.m. biotische

    • Ontsluiting in modale zin:
    • Anticipaties en retrocipaties
    • Gesloten structuur: zinkern + retrocipaties
    • Ontsloten structuur: zinkern + retrocipaties + anticipaties
    • Normatieve ontsluiting:
    • Fundamentele van historische aspect: menselijke vormgeving met normatief element
    • Leidinggevende van geloofsaspect: perspectief waarin uiteindelijk vormgeving plaats vindt.
    • Voorbeelden:
    • Taal in gesloten vorm: gebonden aan zintuiglijke voorstellingen
    • Taal in economisch ontsloten vorm: denkeconomie, rationeel taalgebruik w.b. begrippen e.d. (‘Occam’s razor’); NB gemengde hiervan vgl. poëzie!
    • Recht in gesloten vorm, zonder ontsluiting naar het ethische: geen aandacht voor intentie achter de daad, element van schuld ‘fysisch’
    • Recht in ontsloten vorm: aandacht voor schuld als verantwoordelijk te stellen.
    • Problemen:
    • Verkeerde beoordeling van ‘primitieve’ culturen: onontsloten en daardoor van minder betekenis.

    In feite zijn ‘primitieve’ culturen veel complexer dan eerder aangenomen.

    • Gesloten structuur lijkt ontologisch uitgangspunt: begin van ontwikkeling.

    Gesloten structuur van geloofsaspect dat normatieve ontsluiting leiding geeft heeft echter te maken met zonde en afval van God.

    Hoe kan dit dan uitgangspunt zijn van cultuurontwikkeling in creatuurlijke zin?

    • Van fundamenteel belang:
    • Erkenning van eigen aard van de historische norm: modaal, verbonden met andere, niet omvattend
    • Religieuze norm: raakt rechtstreeks de grondhouding van de mens

    Inleiding Reformatorische Wijsbegeerte (7): zin en normativiteit



    Inleiding

    • Vraag:
    • Bij wie is de zinvraag een actuele vraag?
    • Zo ja, in verband waarmee: de werkelijkheid i.h.a.; eigen leven i.h.a.; concrete gebeurtenissen; leven van bepaalde personen?
    • Vraag naar waarom i.v.m.: redenen i.p.v. oorzaken
    • Verband met thema van het kwalitatieve – normatieve (vgl. aspecten en typische structuren in de samenleving); thema van het kwaad
    • Verband met thema van spiritualiteit: uit welke geestelijke bronnen leven wij?
    • Opzet
    • Filosofische achtergrond i.h.a.
    • Zin bij Dooyeweerd
    • Uitwerking en problemen



    Filosofie en de zinvraag

    • Tweeërlei:
    • Zin i.v.m. taal en betekenis; vgl. meaning. Frege, taalfilosofie; p.m.
    • Zin i.v.m. zin van de werkelijkheid, zin van het leven:
    • Feuerbach (19e eeuw): zin en geloof in het hiernamaals: krijgt het leven daardoor zin of verliest het leven op die manier zijn zin?
    • Dilthey: Sinn, Bedeutung, Wert, Zweck als categorieën van de wetenschap van de geschiedenis of menselijke werkelijkheid i.h.a. tegenover die van de natuurwetenschap
    • Globale schets i.v.m. de zinvraag in de filosofie:
    • Griekse filosofie:
    • Zinvraag als zodanig niet gesteld: zijn als gegeven
    • Intelligibiliteit van het zijn impliciet als haar zin; vgl. Robbers (r.k., 20e eeuw); ‘God’ als volmaakte intellect
    • Orde tegenover chaos
    • Kwaad: vindt zijn grond in het niet-rationele, de materie, zijnstekort; in het menselijk bestaan vooral verbonden met onwetendheid.
    • Nieuwe van verbinding van Griekse filosofie met het scheppingsgeloof:
    • Zijn van de schepping gevolg van wilsbesluit van God; daardoor niet meer in zichzelf noodzakelijk
    • M.E.: transcendentale (algemene) eigenschappen van het zijnde: zijn, waar, goed, schoon
    • Contingentie van het bestaande als grond voor godsbewijs: niet-noodzakelijke afhankelijk van het in zich noodzakelijke (causa sui)
    • Kwaad: verband met zijnstekort; in het menselijk bestaan verband met keuze en wil (Augustinus)
    • Moderne filosofie:
    • Zijn losgemaakt van God ® nieuw stellen van de zinvraag
      • Leibniz: waarom is er iets en niet veeleer niets? Op grond van de goedheid van God
      • Heidegger: waarom is er iets en niet veeleer niets? Scheppingsgeloof kan de vraag niet stellen en is alleen daarom al ook geen antwoord.
    • Metafysische angst (vgl. ‘Niets’) tegenover grondvertrouwen i.v.m. de oorsprong van het universum; vgl. onpersoonlijke van oorsprong in het naturalisme.
    • Zingeving vanuit de menselijke subjectiviteit tegenover zinervaring met transcendente bron
    • Vgl. Weber:
      • Magisch beleefde werkelijkheid: zin en goddelijke in alles ervaren; probleem van het niet bestrafte kwaad en niet beloonde goed.
      • Traditionele wereld: religieus en metafysisch: Dualisme van aardse en hemelse werkelijkheid: filosofisch: wereld van de ideeën en van de verschijnselen; religieus: hemelse en aardse werkelijkheid; de eerste geeft zin aan de tweede en garandeert de rechtvaardigheid.
      • Moderne wereld: inzicht in ‘mechanisme’ achter dualisme; verlies aan geloof in God en transcendente werkelijkheid; noodzaak van zingeving vanuit menselijk subject
    • Problemen van de vrijheid als bron en voorwaarde van zingeving:
      • Kan menselijke vrijheid als bron van zingeving functioneren?
      • Is de mens wel vrij? Vgl. natuurwetenschap en sociale wetenschappen en vooronderstelling van gedetermineerdheid; maatschappelijke ervaring: de ‘tweede natuur’.
    • Structuren (natuurlijk gegeven en maatschappelijk) tegenover vrijheid
    • Feiten (objectief: zinneutraal, zinder intrinsieke zin) tegenover waarden en normen (subjectief: afhankelijk van zingeving vanuit menselijke subjectiviteit)
    • (Maatschappelijk) kwaad in termen van ongelijkheid en frustratie van menselijke vrijheid; vgl. Habermas: leefwereld gekoloniseerd door de subsystemen van bureaucratie (politiek) en markt; universaliseerbaarheid van behoeften als norm (gelijkheid).



    Dooyeweerd

    Niets bestaat in de wereldsamenhang op zichzelve, alles wijst in en buiten zichzelve heen naar al het andere in den onderlingen samenhang.

    In iedere zijde van onzen kosmos drukt zich uit de samenhang aller zijden en ook deze samenhang wijst boven zichzelve uit naar een diepere totaliteit, die zich in dien samenhang uitdrukt.

    Onze zelfheid, onze ikheid drukt zich als totaliteit uit in de samenhang van al hare functies in alle zijden der kosmische werkelijkheid. En de mensch, wiens ikheid zich in den samenhang van al hare kosmische functies uitdrukt, was zelve door God geschapen als de uitdrukking van Zijn beeld.

    Dit universele heen-wijzende en uitdrukkende karakter van heel onze geschapen kosmos, stempelt de creatuurlijke werkelijkheid naar hare afhankelijke onzelfgenoegzame zijnswijze als zin. De zin is het zijn van alle creatuurlijk zijnde, de zijnswijze van onze zelfheid, en is van religieuzen wortel en van goddelijken oorsprong.

