[/41d]

HISTORIA PHILOSOPHIAE.

II. Geschiedenis van de wijsbegeerte na Christus.

EERSTE STUK

Toenemende synthese (ong. 40 - ong. 1310 na C).

Deel I. De wijsbegeerte uit de tijd van de patres.

October 1941.

[/41d3]

HET EERSTE STUK.

DE WIJSBEGEERTE IN DE TijD VAN DE TOENEMENDE SYNTHESE.

(ong. 40 - 1300 na Chr.).

[Inleiding.]

Par. 203. Karakter van deze periode.

De synthese zou wel nimmer in zo brede kring weerklank hebben gevonden, indien deze periode niet tevens ware gekarakteriseerd door een geleidelijk inniger worden van het contact tussen Hellenistisch en Germaans leven.

 

Par. 204. Indeling.

Deze dient rekening te houden met de verhouding van de beide met elkaar in contact staande milieus.

Aanvankelijk was bij het geleidelijk inniger worden van beider contact het Hellenistisch leven althans cultureel goeddeels de gevende partij. Mettertijd kwam daarin echter verandering. De triumftocht van de Saracenen in de zevende eeuw aangevangen, maakte met de verovering van Spanje (711) en van de straat van Messina (349) de Middelandse Zee tot een Islaams meer. Dit had ten gevolge, dat West en Oost van elkaar vervreemdden en in het Westen de Germaanse cultuur de overhand verkreeg over de Latijns-Hellenistische.

Vandaar dat men heeft te onderscheiden:

Deel I: De tijd van de patres (ong. 40 - ong. 800);

Deel II: De Middeleeuwen (ong. 800 - ong. 1300).

[/41d3]

DEEL I. DE WIJSBEGEERTE IN DE TIJD VAN DE PATRES.

Inleiding.

Par 205. Gedachtengang.

Uiteraard zoeken niet alle wijsgeren in deze hoofdperiode een synthese. Aanvankelijk zijn zij die het Evangelie niet kennen zelfs nog in de meerderheid. En ook later, wanneer de prediking van de Christus meer bekendheid verkrijgt zijn er velen, die, inziende, dat Evangelie en onchristelijke wijsbegeerte zich niet laten verbinden, het met de laatste houden. Doch mettertijd wordt hun aantal kleiner en hun invloed geringer. Bovendien worden ze nog vaak antithetisch beheerst door de synthese die ze bestrijden. Vandaar dat dit tijdperk is te typeren als in de titel geschiedde.

Bij deze synthese zijn met elkaar verbonden elementen te onderscheiden. Het ene van deze oude onchristelijke wijsbegeerte werd behandeld in Hoofddeel I. Voor het synthetisch streven kwamen natuurlijk het meest in aanmerking de systemen in het laatste deel daarvan besproken. Zij waren de vrucht van geheel de wijsgerige ontwikkeling bij de volkeren, die van de woord-openbaring vervreemd waren. Zullen we nu de synthese verstaan, die deze wijsbegeerte goeddeels aanging met de momenten van de wereldbeschouwing in het Evangelie vervat, dan dienen we eerst deze laatste afzonderlijk te beschouwen. Dat is de taak van deze inleiding.

 

Par. 206. Karakter en indeling.

I. Karakter.

Men leze de Heilige Schrift zoals deze zich zelf geeft, en dus als resultaat van de woordopenbaring omtrent de wil Gods omtrent onze verlossing (en omtrent wat bij deze verlossing is ondersteld), dus als (door God Zelf gepositiveerde) wet voor ons geloof.

Derhalve mag zij niet opgevat als een handboek voor wijsgerige of vakwetenschapelijke (b.v. theologische) kennis. Zelfs zie men haar niet primair als bron voor niet-wetenschappelijke kennis. De Schrift immers richt zich tot ons geloof, dat - zolang het niet in ongeloof omslaat - te omschrijven valt als een voor waarachtig houden van wat God ons in Zijn woord openbaart, en "waarachtig houden" is meer dan louter (niet wetenschappelijk) kennen. Intussen bezit het geloof onder zijn retrocipaties ook die op het analytische. Vandaar dat geloven nimmer zonder onderscheiden en kennen is. Correlaat daarmee schuilt ook in de wet voor het geloof een element van niet-wetenschappelijke mededeling, dat zich tot het denken en kennen des geloofs richt.

Dit element nu speelde in de geschiedenis van de wijsbegeerte een grote rol. Vandaar dat een geschiedenis van de [/41d5] wijsbegeerte het niet mag verwaarlozen en waar dit toch geschiedt zich zelf het verstaan van de wijsbegeerte ten dele onmogelijk maakt.

II. Indeling.

Naar die van de woordopenbaring onderscheiden we:

A. De mededelingen van het Oude Testament.

B. Die van het Nieuwe.

 

A. HET OUDE TESTAMENT

Par. 207. Het meegedeelde omtrent God.

a. Nergens spreekt de Heilige Schrift van een oereenheid, uit welke ook God zou zijn voortgekomen.

b. Dat God als een onderscheiden wordt van de, door Hem geschapen, kosmos sluit niet uit, dat in Hem een veelheid is: het "ons" in Gen. 1:26 en 3:22.

c. Deze veelheid sluit het bestaan van Gode-immanente relaties in.

Opm. Deze relaties zijn volgens de H.S. nergens, zoals o.a. bij de Babyloniers, van sexuelen aard: sexe-verhoudingen zijn wel is waar niet onheilig; maar zij komen slechts bij het geschapene voor en dienen daar bovendien slechts tot vermenigvuldiging totdat deze bedeling voorbij is.

 

Par. 208. Het meegedeelde omtrent God als Schepper.

a. Overeenkomstig Zijn raad schiep God de kosmos.

Opm. 1. Deze raad heeft betrekking niet slechts op de kosmos, maar ook op de daden Gods met de kosmos. De H.S. geeft dan ook niet de minsten voet aan de opvatting als zou de kosmos een van God's doen onafhankelijke (zelf) ontwikkeling doormaken.

b. God en kosmos, schoon verbonden door de scheppingsdaad Gods, zijn hierin onderscheiden, dat God schepper is, de kosmos daarentegen het geschapene.

c. "God" is nog een andere aanduiding van God dan de "Schepper": de laatste naam duidt mede het verband aan waarin God krachtens Zijn schepping, tot de kosmos staat.

Opm. 2. Dit verschil in aanduiding is dus allerminst grond om de schepping aan God te ontzeggen en - gnostisch - aan de (een) demiurg toe te schrijven.

d. God doet met het geschapene naar zijn welbehagen: Hij is Soeverein. Daarbij houdt hij zich echter als de trouwe aan Zijn raad.

e. Nergens noemt de Heilige Schrift tussenwezens of halfgoden.

[/41d6]

Par. 209. Het medegedeelde omtrent het geschapene.

a. Allereerst onderscheidt de Heilige Schrift hemel en aarde.

Opm. Beide zij echter geschapen. Vandaar dat de Heilige Schrift nergens de verhouding van deze twee tot een Gode-immanente relatie maakt. Zij kent niet de onderscheiding van een licht en donkere natuur in God. [En] afortiori niet de verbinding van dit thema met dat van het sexen-verschil, volgens welke dan de donkere natuur het manlijk en de lichte het vrouwelijk correlaat zou zijn of omgekeerd de aarde het vrouwelijke en de hemel het manlijke bestanddeel in God zou vertegenwoordigen.

b. Hoewel de Heilige Schrift ons ook een en ander meedeelt omtrent de hemel (=/ sterrenhemel!) en zijn bewoners, spreekt zij tot mensen en handelt zij bij voorkeur over de aarde, inclusief de sterrenhemel.

 

Par. 210. Het medegedeelde omtrent de aarde.

a. Al kent de Heilige Schrift natuurlijk ook het (steeds ego-centrisch) waarnemingsbeeld met zijn bewegende zon, enz. en vat ze de aarde als de grondslag van haar gebergten, (Job 3:8), toch acht ze de aarde niet vast: de aarde is evenals het hemelgewelf over het ledige uitgespannen (Job 26:7) en aarde en hemel zullen vergaan (Ps. 102:27).

b. Waarheen een mens zijn blik ook wende, naar het land hier of de zee ginds, naar de fauna op aarde of de sterren in het uitspansel, naar de dieren of de medemensen - van alles dient hij te erkennen, "God heeft het geschapen".

Opm. Nergens stelt de Heilige Schrift God gelijk aan de sterrenhemel, de vorm van de aarde, enz..

 

Par. 211. De mededeling omtrent de verhoudingen van de dingen op aarde tot God.

a. De Heilige Schrift wijdt dus terdege aandacht aan de aarde en de aardse dingen, en ziet ze nooit los van God, maar steeds in verhouding tot Hem.

b. Van deze verhoudingen zijn er twee: die van schepsel tot schepper en van bondeling tot God als Verbondsgod.

1. In zake de eerste is er geen verschil tussen de schepselen onderling: alles staat onder Gods bevelen. De mensen zijn daartoe niet te hoog, de aanvang van de stofjes van de wereld (Spreuken 3:26) niet te laag. De Heilige Schrift kent noch een stoffelijke chaos noch een boven de wet Gods staande functie in het geschapene.

2. Wat de tweede verhouding aangaat is er wel verschil: terwijl het overige geschapene op aarde door God met de mens verbonden is (Hosea 2:20 en 21), staat laatstgenoemde, als naar het beeld Gods geschapen, in een rechtstreekse betrekking tot God.

 

Par. 212. De schepping van Adam.

I. De raadslag.

Het trekt de aandacht, dat, terwijl de Heilige Schrift elders in Genesis 1 alleen spreekt van het scheppen Gods, Zij ten aanzien van de mens uitdrukkelijk melding maakt van de raadslag Gods (Gen. 1:26).

Deze raadslag luidde: ‘ Laat Ons mensen maken naar Ons beeld, naar Onze geluikenis, en dat zij heerschappij hebben..."

Om de Bijbelse opvatting omtrent de mens goed te verstaan is het nodig even stil te staan bij de betekenis van deze woorden.

De tekst spreekt van besalmeende kidmoeteenoe, letterlijk vertaald "in de toestand van (passend bij) ons beeld als onze gelijkenis". Hierbij rijzen verschillende vragen.

A. Welke betekenis heeft hier "beeld"? "Selem" betekent beeld in de zin van "resultaat van een afbeelding", schaduwbeeld, Abbild, en niet voorbeeld. Voor het laatste heeft het Hebreeuws tabniet (Exod. 25:9 en 40, I Kron. 28:11, 12, 18 en 19).

Opm. Voor de speculatie dat de mens zou geschapen zijn overeenkomstig een hemels voorbeeld biedt de Schrift dan ook niet de minste grond.

B. Heeft men het verschil van beeld en gelijkenis zo op te vatten, dat deze woorden niet op het zelfde kunnen zien? Voor het eerste woord staat in het Hebreeuws "selem', voor het tweede "demah". In het Grieks corresponderen daarmee "eikoon' en "homoiousis", in het Latijn "imago" en "similitudo". Het eerste zegt, dat de mens beeld Gods zal zijn, het andere dat hij op God gelijken zal. Samen betekenen deze termen dus, dat de eerste mens een gelijkend beeld van God zal zijn.

Opm. Er is dus geen grond met de Griekse kerkvaders, hierin door vele Latijnse gevolgd, "selem" op het lichaam en "demah" op de psychè te betrekken.

C. Letten we thans op de voorzetsels.

1. ‘ Be' betekent

a) "in", nader "in de toestand van" (vgl. Ps. 39:7); in deze betekenis nadert het "le", "tot", "als", wat strookt met Genesis 5:3, waar in plaats van "be" "ke" bestaat.

b) "passend bij"

2. "Ke" ("ki") betekent "als".

3. Zo convergeren hier ook de voorzetsels in betekenis. Vandaar dat de LXX beide met de zelfden term kon weergeven.

Opm. Daarvoor koos men "kata", dus "be" in de zin van "passend bij". Op zich zelf levert dit geen bezwaar op. De zin wordt dan n.l. "God wil de mens scheppen zoals dat paste bij een schepsel dat Zijn beeld zal zijn". Ook daarin ligt niets van "passend bij een voorbeeld": voorbeeld is in het Grieks niet "eikoon", maar "hypodeigma", "paradeigma" of "typos".

 

II. De uitvoering van het plan.

Omtrent haar vinden we een tweetal mededelingen, de ene in Gen. 1:27, de andere in Gen. 2:7.

A. De eerste plaats luidt: "En God schiep de [/41d8] mens als Zijn beeld, als Zijn beeld schiep Hij hem, man en vrouw schiep Hij ze".

Vergelijkt men deze plaats met het voorgande vers, dan trekt drieërlei onze aandacht. In de eerste plaats dat asah, maken, wisselt met bara, scheppen. Gods "maken" is ook hier een scheppen zonder materiaal. Voorts, dat hier in het suffix niet het meervoud uitkomt, want met "Ons beeld" correspondeert hier niet "Hun beeld", maar "Zijn beeeld": waar de concrete relatie van de mens tot God ter sprake komt treden de intra-theale relaties op de achtergrond. En tenslotte dat "mensen" (adam zonder bepaald lidwoord) hier plaats maakt voor’ de mens' (et ha-adam), de tekst vermeldt dan ook slechts de eerste instantie van de uitvoering, hier de schepping van het eerste ouderpaar: man en vrouw schiep Hij ze.

B. De tweede mededeling (Gen. 2:7) draagt een ander karakter. Zij luidt: "en de HERE God had de mens geformeerd uit het stof van de aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem van de levens; alzo werd de mens tot een levende ziel" en komt dan pas later op schepping van Eva. In deze mededeling verdienen tal van trekken onze aandacht.

1. De naam Gods is hier niet, zoals in Gen. 1 en 2:1-3, Elohim, maar Jahweh Elohim, de Verbondsgod. Daardoor bepaalt deze mededeling uitdrukkelijk onze aandacht bij het verbindmatig karakter dat Gen. 2:4 v.v. heeft.

2. De activiteit Gods heet hier niet "maken" en "scheppen", maar formeren (issar): Zijn doen is dat van een kunstenaar.

3. Zijn kunstwerk is de eerste mens, nader niet man en vrouw, maar uitsluitend de eerste man. Diens ontstaan wordt hier op tweeërlei wijze gekenschetst.

a) Jhwh formeerde hem, stof uit de akker. De grondtekst bevat hier een woordspeling: de eerste adam wordt door Jhwh geformeerd uit de adamah. Dit laatste woord betekent niet aarde zonder meer, waarvoor het Hebreeuws "ares" gebruikt, maar bouwland, teelaarde. Verg. homo en humus. De eerste mens is dus "uit de aarde aards". En dat niet slechts ten dele, maar geheel, zoals blijkt o.a. uit Gen. 18:27 (en 1 Cor. 15:47).

b) Toch is daarmee omtrent de eerste adam niet alles gezegd. Hij is meer dan alle ander schepselen, omdat de Here Zich tot hem en hem tot Zich in een bijzondere verhouding plaatst. Dit ligt niet daarin dat ook de eerste mens een levende ziel (nephesch chajjai) was, maar in de wijze waarop hij dit werd, n.l. doordat Jhwh Elohim Zelf in zijn neusgaten een nismath chajjim had ingeblazen.

Opm. 1. Er staat niet dat Adam een levende ziel ontving, maar dat hij dit werd. Dat strookt met het doorgaand spraakgebruik van de Heilige Schrift. Deze heeft hier n.l. voor "ziel" het woord "nephesch", dat verwant is met het werkwoord "naphasch", rustig ademen (Ex. 23:12, 31:17 en 2 Sam. 16:14), en de volgende betekenissen heeft:

a) Neusadem. Vandaar dat het woord nooit gebruikt wordt bij planten, doch gelijkelijk bij dier en mens: zo b.v. Leviticus 17:11, de ziel van het vlees is in zijn bloed, d.i. de lucht, die tegelijk met het bloed het [/41d9] gewelddadig gedoode lichaam verlaat en in het bloed luchtbelletjes doet ontstaan. De nephesch in deze zin keert dan ook weder bij opwekking van een dode: 1 Koningen 17:21 en 22.

b) Het door de neus ademend ding, dier (Gen. 1:20) zowel als mens (Gen. 2:7). Daaruit blijkt, dat de mens niet de enige en zelfs niet de eerste levende ziel was.

c) Het hart van de mens. Hoewel zelden, komt nephesch ook in deze betekenis voor, met name in Ps. 48 en 43, waar sprake is van "mijne ziel in mij".

Opm. 2. In zake de nesamah zij het volgende opgemerkt:

A. Nesamah betekent:

1. adem zonder meer, zo bij mens als dier (Gen. 7:22);

2. de de mens ingeblazen adem des levens (Gen. 2:7, Job 34:14, 1 Kon. 17:17 - vgl.:21 - , Jes. 2:22 en 42:5).

3. het blazen van Godswege (2 Sam. 22:16, Job 4:9, 33:4, 37:10, Ps. 18:16 en Jes. 30:33), elders (o.a. Gen. 2:7 en Job 27:3) met andere woorden aangeduid.

B. In al deze teksten heeft nesamah een sterk actieve betekenis. De LXX laat dit ook in de vertaling uitkomen.

1. Doorgaans geeft ze dit woord weer met phoe, ook wel met anaphoe (Jes. 2:22) empheusis (Ps. 18:16). Slechts een enkele maal wijkt ze van deze regel af en laat ze het verband van de tekst sterker in de vertaling spreken: zo in Jes. 30:33, waar ze thymes en in Job 4:9, waar ze prostagma heeft. Het meer passieve pheuma vindt men als weergave van nesamah slechts twee maal, n.l. 1 Kon. 17:17 en Job 34:14. In het eerste geval deed het verband, dat over het sterven handelt, blijkbaar vooral aan de laatste adem als resultaat denken, in het tweede staat de verhouding tot een activiteit Gods op de voorgrond, met betrekking tot welke de nesamah geheel passief is.

