door Mr. H. Nijenhuis
voorzitter van de Stichting D. H. Th. Vollenhoven
Waarde Voorzitter, wijsgerige vriendinnen en vrienden,
Op deze prestigieuze morgen-zitting, in de plenaire vergadering, tijdens de eerste bijeenkomst van de vereniging in dit opmerkelijke jaar, moet ik u presenteren het magnum opus van D. H. Th.Vollenhoven (1892-1978). Dit boek onder de titel Vollenhoven's Schematische Kaarten, door mij aangeduid als Schematisch Overzicht van de geschiedenis der wijsbegeerte, ligt hier voor mij.
Toen de voorzitter de drukproef had doorgenomen, kwam hij onze vergadering binnenhollen met de uitspraak: "maar dat is toch een heel merkwaardig boek!" Hij was onthutst, hij stotterde. Ook de presentator heeft defecten. Ik ben een gepensioneerde praktijkjurist en in uw gezelschap derhalve geestelijk zo plat als een euro-cent. Er was geen keus: twee en twintig jaar na het overlijden, acht en dertig jaar na ingang van het emeritaat van Vollenhoven, ben ik de voor deze functie enige overgeblevene.
Vollenhoven had vijf kinderen, alle gehuwd. Deze tien personen waren dus aan Vollenhoven in de eerste graad verwant, in de rechte neerdalende linie. Dit aldus reeds zwaar belaste gezelschap was ook nog eens verwant aan H. Dooyeweerd, in de derde graad in de zijdlinie. Ik behoor tot de tien. De enige van deze tien mengfiguren Vollenhoven en Dooyeweerd, die meer dan ik in aanmerking kwam hier te staan, zei tegen mij: doe jij die filosofie maar. En ik heb in mijn lange leven nooit geleerd Vollenhovens tegen te spreken.
Zo geviel het dat ik voor de vraag kwam te staan: moet ik alsnog op wijsgerige wegen gaan wandelen? Ik heb dat gedaan omdat ik in 1992 wel gegrepen was door dat grootse concept van Vollenhoven: de Geschiedenis der wijsbegeerte, opgebouwd met de probleemhistorische methode. Dat moet een grandioos panorama opleveren van al die filosofen, al die stromingen en typen. En ik zei: als dat wat worden moet, met de stapels kriebels, het nauwelijks leesbaar handschrift, al die studie, dat piekeren en zoeken van Vollenhoven, dan moet een klein instituut worden opgericht, een rechtspersoon, een geldzak, en dan kan Kor Bril van dat boek wat maken, misschien wel iets moois.
En daar staan we dan. Met alle tekortkomingen van het boek en de presentator heerst nu in deze zaal een spanning, die naar luid van de moderne media juist in de filosofie een vereiste is: filosofie immers is avontuur, een riskante zoektocht, het beklimmen van een steile rots. Ik vertel u het episch levensverhaal van Vollenhoven, de oudste en de professionele wijsgeer van de twee erkende vaders van de Calvinistische of Reformatorische wijsbegeerte, en ik leg, tegenover hem en tegenover u, verantwoording en rekenschap af van de uitgave van zijn levenswerk, alsnog zo postuum verschenen.
Van het leven in Nederland tussen 1910 en 1920 kunnen wij ons nauwelijks een voorstelling maken. Het waren de jaren omstreeks de Eerste Wereldoorlog - en Nederland stond daar buiten. Abraham Kuyper was van de ene op de andere dag ambteloos burger geworden en de Geweldige heeft te weinig weerstand kunnen bieden aan de verleiding voor een oud en groot man om nukkig en onaangenaam te worden en de vooruitgang, ja de gewone voortgang, te remmen.
In die dagen stonden uit het emanciperend legioen van Abraham Kuyper twee jonge mannen op, jonge honden, veulens op de eerste lentedag, boordevol elan vital van Henri Bergson, briljant van intellect - zij verbaasden hun leermeesters - , romantici als Rousseau, Goethe en Abraham Kuyper, altijd verliefd; zij spraken op de straten en pleinen over politiek en godsdienst, zij schreven in bladen voor jonge mensen over theologie, cultuur en wijsbegeerte, zij maakten gedichten en romans, zij schreven, voerden op en regisseerden klassieke tragedies: the sky was the limit. Zij heetten Dik Vollenhoven en Herman Dooyeweerd, geboren in 1892 en 1894, met door de geboortedatum maar een klas verschil. Zij kenden elkaar van de lagere school af, zij liepen door het Gereformeerd Gymnasium, zij renden door de Vrije Universiteit op weg naar de vanzelfsprekende en nodige promotie. En dan komen de verschillen tussen deze twee naar voren.