    • Ontwikkeling:
    • Aanvankelijk: nadruk op wetsidee: Oorsprong en samenhang in verscheidenheid
    • Dan: ‘grote ontdekking’: van het hart als religieuze wortel van de mens en Christus als religieuze wortel van de schepping (vgl. ‘zintotaliteit’). Kosmologische, epistemologische en antropologische betekenis: niet-neutrale van de werkelijkheid en van de (ook theoretische) kennis, religieuze bepaaldheid van de mens. Copernicaanse wending, vgl. Kant: wending naar het subject. Idee van oorsprong, eenheid, en samenhang en verscheidenheid.
    • Zin-zijn i.p.v. zin hebben: intrinsieke bepaaldheid van het geschapene als afhankelijk en niet in zichzelf bestaand. Gods Zijn en het zin-zijn van het geschapene. Afhankelijkheid niet als zijnstekort of oorzaak van het kwaad maar als creatuurlijkheid.
    • Zin als uitdrukking: Oorsprong – eenheid – verscheidenheid en samenhang: dubbele beweging van divergeren en concentreren.
    • Zin als verwijzing: bestaan in samenhangrelaties; vgl. subject - subjectrelaties, subject – objectrelaties, enkaptische vervlechtingen; afwijzen van idee van substantie als in zichzelf bestaand.
    • Zin-zijn in correlatie van wet- en subjectzijde; structuren als bestaan en vrijheid mogelijk makend, niet als vrijheid beperkend; tegenover idee van in principe vrijheid als absoluut; vgl. maatstaf van het absolute of goddelijke.
    • Kwaad als afval in de religieuze wortel: eerste Adam en zondeval – Christus als tweede Adam en de verlossing. Radicale van het kwaad. Kwaad niet als structureel ontologische bepaling; vgl. ‘structuur en richting’; religieuze antithese i.v.m. gerichtheid op of afval van God.
    • Kwaad ook genesteld in de (alleen door de mens vorm gegeven?) structuren
    • Zin i.v.m. het perspectief van de geschiedenis en overwinning van het kwaad: schepping – zondeval – verlossing door Jezus Christus in de gemeenschap van de Heilige Geest; element van bestemming.



    Uitwerking en problemen

    • Religieuze karakter van deze idee maakt haar onaanvaardbaar voor de filosofie
    • Dooyeweerd: elke filosofie heeft een religieus bepaald uitgangspunt; in dat opzicht zijn uitdrukkelijke christelijke idee geen uitzondering ® transcendentale kritiek (laatste college)
    • Klapwijk:

    This sentence simply ignores that in a world of prisons, hospitals and cemetaries, meaning is often far off. There are situations in which God’s creatures are so tortured by anxiety, by pain, or by stifling loneliness, that the word ‘meaning’ dies on my lips.’

    • Zin-zijn als vooronderstelling van de ervaring van zinloosheid; vgl. samengaan van kwalitatieve en normatieve
    • Onderscheid tussen:
    • Zinvraag in moreel-religieuze zin: van alle tijden; vgl. Job.
    • Zinvraag in filosofisch-ontologische zin: typisch modern?
      • Sartre: ervaring van absurditeit van het gegevene;
      • Levinas: ‘il-y-a’ als het pure erzijn: de duistere kant (nachtzijde) van het bestaan
      • De Boer: de kenmerken van het zijn: neutraliteit (onverschilligheid t.o.v. goed en waad), onherroepelijkheid (het bestaande kan niet ongedaan worden gemaakt), zelfhandhaving (alles wat bestaat is erop gericht te blijven bestaan), contingentie (het zijn is er ‘domweg’, het heeft geen zin in zichzelf).
    • Zinvraag als psychologisch probleem: depressie in pathologische zin.
    • Dooyeweerds idee van zin-zijn betreft de filosofische vraag; relatie tussen zin-zijn en geschapenheid; De Boer’s moeite met idee van schepping; overeenstemming wat betreft transcendente gegevenheid van de zin. De Boer: zijn is het bestaande; zin komt van buiten; Dooyeweerd: zijn is zin-zijn, zin is transcendent gegeven, kwaad is verstoring van zin.
    • Zin en zonde

    ‘Is de zondige werkelijkheid inderdaad nog zin, is zij niet veeleer, daar de zin immers slechts in de religieuze afhankelijkheid tot zijn oorsprong bestaat de wederpartij van de zin, het zinloze als zodanig?’ (WdW II, 30)

    • Dooyeweerd:
    • geen doorzichtigheid te krijgen;
    • geen doorsnijden van de afhankelijkheidsverhouding betekent dat de goddelijke zijnsvolheid zich ook uitdrukt in de goddelijke gerechtigheid en dat ‘daarmee dit verworpene zijn creatuurlijke zijnswijze als zin moet blijven openbaren’ (WdW II 31)
    • Probleem voor Dooyeweerd: zin niet alleen als afhankelijkheid, maar ook als uitdrukking
    • Alternatief:
    • Zin minder als uitdrukking maar als antwoord; metafoor van scheppen als tot bestaan roepen en geschapen zijn als antwoord (vgl. Genesis 1); menselijk geschapen zijn als ‘antwoord in verantwoordelijkheid’; fenomenologisch aanwijsbare van ‘antwoord-karakter’ van menselijk bestaan; vgl. ‘verstaan’ bij Heidegger.
    • Blijft verbinding met afhankelijkheid: antwoord op scheppingswoord; afhankelijkheid blijft bij negatief antwoord
    • Blijft verbinding met samenhang: antwoord in ‘context’ van relaties, concrete situatie
    • Voor de mens nadruk op verantwoordelijkheid; aansluiting bij persoonlijke van menszijn in relatie: ontwikkeling van identiteit als antwoord in relaties; mens-zijn als antwoord in persoonlijke oorsprongrelatie
    • Blijft raadsel van de zonde en het kwaad; geen theodicee: kwaad uiteindelijk te begrijpen als in dienst van en noodzakelijk voor het goede; vgl. Augustinus( donker doet licht beter uitkomen), Hegel (dialectische beweging van de geschiedenis door kwaad en lijden heen; vergelijk noodzaak van oorlog i.v.m. zelfopoffering tegenover toenemende gerichtheid op eigen particuliere bestaan (oorlogvoering zonder slachtoffers!)
    • Antropocentrische van zin bij Dooyeweerd:
    • Concentratie van zin via de mens (eerste en tweede Adam); individuele mens heeft daaraan deel in zijn hart
    • Onterechte verbinding van bijbelse idee van eenheid van de mensheid in Adam en Christus als tweede Adam (Paulus) met idee van eenheid van de geschapen werkelijkheid in Christus (Paulus, Johannes)
    • Scheppingsrelatie van al het (aards) geschapene niet via de mens
    • Opnieuw: zin – zijn als antwoord – zijn.
    • Wel plaats van de mens in integrale aardse bestaan; vgl. subject – objectrelaties.

    • Zinervaring en zingeving
    • Transcendente gegevenheid van zin; vgl. De Dijn: vriendschap niet als middel, maar als geschenk.
    • Gegevenheid van de structuren als zinstructuren, modale en entitaire
    • Menselijke betrokkenheid in de zinconstitutie:
    • Als subject in subject – objectrelaties
    • Vanuit historische aspect vanwege formatieve activiteit in vrijheid en verantwoordelijkheid
    • In fundamenteel antropologische zin als aanvaarden en op zich nemen van verantwoordelijkheid voor het ontvangen bestaan; vgl. zin-zijn als antwoord-zijn

    De spanning tussen individu en gemeenschap in het liberale denken en zijn mogelijke oplossing / De innerlijke tegenspraak van de liberale democratie


    Achtergrond:

    • Discussie over het functioneren van de democratie i.v.m. probleem van normen en waarden en de ‘calculerende burger’

    Opzet:

    • Het probleem. N.a.v. Fukuyama, Het einde van de geschiedenis en de laatste mens (1992).

    • De achtergrond van het probleem
    • De mogelijkheid van een alternatief
    • De verhouding van rechtsstaat en democratie als illustratie


    Het probleem

    • Kernidee van Fukuyama’s boek:
    • de politieke geschiedenis heeft een eindpunt bereikt voor zover het gaat om de ontwikkeling van de idee en de praktijk van de best mogelijke samenlevingsvorm i.c. de combinatie van de liberale democratie met de vrije markteconomie.
    • Het lange tijd verdedigde communistische alternatief is in theorie en praktijk onhoudbaar gebleken.

    • stelling:
    • deze samenlevingsvorm lijdt niet aan een innerlijke spanning waardoor zij noodzakelijk uiteen moet vallen;
    • problemen:
    • te weinig gelijkheid, waardoor sommigen zich onrecht gedaan voelen,
    • te veel gelijkheid, waardoor anderen zich in hun individuele ontplooiing geremd voelen;
    • deze spanningen zullen praktisch worden opgelost, omdat er geen alternatief aanwezig is en beide groepen bij het huidige systeem belang hebben.

    • kenmerk:
    • tegen het postmoderne denken: constatering van een universele ontwikkeling bepaald door vooruitgang;
    • aansluiting bij Hegels geschiedfilosofie via Kojève.

    • commentaar:
    • visie sterk eurocentrisch, gaat voorbij aan wat er leeft in de islamitische wereld.
    • latere publicaties van Fukuyama geven nuancering
    • beperking tot het probleem van de relatie tussen individu en gemeenschap.