Zo mag geconcludeerd, dat nesamah wat intra-menselijke verhoudingen betreft, in hoge mate actief is.

2. Dat blijkt vooral uit die plaatsen, waar nesamah samen met roeach voorkomt. Ook de roeach (mondadem) is vaak actief. Maar waar beide woorden naast elkaar staan, vertaalt de LXX steeds nesamah door phoe, daarentegen roeach door pneuma.

a) Komen beide bij God voor, dan zijn beide termen vrijwel parallel (Job 33:4).

b) Komen beide bij de mens voor, dan onderscheide men:

i) beide zijn gaven Gods (Jes. 42:6); in [/41d10] dit verband is er geen sprake van het verschil tussen deze twee; vgl. ook Job 27:3.

ii) beide staan in de brand van Gods toorn (Jes. 57:16), maar van de nismoot (LXX phoe pasa) merkt God op, dat Hij ze heeft gemaakt, blijkbaar is de nesamah hier de activiteit in de mens aan de dag tredend als door God ingeblazen.

c) Elders staat de phoe aan Gods zijde, de pneuma aan de kant van de mensen (Job 32:8).

C. Nesamah, hoewel actief, duidt aan de zijde van de mens nooit iets soevereins aan: ze is, integendeel, iets ingegevens en strekt dan ook ten bewijze van zijn afhankelijkheid (Jes. 2:22 en Dan. 5:23).

D. Dicht op de religieuze aard van de activiteit van de menselijke nesamah van de mens na de zondeval door het toornen Gods overstelpt wordt en, door Gods inblazing verstandig gemaakt (Job 32:8 en 33:4), de daden van een mens toetst aan wat hij voor Gods wet houdt - "Neer", "lamp", (Spr. 20:27) is een lichtdrager, zonder of met licht, hier, blijkens het verband, met licht, dat ontleend is aan het woord Gods (vgl. Job 32:8) - . Uiteraard is voor de eerste uitspraak voor de val geen of nauwelijks plaats. Brengen we echter het verschil, door de zonde ontstaan, in rekening, dan blijkt de nesamah het hart dat zich verblijdt in Gods onverdiende (=/ verbeurde!) gunst, en de daden, door God geschonken, in wederliefde tot Hem gebruikt o.a. tot de beoordeling van eigen en anderen daden bij het licht van reeds geopenbaarde en aanvankelijk met nog ongebroken activiteit gehoorde deel van het woord Gods - men denke aan de aanvankelijke tegenspraak van Eva bij de verzoeking - . Wat dus de levende ziel "mens" van andere levende zielen onderscheidt is volgens de Heilige Schrift de adem des "levens" in religieuse zin, van God uitgaande en in het hart des mensen, als het goed is, tot Hem wederkerend.

c) Vergelijken we de twee gegevens van Gen. 2:7 met elkaar, dan blijkt de verhouding deze: dat God de mens uit het stof van de aarde formeerde ziet op de gehele mens, de mededeling omtrent het inblazen van de adem des levens daarentegen op een deel van die mens. Bedoelde verhouding is er een van geheel en deel, niet die van twee delen. Dat het menselijk bestaan uit twee delen, b.v. vorm en materiaal, laat staan uit substanties zou zijn samengesteld, leert de Heilige Schrift hier dan ook niet, evenmin als elders: zulk een conceptie wortelt in een dualistische [/41d11] beschouwing.

Opm.Daarbij onderscheiden men twee richtingen:

1. Het dualisme ziel - lichaam: de materie is ongeschapen, de psychè daarentegen van goddelijke oorsprong.

2. De theorie van het donum superadditum: de rede is de gouden teugel, die het lagere lichaam en de lagere psychè in bedwang moet houden.

De leer van de Heilige Schrift sluit intussen niet uit, dat zij in de mens als geheel behalve voor de nesamah en naast deze voor het overige plaats laat, wat strookt met het feit, dat zij elders uitdrukkelijk in de ene mens het verschil van ziel en lichaam in de zin van in- en uitwendige mens erkent.

C. In zake de verhouding van Gen. 1. 27 en 2:7 zij het volgende opgemerkt. Beeld Gods en nesamah zijn niet ident: de Heilige Schrift noemt de nesamah nimmer beeld Gods, Zij spreekt trouwens nooit van het laatste als iets dat slechts met het innerlijke van de mens samenvalt. Beeld Gods is een mens in zijn geheel. Toch heeft het beeld-Gods-zijn blijkens het verband van raadslag en uitvoering iets met de nesamah te maken. Wellicht kan men dit verband zo omschrijven, dat het beeld-Gods-zijn bestaat in het bezitten van de nesamah in de zin van hart.

Bij deze opvatting verstaat men ook, dat "de trekken van het beeld Gods", in het paradijs aanwezig, met de zondeval in hun tegendeel verkeerd, later bij de Christenen hersteld (Ef. 4:24 en Col. 3:10), niet los naast elkaar staan; ze zijn trekken van een mens wiens hart trouw is aan God (Nehemia 9:8) en daardoor ook in zijn leven toont kind van zijn Vader in de hemelen te zijn. En wel op drieërlei wijs: ten eerste door de geloofskennis die op grond van het woord Gods geheel de kosmos en dus mede het eigen bestaan door God als door de vaste grond gedragen weet en door het voor waarachtig houden van dit woord in de waarheid ( d.i. vastheid) staat, ten tweede door de wijding van het leven in heiligheid aan de God des verbonds, en ten derde door een partij kiezen voor Diens zaak tegenover Satan (geloofskennis-profetisch, heiligheid-priesterlijk, gerechtigheid-koninklijk). Derhalve is het beeld-Gods zijn een vertrouwen van God op zijn woord en daarmee een geloven in God Zelf, dat zowel in rust als in strijd de gehele levenshouding bepaalt.

 

III. De verhouding van raadslag en schepping.

De schepping is de uitvoering van de raadslag, strookt dus met de laatste. Intussen verleide dit er niet toe, de raadslag als een "voorbeeld" te zien. Van een voorbeeld in de de zin van model spreekt de Heilige Schrift slechts daar waar ontwerper en uitvoerder verschillen; zo b.v. bij de bouw van tabernakel (Exod. 25:9 en 40) en tempel (1 Kron. 28:11,12, 18 en 19), bij welke God resp. David het ontwerp geven, de uitvoering daarentegen aan Mozes resp. Salomo wordt toevertrouwd. De mens is het gelijkend beeld van God Zelf, niet van iets in of uit God.

[/41d12]

Par. 313. De positie van Adam als verbondshoofd.

I. Terminologie.

De vraag of men de bijzondere verhouding, in welke de mensen voor de zondeval tot God stonden, "verbond" mag noemen, zou onder verwijzing naar Hos. 6:7, zonder weifeling in bevestigende zin zijn te beantwoorden, indien de exegese hier vaststond. Nu dat niet het geval is en we een ruimte moeten laten voor het gevoelen, dat van "verbond" eerst in Gen. 6 sprake is, kan men slechts de vraag stellen, of de verhoudingen in het Paradijs zo waren, dat hier op zakelijke gronden het gebruik van de term "verbond" gerechtvaardigd is. Metterdaad wijzen, zoals we nog zien zullen, tal van gegevens in die richting. Letten we slechts op de ambtelijke relatie tussen Adam en al de overige mensen en op het speciale in de verhouding van Adam tot God.

 

II. De ambtelijke relatie tussen Adam en de overige mensen (behalve de mens Jezus Christus).

Adam stond, hoewel individueel mens, tot al zijn nakomelingen in de verhouding van stamouder tot nakroost. Deze relatie vindt men echter ook bij Eva, en is zonder analogen in het niet-menselijke, bovendien doet zich, evenals daar, ook hier de eigenaardigheid voor, dat een van de correlata, de nakomelingschap, in iedere volgende generatie een generatie kleiner is.

Anders staat het bij die relatie, die Paulus aanleiding geeft Adam naast de Christus te plaatsen (1 Cor. 15:45). Reeds deze juxtapositie leert ons dat hier een ambtelijke relatie in het geding is: bij de Christus is immers noch van een huwelijk, noch van een nakroost sprake. Deze ambtelijke relatie dekt inderdaad ook bij Adam die van stamvader allerminst. Want 1ste staat Eva hier niet naast Adam en tegenover beider nakomelingschap, maar als mede uit hem voorgekomen naast haar kinderen tegenover Adam. 2de bezit deze relatie geen analogie in planten- en dierenrijk, 3de komt deze relatie niet voor gradueel verschillen in aanmerking. Op grond van de vergelijking in 1 Cor. 15:45 kan men nu ook Adam "verbondshoofd" noemen. Alle overige mensen - behalve de Christus - hebben aan hem deel, dragen zijn beeld, en zijn in hem begrepen.

Opm. Dit hoofd-zijn, door God Adam toevertrouwd, is dus een intern-menselijke relatie. Het verschilt dan ook van twee andere relaties:

1e van die tussen de mens en God, dus van het beeld-Gods-zijn;

2e van die tussen de mens en de overige schepselen, welke in de cultuurtaak, blijkens Gen. 1:26 en 38 de mens opgedragen, ondersteld is.

Ook het hoofd-zijn van Adam in de echt met Eva draagt een intermenselijk karakter. Ook dit hoofd-zijn is echter niet ident met het verbondshoofd-zijn: het eerste heeft wel, het tweede niet een functioneel karakter. Het laatste heeft dus ook geen analogen bij de Christus.

 

II. Adams ambt.

1. Het bestaan van de ambtelijke relatie tussen Adam en alle overige mensen - behalve de mens Jezus [/41d13] Christus - wortelt in de instelling van het ambt.

2. Dit ambt is te onderscheiden van dat hetwelk de Christus uitoefende en uitoefent. Het eerste staat tot het tweede als gunst- tot genadeverbond. Daarbij versta men onder het eerstgenoemde het verbond van die gunst Gods, krachtens welke er voor de arbeid, door de eerste Adam verricht, loon zou zijn, en dus dit werk hem en het in hem begrepen menselijk geslacht ten goede zou komen.

a) De term "werkverbond" kan aanleiding geven tot de mening, alsof de gunst van God door Adam nog moest worden verdiend. Dat is uiteraard onjuist: ook hier ging de gunst van God aan het werk en afortiori aan de belooning daarvan vooraf. Wat deze gunst onderscheidt van de genade is dat eerstgenoemde wel onverdiend, maar voor de val niet verbeurd was.

b) Doch ook in een ander opzicht verschillen beide verbonden: het genade-verbond weet van geen wijken, daar zijn vastheid wortelt in het God-zijn van de Zoon, die vlees werd. Uiteraard zegt het ontbreken van deze vastheid aan de zijde van het Verbondshoofd in het genadeverbond niets te aanzien van de onveranderlijkheid van Gods raad ten aanzien van paradijstoestand en zondeval.

 

Par. 214. De schepping van Eva.

A. De Heilige Schrift deelt mede, dat God Eva uit Adam schiep. Ook daarin handhaaft Zij het "uit enen bloede". Intussen ziet Zij Adam allerminst als de andragynen oermens in universalistische zin: bij het geven van namen en het daarbij noodzakelijk onderscheiden heeft Adam ook het sexe-verschil en het daarin gebaseerde liefdeleven opgemerkt en dit in zijn eigen bestaan gemist: als hij Eva ziet ontlokt hem dit althans een juichkreet.

Opm. In de conceptie van de andragynen oermens poogt het paganisme uit te komen boven de in het werk Gods gegeven verscheidenheid en de daarin aanwezige relaties: het ziet in de vrouw niet een aanvulling van de man, hem door God geschonken, maar man en vrouw zijn differentieringen aan een door abstahering verkregen fantastische andragyn.

B. De schepping van Eva betekent tegelijk de schepping van wederkerige samenhangen in alle menselijke subjectsfuncties; nu eerst vermeldt de Heilige Schrift dat Adam spreekt, enz..

C. Tenslotte komt dan het spreken Gods tot de mensen: God gebiedt Adam en Eva zich te vermenigvuldigen en cultureel bezig te zijn (Gen. 1.:28-30). Zo zal de mensheid saamhangende gevolgen ten uitvoer brengen.

Opm. 1. De Schrift geeft niet de minste voet aan de mening, dat de HERE in het paradijs Zich, anders dan later, niet door Zijn woord, maar innerlijk openbaardt.

Opm. 2. Het huwelijksleven behoort wel bij de uitvoering van de raadslag Gods, maar niet [/41d14] bij de trekken van het beeld Gods: noch het sexuele verschil, noch het genetische thema vindt men in de openbaring van de Heilige Schrift omtrent God. Dit in scherpe tegenstelling tot het denken van de volkeren in Israels omgeving.

Opm. 3. Men spreke ter aanduiding van de toestand van de mensen in het paradijs niet van "hogere werkelijkheid", maar van ongeschonden werkelijkheid.

 

Par. 215. De nadere mededelingen omtrent de verbondsverhouding van de mensen tot God voor de zondeval.

Met de vergunning de boomvruchten als voedsel te gebruiken - wat iets anders is dan ze doen sterven - deelt de Verbondsgod Adam en Eva bij het bekende verbod uit gunst van te voren de straf mede, die bij overtreding dreigde (Gen. 2:16 en 17).

Daarmee wordt de dood, die correlaat is met de zonde gesteld tegenover het leven, dat correlaat met het goede is; tevens is er ook sprake van kennis des goeds en des kwaads (kennis in het derde schema). Tegelijk blijkt, dat sterven voor Adam en Eva mogelijk is, n.l. wanneer ze tegen de wet ingaan.

 

Par. 216. De mededelingen omtrent de zondeval.

De zondeval bestaat in het doen van de verboden daad, sluit dus wel degelijk o.a. waarneming en historiciteit in, schoon hij tegelijk, wat de waarde betreft, als o.a. onhistorisch vergeten van Gods weldaden valt te brandmerken.

Opm. 1. Zondigen is dus noch verbindingen van een deel van het hogere met het lagere - gnosis - noch individualisering - neopythagoreisme - of een zich richten op de wereld buiten ons - Stoa - , maar ongehoorzaam zijn aan God uit gemis aan liefde jegens Hem en de naaste. Soms gaat het gepaard met de waan, daardoor boven de wet uit te komen.

Opm. 2. Om hier en de wet en de feitelijke gang van zaken als door God gewild te handhaven onderscheide men de wil des bevels en de wil des besluits. Deze onderscheiding valt echter niet samen met die van geopenbaarde en verborgen wil: geopenbaard is zowel de wil des bevels als dat deel van de wil des besluits, dat betrekking heeft op verleden en heden.

 

Par. 217. De mededeling omtrent de eerste woordopenbaring Gods na de zondeval.

1. Na de zondeval blijft de Verbondsgod hoorbaar Zijn wil mededelen.

[/41d15] 2. Daarbij handhaaft Hij Zijn recht op het schepsel, Hij spreekt dan ook de straf op de overtreding uit (a), maar geeft tevens de belofte van de redding (b).

a) De straf raakt in de eerst plaats het werktuig van Satan. Maar dan ook Adam en Eva. Hun straf bestaat niet in het verlies van een donum superadditum, maar in het derven van de heerlijkheid Gods. Het paradijs moeten ze verlaten, smart zal zowel hun werk als de ontplooing van hun geslacht drukken en niet slechts zij, maar ook hun nakomelingen zullen sterven.

Opm. "Sterven" is niet "vernietigd worden": een mens bestaat na het sterven als dode voort. Intussen noemt de Heilige Schrift dit nooit "onsterfelijkheid bezitten" ("onsterfelijk zijn"). Integendeel: dit voortbestaan wordt zonder tussentreden van de genade "de eeuwige dood sterven".

b) Intussen zal de toorn Gods niet op allen eeuwig rusten: er is redding door het vrouwenzaad, dat over het slangenzaad zal triumferen.

3. In beide delen van deze nieuwe openbaring dient God weer te worden geloofd. Zo blijft het geloof naar zijn karakter wat het reeds vroeger was: "een voor waarachtig houden van wat ons God in Zijn woord heeft geopenbaard", al ligt daarin thans, op grond van de wijziging in de woordopenbaring, meer dan vroeger, n.l. het geloof aan de openbaring van toorn over schuld en smet en aan die van redding uit het gericht door Gods genade.

Opm. Schuld is het schuldig staan van ons hart aan de overtreding van Gods wet; smet het daardoor onheilig zijn van ons lichaam, dat ons van de omgang met de heilige God uitsluit.

 

Par. 218. De mededeling omtrent de ontplooing van het menselijk geslacht na de zondeval.

Daarbij onderscheide men het genetische en het religieuse verband.

I. Het genetisch verband.

A. Aan Adam en Eva worden kinderen geboren, zielen uit zielen.

Opm. Nergens leert de Heilige Schrift een afzonderlijk scheppen van het hart van de kinderen, en afortiori niet van een deel van hun functies.

B. Deze zielen hebben een geest.

Opm. In dit feit ligt echter volgens Oud-Testamentisch spraakgebruik al evenmin het verschil van dier en mens aangeduid als in het woord "nephas". Het woord dat meestal door "geest" wordt vertaald, roeach, heeft n.l. de volgende betekenissen.

I. Het blazen met de mond, mondadem. Men treft hem aan bij mens en dier: Gen 6:17, 7:15 en 22, Job 17:1 en 19:17.

A. Anders dan de neusadem is de mondadem ook object van ruiken in transitieve zin. In verband daarmee betekent het werkwoord heriech [/41d16] "doen rieken" en "rieken": zo van mensen Gen. 27:27 en Exodus 30:38 en van beesten Job 39:28. Correlaat met dit rieken is ruiken in de transitieve zin.

