door prof. dr. H.G. Geertsema
Hoe staan wij met ons geloof in de werkelijkheid? Dreigen wij met het christelijk geloof niet steeds meer te vervreemden van de mensen en het leven om ons heen? Wordt het gesprek over het geloof niet steeds moeilijker? Groeit er daardoor ook niet gemakkelijk een spanning in ons eigen bestaan tussen het geloof dat we zeggen te belijden en de wijze waarop we de werkelijkheid - in veel opzichten net als de anderen - ervaren?
Een eerste antwoord zou kunnen zijn: het vreemdeling-zijn is eigen aan het christelijk geloof. Abraham, het bijbelse voorbeeld van de gelovige, gaf gehoor aan een woord van God, verliet de plek waar hij met zijn familie woonde en bracht de rest van zijn leven als vreemdeling door in het aan hem beloofde land Kanaan. Iets dergelijks, maar dan in een meer geestelijke zin, geldt volgens het Nieuwe Testament van de christenen. Zij voelen zich niet thuis in deze wereld, hoewel deze, net als bij Abraham, voor de toekomst aan hen beloofd is.
Dubbele beweging
Hoe terecht deze reactie in bepaalde opzichten ook zou zijn, toch zou zij als antwoord op de gestelde vragen tekortschieten. Het geloven in bijbelse zin is inderdaad antwoorden op een woord van de andere kant. Dat brengt een spanning met zich mee ten opzichte van het vertrouwde leven hier en nu. Maar het betekent niet dat daarmee het geloof vreemd staat tegenover dat leven. Omdat het woord van de andere kant van de Schepper van het leven afkomstig is, heeft het juist in zich dat functioneert als een licht dat een dieper verstaan mogelijk maakt. Het is niet vreemd aan de werkelijkheid, maar geeft zicht op de waarheid ervan. Daarom heet het een licht op ons pad en een lamp voor onze voet.
Er kan daarom in zekere zin van een dubbele beweging worden gesproken. Het geloof hoort en aanvaardt wat van de andere kant komt, en wordt bevestigd doordat in dat licht het inzicht in deze kant wordt verdiept. Deze dubbele beweging is heel duidelijk aanwezig in het begin van het Spreukenboek. Uitgangspunt van alle wijsheid in het Oude Testament is de vreze des HEREN (Spr. 1:7). Wijsheid begint met luisteren naar gegeven onderwijs. Maar vervolgens wordt gezegd dat wie in die luisterhouding naar wijsheid zoekt de vreze des HEREN zal verstaan en kennis van God zal vinden (2:5).
Ik geef een voorbeeld. In het vijfde gebod wordt gevraagd: eert uw vader en uw moeder. Ik herinner mij een gesprek jaren geleden met een vrouw van omstreeks zestig jaar die duidelijk met haar leven vastgelopen was. Zelfs de goot was haar niet vreemd. Ze was intelligent, open en eerlijk. In het gesprek bleek dat zij als kind een slechte relatie met haar vader had gehad, waarschijnlijk vooral door zijn schuld. Het onverwerkte daarvan bleek de diepere oorzaak te zijn dat zij voor haar leven geen vaste koers had kunnen vinden. Het vijfde gebod raakt een fundamentele relatie in ons bestaan. Voorzover dat van ons afhangt moet die in orde zijn, anders dreigt zij ons bestaan te frustreren.
Ik weet dat aan dit voorbeeld veel meer vastzit dan ik hier uiteen kan zetten. Waarom het mij gaat is dat het vijfde geod niet vreemd is aan de werkelijkheid, hoezeer het ons soms ook tegen de haren instrijkt en hoezeer het ook vaak verkeerd wordt gebruikt. In het licht van dit gebod kan iets van de werkelijkheid doorzichtig worden en in het licht van de werkelijkheid kan de zin van het gebod worden verstaan. Voorbeeldig in dit verband zijn de korte films over de tien geboden van de Poolse filmer Kieslovsky.
Het is deze dubbele beweging vanuit het geloof naar de werkelijkheid en terug die maakt dat christenen niet vreemd behoeven te staan in de werkelijkheid en dat er ook een basis voor gesprek is. Het christelijk geloof kan ook vandaag worden verdedigd.
De intentie van Kuiterts boek
De hierboven geschetste verbinding tussen geloof en werkelijkheidsverstaan staat centraal in het
boek Het algemeen betwijfeld christelijk geloof. Een herziening van dr. H. M. Kuitert. Trouwens, ook in veel van zijn andere theologische publicaties. Deze hebben daardoor alle in belangrijke mate een apologetisch karakter. Zij bedoelden het christelijk geloof in deze tijd sterk te maken.
Ik noem een paar punten waaruit dat blijkt. In de eerste plaats is dat de methode. Kuitert spreekt over het christelijk geloof vanuit de algemeen menselijke vragen zoals die opkomen uit ervaringen van onzekerheid over de toekomst, lijden, een kwaad geweten, maar ook van vreugde, dankbaarheid en hoop. En hij wijst erop dat in bijna alle culturen deze ervaringen in verband gebracht worden met God. Mensen zijn niet noodzakelijk christelijk, wel religieus. Dat geeft een basis om met elkaar over de inhoud van het geloof te spreken.