    • probleem:
    • de liberale democratie construeert de samenleving vanuit het individu en zijn eigenbelang
    • daardoor wordt het gemeenschapsbesef dat voor het functioneren van de samenleving nodig is steeds meer ondermijnd.
    • m.a.w. wel een innerlijke spanning en tegenspraak

    • oorzaken:

    • individualisering:
      • de individuele mens met zijn belangen staat voorop
      • verantwoordelijkheid binnen een gemeenschap gaat uit boven het eigenbelang en kan moeilijk van daaruit geconstrueerd worden.

      • voorbeelden:
      • het gezin; dit is een gemeenschap die van groot belang is voor de overdracht van waarden en normen; vanuit het gezichtspunt van het eigenbelang van de ouders is er echter een probleem: de vruchten van hun inspanning om hun kinderen waarden en normen bij te brengen worden vooral door anderen geplukt; de gevraagde inspanning staat daarom niet in een reële verhouding met de eigen baten. In de praktijk betekent dit: hoge echtscheidingspercentages, gebrekkig ouderlijk gezag, vervreemding van kinderen ten opzichte van hun ouders en de samenleving als geheel.

      • het milieu: ook de zorg en verantwoordelijkheid voor het milieu is niet afleidbaar uit het individuele eigenbelang; het gaat immers om het behoud van de natuur op zich en om de leefmogelijkheden van toekomstige generaties.

    • rationalisering
      • gelijkheid: vanuit het liberale denken met zijn uitgangspunt in het individu moet iedereen gelijk behandeld worden (principe van universele gelijkheid).
      • daartegenover: het beperkte karakter van gemeenschappen: zij maken onderscheid tussen de leden van de gemeenschap en anderen.
      • door de idee van universele gelijkheid verliezen gemeenschappen hun fundament: de verantwoordelijkheid binnen een gemeenschap mag eigenlijk niet anders zijn dan die naar buiten.

      • meer abstract geformuleerd, waarbij rationalisering en individualisering worden gecombineerd: de bestaande samenlevingsvormen moeten rationeel worden geconstrueerd uitgaande van het individu en zijn belangen. Daardoor verdwijnt echter de mogelijkheid van op traditie gebaseerde gemeenschappen en de daarmee verbonden waarden van loyaliteit en zelfopoffering.

    • toenemende differentiatie in de samenleving:
      • de contacten tussen de mensen spelen zich steeds meer af binnen heel verschillende groepen, mee door de mobiliteit; vgl. werk, sport, wonen, verenigingen, ontspanning, politieke vereniging enz.
      • daardoor worden de traditionele gemeenschappen waarin wonen, werken, religieuze verbondenheid in belangrijke mate samenvielen, ondermijnd.

    • Opvallend is dat Fukuyama het probleem duidelijk signaleert - het bovenstaande is ontleend aan zijn boek - maar geen echte oplossing aanreikt.
    • De oplossing wordt gezocht via Hegel en de idee van individuele erkenning.
      • Enerzijds wordt daarbij een idee van zedelijkheid geïntroduceerd die als zodanig vreemd is aan het uitgaan van het individu (erkenning op basis van zedelijk gedrag introduceert een norm die niet uit het individu zelf kan worden afgeleid). Bovendien heeft het streven naar erkenning niet als zodanig reeds betrekking op zedelijke waarden (vgl. het streven naar erkenning door prestaties die juist tegen de norm ingaan).
      • Anderzijds mist Fukuyama de Hegeliaanse idee van de absolute geest die als zodanig boven het individu uitgaat en zich manifesteert in de verschillende gemeenschapsvormen (voor Fukuyama is deze weg afgesloten vanwege haar marxistisch/communistisch vervolg). In zijn latere boek Trust. The social virtues & the creation of prosperity (1995) wordt het probleem niet meer genoemd en zonder meer van het fungeren van het gemeenschapsbesef uitgegaan.

    • samenvatting van het probleem:
    • de moderne samenleving wordt bepaald door individualisering, rationalisering en differentiatie;
    • zij moet deze grondbeginselen versterken omdat zij daaruit voorkomt
    • deze beginselen ondermijnen echter steeds sterker het gemeenschapsbesef waarvan zij voor haar functioneren afhankelijk is.
    • om dit gemeenschapsbesef te versterken moet de moderne samenleving daarom tegen haar eigen uitgangspunten ingaan.
    • gemeenschappen zijn traditioneel gegroeid en niet voortgekomen uit rationele constructie of op die wijze te begrijpen; zij vertegenwoordigen normen die boven het individuele eigenbelang uitgaan; vanwege hun traditionele omvattende karakter lijken zij ook in strijd met de differentiatie in de samenleving.
    • gevolg: innerlijke spanning tussen de grondbeginselen en de bevordering daarvan en de noodzaak van een tegenbeweging vanwege de noodzaak van gemeenschapsbesef; aan deze spanning zou de liberale democratie te gronde kunnen gaan.
    • Vergelijk:
    • Robert N. Bellah c.s. over het functioneren van de Noord-Amerikaanse democratie, die een soortgelijke spanning constateren:
      • Habits of the Heart;
      • Individualism and commitment in American life.

    • kritische en pessimistische stemmen over het functioneren van de democratie
    • ontwikkeling naar technocratie en bureaucratie i.p.v. democratische besluitvorming i.v.m. oplossing van samenlevingsproblemen

    • Vraag: is deze spanning oplosbaar?


    Achtergrond van het probleem

    • Hypothese:
    • de oorzaak van deze problematiek ligt in de fundamentele wending die zich volgens verschillende filosofen in het denken van de Nieuwe Tijd heeft voorgedaan.
    • Vgl. bijvoorbeeld Charles Taylor o.a. in het begin van zijn boek over Hegel; vooral: The ethics of authenticity/ The malaise of modernity.

    • kern:
    • traditioneel verstaat de mens zichzelf in relatie tot een gegeven zinvolle samenhang, waarvan hij zelf deel uitmaakt;
    • voor de moderne tijd is typerend de idee van het 'self-defining subject' en een werkelijkheid zonder intrinsieke zin of betekenis.
    • m.a.w. traditioneel verstaat de mens zichzelf in relatie tot voor hem gegeven normen en waarden,
    • de moderne mens ziet zichzelf als autonoom, zelf de bron van waarden en normen, van zingeving, en de wereld als materiaal daarvoor, zonder van tevoren gegeven zin en betekenis.

    • toelichting met 2 voorbeelden:

    • vrijheid:
    • de klassiek Griekse wereld: vrijheid als thuis-zijn in een vertrouwde omgevingv bepaald door gegeven normen;
    • de moderne tijd: vrijheid als uit-huis zijn in een vreemde wereld; met de mogelijkheid deze wereld te ontdekken, te veroveren, er zelf vorm aan te geven en zelf de normen te bepalen. Het self-defining subject is op deze wijze vrij in een vreemde, nog te ontdekken en te veroveren wereld waaraan het zelf zin en betekenis moet verlenen en waarbinnen het zelf de normen kan bepalen.

    • zin:
    • christelijke traditie:
      • de werkelijkheid heeft zin en betekenis omdat zij schepping is van God;
      • het beeld van een boek gebruikt voor natuur (en geschiedenis) met de implicatie dat het boek betekenis heeft omdat het door een auteur is geschreven.

    • moderne werkelijkheidsopvatting:
      • zin en betekenis van de werkelijkheid resultaat van subjectief-menselijke zingeving; als zodanig heeft de buitenmenselijke werkelijkheid geen zin of betekenis.
      • vergelijk een 'tekst' die het resultaat is van een aap die een tijd achter een tekstverwerker heeft gezeten (vgl. tijd en toeval).
      • deze tekst kan worden geanalyseerd op regelmatigheden wat betref voorkomen van bepaalde letters of lettergroepen;
      • er kunnen op grond daarvan zelfs voorspellingen worden gedaan,
      • maar de tekst heeft geen intrinsieke betekenis; wie er een gedicht in vindt, projecteert deze betekenis in de tekst.

    N.B. Ik ga voorbij aan de reactie van bijvoorbeeld de Romantiek; ook aan de nuanceringen die nodig zijn. Het gaat om een grondgedachte.

    • Gevolgen

    • Zinprobleem:
      • de werkelijkheid buiten het subject heeft een neutraal karakter, geen intrinsieke kwaliteit, zij wordt mechanistisch opgevat;
      • is het menselijk subject in staat aan deze wereld zin te verlenen? (vgl. college 7)
      • Habermas' grote werk Theorie des kommunikativen Handelns gaat over dit probleem.