B. Met deze grondbetekenis hangt samen, dat roeach ook betekent:

1. Het resultaat van de nesamah.

a) Zo in de vroeger besproken teksten in welke beide termen samen voorkomen.

b) Elders, b.v. Zacharia 12:1.

2. Iets dat ophoudt - evenals de nephes in de zin van neusadem - met de dood van dier en mens Prediker 3:19, maar - anders dan de nephes in bedoelde zin - ook tijdens het leven: zo bij grote smart Gen. 45:27, hevige dorst Richt. 15:19, langdurig vasten 1 Sam. 30:12 en afstomping door een opeenhooping van indrukken 1 Kon. 10:5, in welke gevallen de geest later weerkeert zonder dat er sprake is geweest van dood. Op grond van dit alles is de roeach een voorbeeld van iets vergankelijks Job 7:7.

C. Uiteraard is ook de roeach in deze betekenissen geformeerd Zacharia 12:1. Doch daarin staat hij niet afzonderlijk: deze uitdrukking komt slechts eenmaal voor en het geformeerd zijn door God heeft de roeach met alles gemeen Jeremia 10:16 en 51:19, met het licht Jes. 45:7, het droge Psalm 95:5, de aarde Jes. 45:18, bergen Amos 4:13, zomer en winter Psalm 33:15, hun oog Psalm 94:9, het volk van Egypte Jes. 27:11, de leden van zijn volk Jes. 43:7 en 21, 14:21 en 24, Jeremia 1:15, plannen Jes. 46:11, en rampen 2 Kon. 19:25, Jes. 22:11, 37:26, Jer. 18:11, 33:2.

II. Krachtige adem in het algemeen. Daardoor kan roeach soms ook van de neusadem worden gebruikt, doch slechts daar waar deze zwaar en onregelmatig is. Dit is vooral bij toorn het geval. Vandaar dat roeach soms toorn betekent. Richt. 3:3, Spr. 16:32 en 29:16, Pred. 2:17 en 4:6, Jes. 25:4, zo van de toorn Gods: Exod. 15:8, Job 4:9 en 15:30, Jes. 11:4 en 30:28 en Zach. 6:8.

III. Het blazen van de wind, vandaar:

A. Wind Job I:19 en 30:16, Jes. 7:2, 27:8 en 32:2, Jer. 2:24 en 14:6;

B. wind ter aanduiding van het ijdele, dat niet meer is dan "lucht" en "wind", zo Jes. 26:18, 41:29 van de afgoden; Richt. 2:16 van de valse profetieen, geillustreerd en verklaard door het verhaal in 1 Kon. 22:6 en 10-25, bij waanwijsheid: Job 15:12 en 16:3.

C. van de windrichting en van wat daarop staat: Ezechiel 42:16 - 19 (zijde van het huis).

[/41d17] D. wat iets verplaatst in bepaalde richtingen, van dieren Ezech. 1:20, van profeten, die letterlijk 1 Kon. 18:12 en 2 Kon. 2:16 of in visioenen Ezech. 3:12 en 14, 11:24 een wegvoering meemaken.

IV. Analoog van God in Zijn richting bepaalde kracht. Deze Roeach is zelfstandig. Hij is zowel voor als na de zondeval.

A. Voor de zondeval brengt Hij bij de schepping de aarde tot ontplooiing Gen. 1:2 en versiert Hij de hemelen Job 26:13; ook heet Hij in dit verband de Geest van Gods mond, door welke al het heir van de hemelen is gemaakt Psalm 33:6b.

B. Breder is uiteraard de mededeling omtrent Zijn werk na de zondeval. Dit werk heeft niet uitsluitend maar wel voornamelijk op het mensenleven betrekking.

1. In zake het werk van de Roeach Gods in het mensenleven zij opgemerkt.

a) De geest werkt nu eens rechtstreeks, dan weer bedient Hij zich van geschapen krachten of geesten (engelen) zowel van goede Job 4:15 en Psalm 104:4 als van boze Richt. 9:23, 1 Sam. 16:14,15,16,23, 18:10, 19:9, 1 Kon. 22:21, 2 Kron. 18:20, Hosea 4:12, 5:4, Zach. 13:2.

b) Deze werking draagt tweeërlei karakter.

(1) Hij twist met de mens wanneer de zonde hand over hand toeneemt Gen. 6:3, Job 4:9, 15:30.

(2) Daarentegen is Hij elders de gever Exod. 35:31 van velerlei gaven zowel voor de levensverbanden als voor het binnenste.

(a) Bij de gaven voor de levensverbanden merkte men op.

1Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.oFout! Bladwijzer niet gedefinieerd. zij zijn steeds gaven aan individuele mensen maar met het oog op hun werk voor verschillende levensverbanden. Zo kent de Schrift

- gaven voor de leiding van het staatsleven Numeri 17:18 (oudsten), Deuteron. 34:9 (Jozua), Richt. 3:10, 6:34, 11:29, 13:25, 14:6 en 19, 10:14 (richters), 1 Sam. 10:6 en 10, 11:6 (Saul), 16:13 (David), Jes. 28:6 (rechter);

- gaven van de profetie Num. 24:20 (Bileam), 1 Sam. 19:20 en 23 (de boden van Saul en Saul zelf), 2 Sam. 23:2 (David), Ezech. 2:2.

- gaven van kunstzinnigheid Exod. 28:3 en 31:3.

2Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.oFout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Deze gaven kunnen ook wijken tijdens het leven 1 Sam. 16:14. Ook kunnen we worden gedeeld Num. 11:7 en 25. Deze deling betekent een deling van bevoegdheid en verantwoordelijkheid van de overheidspersonen en logenstraft dus de gedachte van de ondeelbaarheid van de pseudo-soevereiniteit. Dat roeach niet betekent "individualiteitsprinciep" - dat de Heilige Schrift trouwens niet kent, wijl alles individueel is - , blijkt wel daaruit dat deze gaven [/41d18] bij het sterven van hem die ze verkreeg wel eens op een ander kunnen overgaan 2 Kon. 12:15.

3Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.oFout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Van hoeveel belang ook, toch hebben zulke gaven slechts op het functionele leven betrekking. Zij sluiten dan ook niet omzetting van het hart in. Dat blijkt daaruit, dat ze ook aan mannen geschonken werden, die in zonde stierven, zo aan Bileam en een Israeliet als Saul.

4Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.oFout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Deze gaven worden mede door heidenen opgemerkt en als gaven erkend. Een van de Farao's noemt, monotheïstisch, Jozefs gave een geest Gods Gen 41:38, anderen spreken te deze in meer polytheïstische zin. Dan. 4:8,9 en 18, 5:11 en 14. Intussen ontvangt Israel ook deze gaven in het verbond, dus van Jhvh: Num. 11:29, Richteren 3:10, 6:34, 11:29, 13:25, 14:6 en 19, 15:14, 1 Sam. 10:6 en 10, 16:13 en 14, 2 Sam. 23:2, 1, 2 Kron. 20:14, Jes. 4:4, 61:1, Ezech. 11:5.

(b) Van deze gaven zijn te onderscheiden die welke op het hart zijn gericht.

1Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.oFout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Tot deze gaven behoort zowel de prediking van het woord van de bekering Spr. 1:23 als de levendmaking Ezech. 36:27 en 37:14 en de voortgaande heiliging Ps. 51:13.

2Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.oFout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Deze gaven zijn in het oude verbond vrijwel tot Israel beperkt, al opent het O.T. reeds tal van perspectieven op een rijke bedeling: zo in de geschiedenis van de weduwe te Sarfat en van Naaman en vooral in Joel 2:28.

(c) Zo leeft Israel uiterlijk en innerlijk, dus in geheel zijn bestaan, van de genade des Geestes. Die Geest keert Zich in Zijn toorn dan ook tegen Israels vijanden Exodus 15:8, Jes. 59:19. Wat de erkenning van deze genade betreft is er bij het volk intussen verschil.

1Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.oFout! Bladwijzer niet gedefinieerd. De kern ziet geheel het leven door de Geest geheiligd Ps. 51:13, geleid Ps.143:10, doorgrond Ps. 139:7 en gezegend Jes.32:15 tot in de geslachten Jes. 44:3.

2Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.oFout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Maar deze kern heeft lang niet steeds de overhand. Zo heeft Israel de Geest herhaaldelijk verbitterd Ps. 106:33, en Hem smarten aangedaan Jes. 63:10. Daarom richt de Geest zich ook tegen Israel Jes. 4:4 en 11:4. Ondertussen troost hij de kern des volks, die hem noode mist Jes. 63:11 met zijn belofte, speciaal met die omtrent de Messias en Diens gaven: Jes. 11:2, 42:1, 61:1, Zach. 12:10.

2. Inzake het werk van de roeach Gods buiten het mensenleven zij opgemerkt, dat het openbaart wat in het geschapene ligt: zo de kiemkracht van de planten in de lente Psalm 104:30 en haar werkwijzen in de herfst Jes. 40:6.

V. Tenslotte dient "roeach" ter aanduiding van het al of niet gehoorzame leven des mensen. Vandaar betekent het:

[/41d19] A. het binnenste.

1. qua talis. Zo is bij Farao, wanneer hij er van overtuigd is dat zijn droomen een openbaring van naderend onheil inhouden, de geest verslagen Gen. 41:8.

2. als centrum, dat de gehoorzame of ongehoorzame richting van de levensopenbaring bepaalt.

a. Sinds de zondeval is deze richting, zolang God niet een nieuwe geest zendt - Ez. 11:9 - ten kwade: zo keert zich de menselijke geest tegen God Job 15:13, Psalm 106:33 en weet Jesaja ook in Israel van een verkeerde geest Jes. 19:14 en van een geest des diepe slaaps Jes. 29:10, en Hosea zelfs van een geest van de hoererij Hos. 4:12.

b. Daarentegen zoekt de geest van de kinderen Gods de HERE Jes. 26:9, hun geest is om de zonden van anderen verbitterd Gen. 26:35 en door verdriet benauwd Exod. 6:8.

B. De religieuse levensopenbaring die dan met een rieker wordt vergeleken. Zo zegt Jes. 11:3 van de Messias: zijn rieken zal zijn in de vreeze van Jhvh.

 

II. Het religieuse verband.

A. Reeds bij de eerste kinderen van Adam en Eva komt een antithetisch verschil uit in hun verhouding tot de Verbondsgod en Zijn genade. Kain bespeurt dit en haat daarom zijn broeder, tegen deze tweede miskenning van de soevereiniteit Gods waarschuwt de Here hem. Wanneer hij niet luistert en zijn zonde verzwaart, slaat God zijn vroegere culturele inspanning - Gen. 4:2 landbouw - met onvruchtbaarheid en verdrijft hem van de akker. Hij hoopt niet meer op God, vraagt niet eens vergeving en verkeert slechts in kommer om de voorzetting van zijn gevloekt leven.

B. Dit verschil in levensrichting wortelt dus in een verschillende verhouding tot het woord van de nieuwe belofte omtrent de strijd tussen slangen- en vrouwenzaad. Intussen blijft de straf voor de verbreking van het eerste verbond: tussen Adam en Noach zijn allen gestorven, al hadden zij niet als Adam persoonlijk een goddelijk gebod overtreden waarop de doodstraf stond. Zo spreekt reeds de eerste geschiedenis van erfschuld en erfsmet.

C. Maar eveneens van de tegenstelling tussen de mensenmoorder van de beginne en de Vorst des levens. Want ondanks de gemeenschappelijke band aan Adam treedt in de geslachten al scherper het verschil in de verhouding tot de nieuwe beloft aan de dag. Het bloed bepaalt dus niet de geest, al blijft ook in de geestelijk verschillend gerichte geslachtslijnen de band des bloeds bewaard. Gen. 4:26. Eer geldt het omgekeerde: de synthese in de gemengde huwelijken (Gen. 6:2) voert al het vlees "tot algeheel verderf" Gen. 6:12.

[/41d20]

Par. 219. De mededeling omtrent de verdere ontplooiing van het menselijk geslacht.

a. De zondevloed betekent knotting van de macht van de zonde, en daardoor het behoud van het geschapene. God regelt na de zondvloed niet slechts de verhouding van dieren en mensen tot de aarde (klimaat), en die van de mensen tot de dieren anders dan voorheen, maar sanctioneert ook de uitoefening van de zwaardmacht tot een instituut.

Opm. Het gezag van de burgerlijke overheid is een iuridisch gezag van eigen aard, onderscheiden van dat hetwelk geroepen is het recht in andere levensverbanden dan de staat te handhaven: het vindt zijn basis - niet zijn aard, die juridisch is - in de historische functie van de macht.

Zwaardmacht was er reeds voor het verbond met Noach, evenzo recht; nieuw is het dwangrecht, waarin de zwaardmacht een hogere bestemming ontvangt. De staat berust dus op een bijzondere instelling van een eigen gezag door God: de (burgelijke) overheid is er "om van de zonde wil". De staat is dan ook noch een anti-Christelijk terrein noch een natuurlijk levensverband in de zin van de organicistische staatstheorie, die gezag verwart met natuurlijk overwicht hetzij aan kennis, hetzij aan macht van zwaard en suggestie.

b. De religieuse tweedeling in het menselijk geslacht vertoont zich reeds weer in Noachs gezin: Chams perversiteit lokt de vloek speciaal over Kanaan uit, wiens nakomelingen tot in hun religie sexualistisch blijken.

c. Later openbaart zich deze tweedeling ook in Sems nakomelingen. God roept Abraham - Genesis 12:1 v.v. - niet tot een ascese of tot een onderscheiding van functies bij welke sommige wel, andere niet tot het dienen van God zouden zijn gehouden, wat tot onoprechtheid voert, maar tot de kennis des goeds, tot het leven met God: "Wandel voor mijn aangezicht en wees oprecht" - Genesis 17:1 - . Karakteristiek voor het deel hebben aan het verbond is noch het familieverband - men denke aan Eliezer c.s. in bonam en aan Ismael in malem partem - noch een "beleving", maar het geloof aan de beloften Gods, korter het Messias-geloof, dat een gave Gods is.

d. Als sacrament ontvangt dit geloof de besnijdenis van het vlees, die uitwendig de gelovigen aanduidt en verzegelt de inwendige besnijdenis van het hart - Gen. 17:10 v.v., vrgl. Leviticus 26:41, Deut. 10:16 en 30:6, Jeremia 4:4, 9:25 en Ezechiel 44:7 - , de zetel van de aheebah, van de liefde.

e. De bondelingen behoren meest tot de familie van de partriarchen en de Beloofde zal uit hen worden geboren. De Verbondsgod openbaart zich telkens opnieuw hoorbaar, soms ook zichtbaar. Deze openbaring geschiedt wel aan een mens, maar nooit om die ene op zich zelf.

 

Par. 220. De ontwikkeling van de vergadering van de gelovigen I.

I. De lijn van de bondelingen.

a. Jacob zal tot een menigte, Hebreeuws gahal, eigenlijk [/41d21] samengeroepen menigte (Statenvertaling: hoop), van volkeren worden (Gen. 36:11 en 48:4). Zijn familie groeit in Egypte tot een gemeenschap uit.

b. Wanneer zij dooor haar groei de afgunst van de Egyptenaren opwekt en deze haar onderdrukken, wordt Mozes geboren. Als deze door een leven van teleurstelling gerijpt is, verschijnt hem de engel (=bode) des HEREN (Ex. 3:2 en 6). Na een reeks van wonderen mag Mozes de kinderen van Jacob uitleiden (1423). Daarmee wordt Israel tot een aanvankelijk nog als nomaden levend - volk met eigen politisch leven.

Opm. Het gebod, van de Egyptenaren allerlei op te eisen - Exod. 3:22, 11:12, 12:33 - , was een bevel voor eenmaal, beoogde vergelding voor het onrecht in Egypte geleden, en had betrekking op huishoudelijk gerei en kleren, niet op ontloening van begrippen, die immers allerminst vaatgerei of kleed zijn, maar tot stand komen door de bezinning van de mens op het voor hem kenbare en dus mede bepaald worden door het al of niet besneden zijn van het hart. De uitzonderingen daargelaten, missen de heidenen echter niet slechts de besnijdenis van het vlees, maar ook die van het hart (Ezech. 44:7), en dus is overname van hun begrippen voor het denken dat Jhvh trouw wil zijn uiterst gevaarlijk.

c. Na de intocht in Kanaan (1383) en de overwinning van het land wordt Israel een gevestigd volk dat zijn politisch hoogtepunt echter pas onder David en Salomo bereikt. Het typerende t.o.v. andere volken is, dat Israel een qahal blijft, nu vertaald als gemeente - Leviticus 4:13 - , die Numeri 16:3 en 20:4 gemeente des HERE en Deuteronomium 31:30 gemeente van Israel heet, aan welke de wet is ingescherpt. Deze wet vergt: "Gij zult de HERE uwe God liefhebben met uw ganse hart en met uw ganse ziel en met al uw kracht, en uw naaste als uzelven".

Opm. 1. De Heilige Schrift stelt deze twee geboden, die de richting van het hart raken, nergens als "ingeschapen" tegenover de andere geboden des Heren en beschouwt evenmin laatstgenoemde als (voor een vreemde macht) "van buiten opgelegd". Integendeel: de Schepper is ook de Wetgever.

Opm. 2. Inzake hart en ziel zie boven. "Kracht" - Hebreeuws meood - is de kracht die men op iets "zet", dus de inspanning van de levende ziel. In "hart, ziel en kracht" ligt dus niets van functietrichotomie.