Vervolgens probeert Kuitert de verschillende onderwerpen van de christelijke geloofsleer tegen deze achtergrond duidelijk te maken. Zij blijken in verband te staan met reële menselijke ervaringen: grondvertrouwen in God of in de toekomst en het aangevochten zijn daarvan; menselijke schuld en de mogelijkheid van verzoening; de moeilijk te aanvaarden gedachte dat het onrecht het laatste woord zou hebben; de behoefte aan een reëel adres voor onze nood. Tegelijk beseft Kuitert de beperkingen van deze aanpak. De aansluiting bij de ervaring lukt niet altijd, zoals bij de opstanding van Christus. En bovendien, argumenten brengen iemand in het algemeen niet tot geloof. Maar zij zouden al een functie hebben als zij twijfel aan de twijfel zouden oproepen (p.43).
Met de intentie waarmee Kuitert de inhoud van het christelijk geloof uiteenzet stem ik van harte in. Het zichtbaar maken van de relatie tussen geloof en werkelijkheid is niet alleen van belang voor het gesprek met anderen. Het is van fundamenteel belang voor het levend blijven van het geloof van ons zelf. Indien het geloof op geen enkele manier verband houdt met de ervaring, verliest het zijn vitaliteit en kan het alleen nog maar kunstmatig in stand gehouden worden.
Toch ben ik niet echt gelukkig met dit boek. Hoewel Kuitert op veel punten rake opmerkingen maakt in verband met het werkelijkheidsgehalte van het christelijk geloof, vind ik dat hij in tweeërlei opzicht tekortschiet. De inhoud van het christelijk geloof wordt te zeer gegrensd door wat voor het tegenwoordige, door de wetenschap gevormde, werkelijkheidsbesef aanvaardbaar is. En in de tweede plaats kan ik niet uit de voeten met Kuiterts opvatting dat alle geloof, ook het bijbelse, zijn oorsprong vindt in het spreken van mensen. Beide punten zal ik hieronder uitwerken.
De grenzen van ons weten
Ik ben het met Kuitert eens dat mensen in de twintigste eeuw niet gebonden kunnen worden aan
alle werkelijkheidsvoorstellingen zoals die in de bijbel hun neerslag gevonden hebben. Dat is
niet vol te houden en ook in strijd met de verantwoordelijkheid die wij als mensen volgens de
bijbel zelf hebben om kennis over de werkelijkheid te verwerven. Ons wereldbeeld is anders dan
in de tijd van het Oude en Nieuwe Testament. En dat mag ook. En dit verschil betreft niet alleen
onze kennis van de natuur, maar ook die van de geschiedenis. Het raakt zelfs onze opvattingen
over recht, ethiek en geloof.
De vraag is echter: hoe vinden we de maatstaven om de betrouwbaarheid van allerlei opvattingen te beoordelen? Hier volgt Kuitert mijns inziens te onkritisch gangbare opvattingen met een aureool van wetenschappelijkheid over wat mogelijk is en wat niet. Ik geef daarvan twee voorbeelden. Zij staan bij Kuitert beide in het hoofdstuk over de opstanding van Christus. Het eerste is op zich niet zo wezenlijk. Het is alleen illustratief. Het tweede betreft de opstanding zelf, namelijk de lichamelijkheid daarvan.
Het eerste voorbeeld gaat over het ijzer van de bijl in het verhaal van 2 Koningen 6. Dit ijzer is in het water gevallen en Elia laat het boven drijven, zodat het gepakt kan worden. Het gaat me nu niet om het verhaal zelf, maar om de redenering van Kuitert. Hij schrijft: 'Het kost geen enkele moeite om te geloven dat God bijlen kan laten drijven, de vraag is alleen of Hij dat doet. Als dat het geval zou zijn en ijzer morgen zou kunnen ontsnappen aan de zwaartekracht, geen trein zou er meer kunnen rijden' (p. 161).
Dit lijkt me een 'riedel' te zijn waarvan Kuitert zegt dat hij er zo'n hekel aan heeft: 'korte redenerinkjes waarmee mensen elkaar napraten, vaak in steno' (Trouw, 17 nov. 1989). Want wat is het geval? Niemand die gelooft dat Elia het ijzer van de bijl echt heeft laten drijven, denkt dat daarmee de wet van de zwaartekracht niet meer betrouwbaar zou zijn. Rijdende treinen kunnen dus niet tegen dit wonder worden aangehaald. Ook in de bijbel komen bijlen, die in het water gevallen zijn, niet altijd boven drijven. Maar bovendien, is het wel nodig dat de zwaartekracht voor dit geval opgeheven zou moeten worden? Er is geen enkele reden om dat aan te nemen. Er zijn meer fysische wetten dan de zwaartekracht. De natuur is bovendien geen gesloten systeem. Het is zelfs niet uitgesloten dat er voor wonderen wat betreft hun fysische aspect ook fysische verklaringen te geven zijn.