    • Normprobleem vgl. Hobbes (1588-1679):
      • traditionele opvatting van de staat: deel van een zinvolle, normatieve orde,
      • daartegenover reconstructie (eigenlijk van heel de menselijke samenleving) vanuit mensen als individuele elementen met bepaalde eigenschappen en behoeften;
      • kernbegrip: beweging; in de staat/samenleving gaat het om beweging door menselijke hartstochten
      • enerzijds het streven naar macht; vandaar 'oorlog van allen tegen allen';
      • anderzijds angst (om te sterven, vrees voor eigen veiligheid, wantrouwen)
      • op grond hiervan afleiding van een 'redelijke natuurwet': om aan de oorlog van allen tegen allen te ontkomen moeten mensen vrede nastreven; dat kan door ter wille van eigen overleven en veiligheid afstand te doen van het natuurlijke 'recht' (als feit niet als norm) op alle dingen en genoegen te nemen met zoveel vrijheid als ook aan anderen wordt toegestaan op voorwaarde dat zij ook van dezelfde rechten afstand doen.
      • op deze wijze kunnen de wetten van de staat gereconstrueerd worden door uit te gaan van de feitelijke mens en zijn eigenschappen vanuit diens primaire doel: te overleven. Zoals Descartes door zijn afbraak-opbouwmethode de materiele werkelijkheid van intrinsieke kwalitatieve betekenis ontdoet, zo doet Hobbes dat met de samenleving: wetten worden afgeleid uit feitelijke eigenschappen van de mensen en het daarmee verbonden doel van overleven.

      • gevolg normprobleem:
      • uitgangspunt is het eigenbelang; op grond daarvan worden verdragen gesloten (contracttheorie);
      • probleem: waarom zou iemand zich aan dit contract houden in situaties dat het niet langer voordeel voor hem met zich brengt?
      • Hobbes verdedigt fel het zich moeten houden aan gesloten verdragen;
      • Spinoza erkent: als het voordeliger is het verdrag niet te houden, moet je zo handelen.
      • conclusie: het lukt niet de norm aan het eigenbelang te ontlenen (vgl. de 'calculerende burger').


    Mogelijke oplossing

    Kern:

    • als de door Taylor beschreven wending de oorzaak is van het probleem van individu en gemeenschap (de hypothese) dan kan een oplossing alleen worden gevonden
    • als opnieuw wordt uitgegaan van de werkelijkheid als een gegeven zinvolle samenhang die als zodanig ook bepalend is voor het zelfverstaan van de mens.;
    • als normen en waarden weer als in principe gegeven worden erkend (a);
    • de vraag die daarbij komt is of dit mogelijk is zonder in strijd te komen met de kenmerken van de moderne tijd: individualisering, rationalisering en sociale differentiatie (b).

    Uitwerking t.a.v. de gesignaleerde problemen:

    • zinprobleem:
    • aangetoond moet kunnen worden de fundamentele gegevenheid van de zin in de werkelijkheid, hoezeer deze zin ook voor haar uitwerking is aangewezen op menselijke vormgeving (vgl. college 7).

    • argumentatie hiervoor:
      • Wij ervaren ons menszijn primair in een verscheidenheid van kwalitatieve relaties zoals die van recht, arbeid, onderwijs, ouders-kinderen, gemeenschappelijke geloofsovertuiging, culturele relaties van taal en gewoonten, enz.
      • deze relaties kunnen niet worden begrepen als middelen ter realisering van met de mens gegeven doeleinden vanwege zijn feitelijke eigenschappen. De mens bestaat van meet af in allerlei relaties, ook al gaat hij er niet in op. Zij zijn met het menszijn gegeven en hebben alle een eigen kwalitatief karakter.
      • zij zijn daarom ook niet herleidbaar tot macht, hoezeer machtsstreven ook de vormgeving van deze relaties en de daardoor bepaalde instituties in de praktijk bepaald heeft. Zij kunnen daaruit niet echt worden begrepen, ook niet in hun feitelijk functioneren: dit kan alleen verstaan worden als hun kwalitatieve betekenis gepostuleerd wordt, ook als de praktijk daartegenin gaat.

    • normprobleem:

    • noodzaak van uiteindelijke gegevenheid van normen
    • argumentatie hiervoor:
      • normatieve bepaaldheid is de keerzijde van het kwalitatieve; van alle typisch menselijke relaties geldt het samengaan van het kwalitatieve en het normatieve; daarom is het onmogelijk uit te gaan van een puur feitelijk gegeven, met afzien van normativiteit, wil de menselijke samenleving als menselijke samenleving begrepen kunnen worden.
      • Vgl. een huwelijk: de belofte van trouw, zorg en respect voor elkaar is constitutief voor de huwelijksrelatie; de kwaliteit van deze relatie is afhankelijk van het zich inzetten voor de realisering van de huwelijksbelofte.
      • Evenals het kwalitatieve is het normatieve dus voor de mens in principe gegeven.


    Het probleem van de moderne tijd

    • De vraag

    • kan op deze wijze nog recht gedaan kan worden aan de kenmerken van de moderne tijd: differentiatie (en integratie), individualisering (en emancipatie) en rationalisering (vgl. wetenschap en techniek).

    • De kenmerken als zodanig:

    • differentiatie:
      • voorbeeld van gezin en werk, woonplaats en werk, kerk en staat;
      • door differentiatie ontstaan ook nieuwe verbanden zoals sport-, beroeps-, bedrijfs-, politieke verenigingen enz.
      • differentiatie gaat daarom samen met integratie, maar volgens andere lijnen dan tevoren.

    • individualisering:
      • gevolg van differentiatie: de mogelijkheid van grotere vrijheid in individuele keuzes, zoals t.a.v. beroep, geloofsgemeenschap, sport enz.
      • daarmee verbonden: het toenemen van verantwoordelijkheid: eigen keuzes, minder afhankelijkheid.
      • daarnaast: emancipatie als grotere (keuze)vrijheid i.v.m. gezagsverhoudingen

    • rationalisering:
      • wetenschap en techniek i.v.m. de vormgeving aan de moderne samenleving, deels met gebruik van de methode zoals door Descartes aangegeven.
      • daartoe behoort ook de moderne organisatiewetenschap en haar toepassing.

    • De kenmerken gezien vanuit de Taylorwending:

    • differentiatie en integratie
      • verstaan als aanpassing aan of ingaan op nieuwe omstandigheden.
      • middelen om doeleinden van mensen als individuen te realiseren.
      • de nieuw ontstane verbanden hebben geen intrinsiek eigen karakter, maar worden bepaald door hun doelmatigheid.
      • Voorbeeld: als de staat vooral voor economische doeleinden kan worden ingezet en van daaruit gericht, zijn daartegen geen principiële bezwaren.
      • Als bepaald door hun instrumenteel karakter vormen de nieuwe verbanden ook geen gemeenschappen.
      • Problemen: fragmentatie, verlies aan gemeenschap, opportunisme.

    • individualisering en emancipatie:
      • uitgegaan wordt van het individu en zijn feitelijke eigenschappen, wensen en verlangens;
      • emancipatie wordt nagestreefd vanuit het 'autonome' individu.
      • probleem: ontbreken van een duidelijke grondslag voor normen die boven de wensen en de vrijheid van het individu uitgaan.

    • rationalisering:
      • wetenschap en techniek hebben vooral een instrumenteel karakter; zij dienen de beheersing van de werkelijkheid vanuit het individu;
      • tegelijk ontdoen zij de werkelijkheid van haar intrinsiek kwalitatief en normatief karakter.
      • probleem: verlies aan zinervaring.

    • gevolg: 2 hoofdproblemen:

      • de genoemde spanning tussen ondermijning van gemeenschapsbesef en de daarmee gegeven verantwoordelijkheid en de noodzaak dit gemeenschapsbesef weer te versterken omdat de genoemde kenmerken het functioneren van de gewenste samenleving ondermijnen.

      • wat aanvankelijk als instrumenteel gezien wordt ter realisering van bepaalde doeleinden blijkt zich te verzelfstandigen en zich zo tegen de individuele mens te keren (vgl. Habermas in het genoemde boek over de autonomie van de subsystemen van politiek en economie: de bureaucratie en de markt en hun invloed op de leefwereld van het communicatieve handelen).