Opm. 3. Het "als" in "als uzelven" betekent niet: "evenveel als", doch "op de zelfde wijze als": wat beslist over de vraag, wat ik bij anderen en me zelf mag en moet liefhebben, is uiteraard de wet Gods: liefde mag ik slechts koesteren voor wat ginds en hier met Gods wet conform is.

c. Het vraagstuk in Israel is: de Verbondsgod, die Israel verwekt en gebaard heeft (Deuteronomium 32:18) - wat bij ontbreken van alle verdere speculatieve verwerking van dit motief, blijkbaar alleen Zijn liefde wil aanduiden - trouw te [/41d22] blijven en Hem te gehoorzamen. En dat niet slechts hoofd voor hoofd, maar ook in de levensverbanden. De kern van dit volk begeert dit wel, ondanks de verzoeking, de Apisdienst van Egypte - Exod. 32, Richteren 18, vooral vers 30 - , de sexualistische speculatie van de Baals- en Astartedienst - 1 Kon. 16:29 v.v. - of ook de astraalreligie van Babylon over te nemen, - Job b.v. betuigt zijn onschuld inzake de verleiding tot laatstgenoemde: hoofdstuk 31:26 - .

Opm. Men vertale: Zo ik zag het stralend zonlicht en de maan in pracht voortgaande en in het geheim mijn hart is verlokt geweest hun een kushand toe te werpen - ook dit ware een strafwaardige misdaad, want ik zou God daarboven verzaakt hebben.

II. De lijn van de Messias.

Zij loopt over Juda, Boaz, David en Salomo.

 

Par. 221. De grondslag van de wijsheid in Israël. Inleiding.

De wijsheid in Israel is gebaseerd op de goddelijke openbaring omtrent "waarheid". Daarom hebben we hier zowel van "waarheid" als van "woord Gods".

 

Par. 222. De grondslag van de wijsheid in Israëel: "waarheid".

Dit woord betekent in de Heilige Schrift steeds vastheid, trouw, bestendigheid.

I. Positief gebruikt vindt men het

A. Ten aanzien van God: Hij is "de God van de waarheid" (Jes. 65:16), d.w.z. Hij is er nog aan het eind van de benauwdheid die over Israëel komen zal, en is dan nog De zelfde voor Zijn volk. Ook Zijn werken heten "wonderen, raadsbesluiten uit verre tijd, waarheid en trouw (Jes. 25:1 - vertaling Ridderbos - ). Vandaar dat Mozes kan zeggen: "God is waarheid" (Deut. 32:4).

Opm. 1. Deze uitdrukking betekent dus allerminst dat God die "waarheid" zou zij welke volgens Melanchthon c.s. het individu - de Heilige Schrift kent geen individuen! - zou zijn ingeschapen.

Deze trouw komt o.a. daarin uit, dat Jhvh Zich in Zijn verhouding tot mensen aan Zijn wetten houdt (Ps. 119:142).

Opm. 2. De Heilige Schrift kent dus ook geen "deus exlex".

Van hieruit verstaat men, dat de betrouwbaarheid van het door God gesproken woord (Hos. 5:9) wortelt in de betrouwbaarheid van Hem Die het sprak (Ps. 89:34). In gevallen van twijfel, of men met ware of valse profetie te doen heeft, is dan ook het criterium: de bestendigheid komt negatief daarin uit, dat alle weglonken van het volk van achter Jhvh (Deut. 13:2) en alle verwaarlozen van het vroeger geopenbaarde (Jes. 8:19 en 20) ontbreekt; positief blijkt ze uit het vermaan, bestendig aan Hem vast te houden (Hab. 2:4) en te wandelen met Hem Die de getrouwen behoedt (Ps. 34:10).

B. Ten aanzien van mensen: Hem leven is niet een [/41d23] aaneenrijging van momentane "belevingen", maar een "weg" en een "wandel", die twee richtingen kan uitgaan.

1. De wandel van de gelovigen.

a) Hun verhouding tot God is die van vertrouwende tot betrouwbare vertrouwde (Gen. 15:6, Ex. 4:31). Zij bouwen op de eeuwige rots (Jes. 26:2-4). Alleen daardoor is hun hart vast, trouw (Neh. 9:8). Ze loven dan ook de trouw van Jhvh met hun "Amen, Amen" (Neh. 8:7 en aan het eind van verschillende psalmbundels: Ps. 41:14, 72:19, 89:53), en bidden om verlenging van het leven om van deze trouw te mogen gewagen (Ps. 30:10, 93:5), ook wanneer die meebrengt het komen van oordelen (Jes. 25:1, Ps. 96:13) niet slechts over anderen (Ps. 54:7) maar ook over hen zelf (Jer. 26:17-19). Wanneer ze gezondigd hebben en God zich verbergt bemerken ze, dat hun vastheid, die ze op hoge prijs stellen (Ex. 14:13, Jes. 39:8, Ps. 119:30), valt (Ps. 30:6-10).

b) Hun verhouding tot hun medemensen is genormeerd door de wet Gods. Daarbij speelt een grote rol de onderscheiding tussen ambtsdragers en onderdanen.

(1) De Heilige Schrift veroordeelt aan de zijde van de ambtsdragers alle tyrannie (Job 6:23, 15:20 en 27:13, Ps. 54:5, 86:14, Jes. 13:11, 25:3,4 en 5, 29:5 en 20, 49:25, Jer. 15:21, Ez. 28:7, 30:11, 31:12, 32:12) en inzonderheid alle zelfvergoding van ambtsdragers (Ex. 28:2 en 7, Ps. 54:5). Desondanks gebruikt de Heilige Schrift zelf niet zelden voor ambtsdragers de aanduiding "god" (Ex. 4:16, 7:1, 21:6, 22:8,9 en 28, 1 Sam. 2:25, Ps. 32:1 en 6, 138:6, wellicht ook Ps. 86:8 en 93:3).

Nu gaat het in deze term allerminst om mensen afgezien van hun ambt (Ps 8:6); bovendien gebruikt de Heilige Schrift deze titel uitsluitend voor ambtsdragers in Israeël, d.w.z. voor zulken, "tot wie het woord Gods is geschied" (vrgl. Joh. 10:35). De bedoeling is dan ook duidelijk: de ambtsdragers in Israël dienen om het leven vastheid te geven: Ex. 18:21. Wijl ze alles in God hebben, verwachten ze, hoewel vreemd aan alle akosmisme, het toch niet van de kosmos: ze gieren niet (Ex. 18:21), laten zich daarom niet omkopen, maar zien integendeel, als eis van het ambt, gerechtigheid te oefenen door gunst te bewijzen aan de ellendigen (Dan. 4:27). Zulke trouw is niet slechts door het volk (Neh. 7:2 en 13:13), maar ook door vijanden (Dan. 6:5) geprezen.

De ambtsdrager die dit opmerkt, weet, dat hij de onderworpenheid van zijn volk aan Jhvh heeft te danken (Ps. 144 :2).

(2) Ook in de onderlinge verhouding van de gelovigen in het niet ambtelijke leven staat de trouw op de voorgrond. Vandaar dat zij niet pogen vooruit te komen door anderen ter zijde te dringen, maar, hun naaste de ellende van achterklap besparend (Spr. 11:13) en zelf gezegend, ook anderen tot zegen zijn (Spr. 28:20), zodat hun "gerechtigheid" (de naaste) van de dood redt (Spr. 10:32, vgl. Gen. 14).

2. Anders de ongelovigen.

a) Buiten Israël is verzet tegen een opdracht van Godswege (Joz. 24:10) en ongeloof aan Zijn woord (Ex. 4:8, 2 Kon. 5:11) het gewone. De wortel van deze houding is de hoogmoed, die gesterkt wordt door de paganistische religies (Ps. 9:20 en 21).

b) Ook binnen Israël komt veel ongeloof voor. Hier is het dubbel ernstig: Jhvh mocht immers verwachten, dat de [/41d24] Israelieten Hem "in waarheid" d.w.z. trouw zouden dienen (Jozua 24:14, 1 Sam. 12:24, 1 Kon. 2:4). Zij blijven echter veelszins "kinderen in welke geen trouw is" (Deut. 32:14). Zo trekken ook de onderlinge verhoudingen scheef, zowel in de betrekking tussen overheid en onderdanen (enerzijds Ps. 12:2, anderzijds Ps. 54:5) als elders: "Bijna ieder ontmoet een man die hem vriendelijk is, maar een man die stand houdt, wie zal die vinden?" (Spr. 20:6).

II. Ook bij negatieven uitdrukkingen poneert de Heilige Schrift zeer scherp het verband tussen het ontbreken van waarheid en het ongeloof. Zo is "liegen" hier niet zonder meer "anders spreken dan men denkt" en zelfs niet "anders denken dan het is", maar "de verwachting beschamen".

A. Bij het schepsel.

"Leugenachtig-zijn" en "zijn als niet bestendige wateren" zijn hier dan ook parallel. Vandaar dat liegen niet slechts bij mensen voorkomt, maar ook bij wateren (Jer. 15:18), bij most (Hos. 9:2) en bij het werk van de olijfboom (Hab. 3:17). Tegen deze achtergrond dient men ook te verstaan woorden als Jes. 36:8: - "Ze zijn immers Mijn volk, kinderen die niet liegen zullen" - en Jes. 30:9, 57:11.

B. Bij God.

Desondanks blijft Jhvh trouw: Het woord "liegen" van Hem gebruikt, staat steeds in ontkennende volzinnen: Hij liegt niet, d.w.z. Hij stelt niet teleur: Num. 23:19, 1 Sam. 15:29, Ps. 89:36, Hab. 2:3.

III. Derhalve is "waarheid" in de Heilige Schrift steeds transkosmisch gefundeerd.

 

Par. 223. De grondslag van de wijsheid in Israël II: "woord Gods".

De waarheid, d.w.z. de betrouwbaarheid Gods is van betekenis voor de wijsheid in Israël doordat God zich openbaart.

In verband daarmee vraagt hier tweerlei onze aandacht: het spreken Gods (I) en het, door Hem gesproken woord (II).

I. Het spreken Gods.

Daarbij onderscheide men dit spreken bij intra-theale verhoudingen en het spreken Gods met betrekking tot de kosmos.

A. In intra-theale verhoudingen vindt men een spreken Gods in Gen. 1:26 en Spr. 2:7.

Opm. Dit spreken vindt tussen de Personen plaats, men vereenzelvige het daarom niet met Een van Deze: te poneren, dat het intra-theale spreken Gods een Persoon is, vergt als correlaat, dat ook het zwijgen Gods een Persoon zou zijn (unitarisme).

B. Met betrekking tot de kosmos.

Met het Nieuwe Testament kan men ten deze onderscheiden de Logos (1) en Diens activiteit (2). Hoewel het Oude Testament deze onderscheiding niet heeft, spreekt het wel van de Zoon. Daarom zij hier onder 1) het een en ander gezegd ter verduidelijking van de verhouding tussen de termen Zoon en Logos.

1) Beide zijn namen voor de tweede Persoon. Maar met verschil. "Zoon" ziet n.l. op de intratrinitarische relatie van deze Persoon, "Woord" daarentegen op de relatie in welke deze Persoon zich tot de kosmos stelde en sindsdien staat.

[/41d25] Deze relaties zijn uiteraard niet ident. Zelfs staan ze niet op een hoogte; het poneren van het tegendeel zou neerkomen op de stelling dat de wereld eeuwig heeft bestaan, vandaar dat men de verhouding tussen deze relaties zo heeft te zien, dat de relatie in de Logosnaam aangeduid aan de relatie van welke de Zoonsnaam spreekt is gesubordineerd.

Opm. 1. Wellicht valt zo tevens licht op het merkwaardige feit, dat auteurs, die de namen Zoon en Logos op een hoogte plaatsen voorzover ze daarbij van de Logosnaam uitgingen in zake de verhouding van de Zoon tot de Vader de subordinatietheorie huldigden of althans tot haar neigden.

Opm. 2. Men verwarre deze opvatting niet - luthers - met de uitsluitend soteriologische van Cremer en afortiori niet met de historisch-soteriologische van Zahn: God sprak met betrekking tot de kosmos reeds voor de zondeval, ja zelfs reeds bij de schepping.

2) Het spreken Gods als activiteit. (Durr, 1938).

a) Bij de beginne is het scheppend: Elohim (Jhvh) schept totdat Hij beveldend tot aanzijn roept. Zo Gen. 1:3,6,9,11,14,15 en 20, Ps. 33:9, Ps. 148:5.

b) Na de schepping van de wereld is het scheppend in het wonder. Zo bij de schpping van het Man. Deut. 8:3.

Opm. Deze tekst spreekt van een woord Gods niet na maar voor de spijs (Kuyper tegenover Kromsigt).

c) Voorts is het gebiedend Job 37:2-13, en geografisch bepalend Job 38:11 v.v., verspreidt het schrik Ps. 46:7, scheldt het de zee Ps. 106:9, vrgl. Jes. 44:27 en 50:2, beveelt het het optreden van een strenge winter Ps. 147:15-18, en van een zware storm Ps. 148:8.

II. Het door God gesproken woord.

A. Het geldt eeuwig, Ps. 19:10, 89:35 en 36 - vrgl. Ps. 110:4 - Ps. 119:89,90 en 152; verschilt daarin van "alle vlees" Jes. 40:6b en 8.

B. Het is krachtig in zijn werking; in dit verband wordt het vergeleken met een vuur en een hamer die een rots in tweeën slaat Jer. 5:14, 20:9, 23:29; ook Israël wordt erdoor behouwen en gedood Hos. 6:5; het is scherp als een zwaard Jes. 11:5.

C. Het keert dan ook niet onverrrichter zake terug Deut. 32:47 - vrgl. 2 Sam. 1:22 en Jer. 50:9 - , evenmin als de storm Jes. 30:23 en 24 en de regen Jes. 55:10, Jes. 55:11; maar gaat in vervulling Joz. 21:45, 23:14, 1 Kon. 8:56 en 2 Kon. 10:10. Het treedt in Joz. 21:45, Jes. 5:19, 17:15, 28:9, Hab. 2:3, is voleind Ezra 1:1, 2 Kron. 36:22, haast tot het door God bepaalde doel Hab. 2:3, ontmoet de mens Num. 11:23, treft hem Zach. 1:6, ja overvalt hem Jes. 9:7. Daarom is het betrouwbaar Ps. 19:8-10, 33:4, 89:29, 93:5, 111:7 en 8, 119:160, 145:13, gelouterd Ps. 12:7, 18:31, 119:140, Spr. 30:5, licht 119:105 en 130, voor wie het vindt is het een vreugd Ps. 19 en Jer. 15:16, een rijkdom Ps. 119:14 - vrgl. :72 en 162 - , zoet Ps. 119:103 en Ez. 3:3.

D. Dat ligt daaraan, dat Jhvh waakt over zijn woord Jer. 1:11, 31:2, het volmaakt 1 Kon. 2:27, 8:24, 2 Kon. 10:11, er wakker over is Jer. 1:11, het uitvoert [/41d26] Klaag. 2:17, het vast maakt 1 Kon. 8:26, 2 Kron. 1:9, 6:17, het bestendig maakt Num. 23:19, Deut. 9:5, 1 Sam. 1:23, 1 Kon. 2:4, 6:12, 8:20, 12:15, 2 Kron. 6:10, 10:15, Neh. 9:8, Ps. 119:38, Jes. 44:26, Jer. 11:5, 28:6, 29:10, 33:14, Dan. 9:12 en Ezech. 13:6.

 

Par. 224. De wijsheid in Israël.

I. Zij onderstelt dus het verbond en de hesed, de liefde, hulp en trouw van de Verbondsgod (meest in de Statenvertaling "Goedertierenheid"), Die Zijn woord waar maakt en vermaant hoog en laag nu ook Hem trouw te blijven.

II. Bij vergelijking met de wijsheid van de andere volken treft ons het volgende:

A. De wijze zondert zich hier dan ook noch in spraak noch in zede van het volk af. Evenmin geldt zijn onderricht slechts de hoge Oosterse ambtenaar, gelijk in Egypte, en hij spreekt tot de volksgenoot zonder nadere bepaling.

B. Ook hij leert: "God heeft de mens recht gemaakt", en verwerpt alle speculaties, die dit niet erkennen als "vonden" (Prediker 7:29). Thans is echter alles van de ijdelheid onderworpen (1:2 v.v.). Desondanks is de wijze zo weinig afkerig van het leven, dat in weerwil van de verachting voor een (Oosterse) hond een levende hond beter heet dan een dode leeuw: Prediker 9:4. De ijdelheid in te zien betekent al evenmin een spelen met de tegenstelling goed en kwaad: door de vreeze des HEREN, d.w.z. de vrees Jhvh boos te maken, wijkt men af van het kwade (Spr. 1:7), wie daarentegen wijsheid en tucht verwerpt is dwaas (Spreuken 1:7).

C. Deze wijsheid is niet het analytische op zich zelf, werkzaam hetzij als critisch controleren hetzij in het trekken van conclusies, nog minder in handig debatteren; zelfs niet in verbinding met iets anders b.v. met de praktijk - dan heet het verstand - is dit een steunpunt: "Vertrouw op de Here met uw ganse Hart en steun op uw verstand niet" (Spr. 1:33). Niemand minder dan de opperste Wijsheid roept (Spr.8) de mensen en verzekert hun: "die naar Mij hoort zal zeker wonen en hij zal gerust zijn van de vreze des kwaads" (Spr. 1:33). Wie weigert te luisteren "doet zijn ziel (=zich zelf) geweld aan", "allen die Hij haten hebben de dood lief" (Spr. 8:36). Dat komt vooral uit in het leven van de ontucht (Spr. 9:13 v.v.), die de filosofie van de heidenen met haar kern-bolsterschema en haar leer: "de kern is goed, de bolster is waardeloos" als uitwendig, en daarom als minder ernstig beschouwde, indien ze niet nog verder ging en deze zonde sexualistisch in de religieuse instituten van de volkeren sanctioneerde. Intussen, deze wijsheid blijft niet roepen: ze dreigt, dat zij, die haar bestraffing niet wilden, eens tot haar zullen roepen "maar ik zal niet antwoorden" (Spr. 1:28).