Dooyeweerd was de snelste. Hij studeerde rechten en na zijn doctoraal schreef hij een proefschrift over een staatsrechtelijk onderwerp: De Ministerraad in het Nederlandsche Staatsrecht. De promotie was reeds in 1917. Deze dissertatie was een meesterwerk: de biograaf van Dooyeweerd, Marcel Verburg, vermeldt juichend dat het boek na zeventig jaren nog steeds als een standaardwerk wordt beschouwd. De recensies waren lovend, maar een recensent was wel gevallen over een buitensporig aantal drukfouten: in de eerste vijftig bladzijden werden 47 drukfouten geteld. Het vermoeden rijst dan dat daarom het predikaat: cum laude, achterwege bleef: een dergelijke nonchalance werd een promovendus in 1917 wel kwalijk genomen. Maar het werk gaf Dooyeweerd alle vertrouwen op goede resultaten bij een volgend, nog grootser, werk. De belangstelling van Dooyeweerd voor de wijsbegeerte bleek uit enige beschouwingen van rechtsfilosofische aard, zoals een studie over de rechtsbronnen.
Een jaar later promoveerde Vollenhoven cum laude over het onderwerp: De Wijsbegeerte der Wiskunde van theistisch standpunt. Bij deze titel komen al reminiscenties op aan latere geschriften van zeer hoog abstract wijsgerig gehalte, als: Het Calvinisme en de Reformatie van de wijsbegeerte, en: De noodzaak ener christelijke logica. Het proefschrift was dan ook voor velen te moeilijk, zoals biograaf Stellingwerff vermeldt. En, waar Dooyeweerd in zijn verdere leven naar de ministerraad geen omkijken meer had, zo stelde Vollenhoven al zeer snel tal van uitspraken, termen en verhandelingen in het proefschrift ter discussie. Hij was nog volop in ontwikkeling, schrijft Stellingwerff, en dat zou zijn gehele leven zo blijven, voeg ik toe. Maar een hoofdlijn stond voor Vollenhoven van 1918 af vast: het heden moet uit het verleden worden verklaard en niet andersom.
Dit is niet een stelling van Dooyeweerd, maar Vollenhoven heeft steeds gehandhaafd, ook bij de geschiedenis der wijsbegeerte: de oude typen gaan tot op heden voort en de strijd van vroeger dagen is principieel geen andere dan die van onze tijd (Stellingwerff, blz. 29). Zo ook H. Berkhof, 200 Jahre Theologie, 1985, aan het slot, een schitterende Duitse volzin, beginnend met: Die Geisteswissenschaften kennen keinen Fortschritt.
Een tussenbalans van Dooyeweerd en Vollenhoven, in alfabetische volgorde vermeld: zij beiden hebben in principe de opdracht van Abraham Kuyper aanvaard om een Calvinistische wijsbegeerte te ontwerpen. Zij zullen deze roeping beiden, ieder op zijn wijze, nakomen. Niet samen. Ik denk altijd: zij hebben samen nog niet een enkele brief kunnen schrijven.
Dooyeweerd
Eerst ga ik nu alleen met Dooyeweerd verder, kort, om dan breder met Vollenhoven door te gaan. Dooyeweerd schreef in 1935-1936 een behoorlijk uitgewerkte systematisch opgebouwde wijsbegeerte onder de titel: De Wijsbegeerte der Wetsidee. Alweer een meesterwerk - zij het door Vollenhoven prematuur geacht; het was het boegbeeld van het neo-calvinisme. In het voorwoord spreekt Dooyeweerd over mijn filosofie; hij spreekt van christelijke wijsbegeerte, noemt een reformatie van de wijsbegeerte en eindigt het voorwoord met vermelding van de vreugde en vrede bij het verrichten van wetenschappelijk werk dat gegrond is op Christus, die is de Weg, de Waarheid en het Leven.
Voor een filosofisch werk heeft het boek in binnen- en buitenland veel aandacht en ook bijval gekregen. De grote attractie van de publicaties van Dooyeweerd is: deze boeken zijn af, ze zijn compleet en er behoeft in jaren niets te worden gewijzigd.