    • De kenmerken gezien vanuit het alternatief:

    • differentiatie en integratie:
      • nieuwe verbanden die een zelfstandig karakter krijgen hebben een intrinsiek eigen kwalitatief karakter, omdat zij betrekking hebben op relaties tussen mensen met een eigen aard.
      • Vgl. kerk, staat, gezin, school, bedrijf, maar ook allerlei verenigingen met een bepaalde doelstelling.
      • Dit eigen karakter brengt ook een eigen normativiteit met zich mee.
      • Als vormgeving aan menselijke relaties kunnen nieuwe verbanden ook het karakter van gemeenschap krijgen in een bepaalde zin. Vanwege de intrinsieke kwaliteit en normativiteit worden zij immers niet gedacht vanuit het individu als zodanig, maar hebben zij steeds een het individu overstijgend karakter met een daarmee gegeven verantwoordelijkheid.
      • omdat mensen bestaan in relaties betekent dit tegelijk een mogelijkheid van menselijke ontplooiing.
      • Gevaar: miskenning van het kwalitatief/normatieve en gebruik voor eigen doeleinden, miskennen van verantwoordelijkheid, domineren van het ene verband over het andere (vgl. idee van soevereiniteit in eigen kring in sociale zin!).

    N.B. In deze benadering wordt dus niet gedacht in termen van individu en totaliteit . Behalve aan het individu wordt ook recht gedaan aan de gegevenheid van allerlei gemeenschappen met hun eigen karakter. Gelijkheid betekent nu dat niet alleen de individuen maar ook de verschillende verbanden binnen de rechtsstaat dezelfde rechten en mogelijkheden van ontplooiing hebben: de ene bevolkingsgroep wordt als zodanig niet bevoordeeld boven de andere, idem t.a.v. bedrijven, geloofsgemeenschappen, onderwijsinstellingen, gezinnen, enz.

      • individualisering en emancipatie:
      • het gaat om een ontwikkeling waarin de individuele ontplooiingsmogelijkheden steeds groter worden maar intrinsiek verbonden met de daarmee gegeven verantwoordelijkheid.
      • Ontwikkeling van de eigen mogelijkheden is nooit los van kwalitatieve en normatieve samenhangen.
      • Gevaar: losmaken van individuele ontplooiing van dragen van verantwoordelijkheid en van plicht tot verantwoording in relatie tot gegeven normativiteit, het zich opstellen tegenover de gemeenschap of het ondergeschikt maken daarvan aan eigen doeleinden in plaats van de eigen ontwikkeling te zien in relatie tot de ontwikkelingsmogelijkheden van anderen.

    N.B. Van hieruit kan in principe ook voor het probleem van de verhouding van vrijheid en gelijkheid een oplossing worden gezocht; vgl. de toepassing door Calvijn van Paulus' beeld van het lichaam van Christus met zijn verscheidenheid van leden ten dienste van elkaar op het functioneren van de samenleving: vrijheid en de daarin meekomende ongelijkheid gaat niet ten koste van maar staat in dienst van de ander.

    • rationalisering:
      • wetenschap en techniek niet als vervanging van de voorwetenschappelijke kennis met haar betrokkenheid op gegeven zin, maar als ontsluiting en heling daarvan.
      • Structurele analyse en beheersing in wetenschap en techniek worden altijd teruggekoppeld op de integrale werkelijkheidservaring met haar kwalitatief en normatief karakter.

    • gevolgen voor de 2 hoofdproblemen:

      • voor versterking van verantwoordelijkheidsbesef behoeft niet te worden teruggegaan naar een voormoderne gemeenschapsbeleving
      • er kan verwezen worden naar de met de nieuwe situatie gegeven normativiteit en de mogelijkheden van nieuwe gemeenschapsverbanden:

      • de verbanden hebben als zodanig niet een neutraal instrumenteel karakter maar worden bepaald door hun kwalitatieve eigen aard en daarmee gegeven normativiteit.
      • zij zijn niet onttrokken aan de menselijke verantwoordelijkheid, maar doen daarop juist een groter beroep.

    Opmerkingen:

    • Met deze andere analyse van de kenmerken van de moderne tijd zijn natuurlijk niet haar problemen opgelost.
    • Enerzijds heeft het Descartes/Hobbesdenken een grote invloed gehad op het denken in en de vormgeving aan de moderne samenleving, anderzijds zullen het kwaad en de gebrokenheid zich altijd op de een of andere wijze manifesteren. Een andere theoretische analyse lost dit niet op.
    • Maar dit neemt de betekenis van het ontwikkelen van een theoretisch alternatief niet weg. Enerzijds kan op deze wijze duidelijk worden dat de gangbare analyse zelf geen recht doet aan de feitelijke ontwikkeling: elementen van de alternatieve analyse behoren tot de werkelijkheid van de samenleving zelf, zijn er in zekere zin zelfs het postulaat van. Anderzijds kan de alternatieve analyse helpen wegen te wijzen om ook praktisch problemen op te lossen. Juist daarvoor is het belangrijk dat bij aanwezige elementen in de praktijk van de samenleving kan worden aangesloten (Vgl. opnieuw R.N. Bellah c.s. in Habits of the Heart : de taal die mensen gebruiken om hun normen en doelenden te verwoorden blijkt niet adequaat te zijn ten opzichte van de normen die zij werkelijk hanteren).


    De verhouding van rechtsstaat en democratie

    • De begrippen:
    • Rechtsstaat:
      • zowel overheid als burgers zijn gehouden aan de wet
      • de wetgeving staat onder niet-willekeurige rechtsbeginselen

    • democratie;
      • de eindverantwoordelijkheid voor de wetgeving en voor het functioneren van de uitvoerende macht ligt bij de burgers via regelmatige vrije verkiezingen

    • het probleem:
    • democratische rechtsregels zijn op zich geen garantie voor het handhaven van de rechtsstaat:
    • meerderheidsbesluiten kunnen minderheden onderdrukken: vgl. het democratisch aan de macht komen van Hitler e.a.
    • Voorwaarde voor een oplossing:
    • het functioneren van de democratische regeringsvorm staat onder normen van de rechtsstaat
    • daarvoor nodig: onderscheid tussen rechtsstaat en democratie.
    • Vraag:
    • Kan dit onderscheid principieel gemaakt worden vanuit de eerder geschetste opvatting van de ‘liberale democratie’?
    • Vgl.:
      • Uitgaan van het individu en het daaraan verbonden normprobleem
      • Opvatting van de democratie als mogelijkheid voor groepsbelangen op te komen i.p.v. inzet voor het publieke belang vanuit een normatieve opvatting over de samenleving
      • Feitelijke ontwikkeling naar nadruk op een procedurele benadering i.p.v. vanuit inhoudelijke rechtsopvattingen (?)

    • Voorwaarde voor het onderscheid lijkt te zijn de erkenning van rechtsnormen – de rechten van de mens – als uiteindelijk gegeven
    • M.a.w. de erkenning van een gegeven normatieve orde tegenover de constructie daarvan vanuit de feitelijke behoeften en verlangens van individuen.

    Opmerking

    • De kracht van het liberale denken ligt in
    • het vruchtbaar maken van de gerichtheid op eigenbelang voor de dynamische ontwikkeling van de samenleving: het principe van ‘de markt
    • ‘voor het tegengaan van de negatieve gevolgen hiervan is een sterke staat nodig
    • anders zal de dynamiek van het eigenbelang zichzelf verteren
    • gevolg: spanning tussen markt en politiek
    • probleem: kan de moderne staatsopvatting zelf nog een beroep doen op inhoudelijke normen die boven het individuele eigenbelang uitgaan?

    Daartegenover:

    • idee van verantwoordelijkheid (soevereiniteit) in eigen kring: de eigen kwalitatieve en normatieve aard van de verschillende samenlevingsverbanden
    • het publieke karakter van de staat als overheid en onderdanen omvattend: beide zijn op eigen wijze verantwoordelijk voor het goed functioneren van de rechtsorde als publiek belang

    Inleiding reformatorische wijsbegeerte (9): Reductionisme en de filosofische mensbeschouwing


    Inleiding: probleem, typering in 3 hoofdpunten, opzet:

    • Probleem:
    • spanning tussen ons concrete zelfverstaan als persoon, verantwoordelijk, vrij enz. en de opvatting van de mens op basis van structureel wetenschappelijk onderzoek, waarbij voor ons concrete zelfverstaan vaak geen ruimte is.

    • Opzet:

    • Uitwerking van het probleem in 3 hoofdpunten:
      • Kennis als resultaat van methodisch onderzoek

      • Gevolg: spanning tussen zelfkennis als resultaat van methodisch onderzoek en het concrete zelfverstaan in de ervaring: de concrete zelfervaring ontsnapt aan het methodisch onderzoek

      • Het dualisme van hersenen en bewustzijn; vergelijk het traditionele onderscheid van lichaam en ziel.