D. Zo is de zonde wel ijdelheid en leugen, doch niet niets, en zeker niet individualisering of ook descendentie uit een hogere functie in een lagere. Ook de bekering is niet een omslaan van de- in ascendentie, waarbij het licht opstijgt van de waarneming tot het analytische, maar een bekeren van de ijdelheid tot de waarheid, van de afgoden naar God.

E. Enig speculatie over een algemene gedaante of gestalte als "wezen" zoekt men tevergeefs. Anderszijds is het [/41d27] bestaan van de wereld buiten ons nergens een probleem. Evenmin heet het psychische, b.v. pijn, minder reeël dan het tastbare: Job 6:2 en Ps. 10:14.

F. Ook in het gebruik van het woord "vlees" vindt men geen speculatie. Deze term (Hebr. basar, besar, bisra, een enkele maal scheeer, eenmaal lechoem) komt intussen in veel betekenissen voor:

1. Vlees staat naast leem Gen. 2:21 en 23, Job 2:5, Ps. 102:6, elders naast bloed Ezech. 39:18, heet dan ook wel het vlees van het lichaam Levit. 6:10 e.a.; de besnijdenis geschiedt in dit vlees Gen. 17:13; wordt melaats en geneest Exod. 4:7, Lev. 13:10 v.v.; verteert door de dood Num. 12:12, wordt gegeten Gen. 40:19, Lev. 26:29, ook door het zwaard Gods Deut. 32:42; bij de mens kleeft tijdens ziekte het gebeente aan dit vlees Job 19:20; daarentegen is een gezond hart het leven des vleesches Spr. 14:30. Het verschilt dus van gebeente en bloed; toch is het tijdens het leven geen samenvattend bestanddeel; slechts bij de herleving wordt het als iets afzonderlijks gezien: Ezechiel 37:6 en 8.

2. Soms betekent het "lichaam", dan staat het in correlatie met hart in religieuse zin: Ps. 73:20. Ezechiel 11:19 en 36:26, misschien ook wel met geest in de zin van hart Job 12:10.

3. Als pars pro toto gebruikt staat vlees voor het gehele lichaam van schepselen voorzover het vlees in de eerste zin daarbij op de voorgrond treedt: man en vrouw zullen tot een vlees zijn Gen. 2:24; vandaar de term "nabestaanden zijns vleesches" Lev. 18:67. Zo betekent "mijn vlees" "familie van me" Gen. 29:14, 37:27, Richt. 9:2, 2 Sam. 5:1, 19:12, enz., ook Jes. 58:17, en "alle vlees" mens van allerlei geslacht Joel 2:18, Zach. 2:13.

4. Het vlees is zwak: veel lezen is vermoeiing des vleesches Prd. 12:12.

5. Daarom wordt de mens in zijn zwakheid tegenover God als "vlees" getypeerd: Gen. 6:3; Israël acht zich dan ook niet tegen een directe openbaring van Gods majesteit bestand Deut. 5:26, en Job herinnert God zijn boosheid: "is mijn vlees staal?" Job 6:12 vrgl. Job 34:15, Jhvh Zelf vergelijkt het dan ook met gras: Jes. 40:6.

6. Intussen is "vlees" van huis uit niet boos: bij de vrome verlangt het naar God Ps.63:2, vrgl. Ps. 84:3; ook Jhvh toornt dan ook niet op dit vlees, maar ontfermt Zich er over: Ps. 78:39. Zijn woord is medicijn voor het vlees Spr. 4:22. Ook deelt Hij van Zijn geest als gave voor ambtelijk werk daaraan mee: Num. 16:22, wellicht ook Job 12:10. En zijnerzijds getuigt dit van Jhvh's grootheid: Jes. 40:5, 49:26, 66:23, en is het tenzien van het verderf, door Gods oordeel opgeroepen, met afgrijzen vervuld: Jes. 66:24.

7. Gezien de zwakheid van het vlees is het dwaas daarop zijn vertrouwen te stellen Jer. 17:5, gebeurt dit toch dan staat "vlees" als grond voor vals vertrouwen tegenover Jhvh Jes. 31:3 - "want de Egyptenaren zijn mensen en hun paarden zijn vlees en geen geest" - vrgl. Ezech. 16:26. Zulk vlees is onbezonnen Ezech. 44:7 en 9. David vreest zulk vlees - Saul c.s. - niet Ps. 56:5, en eens zal het recht van Jhvh daaraan voltrekken worden Jes. 66:16.

[/41d28] G. Hoewel menselijke dragers van gezag soms "god" heten - Exodus 4:16, 7:1, Psalm 32:1 en 6 en 138:1 - en Psalm 8 de mens in zijn koningsambt "weinig minder dan God" noemt (:6a), werkt de openbaring - anders dan de zondige praktijk van het volksleven - dit motief nimmer uit tot koningsmystiek. De profeten berispen rustig zelfs David's zonden en vermelden deze in hun geschriften (2 Sam. 11 v.v., 2 Sam. 24, enz.): er is dan ook in de Heilige Schrift geen sprake van dat God Zijn soevereiniteit de mens zou meedelen.

H. Juist wijl de wijsheid in Israël de grens tussen God en kosmos indachtig blijft, kent ze ook niet het probleem, hoe toch wel het feit dat Gods bestuur over alles gaat, te rijmen met menselijke vrijheid: de mens is verantwoordelijk, wijl onder de wet gesteld (Prediker 9:10). Daarentegen weet zij wel van smart, die God de mens aandoet. "God is goed" wil niet zeggen: Hij doet geen smart aan. Hij toornt tegen de zonde, bespot Zijn verachters en doodt ze: Genesis 38:7,10 enz.. Ook op de Zijnen toornt Hij wanneer ze zondigen (2 Sam. 24, Psalm 44). Soms is het leed echter niet een kastijding, maar een beproeving. Job bezwijkt bijna onder zulk een leed, wijl zijn liefde in het geding is tussen de God des verbonds en satan, Job 6:2-4. Waarbij dan nog komt het leed om persoonlijk-sympathieke afvalligen (1 Sam. 15:35) en om de smaad van Israël (1 Sam. 4:22).

Opm. Een van de uitingen van hevige smart, onverschillig om welke leed, is blijven liggen, in het Oosten op de grond, vandaar: "onze ziel is (d.i. wij zijn) in het stof neergebogen" (Ps. 44:26), kracht om verder te gaan verwacht de Godsgetrouwe Israeliet in zulke omstandigheden van God: "Hoe kleeft mijn ziel aan het stof, maak me levend naar Uw woord" (Ps. 119:25). Dit kleven heeft dus niets van doen met wereldgelijkvormigheid: onmiddellijk daarvoor en daarna betuigt de dichter zijn trouw aan Gods wetten.

I. De dood aan het einde van het leven staat allerminst in het centrum van de aandacht: de vromen houden zich ook op hun sterfbed bezig met de vraag nar de toekomst van Abrahams zaad: vergl. Gen. 47-49, Gen. 50:22-25, 1 Sam. 4:21. - Het is een zegen wanneer een dode wel, een vloek wanneer hij niet een begrafenis bekomt: 1 Kon. 14:13 - . Vergeleken met de onrust van de levenden, vooral in dagen van tegenspoed, heet de rust van de doden analogisch wel een "slapen": Deut. 31:16, Job 3:13, Daniel 12:2. Wat zo "slaapt" is de gehele mens, dus "de ziel" in de tweede betekenis van dit woord, die immers ook stierf.

Opm. Deze gedachte heeft dus niets uitstaande met de conceptie van de thetopsychieten en van de voorstanders van de leer van de "zieleslaap". Deze leren n.l. dat de gesst, die ze, functionalistisch, als een substantie opvatten, het lagere, de psychè achterlaat. Ook Pred. 3:21 kan voor dit gevoelen niet worden aangevoerd: het verband (:19 en 20) verbiedt dit en de tekst leert, dat ook de bijzin een vragend karakter heeft, waarom ook Delitzsch, ofschoon zelf deze richting toegedaan, hier vertaalt: "Want wie weet, of....".

Het voortbestaan van de doden is echter buiten discussie. [/41d29] Inmiddels is nergens sprake van "onsterfelijheid", zelfs niet bij hen die in het geloof stierven. Wel zijn deze ook nu in de dood onderscheiden van hen die God niet dienden: terwijl de kinderen des verbonds tot hun vaderen worden verzameld, zet men de ongelovigen als van overal bijeengebrachte schapen in het graf, waarna de dood als de bij hen behorende herder hen zal zoeken (afweiden) - Ps. 49:15 - . De gelovigen daarentegen verwachten, dat God hun ziel - d.i. hier wel hen zelf - van het geweld des grafs zal verlossen (Ps. 49:16), en dat zij, wanneer ook hun dorre beenderen door de Geest weer tot het leven zijn gewekt (Ez. 37:10), het aangezicht van Jhvh zullen aanschouwen en met Zijn beeld verzadigd worden (Ps. 17:15).

Opm. Ten onrechte leiden de thetopsychieten uit Job 19:20 af, dat slechts "het Ik" met achterlating van het vlees God zal aanschouwen. Wel kan "min" inderdaad zowel "zonder" als "uit" betekenen. Maar genoemde gedachte strookt met geen enkele andere plaats in het O.T.; ook past ze, (van Gelderen) allerminst in de mond van Job, die, evenals later de martelaren van het nieuwe verbond (Openb. 6:10), roept om wraak over zijn onschuldig leed (Job 16:18a). Daarmee is niet gezegd dat de Statenvertaling hier onberispelijk is; wellicht ziet dit woord niet eens op de opstanding en dient men te vertalen: "Hij (n.l. mijn verdediger), niet ik, zal opstaan van de grond, om te oordelen, en ik zal, zonder doorknaagd vlees (d.w.z. met genezen huid), Eloal zien" (d.w.z. zijn goedheid ondervinden in het land van de levenden, waarom de vrienden wel mogen toezien, of hun houding niet voor hen zelf in de toekomst gevaar oplevert!). - Men vergelijke in het vervolg van het verhaal het optreden van Elihu, de zelfopenbaring Gods en de genezing van Job.

 

Par. 225. De ontwikkeling van de vergadering van de gelovigen II.

I. De staatseenheid valt bij de dood van Salomo (931) [Noot: Zie Par. 67 II C.].

A. Het Noorden, dat mee om politieke redenen de gehoorzaamheid van de dynastie van David opzei, brak ook de eenheid van de gemeente.

1. Aansluitend bij de beeldendienst te Dan, die in de tijd van de Richteren was opgekomen - Richteren 17 en 18, speciaal 18:30 - bracht men die, om het volk ervan af te houden naar Jeruzalem op te gaan, nu ook naar Bethel over.

2. Iets later vervalt een groot deel van het volk ook tot geimporteerde afgoderij: ten gevolge van het huwelijk van Achab (1 Kon. 16:29 - 22:40), uit het huis van Ora, met Izebel van Sidon, neemt het de Foenicische dienst van Baal en Astarte over. Daarmee deed hier ook een monarchiaanse beschouwing van de vorst haar intrede, zich als zoon van het godenpaar ziende stelt de vorst van Tyrus "zijn hart als Gods hart" (Ezechiel 23:2 en 6). Wel staan Achab, uit Israel afkomstig, [/41d30] zelf nog vreemd tegenover een en ander, maar op de duur kan ook hij geen weerstand bieden aan deze consequentie: vandaar dat de Kanaanisering gepaard gaat met absolutisme, o.a. uitkomend in Achabs houding tegeover Naboth.

3. De reactie van Jehu (342) droeg een nationaal-militair karakter. Ze breekt wel met de uitheemse afgoden, niet met de inheemse beeldendienst.

Opm. Een deel van de niet-wettige (1 Kon. 12:31) priesters heet hier Kemarim (Hosea 10:5), een woord, afgeleid van de stam "kamar", dat, "heftig samenkrimpen" - Gen. 43:30, 1 Kon. 3:26 (ontsteken) en Hos. 11:8 (ontstoken-zijn) - en "donker-van-kleur-zijn" - Klaagl. 5:10, vrgl. ook Job 3:5 - betekent. De term kwam ook in Syrie voor en waarschijlijk ook in Creta.

4. In 722 komt het land onder Assyrie, dat het volk grotendeels deporteert.

B. Het Zuiderrijk leeft onder de dynastie van David soms nog geestelijk op, totdat het onder Manasse geheel verethniseert, thans komen ook hier de Chemarim voor (Zef. 1:4, 2 Kon. 23:5). Politisch enige tijd een speelbal tussen Egypte en het opkomend Babylonie verliest het 586 bij de deportatie naar Babylonie zijn laatste zelfstandigheid.

II. Zo ging het geloof aan de beloften Gods al meer te loor.

A. In het Noorden waren er reeds ten tijde van Achab nog slechts 7000 die Jhvh trouw bleven.

B. Gunstiger was aanvankelijk de toestand in het Zuiden. Toch ging ook hier het verval door. Toen koning Achaz niet luisterde naar de waarschuwing van Jesaja: "indien gij niet gelooft, houdt ge het niet" - Jes. 7:9 - , kwam het in het Zuiden tot een breuk tussen het koningshuis - waaruit desondanks de Messia zou geboren worden - en de gemeente die zich vergaderde om Jesaja (Jesaja 8). De linkerzijde hield het hart verre van God en meende zonder Zijn Geest uit te kunnen komen en stelde ondanks de waarschuwingen van Jesaja "want de Egyptenaars zijn mensen en geen God en hunne paarden zijn vlees en geen geest" (Jes. 31:3) e.a. vlees tot haar arm (Jer. 17:5).

 

Par. 226. De ontwikkeling van de vergadering van de gelovigen III.

I. De periode na 586 is er een van voortdurende vreemde overheersing, die echter telkens een ander karakter vertoont.

A. De Babylonische heerschappij duurt nog geen eeuw.

B. Ze maakt plaats voor de Perzische. Cyrus geeft o.a. de rest van de twee stammen vrijheid naar Palestina terug te keren. Niet allen maken van deze gelegenheid gebruik.

1. Zij die repatrieerden kwamen in botsing met de Samaritanen.

2. Zij die bleven waren in Perzie blootgesteld aan het woeden van een Haman, die niet uitsluitend door winstbejag, maar mede door pseudo-religieuze motieven en ethnische verschillen - invloed van de theorie van de oermens en de verschillende volkstypen? - gedreven, het onder Xerxes op het verwekken van een progrom aanlegde.

C. Met Alexander de Grote begon de reeds door Daniel [/41d31] voorspelde (Dan. 8:21) Hellenistische tijd [Deel III, Par. 147]. Na 281 behoort Palestina tot Syrie, een van de twistappels tussen Ptolomaeen [Par. 150] en Seleuciden [Par. 151]. Kort na 210 (deel IX) zinkt de heerschappij van de eerste in begunstigd door de Roemeinen weet de re-orientalisering zich ook in Palestina - tegen de poging tot geforceerde hellenisering door Antiocnus IV Epifanes - door te zetten. De Joden komen onder het Maccabeesche huis, 64 voor Chr. met Syrie onder Rome.

II. Uiteraard krijgt Israel in deze periode contact met tal van andere culturen en hare pseudo-religies, doch het biedt, voorzover het gelooft, krachtig weerstand.

A. In Babylon staat Israel niet slechts tegenover de reeds uit Egypte en Palestina bekende tovenaars, maar ook tegenover de voor Babylonie typische sterrenwichelaars. Verzet blijkt uit het niet-gehoorzamen van het koninklijk bevel deel te nemen aan afgoderij (Dan. 3:16-19). Het verhaal maakt intussen de indruk slechts van uitzonderingen te spreken.

B. In de Perzische tijd bedreigt

1. de gerepatrieerden het gevaar van de vermenging;

2. allen de anti-Joodse (niet "anti-semitische"!) beweging.

De drang naar synthese bij een groot deel van de goden vertoont hier en daar reeds een wijsgerig karakter: Esseeën.

C. Verder greep de synthese in later tijd om zich heen: ondanks de typering van het heidense Javan als tegenstander (Zach. 9:13), doen zich de Hellenistische en Romeins-Hellenistische invloeden gelden, vooral in de hogere standen, zo wijsgering bij de auteurs van de apocryphe boeken [Par. 179'''] en nog sterker bij Filo [Par. 182], politisch bij de Sadduceeën. Beide groepen vatten zonde op als vernedering en veruitwendiging van het hogere. Onder de meer nationaal-gezinden zagen de Parizeeën niet meer, dat God Israel verkoos opdat het Zijn volk zou zijn, h.i. was God het "bezit" van de Joden.

Zo verengden ze het Evangelie dat aan de wetsinscherping op de Sinai ten grodslag ligt tot wet, op wier "bezit" ze prat gingen, zonder intussen te trachten aan haar eisen gehoor te geven, men werkte deze bovendien zolang "om", dat tenslotte geboden heette wat God had verboden. Zo waren de leiders blind. Van het besef "qahal" te zijn - in de LXX soms door "synagoge", vaker door "ekklesia" vertaald - was vooral in Palestina niet veel meer over: de eerstgenoemde term, die "verzameling" zonder meer betekent, won het hier van de tweede en slechts "anawim", de "stillen in de lande" hoopten nog op vervulling van Gods beloften.

