[/50c]

ERNSTIG TE NEMEN VRAGEN

Op het artikel van Prof. DOOYEWEERD in het vorige nummer van onze Mededelingen, getiteld: "De strijd om het Schriftuurlijk karakter van de wijsbegeerte van de wetsidee", kwam een schrijven in van een gereformeerd theoloog, die, ofschoon hij het pionierswerk, door de calvinistische wijsbegeerte verricht, weet te waarderen en ook tegenover haar verdere uitwerking allerminst wantrouwend staat, toch nog enkele bedenkingen heeft, die, zal hij en menig vakgenoot zich gewonnen kunnen geven, z.i. eerst ondervangen dienen te worden.

Nu stuit men onzerzijds inderdaad nu en dan ook elders nog wel op dergelijk moeilijkheden. Daarom kwam het de Redactie wenselijk voor, deze bezwaren eens in ons blad te bezien. Daar bedoelde punten voornamelijk onderwerpen raken in geschriften van mijn hand besproken, vroeg Prof. DOOYEWEERD mij deze taak van hem over te nemen, aan welk verzoek ik, terwille van de zaak, meende te moeten voldoen.

Wel is waar raken de geopperde bedenkingen ten dele kwesties, die vroeger herhaaldelijk vrij veel stof opjoegen, zodat het me destijds beter toescheen voorlopig een en ander te laten rusten. Doch daar sindsdien menig misverstand werd opgehelderd, wil het me voorkomen, dat, nu er nog ernstig te nemen vragen overbleven, het onjuist zou zijn deze niet, voorzover dit althans mogelijk is, te beantwoorden.

Bedoelde vragen, gerangschikt in de volgorde waarin zij werden gesteld, luiden als volgt: Maakt de calvinistische wijsbegeerte van de "soevereiniteit in eigen kring" niet geheel iets anders dan KUYPER onder haar verstond? Is het wel juist natuurwet en norm onder het hoofdje "wet" te brengen? Komt het karakter van het zaligmakend geloof, als gave van God, wel voldoende tot zijn recht wanneer men daarin slechts de rechts-gerichte geloofsfunctie ziet? Is het gebruik van de Heilige Schrift door iemand die wijsgerig werkzaam is wel hetzelfde als dat van de eenvoudige gelovige en draagt dit Schriftgebruik bij hem niet veeleer een theologisch karakter? Geraakt men met de stelling, dat de wet de grens tussen God en kosmos is, niet vast zowel bij de leer omtrent de Middelaar als bij die omtrent de inwoning des Geestes?

Naar men ziet, bestrijken de kwesties, hier aangeroerd, een tamelijk breed gebied. Het is dus uitgesloten haar in een nummer van de Mededelingen te behandelen. Doch dit is m.i. geen bezwaar: de vragen, zoeven opgesomd, houden wel is waar met elkaar verband, maar anderzijds dragen zij toch elk voor zich een eigen karakter, zodat zij zich ook voor afzonderlijke beantwoording lenen. Voor ditmaal beperk ik me dus tot de eerste kwestie. [50c//]