    • Analyse en alternatief


    Uitwerking

    Kennis als resultaat van methodisch onderzoek:

    • Descartes

    • streven naar zekere kennis
    • systematische twijfel i.v.m. traditie, zintuigen en redeneringen
    • gevonden uitgangspunt: ik denk, bewustzijn met zijn voorstellingen als onmiddellijk gegeven
    • systematische opbouw volgens bepaalde regels ontleend aan de wiskunde: evidentie van iedere stap, analyse in kleinste elementen, opbouw vanuit deze elementen volgens logische regels, volledigheid.

    • gevolg:
    • streven: de kennis van de concrete werkelijkheidservaring te vervangen door de wetenschappelijk ge(re)construeerde

    • gebruik van deze methode in de wetenschap: nauwkeurig gedefinieerde begrippen, logische regels; analyse en (re)constructie

    • ontwikkeling:

    • analyse van de processen van het bewustzijn via introspectie: hoe werkt het bewustzijn? vgl. onderzoek in de natuurwetenschap
    • vanwege de problemen van introspectie analyse van empirisch waarneembaar gedrag (behaviorisme)
    • ontwikkeling van de cognitieve psychologie: toch weer gericht op denkprocessen

    • kern:
    • geprobeerd wordt de menselijke zelfkennis te (re)construeren volgens de methode van de wetenschap onze concrete zelfervaring wordt als zodanig niet als betrouwbaar ervaren.


    De spanning tussen het concrete zelfverstaan en het methodisch wetenschappelijk onderzoek:

    • het ik als subject van het methodisch onderzoek ontsnapt zelf aan de analyse: ik kan mijn analyse richten op mijn analyserend bewustzijn, maar daardoor wordt het zelf geobjectiveerd, terwijl het analyserende bewustzijn aan de analyse ontsnapt. M.a.w. probleem van het ontwijkende subject, oneindige regressie.

    • andere voorbeelden van het probleem (ontleend aan Vroon/Draaisma, De mens als metafoor):
    • probleem van de homunculus: er blijft in de wetenschappelijke verklaring altijd een onverklaarde rest waarin in feite de menselijke persoon weer opduikt

    • analyse van het geheugen met behulp van model van een archiefkaarten systeem; blijft nodig 'iemand' die in het archief zoekt

    • Freuds analyse van de menselijke persoon in termen van Es, Ich en Uber-ich. In feite wordt het Ich ook als de hele persoon opgevat.

    • Methodisch wetenschappelijk onderzoek neigt tot uitsluiting van noties als vrijheid en verantwoordelijkheid, omdat deze niet of moeilijk te objectiveren zijn.
    • Vgl. Thomas Nagel, A view from nowhere:
    • vrijheid kan niet in structurele zin worden geanalyseerd, want dan wordt zij weg verklaard in termen van oorzaken.
    • Tegelijk is het besef van vrijheid onopgeefbaar in de menselijke ervaring. Zij is voorondersteld in de samenleving waarin mensen verantwoordelijk worden gehouden voor wat zij doen, ook al is dit maar in beperkte mate. Soms wordt de conclusie getrokken dat zelfkennis om deze reden onmogelijk is.
    • De wetenschappelijke methode als strikt objectiverend kan haar eigen waarheidsclaim en de zin van het wetenschappelijk onderzoek niet verantwoorden: waarheid en zin zijn noties van het subject (1e persoonsperspectief) niet van het object (3e persoonsperspectief); vgl. begrippen van de empirische wetenschappen verantwoorden niet waarheid en zin van wetenschappelijke beweringen maar vooronderstellen deze. Niet de wetenschap claimt waarheid maar de wetenschapper.


    Het dualisme:

    • Descartes:

    • 2 substanties: de ziel met als kenmerk denken of bewustzijn en de materie met als kenmerk uitgebreidheid.
    • Binnenwereld van het bewustzijn tegenover materiële buitenwereld: kenprobleem
    • Essentieel verschillende substanties: probleem van de verbinding van het mentale en het materiële

    • Ontwikkeling

    • Dualisme en zoeken naar verband/samenhang: interactie (Descartes), parallellisme (Geulinx)

    • ontdekken van allerlei verbanden tussen fysische en bewustzijn, vgl. hersenonderzoek in verband met bewustzijnsverschijnselen; gevolg: dualisme problematisch, tendens naar fysicalisme: materiële verklaring van het bewustzijn gezocht
    • feitelijke herleiding blijkt niet mogelijk; vgl. de vereisten voor reductie van theorieën: brugprincipes, afleidingsmogelijkheid. M.a.w. is er wel samenhang, maar geen identiteit.

    • stelling van principiële onherleidbaarheid van het subjectieve perspectief: qualia als kleurervaring; maar ook het zogenaamde 'eerste persoonsperspectief' met o. a. vrijheidservaring, maar ook 'zelfervaring' van een vleermuis (vgl. Thomas Nagel, What is it like to be a bat?) naast 3e persoonsperspectief van de wetenschap

    • Daardoor nu verschillende opvattingen:

    • eliminativisme: bewustzijnsverschijnselen zijn te herleiden tot fysische waardoor uiteindelijk typische bewustzijnsbegrippen overbodig worden (P. en P. Churchland).

    • reductionisme: herleiding van begrippen is in principe mogelijk, hoewel feitelijk/praktisch niet altijd realiseerbaar, maar bewustzijnsbegrippen blijven zinvol (vgl. W. Drees).

    • epistemologisch non-reductionisme (non-reductief fysicalisme) vanwege feitelijk en principieel geconstateerde beperkingen; tegelijk vasthouden aan ontologisch reductionisme: hele werkelijkheid is opgebouwd uit fysische componenten (Searle? Drees); nieuwe eigenschappen ontstaan door complexiteit van organisatie van deze elementen.

    • dualisme van eigenschappen (niet van substanties) vanwege onherleidbaarheid (Thomas Nagel, ook David Chalmers, The conscious mind?).

    • Voorbeeld ter verduidelijking: neurofysiologische verklaring van pijn in relatie tot pijngevoel:
    • eliminativisme: gevoelstermen kunnen worden vervangen door de begrippen van de neurofysiologie;
    • reductionisme: gevoelsverschijnselen kunnen worden verklaard met begrippen en theorieën van de neurofysiologie, maar blijven zinvol;
    • epistemologisch non-reductionisme / ontologisch reductionisme: gevoelsbegrippen kunnen niet worden herleid tot die van de neurofysiologie juist vanwege het voorkomen van gevoel, de eigenschappen ontstaan wel vanuit fysische elementen die op nieuwe wijze worden georganiseerd;
    • dualisme van eigenschappen: bewustzijnsverschijnselen zijn niet te herleiden tot die van de fysica en dat heeft ontologische betekenis (in hoever er toch niet een ontologisch naturalisme wordt aangehangen is niet altijd duidelijk).
    • Van belang:
      • de verklaring van pijn met behulp van de neurofysiologie vooronderstelt de notie van pijn als pijngevoel. Daarom worden bepaalde neurofysiologische structuren onderzocht. Fenomenologisch begrip van pijn blijft onmisbaar.
      • bovendien: in veel gevallen is de neurofysiologische basis van pijngevoelens nog niet bekend.
      • Positie reform. wijsbegeerte: epistemologisch én ontologisch non-reductionisme; methodologisch reductionisme.


    Analyse en alternatief

    Zelfkennis als methodisch resultaat

    • Opvatting van objectivering:
    • werkelijkheid als object van het denken.
      • afzien van het subjectieve: werkelijkheid wordt zoveel mogelijk op zichzelf gezien, los van het subjectieve perspectief (van mij persoonlijk, van mijn cultuur, van het menselijke; H. Putnam: A God's Eye View of the World). Vgl. afstand van de concrete ervaring bij Descartes.
      • objectivering beoogt de werkelijkheid als geheel in het oog te krijgen, m.a.w. werkelijkheid als zodanig wordt geobjectiveerd. zie: Thomas Nagel, A view from nowhere (is zich tegelijk bewust van de problemen: subjectieve is als zodanig niet objectiveerbaar).