[/41d32]

B. HET NIEUWE TESTAMENT.

 

Par. 227. De verhouding van het Nieuwe tot het Oude Testament.

Het Nieuwe Testament is, hoewel in het Grieks geschreven, niet alleen wat zijn gedachtenwereld, maar ook wat zijn spraakgebruik betreft eerst te verstaan wanneer men de Oud-Testamentische Openbaring in het oog houdt. Vandaar dat de volgende Paragrafen goeddeels parallel kunnen lopen aan die onder A.

 

Par. 228. Het meegedeelde omtrent God (// Par. 207).

a) Ook het Nieuwe Testament gaat nergens op een oereenheid achter God en kosmos (b.v. "het zijn") terug.

b) Zijn eenheid sluit niet de levensvolheid uit: Matth. 28:19.

c) Deze rijkere openbaring noemt de wijsheid en het woord Gods thans de eengeboren Zoon (Joh. 1:18) en leert ons, dat ook de geest Zijns monds Zich Zelf met het woord "Ik" kan aanduiden (Hand. 13:2).

Opm. Ook in het N.T. ontbreekt hier alle sexueel thema. En eveneens de gedachte, alsof God een Persoon zou zijn en Zich in drie onpersoonlijke rollen (prosoop anhypostata) zou openbaren (Sabellius).

 

Par. 229. Het medegeddelde omtrent God als Schepper (// Par. 203).

a) Anders dan inzake het vorige punt bevat het N.T. in zake het Schepper-zijn van God weinig nieuwe gegevens: de schepping van alle dingen als daad Gods is hier ondersteld: Hand. 17:24, Openb. 4:11 en Joh. 1:3.

Opm. 1. Het "door Uw wil" (Openb. 4:11) zegt niet iets anders dan "door het woord des Heren" en "door de geest zije monds" (Ps. 33:6): het woord, bij de schepping gesproken (2 Petr. 3:5) was scheppend en bevelend (Rom. 4:17). In verband met de rijkere openbaring in het Nieuwe Testament heet de Zoon ook zelfs "het Woord" (Openb. 19:13, Joh. 1:1-14). Dienovereenkomstig wordt "door het woord" hier "door het Woord", en "door de Zoon". Deze nu heet in Col. 1:15 "het beeld Gods", de eerstgeborene ten aanzien van iedere (of alle) creatuur.

Opm. 2. Om dit woord te verstaan bedenke men.

a) "para ktisis" betekent niet "de gehele creatuur", maar "iedere -" of "alle creatuur", zodat de partitieve opvatting van de genitivus onmogelijk is. Het zelfde geldt voor Ef. 2:21, waar men "alle bouwwerk" [/41d33] heeft te lezen en niet "het gehele gebouw", zoals de Statenvertaling heeft. In beide teksten heeft men met een genituvus relationis te doen.

b) dat de eerstgeborene in Israel de erfgenaam van alles was (vrgl. Hebr. 1:2).

Opm. 2. Ook het N.T. ziet de H. Geest nimmer als "wereldziel", een term die trouwens in heel de Heilige Schrift niet voorkomt.

Opm. 3. Evenmin kent het een eeuwige materie. De term "hyle" komt bovendien slechts eenmaal voor, en wel in de betekenis van "hoop hout" (Jac. 5:9).

b) Hij is onafhankelijk van het geschapene (Hand. 17:25), "alzo Hij Zelf alles het leven en de adem en alle dingen geeft".

c) Ook het N.T. zegt, dat God de wereld naar Zijn raad geschapen heeft (Hand. 17:26). Deze raad Gods gaat over alle dingen (Ef. 1:11) en is onveranderlijk (Hebr. 6:17).

Opm. Nergens spreekt de Heilige Schrift in verband met deze raad over ideeën in wijsgerige (hetzij in realistische, hetzij in anti-realistische) zin; het woord "idea" komt trouwens slechts eenmaal voor (Matth. 28:3) en betekent dan waargenomen "gedaante".

 

Par. 230. Het medegedeelde omtrent het geschapene (// Par. 209).

a) Ook het N.T. onderscheidt hemel en aarde (Hand. 17:24).

b) De hemel vraagt hier ook daarom belangstelling wijl de Christus na Zijn hemelvaart daar is. Intussen blijft ook de hemel schepsel: door het woord Gods bestaande (2 Petr. 3:5) zullen de hemelen, blijkbaar ook door de zonde besmet, door vuur gelouterd worden (2 Petr. 3:7-13).

 

Par. 231. Het medemedeelde omtrent de aarde (// Par. 210).

Het zelfde geldt van de aarde (t.a.p.).

 

Par. 232. De medeelingen omtrent de verhoudingen van de dingen op aarde tot God (// Par. 211).

a) Ook hier staan alle dingen in verhouding tot God.

b) Terwijl alle schepselen door hem zijn gemaakt, staat de mens tot hem in een bijzondere verhouding; daardoor ontmoet hij God waar hij zich ook wendt (Hand. 17:28a) en behoort als kind bij Hem (Hand. 17:28b en 29).

Opm. In de rede van Paulus op de Ariopagus onderscheide men in dit verband twee uitdrukkingen:

a) "In Hem leven wij en bewegen wij ons en zijn wij". Deze woorden zijn blijkens het getuigenis o.a. van de Nestoriaan Ischadad, de vrije weergave van een regel uit het gedicht [/41d34]’ Linos van Rhadamantys' van Epimenides, een Cretische dichter uit de tijd van Solon. Deze voert daar Linos, de tyran en vermeende zoon van Zeus, spreken in. Minos scheldt de Cretensen die zijn vader dood wanen voor leugenaars en luie buiken - vergel. Titus 1:12 - , en zegt dan tot Zeus: "Gij zijt levend en staat (vast). Want door U leven wij en bewegen wij ons en zijn wij", een uitdrukking die dan handelt over de vastheid die ook de heiden zoekt. Paulus geeft het citaat vrij weer, denkt daarbij zelf, blijkens heel het verband, aan Jhvh, dan vaste grond van alle leven, door de heidenen in de tijden van de onwetendheid o.a. in de aarde en bij de doden gezocht, maar aan Israel bekend als overal present (vrgl. Ps. 139).

b) De tweede uitdrukking is een letterlijk citaat van Aratos (310 - 240), wiens familie naar Tarsos, de geboorteplaats van Paulus, was verhuisd. Het verband is als volgt. "Overal hebben we Zeus nodig, we zijn ook zijn geslacht. . . Vader . . . gij zelf zijt ook ons voorgeslacht". "Geslacht" heeft hier dus niet de betekenis van "soort". De zegswijze is, evenals die van Epimenides, chthoonisch. Paulus zelf denkt hier natuurlijk niet chthoonisch, maar evenmin met betrekking tot het schepsel apriorisch, zoals Ischodad, die alvorens zijn uiteenzetting te besluiten nog even opmerkt: "En ook Plato en anderen zeggen, dat de psychai van het geslacht Gods zijn": Paulus spreekt hier niet over platonische of pseudo-platonische apriroische psychai, maar over mensen die krachtens hun verband met Adam door hun religie bij God behoren. De grond die hij in dit gezelschap van nominalistische wijsgeren tegen de afgodsbeelden aanvoert is dan ook niet die van deze wijsgeren, n.l. dat die beelden niet op het gebied van het bewustzijn liggen en "maar" objecten zijn, doch dat de mens als Gods maaksel niet God als zijn cultuurproduct mag zien.

 

Par. 233. De mededeling omtrent de schepping van Adam (//Par. 212)

I. Letterlijk, met een Hebraeisme, vertaalt Paulus de uitdrukking van Genesis 2:7 "geworden tot een levende ziel": "egeneto. . . eis psychèn zosan".

Opm. 1. In het Nieuwe Testament komt "ziel" slechts voor in betekenissen welke dit woord ook in het Oude Testament heeft:

A. Geheel de mens:

1. van de Christus: Matth. 26:38, Marc. 14:34, Hand. 2:27 en 31, parallel Ps. 16:8-11.

2. van gewone mensen: Matth. 11:29, 16:26, Marc. 8:36 en 37, Luc. 9:56, [/41d35] 12:19, Hand. 2:4 en 43, 3:23, 7:14, 27:37, Rom. 2:9, 13:1, 2 Cor. 12:15, Jac. 5:20, 1 Petr. 3:10, 2 Petr. 2:14; Openb. 16:3.

3. in verband daarmee is "ziel" met pronomen possessivum wel gelijk aan het pronomen personale; zo (analogice) bij God: Matth. 12:18 en Hebr. 10:38.

B. De mens als levend, het leven van de mens.

1. van de Christus: Matth. 2:20, 20:28, Marc. 10:45.

2. van gewone mensen. Matth. 10:39, Luc. 2:35, 12:20, 21:29, Hand. 15:16 en 20:10, Rom. 11:3, 1 Thess. 2:8, Jac. 1:21, 1 Petr. 1:9 en 22, 2:25, 4:19, Openb. 20:4.

C. het centrum van des mensen leven:

1. tijdens het leven:

a) zonder meer: Marc. 12:30 en 33, Luc. 1:46, 10:27, 2 Cor. 1:23, 2 Petr. 2:8, 3 Joh. 2, Openb. 18:14.

b) de openbaring daarvan, dus het religeuse leven: Hand. 4:32, 14:2, 15:24, Hebr. 12:3, tegen de ziel in deze zin kunnen vleselijke begeerlijkheden krijg voeren 1 Petr. 2:11;

c) soms is het moeilijk te onderscheiden of a dan wel b gemeend is, zo Hebr. 6:19, 10:39 en 13:17.

2. na de dood: dan is de psychè van het sooma gescheiden. Matth. 10:28, Openb. 6:9.

Geen van deze plaatsen spreekt van onsterflijkheid; ook de eerste niet: integendeel, de Christis herinnert hier juist aan de mogelijkheid dat de ziel de eeuwige dood sterft. En in Openb. 6:3 klinkt de betekenis "bloed" door: de zielen van de "slachtschaapkens Christi" zijn hier onder het altaar, waarheen ook het bloed van de offerdieren leekte.

3. In verband met deze inleiding heeft het zin reeds tijdens het leven ziel en lichaam te onderscheiden, kras geschiedt dit door die heidenen, die bij de slavenhandel in sommige gevallen vooral op de zielen, in andere vooral op de lichamen van hun koopwaar letten Openb. 18:13.

Opm. 2. Deze gegevens zijn indirect ook voor de anthropologie van betekenis. Maar dan voor een schriftuurlijke. Derhalve ga men niet van functionalistische probleemstellingen uit om dan in de Schrift het antwoord te zoeken op vragen als "(functionalistische) dichotomie of trichotomie?" Waar de Schrift van "ziel en lichaam" spreekt ziet dat nimmer op een "samenstelling", maar deze onderscheiding de zin van "inwendige en uitwendige [/41d36] mens", soms onderscheidt Zij de eerste nog als richtinggevend en innerlijk; zo 1 Thess. 5:23 en Hebr. 4:12. In deze teksten leze men echter geen trichotomie: zij handelen niet over wijsgerige vragen, maar over het bewaren van geheel het leven in heiligheid en over de antithese door het woord Gods in geheel het mensenleven gebracht.

II. De uitdrukkingen "naar de gelijkenis Gods" en "naar het beeld Gods".

A. "Naar de gelijkenis Gods". Deze uitdrukking komt alleen van de mens voor, in verband met de wijze op welke hij geschapen werd: Jac. 3:9.

B. "Het beeld Gods" heeft in het N.T. verschillende betekenissen.

1. Met betrekking tot God gebruikt, heet de Zoon het beeld Gods: Col. 1:15.

Opm. 1. De goddelijke Personen heten in de H.S. nooit "prosoopa". "Prosoopon" betekent trouwens "aangezicht", het is dan ook slechts zelden - 6 maal van de 78 - door (menselijk) "persoon" vertaald, n.l. in Matth. 22:16, Marc. 12:14, Lucas 20:21, 2 Cor. 1:11, Galaten 2:6 en Judas 16, van deze gevallen kon het bovendien in 2 Cor. 1:11 onvertaald gebleven of - pars pro to- to- door "hoofden" (in de zin van "koppen") weergegeven zijn, en elders door "aangezicht". Gegeven de eenheid Gods werd "prosoopa" als aanduiding van de Personen dan ook de typische terminologie van het modale monarchionalisme, dat "een hypostasis, drie prosoopa" leerde.

Daartegenover sprak de orthodoxie deels van "een hypostasis, drie ousiai", deels van "een ousis en drie hypostaseis". Beide groepen meenden ondanks het aanvankelijk verschil in terminologie het zelfde, n.l. "een wezen, drie personen". Bedoeld verschil wortelt in dat tussen het neo-aristotelisme en het neo-platonisme. Voor een beslissing ten deze doe men dan niet een beroep op de H.S.: zij draagt geen wijsgerig karakter en op de enige plaats waar Zij "hypostasis" gebruikte (Hebr. 1:3) heeft deze term de practische betekenis van "dragende trouw", waarom het ook in parallel voorkomt met "doxa", roem.

2. Met betrekking tot de mens dient men te onderscheiden.

a) "Beeld Gods" wordt hier allereerst gebruikt voor de drager van het niet-functionele ambt in het nieuwe verbond, dus voor de Christus 2 Cor. 4:4.

Opm. 1. Men zie toe niet te vervallen in de fout, uit gelijke predicering af te leiden, dat nu ook onder de zo geprediceerde het zelfde zou moeten verstaan: de zoon valt allerminst samen met de Christus. Een ambt [/41d37] wordt immers in opdracht van Godswege door mensen bekleed, de Zoon (de Logos) daarentegen behoort tot God (Joh. 1:1-3 en Hebr. 1:1-3).

Vandaar dat het zin heeft te vragen naar de verhouding tussen God en de Christus, nader naar die tussen de Zoon en de Christus.

Op de eerste vraag geeft 1 Cor. 11:3 een wel zeer duidelijk antwoord. "God is het hoofd van de Christus" (in de Statenvertaling ontbreekt ten onrechte het tweede bepalend lidwoord).

In verband met de andere vraag zij gewezen op Rom. 8:29, waar - anders dan 1 Cor. 11:3 - niet de opdracht Gods aan, maar Zijn eenheid met de Christus op de voorgrond staat en de laatstgenoemde dan ook "het beeld Zijn Zoons" heet. Parallel met deze plaats kan Filipp. 2:6 genoemd, waar Paulus de goddelijke gestalte, in welke de Zoon Zich kon openbaren en (voor de vleeswording) ook inderdaad openbaarde, stelt tegenover de nederige gestalte die Hij bij de incarnatie aannam. Een parallel verschil vindt men bij de leer omtrent de vernieuwing van de christen: Ef 4:24 noemt de nieuwe mens geschapen naar (passend bij) God in ware rechtvaardigheid en heiligheid.

Col. 3:10 daarentegen handelt meer over de verhouding van de nieuwe mens tot de Christus - vergelijk : 11 - hij wordt vernieuwd naar (passend bij) het evenbeeld van Degene Die hem geschapen heeft, wat daarin uitkomt, dat Christus alles in allen is.

Verwarring van de Zoon en de Christus leidt enerzijds tot subordinatie van de Zoon - hetzij als Hypostasis hetzij als "prosoopon" - en aan de anderen kant tot vergoddelijking van de ambtsdrager.

Opm. 2. De term "het beeld Gods" vindt men in het N.T. niet expressis verbis aan Adam gebruikt. Toch staat hij 1 Cor. 15:45 als ambtsdrager naast de Christus en is de verhouding van ons tot hem een van "beelddragers". De gedachte is dus wel aanwezig.

b) Daarnaast komt de term "beeld Gods" voor ter aanduiding van het functionele ambt waarin de man als echtgenoot tot God staat (1 Cor. 11:7).

Saamvattend: De term "beeld Gods" duidt niet steeds een ambtsdrager aan (Col. 1:15). Daarentegen kan een ambtsdrager "beeld Gods" heten; dit laatste spraakgebruik is echter beperkt. Vraagt men naar de regel van deze beperking dan zij verwezen naar het criterium voor de benaming "god" voor ambtsdragers, gegeven in Joh. 10:35: in het N.T., dat handelt over een tijd, in welke het volk Israel geen eigen staatsleven meer bezat, komt deze titel dan ook alleen aan Adam, aan de man als gezinshoofd en aan de Messias toe: de burgerlijke overheid is er - dit tegen de organicistische beschouwing [/41d38] van de staat - immers slechts om van de zonde wil en de typische ambten hadden uitgediend.

 

Par. 234. De positie van Adam als verbondshoofd (// Par. 213).

Hij staat zowel in Rom. 5 als in 1 Corinthe in parallel met de Christus als de tweede Adam. Vandaar dat de verschillen hier op de voorgrond treden:

1. De onderstelling van het ambt: Adam was door schepping geworden tot "een levende ziel" (1 Cor. 15:45), d.w.z. een individuele volledige mens uit wiens huwelijk met Eva alle overige mensen zijn voortgekomen.

2. De uitoefening van zijn ambt. Hoewel Paulus er elders uitdrukkelijk aan herinnert, dat Eva het eerst gezondigd heeft (1 Tim. 2:14), is toch door Adam de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood (Rom. 5:12). Ook daaruit blijkt dat Adam in parallel met de Christus stond (zie ook 1 Cor. 15:22), dus ambtsdrager was.

 

Par. 235. De mededeling omtrent de schepping van Eva (//Par. 214).

Ook hier is het Nieuwe Testament kort. Intussen lette men op de bevestiging van de verhouding tussen Genesis 2:7 en Genesis 2:21-23 in 1 Corinthe 11:7 en 8.