De tweede druk van De Wijsbegeerte der Wetsidee, achttien jaar later, in 1953, begonnen, in het Engels geschreven onder de titel: A New Critique of Theoretical Thought, bevat aanvullingen, geen echte wijzigingen. Dooyeweerd heeft daarna ook geschreven over filosofen uit de Oudheid en uit de middeleeuwen; ik denk dat hij niet langer op Vollenhoven kon wachten. Zijn rechtsfilosofie is door zijn opvolger Van Eikema Hommes in grote boeken uitgewerkt. In de Verenigde Staten zijn nu nieuwe uitgaven en vertalingen in behandeling.
In de 20e eeuw zijn Vollenhoven en Dooyeweerd telkens weer in een adem genoemd. Dat geeft aanleiding tot de gedachte, dat de betekenis van de beide filosofen voor de Vereniging en de Stichting Bijzondere Leerstoelen gelijk is. Het lijkt mij dat deze formule voor de 21e eeuw zeer wel gehandhaafd kan blijven; dat kan gemakkelijk nu ook een definitieve versie van de Schematische Kaarten van Vollenhoven ter tafel ligt. Een exemplaar van dit nieuwe boek zal ik zenden aan Herman Dooyeweerd Jr., de President van de Dooyeweerd Foundation. De tekst van deze toespraak gaat daarbij plus een familiaire brief; dat wordt dan een geresigneerd schrijven tussen twee oude heren, een gepensioneerd jurist en een rustend bankdirecteur, die op het gebied van de zo vreemde wijsbegeerte alles wel hebben meegemaakt. Ik zal Herman Dooyeweerd Jr. aanraden nauwer contact met uw vereniging te zoeken; immers, er is gemeenschappelijke interesse en parallel lopend belang.
Verder met Vollenhoven
Van 1921 tot 1926 was hij predikant in Den Haag. In 1922 is hij zo bedolven geweest onder het werk en heeft hij bovendien zoveel te verwerken gehad, dat hij begin 1923 zwaar overspannen in een psychiatrische kliniek moest worden opgenomen en tien maanden nodig had voor herstel. Dat was dramatisch. Vollenhoven was net 30 jaar, hij was gehuwd en er waren drie heel jonge kinderen.
Het was zo gekomen door een combinatie van ambtsbezigheden en een worsteling met moeilijke en gevoelig liggende wijsgerige stof. A.Janse, hoofdonderwijzer te Biggekerke, had geschreven over scholastiek in de gereformeerde dogmatiek en had gesteld, zo ongeveer, dat de "onsterflijke ziel" noch onsterflijk noch ziel was. Vollenhoven neigde tot de opvattingen van Janse, maar hij moest die, breder en dieper dan Janse kon, uitwerken en doordenken. Hij moet begrepen hebben, dat deze vernieuwing voor hem grote problemen met de toen gevestigde orde in de Gereformeerde Kerken, de VU en Kampen met zich mee kon brengen. Er is een soort folklore over Vollenhoven, dat hij een kinderlijk geloof had. Mij komt die bewering niet plausibel voor.
Frappant is, dat de preek die Vollenhoven in die ochtenddienst moest afbreken, ging over "worden als een kind". Ik ben gelukkig met de omschrijving van "worden als een kind" door Henri Nouwen in zijn boek Eindelijk Thuis, nl. "Jezus vraagt me niet kind te blijven, maar een kind te worden. Kind worden is leven naar een tweede onschuld toe, niet de onschuld van een zuigeling, maar de onschuld die door bewuste keuzes wordt bereikt." Misschien kan wie aarzelt bij die onschuld van Nouwen de lijn nog doortrekken naar "opnieuw geboren worden" uit het gesprek met Nicodemus.
Na een klein jaar was het herstel finaal; nimmer is een herhaling opgetreden, hoewel Vollenhoven altijd zijn neiging heeft gevolgd te vele en te zware taken op zich te nemen. Het belang van deze fase in het leven van Vollenhoven kan achteraf zijn geweest, dat hij reeds voor de benoeming tot hoogleraar bewust bezig was met bestrijding van de scholastiek, ook de protestantse, en dat hij enkele jaren later met vaste overtuigingen de VU-arena mocht betreden.
Zoals Dooyeweerd moest worden gehoord - elk college was een meeslepende redevoering, een indrukwekkend gebeuren - zo dient men Vollenhoven te lezen. Wie een A4 van Vollenhoven heeft verwerkt, dat wil zeggen elke zin twee- of driemaal heeft gelezen, kan een conferentie bijeenroepen om de aangeroerde thema's te behandelen; wie op dezelfde manier een hoofdstuk las, heeft een jaar collegestof tot zich genomen, voor gevorderden wel te verstaan. Geen der reformatorische filosofen heeft de wijsgerige lat zo hoog gelegd als Vollenhoven, geen heeft ook zoveel tegenstand en harde kritiek moeten verduren.