      • Voorbeeld: van primaire (fysische) en secundaire (zintuiglijke) eigenschappen:
      • herleiden van de laatste tot de eerste: kleur tot golflengte van licht;
      • secundaire eigenschappen als subjectief; verstaan daarvan als primaire die dan objectief worden geacht

    • Daartegenover:

      • objectivering feitelijk niet betrokken op werkelijkheid als zodanig, maar op bepaald aspect van de werkelijkheid.
      • Vgl. voorbeeld:
      • de typische begrippen die worden gehanteerd: fysische begrippen i.v.m. primaire eigenschappen,
      • secundaire eigenschappen als kleur e.d. enerzijds met de primaire verbonden vgl. kleur en golflengte van licht, anderzijds niet herleidbaar: kleur behoort tot zintuiglijke ervaring, is als zodanig bewustzijnsverschijnsel en niet herleidbaar tot fysische begrippen;
      • vgl. ook pijn en neurofysiologie: typische van neurofysiologische analyse van pijn afhankelijk van fenomenologische pijn.
      • Iets soortgelijks t.a.v. kleur en golflengte: wel onderscheid tussen rood en groen o. gr. v. golflengte, geen mogelijkheid om de ervaring van kleur als zodanig op deze wijze te beschrijven.

    • Achtergrond van idee van herleiding en totale objectivering:
      • nieuwe van de klassieke natuurwetenschap: functionele benadering in plaats van zoeken naar essentie van dingen; vgl. wet van de zwaartekracht die verscheidenheid van verschijnselen onder één noemer brengt (vallende appel, eb en vloed, beweging van maan en sterren etc).
      • Enerzijds deze functionele benadering in principe gericht op een bepaald aspect: fysische, vgl later biologie i.v.m. functionele samenhangen van organisme met omgeving. Tegelijk poging o.gr. v. bepaalde eigenschappen het wezen van iets vast te stellen; vgl. Descartes: twee substanties met elk een bepalende eigenschap.
      • Daardoor ondanks functionele benadering vanuit bepaald gezichtspunt toch ontologische totaalpretentie.

    • Daartegenover:
      • vasthouden aan aspectkarakter van bepaalde analyses: eigen gezichtspunt met typisch eigen begrippen,
      • geen totaalpretentie (NB soms aanwezig in de formuleringen van Nagel).

      • gevolg:
      • bij methodische objectivering als gericht op bepaald aspect en niet op werkelijkheid/verschijnsel als geen pretentie van totale kennis. Wetenschappelijke kennis kan dan de werkelijkheid van de ervaring niet reconstrueren, laat staan vervangen; is steeds bepaald door een beperkt gezichtspunt.
      • Vgl. causale verklaring als verklaring in totale zin of vanuit gekozen beperkt gezichtspunt onder voorwaarde van de ceteris paribus formule.
      • Daardoor mogelijkheid van herwaardering van de concrete ervaring. Deze is wel betrokken op de integrale werkelijkheid, niet als totaal, maar als concreet met een veelheid van aspecten.


    De spanning tussen concreet zelfverstaan en methodische kennis

    • Oplossing van de spanning:
    • het concrete 'ik', 'zelf' is in de ervaring gegeven,
    • het kan niet gereconstrueerd worden door methodische analyse vanwege het abstracte karakter daarvan.
    • in de concrete zelfervaring kunnen de abstracte analyses van het wetenschappelijk onderzoek geïntegreerd worden:
    • structuren maken het functioneren van het concrete ik mogelijk, zij behoren tot het 'ik' maar dit gaat er niet in op. Vgl. mogelijkheid van vrijheid en verantwoordelijkheid op basis van structuren.
    • Vgl. het voorbeeld van het schaakspel
    • regels maken het spel mogelijk zonder dat het concrete spel herleidbaar is tot de algemene regels of op grond daarvan voorspelbaar; vgl. de unieke zetten; trouwens ook de omstandigheden etc.

    NB Dit betekent niet dat de concrete zelfervaring feilloos zou zijn. Wetenschappelijk onderzoek kan ook corrigerend zijn, verdiepend enz. Punt is dat de concrete zelfervaring als zodanig nooit door wetenschappelijk-methodische kennis vervangen kan worden. Wordt dit toch geprobeerd, dan raakt concrete zelfervaring buiten beeld.


    Het dualisme: bezwaren en alternatief:

    • het uitgangspunt:
    • formulering van het probleem in termen van bewustzijn - lichaam of hersenen - bewustzijn
    • d.i. uitgaan van ik = bewustzijn, d.w.z. van een objectiverende benadering

    • daartegenover: 'ik' valt niet samen met bewustzijn; vgl. ongerechtvaardigde maar vaak vanzelfsprekende overgang van 'I' naar 'mind'. M.a.w. in dualisme is vaak al uitgegaan van kennis als wetenschappelijke kennis tegenover de zelfkennis in de dagelijkse ervaring

    • de beperking van het dualisme

    • hersenen en bewustzijn, d.i. fysische en mentale
    • daartegenover:
      • geen reductie van leven tot fysische: eigen wetten van de biologie, bijv. natuurlijke selectie in de evolutie op grond van functionele 'fitness'
      • wat betreft het mentale: onderscheid tussen wetten van zintuiglijke ervaring en logische van het denken; van taal, recht, economie, ethiek
      • m.a.w. er is een veel grotere verscheidenheid dan die van het dualisme (theorie van de modale aspecten).

    • De Cartesiaanse tegenoverstelling van bewustzijn en werkelijkheid
    • niet oorspronkelijk in onze ervaring
    • daartegenover eerder ervaren van samenhang. Vgl. ervaring van schoonheid evenals van economische waarde; zichtbaarheid en benoembaarheid.

    • Vgl. theorie van de aspecten als aspecten van samenhang op basis van bepaalde wetten, waarbij onderscheid tussen subject- en objectfuncties of actieve en passieve eigenschappen; voorbeeld van de boom; formulering van Stafleu: objectfuncties via subjectfuncties betrokken op bepaalde wetten, vgl. bomen en hun functioneren in de economie

    • structurele samenhang tegenover fysicalisme of dualisme
    • dimensie van verschillende entitaire of totaalstructuren; met in principe alle aspecten, maar op een typische wijze met elkaar verbonden, bijv. boom gekwalificeerd door aspect van organisch leven; schilderij door objectfunctie van schoonheid
    • enkaptische relatie als verbinding van totaalstructuren: enkaptisch structuurgeheel van entitaire structuren met in principe relaties in alle aspecten. Menselijke lichamelijkheid als enkaptisch structuurgeheel van fysische, biotische, psychische en ‘act’(= typisch normatieve) – structuren (vgl. denkact, gebedsact, koopact enz.)
    • Vgl. causaliteit als totaalverschijnsel en als wetenschappelijk analyseerbaar vanuit bepaald aspect: fysisch, biologisch (natuurlijke selectie; genetische samenhang), psychologie (via intenties); rechtsoorzakelijkheid en morele verantwoordelijkheid enz.
    • Op deze wijze filosofisch kader mogelijk om relatie tussen fysische, biotische, psychische, ethische enz. te begrijpen zonder reductionisme of dualisme.

    NB Dit is geen vakwetenschappelijke verklaring, maar een filosofisch kader voor de interpretatie van vakwetenschappelijk onderzoek.


    Zelfkennis in relaties

    • Ontwikkeling van zelfbesef:
    • vanuit een ‘zelf’ (1e persoon)
    • op grond van objectivering (3e persoon)
    • als antwoord op aangesproken en erkend worden (2e persoon)
    • mens als homo respondens
    • bijbelse scheppingsverhaal
    • Levinas: betekenis van de Ander
    • Fenomenologisch: mens als in verantwoordelijkheid antwoordend op andere mensen, situaties, grondvragen

    • structuren als antwoordstructuren:
    • gegevenheid
    • normatieve bepaaldheid
    • vrijheid en verantwoordelijkheid

    • ik als afhankelijk van de structuren maar er niet in opgaand

    • blijft: het geheim dat wij als mens zijn
    Inleiding reformatorische wijsbegeerte (10): het kennen

    Inleiding

    ? Is de norm voor kennis: ‘overeenstemming met de werkelijkheid’ (correspondentie)?

    ? Is kennis beperkt tot wetenschappelijke kennis?

    ? Hoe ‘subjectief’ is kennis in het algemeen en wetenschappelijke kennis in het bijzonder?

    ? In hoever komt je fundamentele levensovertuiging tot uitdrukking in kennis in het algemeen en in wetenschappelijke kennis in het bijzonder?