 

Par. 236. De mededeling omtrent de verhouding van de mens tot God voor de zondeval II (// Par.215).

In het psychè-zijn lag de zonde niet: Adam leefde in gemeenschap met de God van de woordopenbaring, in Wien "leven" was Joh. 1:4 - vrgl. Spr. 8:35 - .

 

Par. 237. De mededeling omtrent de zondeval en de eerste woordopenbaring daarna (// Par. 216 en Par. 217).

a) De zonde - als a-nomia getypeerd (1 Joh. 3:4) - is overtreding van het verbod Gods.

b) Ze is in de (mensen) wereld ingekomen door een mens, n.l. door Adam (Rom. 5:12).

c) Daardoor is ook de dood tot allen doorgegaan (Rom. 5;12-14).

d) De logos zweeg niet na de zondeval: "en dat leven was het licht van de mensen" (Joh. 1:4): het licht van de woordopenbaring van Gods zijde stelt hij tegenover de duisternis van Satan's kant (Joh. 1:4 en 5).

 

Par. 238. De mededeling omtrent de ontplooiing van het menselijk geslacht tot de zondeval (// Par. 218).

I. Het genetisch verband.

a. Deze periode heet een onderdeel van die tussen de overtreding van het verbod in het Paradijs en de inscherping van de wet aan Israel (Rom. 5:13). [/41d39]

Opm. Het "als er gene wet is" is hier relatief bedoeld, d.w.z. in vergelijking met de toestand in het Paradijs die vergelijking met de toestand in het Paradijs die voorafging en die van Israel na de wetgeving op de Sinai die volgde: Paulus zelf spreekt met betrekking tot Adam van misdaad en schuld (:15 en 16), zegt dat men ook zonder "de" wet zondigde en verloren ging (2:12) en dat bij de heidenen, die "de" wet (n.l. van Israel) niet kenden, toch - door traditie - het werk van de wet op de tafelen van hun hart geschreven was (2:14).

b. Over "ziel" werd vroeger reeds gesproken. Over het geven van de nesamah = pnoe (Stat. vert. "adem") Hand. 17:25.

c. "Pneuma" heeft, evenals in het O.T. een schat van betekenissen:

1. Het blazen van de mond: Matth. 27:50 en Joh. 19:30.

2. Alle uitingsvermogen van de psychè: in die zin staat pneuma als het innerlijke tegenover lichaam (1 Cor. 7:34) en vlees (2 Cor. 7:1) als het uiterlijke. Vandaar dat het sterven - meestal door apothneistein weergegeven - even goed als met expsychoo (Hand. 5:3 en 10, 12:23) ook met expneoo (Marc. 15:37 en 39, Lucas 23:46), aphiemi (Joh. 19:30) wordt aangeduid. Vergelijk ook Jac. 2:26, en wat de christenen aangaat, 2 Cor. 5:1-8.

3. Het blazen van de wind: Joh. 3:8.

4. Analoog van God in Zijn richting-bepalende kracht:

a) God is een geest: Joh. 4:24.

b) Het goddelijke en de Middelaar heet de Geest van de heiligmaking (Rom. 1:4), van de zelfopoffering (Hebr. 9:14), van de levendmaking bij de opstanding in de hof van Jozaf (1 Petrus 3:18).

c) De Heilige Geest, die de richting van mensheid en mensen opnieuw ten goede bepaalt; in dit verband noemt het N.T. speciaal de ontvangenis van Jezus uit Hem (Matth. 28:19), en tal van gaven.

5. Van engelen,

a) goede Hand. 23:9, Hebr. 1:7 en 14.

b) kwade Marc. 9:20, Luc. 9:39, 10:20, Hand. 16:18, Ef. 2:2, speciaal aangeduid als boos Matth. 12:45 e.a.p., of ook naar de werking die ze uitoefenen op het menselijk leven, als onrein (Matth. 10:1), stom Marc. 9:17), doof (Marc. 9:25, geest van de krankheid) Luc. 13:11), een waarzeggende geest (Hand. 16:16).

6. De omzettende vernieuwende kracht van de Heilige Geest bewerkt dat er komt een gelovig vasthouden van de beloften Gods, een leven door en voor Hem, dat, evenals in het O.T., als geest in deze pregnante zin antithetisch staat tegenover wat op zich zelf betrouwt en daarom nu "vlees" in pregnante zin heet: zo staat Kerk tegenover wereld als "geest" tegenover "vlees": (Joh. 3:6, Rom. 1:1,,4,5 en 9) en tegenover "lichaam" (Rom. 8:13). Vandaar dat het elders heet: "Die uit God geboren is, die doet de zonde niet" (1 Joh. 3:9). Nu vangt dit werk des Geestes bij het centrum aan: vandaar dat het hart, de geest, de functiemantel, het vlees vooruit is: Matth. 26:41, Marc. 14:38, en Paulus, zich zelf naar dit bemoedigend begin(sel) beoordelend, kan [/41d40] zeggen "ik dan doe datzelve (de zonde) nu niet meer" (Rom. 7:17 en 20).

Opm. Dat wil niet zeggen, dat "het ik" van Paulus niet meer zondigen zou. Want: lFout! Bladwijzer niet gedefinieerd.oFout! Bladwijzer niet gedefinieerd. kent de Heilige Schrift niet de substantivering van de individualiteit. - Zij spreekt nooit van "het ik"; nog minder onderscheidt ze "het ik" van "het mij" - en 2Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.oFout! Bladwijzer niet gedefinieerd. is ook het centrum bij de levend-gemaakte niet vrij van zonde. Zelfs bij Abraham stond "vlees" tegenover "geest" (Gal. 4:22-29) en Paulus zegt: Laat ons ons zelven reinigen van alle besmetting des vleeses en des geestes" (2 Cor. 7:1).

De levend-makende kracht des Geestes staat vijandig niet slechts tegenover de onreinheid van veel heidenen, maar evenzo tegenover de hoogmoed van de Farizeeën, die niet naar de hun gegeven rijke woordopenbaring luisterden maar deze beschouwden als een bezit waarop ze zich zouden kunnen verheffen (2 Cor. 3:6 en 8, Gal. 3:3), en ook zo weer roemen in het "vlees". Dat de hoofdzaak hier is de tegenstelling tussen de richting naar God toe en van Hem af blijkt ook daaruit, dat elders de Geest Gods staat tegenover de geest van de wereld 1 Cor. 2:12.

Opm. Ook hier is niet te denken aan de geest die over "de materie" heerst - de H.S. kent niet de term "hylikos" en zelfs op de Areopagos strijdt Paulus niet speciaal tegen hen, hoewel ze zich onder zijn hoorders bevinden! - , maar aan de geest die "wereld" in pregnante zin vijandig tegenover God doet staan.

Juist wijl de gelovigen heiligen en toch tegelijk nog zondig zijn, vermaant de H.S. de geesten, de richting van de leraars te beproeven. 1 Joh. 4:1; onderscheidingsvermogen ten deze is een gave (1 Cor. 12:10), de criteria in deze strijd, speciaal een tegen spiritualisme en gnostiek, dient men te ontlenen aan het Evangelie: 1 Cor. 14:32, 1 Joh. 4:2-6. Vandaar ook de betekenis zowel van de inspiratie van de Apostelen als van hun ambtsoefening.

II. Het religieuse verband.

De lijn van de verkiezing voor de zondvloed: Hebr. 11:4, 1 Joh. 3:12, Judas:11 (Kain) en Hebr. 11:5-7, 2 Petrus 2:5 en 3:6.

 

Par. 239. De mededeling omtrent de verdere ontplooiing van het menselijk geslacht. (// Par. 219).

a. De heidenen verkeerden in onwetendheid (Hand. 17:30).

b. Daarentegen waren Israel de woorden Gods toebetrouwd (Rom. 3:2), al zijn sommigen ongelovig geweest (3:3).

 

Par. 240. De ontwikkeling van de vergadering van de gelovigen I. (//Par. 220).

Scherp onderscheidt het N.T. de belofte Gods en daaraan correlaat het geloof, van het ongeloof van Israel, dat door het bezit van de wet - het ingescherpte liefdegebod - hoewel het aan haar niet gehoorzaam was, zich zelf wilde redden: [/41d41] de belofte en het geloof waren er eerder dan de wetgeving op Sinai: Galaten 3:17. Israel was het kind van Abrahams ongeduld, van het vlees (Galaten 4:23), Izaak werd geboren naar de geest. Met dit "naar de geest" ontkent Paulus dus allerminst b.v. de historiciteit van Izaaks geboorte. Dat de eerste zijn broeders vervolt (Galaten 4:29), gaat ook thans nog door, want deze dingen hebben een andere beduiding: "estin allegoroumena", spreken allegorisch: want dit geschil berustte niet maar op een verschil in economische positie van de beide moeders, maar op een verhouding in welke Abraham tegenover God stond en dit verschil vertoont zich ook in deze tijd, zegt Paulus, tussen de ongelovige en de gelovige Jood.

Opm. Wat de vertaling van het liefdegebod uit Deuteronomium 6:5: "met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht" (of "vermogen") aangaat, valt op, dat de Christus in Matth. 12:33 en Luc. 10:27 "hart" niet met de LXX weergeven door "dianoia" maar door "kardia". De "dianoia" komt bij de Christus eerst op de derde plaats, hetzij ter vervanging van "kracht" - dan is het een consequentie (Matth. 22:37) - hetzij daarnaast en wel tussen pyche en ischus in (Marcus 12:30). De wetgeleerde plaatst dit volgens Lucas 10:27 nog daarachter of verscherpt het - al of niet met weglating van "psychè" (de handschriften verschillen hier) n.l. in Marcus 12:33 - tot "synthesis". Zonder het recht van deze consequentie voor zijn ambtelijke bezigheid te bestrijden, deze consequentie zelfs waarderend, zegt de Christus toch slechts, dat hij niet verre is van het Koninkrijk Gods: om daarin in te gaan is meer nodig dan het trekken van consequenties (Joh. 3:2 en 3).

 

Par. 241. De parallel van de wijsheid van het Oude Testament het Nieuwe Testament (// Par. 224 v.v.).

a) De zonde is door een mens (Rom. 5:12). Alle schepsel is aan de ijdelheid onderworpen, niet qua schepsel (gnostiek), maar wijl het in verband stond met de mens, die het aan de ijdelheid onderworpen heeft (Rom. 8:22 na:20). De Christus noemt zich de Waarheid (Joh. 14:6), de bekering is er een van duisternis tot licht, van satan tot God (Hand. 26:18). - Dat de titel "god" soms in het O.T. aan mensen wordt toegekend, is volgens de Christus daarin gegrond, dat tot deze het Woord Gods geschied is (Joh. 10:35). Hij stelt Zich Zelven echter niet met deze op een lijn (10:30). Hem is evenals de Opperste Wijsheid het gericht gegeven over het al of niet onderworpen blijven aan de toorn Gods: Joh. 3:18-21 en 36. Scherp keert ook het N.T. zich tegen de ontucht, die zij als doorgaande zonde van het heidendom in verband ziet met de theïstische opvatting van het geschapene (Rom. 1:24-32).

b) God doet de zondaars smart aan: Rom. 2:8 en 9, [/41d42] 2 Thess. 1:8; Jezus lijdt juist daarom, wijl Hij zonden van de Zijnen verzoent. Zijn grootste smart is van God verlaten te zijn: Matth. 27:46.

Opm. Bij deze tekst overwege men, in verband met het blijvend verband in Hem tussen God en mens, de exegese van Calvijn, die deze klacht aan verduistering van Zijn bewustzijn omtrent dit verband toeschrijft.

Hij vergt, dat Zijn discipelen om Zijnentwil hun psychè = leven te zullen willen verliezen (Lucas 9:24).

 

Par. 242. De mededeling omtrent de ontwikkeling van de vergadering van de gelovigen in de periode na Salomo (// Par. 225 en Par. 226).

Uitdrukkelijk bevestigt de Christus de scheiding die er ook reeds in de oude bedeling in Israel was tussen ongelovigen en gelovigen: Lucas 4:27. De Messiasverwachting van de Joden die de redding uit zondenood niet begeerden is vleselijk en "het vlees is niet nut, de woorden die Ik U spreek zijn geest en leven" (Joh. 6:63).

Opm. Ook deze uitspraak is niet gnostisch te interpreteren uit een romantische verachting voor het lagere of voor de buitenkant: dit woord volgt onmiddellijk na de prediking - dat Hij geven zal voor het leven van de wereld - Joh. 6:51 - waarlijk spijs is - Joh. 6:55.

Zo spreken de Christus en Zijn Apostelen de spraak van het Oude Testament, evenals de "stillen in de lande", gege de lofzangen van Maria en Zacharias (Lucas 1:46-55 en 68-79).

 

Par. 243. De mededeling in het N.T. omtrent de Christus.

I. Hij, die God is en alles heeft geschapen, in Wie het leven, het licht van de mensen, was, dus God in verbondsverhouding tot de mensFout! Bladwijzer niet gedefinieerd.Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd., die vroeger bij de profetie in de wereld kwam (Hebr. 10:5) en van Wie het volk (Joh. 6:14) en de gelovige Martha wist, dat Hij in de wereld komen zou (Joh. 11:27), is in de wereld gekomen: Joh. 1:9, 3:19, 9:39, 12:46, 16:28, 18:37, 1 Tim. 1:15.

Opm. 1. Men vertale dus Joh. 1:9: "het waarachtige licht dat verlicht een iegelijk mens, was komende in de wereld". Deze vertaling is geheel in overeenstemming lFout! Bladwijzer niet gedefinieerd.oFout! Bladwijzer niet gedefinieerd. met het verband: terwijl Johannes de Doper predikte was de Logos (geleidelijk) komende in de wereld, 2Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.oFout! Bladwijzer niet gedefinieerd. met al de overige teksten, waarin de uitdrukking "erchomai eis ton kosmon" voorkomt en met die welke zeggen, dat de Vader Hem in de wereld zond: Joh. 10:36, 17:28, 1 Joh. 4:9, 3Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.oFout! Bladwijzer niet gedefinieerd. volledig in parallel met Joh. 3:19 en 12:46, waar deze term bovendien verbonden is met "het licht" als onderwerp van de (vol)zin. - Voor de betekenis van het [/41d43] "verlicht een iegelijk mens" zie men 1 Tim. 2:4. -

Hij blijft God en spreekt van Zijn eeuwig-zijn: "eer Abraham was ben Ik" Joh. 8:58 en van Zijn alomtegenwoordigzijn: volgens Joh. 3:13 is Hij tegelijk op de aarde en in de hamel.

II. Intussen is Hij ook de mensen gelijk geworden (Fil. 2:7), en heeft een dienstknechtsgestalte aangenomen (ibidem).

Opm. 2. Dat deze "morphe" niet een schijngestalte is, zoals gnostici wel leerden, blijkt reeds uit de parallel die de tekst geeft tussen goddelijke en menselijke morphe.

De verhouding van het goddelijke en menselijke in de Middelaar is deze, dat God geopenbaard is in het vlees (1 Tim. 3:16). Dat vlees is dus een middel niet tot verberging (Luther), maar tot openbaring. Het initiatief tot deze vereniging ging uiteraard van God uit, Die deze morphe aannam, waarbij deze morphe, wijl beperkt, door de Zoon wordt omvat, dus in bijzondere zin "enhypostatisch" is.

Opm. 3. De term "enhypostatisch" komt dan ook herhaaldelijk in deze goede zin bij de patres voor en verschillende oude confessies vergelijken de verhouding van God en mens met die van ziel en lichaam, dat men dan "empsychos" - niet "bezield" maar "in de ziel rustend" - noemde.

Van deze term onderscheide men een andere, n.l. "anhypostatos", die slechts zelden in orthodoxe zin voorkomt en dan geen specifiek christologische inhoud heeft, maar ook zo bedenkelijk blijkt. Wat die orthodoxe zin betreft denk ik hier aan een van de patres uit het Oosten, Gregorius van Nyssa. Nog scherp de betekenis van "religieuse grond" in "hypostasis" horend, trok hij de juiste conclusie, dat geen enkel schepsel "hypostasis" heten kan - vergelijk ons bezwaar tegen het spreken van "substantie" - , maar gaf nu aan deze stelling de verkorte vorm, dat ieder schepsel anhypostatos is. Dit laatste is echter reeds op zich zelf onjuist: zonder de hypostasis Gods kan immers geen enkel schepsel bestaan! Bovendien heeft deze term nog een tweetal andere betekenissen, die beide in heretische christologieen voorkomen. Daarom verdient het geen aanbeveling bedoeld bezwaar tegen het spreken van "substantie" bij schepselen met behulp van bedoelden term te formuleren.

In verband met de geschiedenis van de wijsbegeerte uit de tijd van de patres lette men inzonderheid nog op het volgende. Om het blijvend resultaat van de vereniging van God met mens met behoud van eigen aard (physis), de henotes, te belijden verwierp het dogma mettertijd de stelling, dat het menselijke in de Middelaar een buiten deze enigheid zelfstandig bestaande persoon zou zijn. Later verleidde speculatie over de term "natuur" los van dit historisch verband er heretische geesten toe hetzij de volledigheid, hetzij de individualiteit van het vlees in de Middelaar te ontkennen. Beide opvattingen vinden echter geen steun in de Schrift. [/41d44]

Dat deze menselijke "natuur" een volledige is blijkt uit Hebr. 2:14: evenals de kinderen is Hij vlees en bloed deelachtig geworden: Hij werd trouwens gezonden in gelijkheid des zondigen vleeses (Rom. 8:3). Dat men hier de uitdrukking "vlees" niet functionalistisch mag verstaan, blijkt daaruit, dat ook Hij een hart heeft: Matth. 11:29, Hand. 2:26. Vandaar dat Hij verzocht is geweest (Luc. 4:1-13, Hebr. 2:18 en 4:15), doch, anders dan de eerste Adam, gehoorzaamheid lerende, uit hetgeen hij geleden heeft (Hebr. 5:8), doch zonder zonde (Hebr. 4:15) bleef.