Vollenhoven had een groot visioen: de Geschiedenis der Wijsbegeerte, geheel geschreven met toepassing van zijn consequent probleemhistorische methode. De verwezenlijking zou tien delen vergen: deel I de prae-platonici, deel II Plato en Aristoteles, beide delen geschreven door Vollenhoven zelf; verder de delen III tot en met X te schrijven door zijn leerlingen en opvolgers. Na 1945 kreeg Vollenhoven wat meer tijd voor zijn grote project: in 1950 verscheen deel I, een naar uiterlijk en inhoud voornaam werk, 600 pagina s groot, geheel geschreven in dat strakke, systematische patroon van Vollenhoven. Aan iedere filosoof stelt hij zijn vragen en de antwoorden haalt hij uit de werken van de betrokken wijsgeer, waarna deze van Vollenhoven zijn plaats krijgt op de betreffende schematische kaart.
Men kan natuurlijk een boek lezen zonder daarvan veel te begrijpen. Dat heb ik met deel I gedaan en toen heb ik mij afgevraagd: wie heeft Vollenhoven toch gebracht tot die strakke formuleringen, die scherpe indelingen en onderscheidingen? Ik heb gezocht en de dader gevonden: Calvijn. Vollenhoven was een ware Calvinist. Zoals de hedendaagse VU-docent Jona Lendering schrijft in: De klassieken na de oudheid (1999): "De geschiedenis van het Calvinisme is echter ook een verhaal van mensen met een ongekende plichtsbetrachting; de rusteloze activiteit van de volgelingen van Calvijn is spreekwoordelijk."
Toen deel I in 1950 verscheen, was het bastion der objectieve wetenschap, onderhouden en bijgewerkt door verlichte denkers, nog bijna niet aangetast. De grote storm kwam nog, twintig jaar later: "dames en heren, wat u van de katheders af staat te beweren, is irrelevant geleuter." Vollenhoven bezette in 1950 niet een maagdenhuis of een universiteit, maar hij schreef zijn wetenschappelijk boek. Dit werk kon maar door enkelingen worden gelezen en eigenlijk door niemand in Nederland op korte termijn waardig worden beoordeeld. Vier recensenten, - twee filologen, een theoloog en een filosoof, geleerden van naam - hebben deel I aan stukken gescheurd. En voor wie zich daarin verdiept, was dat niet eens helemaal onbegrijpelijk. Maar wel veel te lichtvaardig, achteraf bezien onwetenschappelijk en, op afstand, juridisch gesproken: een onrechtmatige daad.
In 1950 was K.J. Popma de aangewezen verdediger tegen de aanvallen op Vollenhoven's Geschiedenis der Wijsbegeerte, deel I. Popma, classicus en filosoof, kon uitstekend schrijven, levendig, duidelijk, met ironie, genuanceerd en niet grof. Hij bestreed de kritiek in een breed artikel in Philosophia Reformata, 1952, 3e kwartaal. De titel van Popma s artikel luidt: Historicale methode en historische continuiteit. Door Vollenhoven en andere filosofen is opgemerkt dat in de wijsbegeerte een continuiteit, een samenhang, bestaat. Deze omstandigheid maakt het schematisch overzicht van Vollenhoven mogelijk; hij spoort de onderlinge verbanden met zijn methode op en verwerft zich zo een nieuw inzicht. Deze werkwijze was in 1950 nog onbekend, dus ook aan de recensenten.
Popma noemt het boek Geschiedenis der Wijsbegeerte herhaaldelijk Vollenhoven's levenswerk. Voorts schrijft hij, dat aan de publicatie van deel I vijf en twintig jaren studie is vooraf gegaan. Dat laatste lijkt mij iets te veel gezegd. Vollenhoven heeft altijd aan de geschiedenis gewerkt, maar van 1926 tot 1945 had hij als enige hoogleraar wijsbegeerte aan de VU een enorm programma. Van 1945 tot 1975, toen hij moest stoppen, heeft hij inderdaad absolute prioriteit aan de geschiedenis van de wijsbegeerte gegeven. Met nog enige jaren Tony Tol en dan nog twintig jaren van Kor Bril moet dat voor de publicatie maar genoeg zijn.