Het tweede voorbeeld is belangrijker. Van belang is eerst op te merken dat Kuitert de opstanding van Jezus op Pasen van wezenlijke betekenis acht voor het christelijk geloof. Hij houdt er dan ook aan vast. Alleen het lege graf houdt hij voor onbelangrijk. Dat onderdeel van de opstandingsverhalen doet hem teveel denken aan het verhaal van de opstanding van Lazarus en dat is voor Kuitert niet historisch (p. 165).
Ik begrijp niet hoe Kuitert zich zo gemakkelijk kan afmaken van het meervoudig getuigenis van het Nieuwe Testament. Het lijkt me zelfs onwetenschappelijk, gezien het karakter van de bronnen. Voor Kuitert geldt hier alleen het theologische argument van het belang van de opstanding en de identiteit van de persoon. Daarom wordt aan de opstanding zelf vast gehouden. De rest kan hem gestolen worden. De redenering lijkt kritisch. Zij is mij veel te gemakkelijk.
Ik denk echter dat Kuitert in het algemeen weinig kritisch omgaat met de verhouding tussen geloof en wetenschap, of breder: tussen geloofskennis en andere kennis. De eigen aard, de grenzen van beide en het karakter van de wederzijdse beïnvloeding komen bij hem te weinig tot hun recht. Kuitert heeft meer oog voor de betekenis die ontwikkeling van wetenschappelijke kennis heeft voor het geloof dan omgekeerd voor de invloed die een geloofsverstaan van de werkelijkheid heeft voor de opvatting van wat wetenschappelijk is. Op dit punt zou hij nog wel iets van de reformatorische wijsbegeerte kunnen leren.
Geloof als mensenwerk
Over Kuiterts opvatting van geloof, heb ik uitvoerig geschreven in mijn bijdrage aan het boekje
Kuitert onder kritiek (2). Ik neem de vrijheid voor een bredere bespreking daarnaar te verwijzen. Hier noem ik alleen als bezwaar dat de eerder genoemde dubbele beweging in Kuiterts opvatting van wat geloof is, niet tot haar recht kan komen. Kenmerkend voor deze dubbele beweging is dat zij begint als gelovig luisteren, niet alleen naar een geloofstraditie maar naar het woord van de andere kant. De gelovige weet zich aangesproken door God zelf. Daarop antwoordt hij in de overgave van het geloof. Vervolgens is er de beweging naar het in de werkelijkheid gezochte verstaan waardoor het geloof bevestigd wordt. Hier wordt dan ook een aanknopingspunt voor het gesprek gevonden.
Opmerkelijk is dat Kuitert deze dubbele beweging in principe wel volgt wanneer hij de inhoud van het christelijk geloof uiteenzet. De weg gaat dan van binnen naar buiten, zodat duidelijk wordt dat het christelijk geloof geen gesloten huis is, maar vol ramen en deuren naar de menselijke ervaring. Anders wordt het wanneer hij over geloof als zodanig gaat spreken. Zijn typering van godsdienstige geloofstradities als mensenwerk (p.23) wekt de indruk dat de beweging helemaal van een kant zou komen: van beneden naar boven, vanuit de menselijke ervaring naar God toe, of, in mijn terminologie, van buiten naar binnen. Op dit punt lijkt mij Kuiterts geloofsverantwoording helemaal mislukt. Hij slaagt er niet in duidelijk te maken hoe deze menselijke projectie ('alle spreken over Boven komt van beneden') tot echte ontmoeting met God zou kunnen leiden.
Kuitert beroept zich voor deze benadering op het argument dat er anders geen echte gespreksmogelijkheid aanwezig is met de niet- of anders-gelovige. Zijn boek bewijst het tegendeel. Het is heel goed mogelijk uitgaande van de inhoud van het christelijk geloof, te proberen het werkelijkheidskarakter ervan te laten zien. Daarvoor is het innemen van een neutrale positie niet nodig. Dan lukt het zelfs niet meer. En dat is nu precies wat Kuitert probeert met zijn opvatting van geloof als mensenwerk. Met de neutrale uitgangspositie tast hij het geloofskarakter van zijn eigen christelijke overtuiging aan. Zoals hij zelf ergens heeft geschreven: 'Onze kennis van God komt van God zelf, geen gelovige die het anders wil of kan zeggen' (Wat heet geloven? p. 208). De opvatting van geloof als van beneden, die hij zelf steeds weer met zoveel nadruk herhaalt, lijkt mij hiermee niet te verenigen.
Het christelijk geloof kan zeker verdedigd worden. Maar daarvoor is wel nodig dat het als geloof serieus wordt genomen.
Noten
N.a.v. H.M. Kuitert, Het algemeen betwijfeld christelijk geloof. Een herziening. Ten Have, Baarn 1992.
R. Kuiper (red) - Kuitert onder kritiek, Buijten en Schipperheijn, Amsterdam 1993.