    Opzet:

    Kenmerken vanuit de geschiedenis van de filosofie

    Reformatorische wijsbegeerte:

    Filosofie, wetenschap en geloof / levensovertuiging

    Relatie tussen kennis en werkelijkheid


    Kenmerken vanuit de geschiedenis van de filosofie


    Weten en menen:

    Plato’s grotgelijkenis: concrete kennis en wetenschappelijke kennis

    Correspondentie tussen denken en zijn: de ‘rationele vorm’: Parmenides: hetzelfde is voor het denken en voor het zijn

    Descartes: methodische reconstructie vanuit het subject

    Kant: dogmatische en kritische metafysica i.v.m. de vraag naar de mogelijkheid van reconstructie; vormen van zintuiglijkheid (ruimte en tijd) en categorieën van het verstand (bijv. causaliteit, substantie) in het kennende subject

    Aristoteles: theoretische rationaliteit (fysica en metafysica) en praktische rationaliteit (ethiek)

    Tegenwoordig: anti-funderingsdenken tegenover Descartes: praktische rationaliteit ook i.v.m. de wetenschap

    Kennisleer (epistemologie) en zijnsleer (ontologie)

    Visuele metafoor (vgl. Plato):

    Vgl. ‘inzicht’, beschouwing, ‘theorie’ (oorspronkelijk).

    Nadruk op de rationele ‘vorm’: definitie, begrip, het blijvende tegenover het veranderende

    Objectivering en op zichzelf stellen tegenover bestaan in relaties

    Abstractie van de tijd

    Correspondentie als overeenstemming van de rationele vorm van het denken met die van het zijn

    Kant: constituering van de ervaring door de zintuiglijke vormen en de verstandscategorieën

    Tegenwoordig ontologie (metafysica) en epistemologie veelal opgevat als aparte gebieden: kennis als ‘justified / warranted true belief’ met discussies over rechtvaardiging (intern) of waarborg (extern) en waarheid (correspondentie; logische consistentie; pragmatisch)



    Reformatorische wijsbegeerte: Dooyeweerd


    Filosofie, wetenschap en geloof / levensovertuiging

    Achtergrond:

    V.U. als christelijke universiteit: idee van christelijke wetenschap

    Falen van bijbelse grondbeginselen

    Vollenhoven en Dooyeweerd: noodzaak van eigen christelijke filosofie als uitgangspunt voor eigen weg in de wetenschap

    Probleem: erkenning buiten eigen kring van deze filosofie als filosofie

    Dooyeweerd: ontwikkeling van de transcendentale kritiek: elke filosofie heeft een religieus uitgangspunt

    Transcendentale kritiek

    Transcendentaal:

    Kant: voorwaarde voor de mogelijkheid van objectieve theoretische kennis (synthetisch a priori); Dooyeweerd: voorwaarde voor de mogelijkheid van theoretisch denken

    Augustinus: verwijzend naar God; Dooyeweerd: transcendentale voorwaarden van het theoretisch denken zijn uiteindelijk religieus van aard

    Transcendentale kritiek:

    Immanente kritiek: vanuit de conceptie zelf

    Transcendente kritiek: vanuit een andere opvatting, evt. vanuit de theologie op de filosofie of wetenschap

    Transcendentale kritiek: van binnenuit naar de grenzen i.c. de vooronderstellingen

    Innerlijk aanknopingspunt tussen geloof / religie en theoretisch denken / wetenschap;

    Wetenschap vooronderstelt filosofische conceptie i.v.m. relatie tussen verschillende aspecten: het eigen veld van onderzoek en de andere aspecten waarnaar binnen het eigen aspect wordt verwezen (retrocipaties en anticipaties)

    Filosofie impliceert opvatting t.a.v. oorsprong, eenheid, samenhang en verscheidenheid

    Opvatting hierover bepaald vanuit religieuze overtuiging


    Historische analyse:

    Aantonen van de religieuze bepaaldheid (religieuze grondmotieven) van Griekse filosofie (vorm - materie motief) (Reformatie en Scholastiek in de Wijsbegeerte I); scholastieke denken (natuur – genade motief) (Reformatie en Scholastiek in de Wijsbegeerte II, artikelen in Phil. Ref.); humanistische denken (natuur – vrijheid motief) (Anti-Revolutionaire Staatkunde; Wijsbegeerte der Wetsidee I) en dialectische spanningen daarvan

    Structurele analyse van de mogelijkheidsvoorwaarden van theoretisch denken:
    Vanuit de aard van filosofie als op de zintotaliteit gericht denken: om de zintotaliteit te kunnen denken moet het ik daaraan deelhebben; noodzaak van zelfkennis; verband tussen zelfkennis en kennis van de Oorsprong

    Vanuit de aard van het theoretisch denken als bepaald door de Gegenstandsrelatie: logisch begrip en analyse van niet-logische aspecten:

    Probleem van abstractie: van de tijdsamenhang

    Probleem van mogelijkheid van synthese van logische en niet-logische

    Aard van de eenheid van het ik in relatie tot (idee van) Oorsprong

    Problemen:

    Innerlijke tegenspraak: met wijsgerige argumenten aantonen voor iedereen dat wijsgerige argumenten religieus bepaald zijn?

    Typering van het theoretisch denken als logisch – niet-logisch; vgl. analyse van het logische

    Opvatting van religie en de centrale eenheid van de mens als boventijdelijk; verbinding van tijd met verscheidenheid en samenhang; vgl. opvatting over eenheid en verscheidenheid; zin als uitdrukking en concentratie en divergentie.


    Blijvende betekenis:

    Vraag naar structurele samenhang; vgl. eerder genoemde 3 elementen: oorsprong (‘laatste horizon van verstaan van werkelijkheid’), eenheid (zelfverstaan), verscheidenheid en samenhang tussen de aspecten

    Nadruk op filosofie en wetenschap als menselijke activiteit tegenover het zuiver rationele (met geïmpliceerd zelfverstaan) of strikt methodische (miskenning van subject in alle kennis)

    kennis staat altijd in bepaalde horizon van werkelijkheids- en zelfverstaan:

    rationele opvatting van mens en werkelijkheid ( rationaliteit als omvattende norm

    werkelijkheid als schepping van God ( “vreze des Heren als beginsel der wijsheid / kennis”; daarbinnen ruimte voor een veelheid van normen; vgl. aspecten als ervaringswijzen met hun eigen normativiteit: goed waarnemen, goed analyseren, zorgvuldig spreken, goed toepassen van sociale, morele en rechtsnormen (vgl. Plantinga: het goed functioneren – properly functioning - van kennismechanismen)


    Relatie kennis en werkelijkheid


    Aspecten als zijnswijzen en ervaringswijzen: integratie van het kennen in het zijn

    Tegenover:

    rationele kennen en zijn tegenover het zintuiglijke en materiële (klassiek

    kloof tussen subject / bewustzijn en object / buitenwereld (modern)

    Verscheidenheid in het kennen:

    verscheidenheid met modale typering: zintuiglijke, morele, geloofskennis

    geen correspondentie tussen (absoluut) denken en (absoluut) zijn; wel overeenstemming van kennis en werkelijkheid in bepaalde zin

    eigene van wetenschappelijke kennis:

    Vollenhoven: modale abstractie; steeds fijnere onderscheidingen binnen een modaal veld

    Dooyeweerd: Gegenstandsrelatie; ontsluiting van het logische

    Van Riessen: abstractie van het subject: objectief, van het concrete: universeel; van het integrale: modaal; wetenschap als talige duiding van de wet

    Stafleu: theorieën als logisch gekwalificeerde artefacten; met 4 ontsluitingsrichtingen, geïllustreerd aan de fysica: mathematisch (retrocipatie), technisch (anticipaties), modaal (hele modale gebied omvattend) en synthetisch (entitaire structuren als moleculen en atomen) (zie: Phil. Ref. 1978, 18-37; 1980, 47-76)


    Metafoor van het horen tegenover de visuele metafoor

    De metafoor:

    een bevel: verlaat deze zaal zo snel mogelijk; er is brand uitgebroken op de 3e verdieping

    belofte: van trouw en zorg bij het huwelijk

    Verbinding van het algemene en concrete: uitvoering in concrete omstandigheden

    Betekenis van relaties: anderen bij uitvoering van opdracht / belofte betrokken

    Positieve betekenis van de tijd: nodig voor uitvoering

    Blijvende betrokkenheid van handeling op bevel of belofte: geen onafhankelijkheid

    Relatie tussen kwaliteit van bevel / belofte en van handeling

    Toepassing op het bestaan:

    Nadruk op het concrete bestaan in betrokkenheid op het algemene

    Nadruk op bestaan in relaties

    Positieve waardering van de tijd


    Toepassing op het kennen:

    Kennen als onderdeel van het antwoord – zijn – in – relaties

    Kennen als ‘horen’: ‘rechtdoen aan’ in specifieke situaties en relaties