Uit Popma's artikel geef ik hier alleen nog een citaat, dat ook geheel op de Schematische Kaarten van toepassing is. Popma schrijft: "Wie dit boek (dat is: deel I) wil verstaan moet weten vast te houden: zijn auteur pretendeert nergens een eindpunt of zelfs maar een rustpunt in het onderzoek te hebben bereikt. Veeleer zal hij van overtuiging zijn, dat aan de interpretatie van alle door hem behandelde figuren nog ontzaglijk veel te doen is. Van belang is echter dat de door Vollenhoven gehanteerde methode een inzicht in- en een uitzicht op de historische continuiteit van de geschiedenis der wijsbegeerte opent, als met de gebruikelijke en veelal "philologisch" genaamde werkwijzen nimmer bereikt is en ook nimmer bereikt zal worden." Dit is, schrijft Popma even verder: "voor wetenschap en wijsbegeerte van het allerhoogste belang." (K.J. Popma, Philosophia Reformata 1952, blzz.112, 113.)
Als gevolg van de slechte ontvangst van deel I werd de subsidie voor assistentie van Vollenhoven niet verlengd, deel II en volgende zijn niet verschenen en Vollenhoven moest vrijwel alleen verder werken aan het project: de geschiedenis der wijsbegeerte, te schrijven volgens de probleemhistorische methode.
Noodgedwongen besloot Vollenhoven toen de tien delen uit te kleden tot op het geraamte. In het vandaag gepresenteerde boek: Vollenhoven's Schematische Kaarten, staan centraal de namen van ongeveer 1400 filosofen, met achter iedere naam enige karakteristieken. Deze karakteristieken zijn aangegeven op de schema's die tezamen de kaarten vormen. Op de horizontale lijnen van de kaarten zijn aangegeven de door Vollenhoven zo genoemde tijdstromingen, zeg maar de wijsgerige tijdgeest. Een filosoof leeft in een bepaalde periode; dan is een tijdstroming als bijvoorbeeld positivisme op hem van invloed. Daarnaast ondergaat de filosoof invloeden van typen of denktradities. Een filosoof staat immers ook onder de invloed van denkwijzen die uit vroeger tijd zijn komen aanwaaien.
De lijst van ongeveer 1400 filosofen is in Vollenhoven's Schematische Kaarten opgenomen onder 9.4. Achter elke naam zijn vermeld, in cijfers, de tijdstromingen en typen. De lijst van de tijdstromingen staat onder 7.1 en de typen worden opgesomd in 7.2. De betekenis van de cijfers ter aanduiding van de tijdstromingen en typen is dus te vinden in 7.1 en 7.2. Achter de naam van de filosoof in het personenregister (9.4) is ook vermeld het nummer van de schematische kaart op welke de filosoof vermeld staat.
Wie deze exercitie heeft gevolgd, heeft volgens Vollenhoven voldaan aan de minimale wijsgerige acribie of zorgvuldigheid. Dit stadium is dus vrij gemakkelijk te bereiken.
De Schematische Kaarten bieden zo een basaal inzicht in de westerse wijsbegeerte en geven de mogelijkheid allerlei verbanden op te sporen, gelijk Popma reeds vermeldde. Het is interessant te zien of in hetzelfde vak als de onderzochte filosoof meer collega's te vinden zijn en zo ja, wie dan wel.
Ook een zijwaartse excurs is niet te versmaden; men vindt dan filosofen uit dezelfde tijdstroming maar met andere typen.
Een trip omhoog in de kolom waarin het genoemde vak voorkomt is zeker aan te bevelen; de typen die in het denken van de onderzochte wijsgeer een rol blijken te spelen, behoren veelal tot de denktradities van de oudheid.
De lezer van het boek zal blij verrast zijn en aangemoedigd worden door de herkenning van de methode van zijn vroegere nintendo-spelen.
De kaarten tonen de continuiteit en samenhang in de geschiedenis van de wijsbegeerte en aldus de denkgemeenschap die de discussie tussen de filosofen van alle tijden toelaat. Dooyeweerd heeft zich met die denkgemeenschap beziggehouden, uitvoerig in zijn transcendentale kritiek. En over die verbanden herhaal ik hier even wat Popma in cursieve letters schreef: inzicht in de filosofische verbanden is voor wetenschap en wijsbegeerte van het allerhoogste belang.