In verband daarmee was reeds bij het ontstaan van deze menselijke natuur het mensenleven volkomen passief (Joh. 1:13) en parallelle plaatsen). Intussen was, al ontbrak de gewone vaderlijke factor, het resultaat, zoals we zagen, een volledige menselijke natuur. Men onderscheide daarom dit ontstaan van haar verenigd worden met de Zoon, al scheide men deze twee niet. Het aannemen van een scheppende daad Gods in dit verband vereenzelvige een uiteraard niet met (psycho-) creatianisme, dat, nog afgezien van zijn functionalisme, een dergelijke daad bij iedere conceptie onderstelt en daardoor juist het buitengewone van deze menselijke natuur in dit opzicht miskent.

De zonde behoort echter niet tot de menselijke natuur. Derhalve heft het "zonder zonde" - daarom ons "homoios", niet "isos" - de volledigheid van deze natuur niet op. Dit tegenover Julianus van Halikarnassos, die de term "anhypostatos" in deze zin gebruikte en voorts tegen de monofysieten, monotheleten, monenergeten, enz..

Dat deze menselijke natuur ook een individuele is, komt in de Schrift duidelijk uit: Jezus heet Davids Zoon, Maria's eerstegeborene, neemt toe in wijsheid en in grootte, enz., Lucas 2:52, eet, drinkt, slaapt, heeft vreugde en leed, denkt, is historisch en sociaal bezig, betaalt als burger belasting, heeft zijn vrienden lief, citeert als Schriftgelovige het woord Gods, heet "een mens" (Joh. 3:27) en "een man" (Hand. 17:31), enz.. Nimmer dringt Hij Zich in eens anders ambt: Joh. 8:1-11. Het "singuliere" is dan ook te handhaven tegenover die vleugel van het neopythagoreisme die de term "anhypostatos" in de zin van op zich zelf bestaand universale gebruikte.

Opm. 4. Men vereenzelvige niet "niet een persoon" met het "anhypostatos" ("onpersoonlijke natuur"), ook niet ter wille van de traditie, daar zulk een spreekwijze negatief de helderheid niet bevordert en positief, ook daar waar dit allerminst bedoeld is, de verbinding van dogma en heresie in het gevlei komt.

III. Als tweede Adam lijdt de Christus voor de Zijnen en gaat voor hen de dood in (Matth. 12:40, Hand. 2:27).

Opm. 5. Men kan dit een ingaan in het dodenrijk noemen. Intussen zie men dan dit "rijk" uitsluitend als typische wijze van menselijk bestaan in een bepaalde toestand en niet als een plaats.

Voor de duur van deze toestand beveelt de Christus stervend Zijn geest in de handen des Vaders (Luc. 23:46a), zoals de dichter van Ps. 31:6 dit met zijn gang en wandel voor moeilijke toestanden tijdens het leven had gedaan. [/41d45]

Wat de nadere bepaling van deze toestand betreft onderscheidt de Schrift een zijn op tweeërlei plaats: Het paradijs (Luc. 23:43) en de plaats van de pijniging (Luc. 16:23 v.v.).

Opm. 6. "Paradijs" vereenzelvige men met een beroep op Luc. 23:42 en 43 met het koninkrijk van de Christus: de betrokken moordenaar ontwaart in de Middelaar de koning en gelooft dat Hij in Zijn koninkrijk zal ingaan. Het is zeer goed mogelijk, dat Hij deze ingang onmiddellijk na de dood heeft verricht. De Christus opent deze bidder uitzicht op een vertroosting welke reeds die zelfde dag zal ingaan: "heden zult hij met Mij in het paradijs zijn". Het ingaan van de Christus in Zijn koninkrijk is echter iets anders: het vindt pas later, bij de hemelvaart, plaats, sinds welke, nu Hij in de hemel is, paradijs en hemel samenvallen.

Opgewekt en opgestaan verschijnt Hij aan Zijn discipelen, toont hun aan dat Hij vlees en benen heeft en De Zelfde is als Die gekruisigd werd. Hij maakt hen door zien tot getuigen van Zijn opstanding onder alle volken (Matth. 28:19), en vergt van anderen geloof aan de prediking van deze getuigen (Joh. 20:29).

Na Zijn hemelvaart - bij welke uiteraard alleen de menselijke natuur is betrokken - zendt de Christus Zijn geest over Zijn kerk.

 

Par. 244. De mededeling omtrent de betekenis van de Christus voor de mensheid.

I. De Logos heeft, door Zich in het vlees te openbaren, in de menselijke natuur Gods wet niet alleen gehoorzaamd, maar ook aan Gods gerechtigheid, geheel in de zin van het Oude Testament, voldaan. En wel door de gave van Zijn ziel (= leven) tot een rantsoen (1 Tim. 2:6) of, wat het zelfde is, door de offerande Zijns lichaams (Hebr. 10:10). Daarom is Hem gegeven alle macht in hemel en op aarde (Matth. 28:19).

Opm. 1. Men onderscheide hier helder de almacht des Zoons van deze bevoegheid de Christus gegeven.

II. Deze macht is niet beperkt tot Israel. Vandaar dat de Apostelen hebben uit te gaan tot alle volkeren. De tegenstelling, vroeger vooral in Israel openbaar (Num. 14, Num. 16, enz.) zal nu ook daar uitkomen. Men onderscheide daarom de betekenis van de Christus voor de gelovigen en de ongelovigen.

A. Voor de gelovigen.

1. Voor hen heeft Hij verlossing teweeggebracht. Hij redde, niet door de prediking van een speculatie, of het geven van een voorbeeld, maar door Zijn zelfofferande, hun ziel, d.w.z. hen zelf, niet van het leven in een lichaam, noch van de wet Gods, maar van de vloek van de wet, onder welke de Farizeeërs niet eens gebogen gingen. Zo werd Hij, door de trouwe bediening van Zijn ambt, voor hun ziel, hun leven dat door Adam's schuld dood was en dat slechts weer door een geest des levens levend kon worden, een levendmakende geest [/41d46] (1 Cor. 15:45, 2 Cor. 3:17 en 18 slot, vergel. ook Ezechiel 37 en Openb. 11:11).

2. De weg langs welke Hij hun deze zegen doet toekomen is die van de uitstorting van Zijn geest (Hand. 2), een onderpand (2 Cor. 5:5), dat in het licht van Zijn optreden voor het aangezicht Gods in de hemel een "tegenpand" kan heten.

a) Door deze geest openbaart Hij aan Zijn apostelen verborgenheden, d.w.z. mededelingen die tot nog toe verborgen waren, meest voor de heidenen (Col. 1:26), soms voor nog groter kring van mensen. "Mysterion" betekent echter in de Heilige Schrift nimmer iets dat niet oververteld mag of kan worden - Paulus noemt hen die prediken zelfs "uitdelers van de verborgenheden" (1 Cor. 4:1) - dan misschien (doch dan in afkeurende zin) in Openbaringen 17:5. Ook komt de term nimmer voor in verband met de sacramenten.

Opm. "Mysterie" is in de Heilige Schrift nimmer iets dat met een dichotomie heeft te maken: de verbondsmystiek van gebed en troost is scherp te onderscheiden van substantie- en functie-mystiek.

b) Anderzijds opent Hij de harten van hen die door hun woord in Hem geloven zullen (Hand. 16:14).

B. Voor de ongelovigen daarentegen is Hij de steen des aanstoots.

 

Par. 245. De mededeling omtrent de verhouding van de mensen tot de Christus.

Voor de mensen hangt nu alles af van het antwoord op de vraag in welke verhouding ze tot Hem staan (Joh. 3:36 en Hebreeën 10:29-31).

I. De gelovigen.

In Adam verloren, zijn ze in de Christus behouden. Want krachtens de ambtelijke verhouding van Hem tot hen zijn ze in Hem gekruisigd, gestorven, begraven, en in de hemel gezet, waar dan ook hun burgerschap is.

Dit alles wordt ook in hun leven uitgewerkt. Hun eertijds dode bestaan wordt levend gemaakt: de wet des Geestes des levens in Christus Jezus maakt hen vrij van de wet van de zonde en des doods (Rom. 8:2).

Dit leven is echter niet een kiem die van zelf "ontwikkelt" zonder band aan de ambtsdragers en het woord: de Here opent hun hart, om acht te geven op het woord van de apostelen (Hand. 16:14). M.a.w. de liefde, door de Heilige Geest in hun hart uitgestort (Rom. 5:5) maakt ook hun geloof, dat eerst, zoals al het andere in hun bestaan, dood was, nu levend (Jac. 2:23): het geloof werkt nu door de liefde (Gal. 5:6). Vrucht van deze levendmaking is dus het acht geven op het woord. Zodra heidenen - uiteraard aanvankelijk alle volwassenen - dit aanvaarden, worden ze gedoopt in Zijn dood (Rom. 6:4), waarmee God hun verzegelde de afsterving van de oude en de opstanding van de nieuwe mens.

Zo verzameld, worden de gelovigen tot een nieuw volk. Deze ecclesia (gebal) zal niet sterven (Matth. 11:18). Het geestelijk leven van haar leden is van richting veranderd: vroeger dienstknechten van de zonde zijn zij nu Gode dienstbaar (douloi tooi Theooi) - Rom. 6:19-23 - . In het hart van [/41d47] hen, die vroeger God en de naaste haatten, heerst nu de door de wet Gods geboden liefde. Wijl deze door de Heilige Geest daarin is uitgestort (Rom. 5:5), heten ze nu "geestelijk" in de pregnante zin, die scherp verschilt van die welke de spiritualisten aan dit woord hechtten. In de kring van de Christgelovigen betekent "geestelijk": in verband staande met de Christus en Zijn geest. Vandaar dat ze geestelijke gaven bezitten (Rom. 1:11), met name liefde (Gal. 5:22, 1 Cor. 13), dat ze gehoorzamen aan het liefdesgebod, dat geestelijk is (Rom. 7:14, 1 Cor. 13), delen in geestelijke zegeningen (Ef. 1:13) en dankbaar geestelijke liederen zingen (Ef. 5:19, Col. 3:16). Negatief onthouden ze zich niet van dierenvlees en huwelijk, maar van de "werken van de duisternis" (Ef. 5:11). Nationale en burgerlijke verschillen achterstellend niet bij een dopersche gemeenschap, maar bij de antithese (Col. 3:11), passen ze steeds meer bij de Christus (Col. 3:10, Rom. 8:29 en 2 Cor. 3:17 en 18) en op deze wijze ook bij God (Ef. 4:24 en 2 Petr. 1:4).

Opm. 1. In laatstgenoemde tekst vindt men de uitdrukking "de goddelijke natuur deelachtig worden". Om misvatting van de wedergeboorte (o.a. bij A.H. de Hartog) te voorkomen, bedenke men het volgende:

I. Positief. Het woord "physis" betekent in het N.T.:

A. Dat wat krachtens scheppingsordonnantie tot de structuur van het geschapene behoort.

1. bij planten, in onderscheiding van het door menselijk cultureel optreden ingeente: Rom. 11:21 en 24;

2. bij mensen

a) van zede: 1 Cor. 11:14 (gepersonifieerd);

b) in tegenstelling met het tegennatuurlijke van bepaalde zonden: Rom. 1:26;

3. bij allerlei schepsel, in tegenstelling met wat mensen vermenen daarin te zien: Gal. 4:8.

B. Dat wat in verband met de zondeval geldt van mensen in verhouding tot God

1. van alle mensen zonder verschil: Ef. 2:3;

2. van mensen, in verband met het verschil in de prediking van de genade ten tijde van het Oude Testament: "van nature Joden" = "van huis uit Joden" (Gal. 2:15) en "de voorhuid die uit de natuur is" = "van huis uit heidenen": Rom. 2:27. - In verband met het prae van de Joden ten deze, heten zij in het beeld van Rom. 11:21 en 24 "natuurlijke takken". -

C. De aard

1. van God: 2 Petr. 1:4;

2. van schepselen:

a) van dieren na de val: Jac. 3:7;

b) van mensen wier aard is omgezet: Rom. 2:14. [/41d48]

Bij 2 Petr. 1:4 nu is sprake van laatstgenoemde groep: zij zijn de aard Gods deelachtig geworden. Men denke hier met de kanttekenaren aan parallelle plaatsen als enerzijds Jes. 56:5, Joh. 1:12 (?), Rom. 8:15, Gal. 3:26, en anderzijds Ef. 4:23 en 24 en Col. 3:10.

II. Negatief.

Het woord "physis" staat nooit bij de mens ter onderscheiding van "het ik", een uitdrukking die de H.S. niet kent.

De betekenis van deze uitdrukking is dus: zij zijn - evenals God - trouw en houden zich aan Zijn wet (uiteraard op menselijke wijze, dat is als subject).

Christgelovigen behoren nu krachtens hun omzetting tot het koninkrijk Gods. Dit koninkrijk, dat rechtens de gehelen kosmos omspant, wordt sinds de zondeval op aarde niet erkend zonder optreden van Gods genade. Vandaar dat het, naar de woonstede van zijn Koning, het "koninkrijk van de hemelen" heet. In de volheid des tijds komt dit koninkrijk door de gehoorzaamheid van de tweede Adam ook weer op aarde. Het is "geestelijk", d.w.z. is slechts daar waar het leven weer naar God is toegericht. Vandaar dat het enerzijds niet geheel Israel en anderzijds ook de Messias- of Christgelovigen buiten Israel omvat. Dat was iets anders dan het nationale herstel, dat de Farizeeën verwachtten. Vandaar dat de Christus in verband met deze verwachting (Luc. 17:20a) hun antwoordt: "Het koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat" (:20b en 21a).

Opm. 2. Wat volgt: "want ziet het koninkrijk Gods is "entoo humoon" betekent dus niet, dat dit koninkrijk "in uw harten" zijn, wat zeker bij de Farizeeën niet het geval was, men vertale dan ook: "in uw midden"; vrgl. ook Joh. 1:26, 12:35, Hand. 2:22 en alle teksten over het koninkrijk.

Dit rijk is voortdurend in strijd gewikkeld. Grijpt de wereld bij deze worsteling naar het wapen van de vervolging, dan dienen de gelovigen bereid te zijn hun psychè, d.w.z. hun leven voor de Christus te verliezen (Matth. 10:39, e.a.pl.). Paulus acht dan ook in dit verband zijn leven (psychè) geen woord waard (Hand. 20:24). Daarentegen is in de ogen Gods het bloed ook van deze gunstgenoten duur (Ps. 72:14): Hij hoort, hoe de martelaren van onder het altaar, waarop ze als "slachtschaepkens Christi" werden gedood, om oordeel en wreking roepen, en antwoordt daarop (Openb. 6:10).

Zo staat ook in de beschouwing van de dood het N.T. op de basis van het Oude. Het intreden van de dood is getypeerd door het uitblazen van de laatsten adem (ekpsychan - Hand. 5:5 en 10; 12:23 - of ekpnoun - Marc. 15:37 en 39; Luc. 23:46).

Opm. 3. Het is opmerkelijk, dat, in overeenstemming met het spraakgebruik in het Oude Testament inzake psychè en pneuma, ekpsychoo wordt gebruikt voor sprakeloos, ekpneoo voor sprekend sterven. Voor het verband van pneuma en spraak in het N.T. zie ook Openbaring 13:15. [/41d49]

Opm. 4. De term "asoomatos" komt in het N.T. niet voor; men vindt hem in de oud-christelijke lectuur eerst - en dan nog slechts in verbinding met "daimoon" - in het apokryphe Evangelie van de Hebreeën en bij Ignatius (aan de Smyrnaeers); bij laatstgenoemde auteur ook parallel met "daimonikos".

Met de dood treedt een tussentoestand in. Deze vangt aan bij het individuele sterven en eindigt bij de wederkomst van de Christus met de opstanding van de doden.

A. De tussentoestand.

De wijzigingen die hij meebrengt raken niet de fundamentele band van de gelovigen aan de Christus. Paulus is "verzekerd, dat noch dood, noch leven. . . ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods welke is in Christus Jezus onze Heer" (Rom. 8:38) en zegt elders: "hetzij dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heren" (Rom. 14:7 en 8).

Toch zijn er wijzigingen. En dat zowel in de gemeenschap met de Christus als in die van de gelovigen onderling.

1. Wijzigingen in de gemeenschap met de Christus.

Ten deze betekent het intreden van de tussentoestand enerzijds winst, anderzijds verlies.

a) De winst ligt positief in het met Christus zijn - Filip. 1:23a - , zeer verre het beste, bovendien vervalt met de band aan de omgeving (het zijn in het vlees - 2 Cor. 10:3, Gal. 2:20, Filip. 1:22 en 24, 1 Petr. 4:2 - , het inwonen in het lichaam - 2 Cor. 5:6 - ) ook de zorg voor die omgeving en de mogelijkheid in allerlei levensverband op te gaan (vrgl. ook 1 Cor. 7:32-34).

b) Daartegenover staat echter iets anders. Want wel wacht alle gelovigen, gestorven of niet, bij de wederkomst van de Christus de woonstede door Jezus hun bereid (Joh. 14:2 en 2 Cor. 5:1). Maar bij het gaan naar deze heerlijkheid is het pad via het graf een omweg: want sterven is een scheiding van al wat men sinds de geboorte won, het is bovendien - intra-individueel - een ontkleed word