Het boek: Vollenhoven's Schematische Kaarten is een uiterst compacte editie van De Geschiedenis der Wijsbegeerte, de niet-verschenen 10 delen. Beide werken zijn gedacht vanuit dezelfde visie en op dezelfde grondslag. Daarom zijn het Woord Vooraf en de Inleiding van deel I van toepassing op Vollenhoven's Schematische Kaarten. Aanvankelijk heb ik het gehele Woord Vooraf hier willen opnemen, maar ik bedacht me tijdig dat Vollenhoven gelezen moet worden. Daarom hier alleen een weergave en enkele citaten:
Vollenhoven schrijft, dat hij niet zomaar een nieuwe Historia Philosophiae wilde schrijven. Hij stelt: "Van meet aan stond me dan ook iets anders voor ogen. In de eerste plaats wilde ik een poging wagen, mede dat deel der menselijke cultuurgeschiedenis te bestuderen bij het licht der Woordopenbaring, dat ook hier niet zonder schade voor het onderzoek wordt buitengesloten". Het boek (deel I als eerste van de tien delen) is niet anders dan een uitvoering van het program dat in Het Calvinisme en de Reformatie van de wijsbegeerte (1933) is ontvouwd. Dan volgt een omschrijving van de probleemhistorische methode. Ik citeer: "...zo kwam geleidelijk het ene historische verband na het andere open te liggen en ging me het ideaal wenken, geheel het aanvankelijk zo onoverzichtelijke labyrint van wijsgerige concepties orienterend in kaart te brengen. Deze gang van zaken doet me vertrouwen, dat, al was het primair het eigene in uitgangspunt en methode hetwelk me tot deze uitgave noopte,
voor hen die in een dezer twee of ook in beide opzichten van me verschillen, de geboekte resultaten deze publicatie zullen rechtvaardigen".
En het slot van Woord Vooraf: "Moge ook deze publicatie in de eerste plaats het in brede kring groeiend verlangen naar inzicht in de gang van de geschiedenis der wijsbegeerte ten goede komen , met tenslotte de aansporing op dit zo vruchtbare, doch nog altijd niet voldoende ontgonnen veld methodisch verder te werken."
De onderzoeker, die al of niet methodisch verder wil werken, zal met de minimale acribie van de Schematische Kaarten niet kunnen volstaan. De kaarten sec maken dan ook maar een deel uit van het nieuwe boek.
De verdienste van Dr. K. A. Bril voor deze uitgave is enorm. Vollenhoven heeft van meet aan geweten, dat hij met de Geschiedenis der Wijsbegeerte iets nieuws maakte. Dit boek is in de eerste plaats zijn project, hij is de primaire auteur, hij is ook de eerst-verantwoordelijke. Maar het werk van Bril aan dit boek is eveneens uniek: zijn toewijding is nu al legendarisch, zijn kennis van zaken en zijn ijver zijn onmisbaar geweest. De verdienste van Bril is minder dan die van Vollenhoven, maar niet meer dan een paar procenten minder.
Ook Drs. P. Boonstra heeft een essentiele bijdrage aan dit boek geleverd. De Vollenhoven-groep hoopt van Boonstra in de toekomst nog meer te vernemen.
Bril heeft het werk voorzien van een, welhaast volledig, overzicht van de verschillende uitgaven van de Schematische Kaarten; verder: commentaren, toelichtingen, literatuuropgaven - tot 1999 toe -, lijsten van namen, verwijzingen, afronding en correcties in de door Vollenhoven nagelaten kaarten.
Ik noem hier nog speciaal de afdeling 11.1 van het boek:
Trefwoorden bij het personenregister. Veelvuldig wordt in het personenregister verwezen naar de alfabetisch gerangschikte trefwoorden. Dit commentaar van Bril gaat door tot 1999, waar Vollenhoven in 1975 heeft moeten stoppen. Dit gedeelte 11.1 is de laatste jaren telkens uitgebreid. Die uitbreiding had vrijwel onbeperkt kunnen doorgaan; maar wat nu hier geboden wordt is aanzienlijk. Het komt mij voor, dat de onderzoeker die de minimale acribie te boven wil komen, met het studiemateriaal van Kor Bril een zeer goede kans van slagen heeft.
Als slot van dit verhaal volgt nu de verantwoording voor deze niet alledaagse uitgave. Ik wil dit doen, tegenover Vollenhoven, in wijsgerige traditie: met een dialoog. De ene partij is: V (107), senior wijsgeer. Wederpartij is N (74), gepensioneerde. Er is een vader-zoon verhouding. De kameraderie is getemperd: beide heren komen uit vroeger tijden.