[/50d72]
HET GELOOF, ZIJN AARD, ZIJN STRUCTUUR EN ZIJN WAARDE VOOR DE WETENSCHAP
Mijnheer de voorzitter, Dames en Heren!
Aan de uitnodiging, voor dit Congres een bijdrage te leveren, heb ik gaarne voldaan. En dat niet slechts om de prettige herinneringen die ik aan de Utrechtse Studiedagen van 1946 bewaar, maar ook en vooral om de versterking van het contact. Want, zie ik goed, dan zijn Rooms- en Calvinistisch Nederland bezig van elkaar te vervreemden, tot schade van ons vaderland. Wil er nu in deze toestand wijziging komen, dan is daartoe in de eerste plaats nodig een grondig verstaan van elkaar. En weinig gelegenheden zijn to bevordering daarvan geschikter dan congressen als deze.
Het onderwerp van ons congres is "Geloof en wetenschap." En vandaag hebben we dit dan speciaal vanuit het geloof te benaderen. Vandaar dat ik me afvroeg: "wat is geloof naar zijn aard? welk rol speelt het kennen daarin? en welke waarde bezit dit kennen in het geloof voor de wetenschap?"
I De Aard
Wat is het "geloof" naar zijn aard?
Daarbij versta men onder "geloof" het godsdienstig geloof, en wel primair in de actieve zin van "geloven."
A. Geloof in deze zin genomen, zou ik willen omschrijven als de hoogste functie in het bestaan van de individuele mens. Of deze mens Christen is dan wel_om nu alleen maar de uitersten te noemen_heiden, is natuurlijk uitermate belangrijk, maar voor onze definitie bijkomstig: ieder mens bezit godsdienstig geloof. Want dit geloven behoort tot de structuur van het menselijk leven, die, ondanks belangrijke verschillen in de ontplooiing, bij allen dezelfde is.
Binnen deze structuur valt dan voorts te onderscheiden het [/50d71] innerlijke en het uiterlijke, wil men het centrum en de periferie, het hart en de functiemantel.
Wanneer ik dus het geloof de hoogste functie in het menselijk bestaan noem, dan ligt daar tweeërlei in: enerzijds dit, dat het geloven slechts functioneel is en anderzijds dit, dat het geloven in de reeks der functies de voornaamste is.
In de eerste plaats: het geloven is slechts functioneel. Dat wil zeggen: ook het geloof valt niet samen met het hart, maar wordt door dit hart in zijn richting bepaald, ten goede of ten kwade, d.w.z. al of niet in gehoorzaamheid aan de wet der liefde. Anders gezegd: geheel de mens is religieus, en zijn leven een wandelen al of niet voor Gods aangezicht.
Maar tevens: in het kader van het functionele bestaan komt aan het geloof de voornaamste plaats toe. Want deze functie is de hoogste, wat impliceert, dat al de overige lager liggen, dus het substraat van het geloof uitmaken. Vandaar, dat het geloof op al die andere functies terugwijst en deze harerzijds op het geloof anteciperen [anticiperen]. Het geloof is dus een bestanddeel van de functiemantel en daarmee van de menselijke structuur; dus niet iets, dat ooit verloren ging en daarna als donum superadditum kan terugkeren.
B. Tot nu toe besprak ik slechts het geloof in het individuele bestaan. De mens leeft echter nimmer op zichzelf: hij wordt uit een gemeenschap geboren en is op vele gemeenschappen aangelegd.
Van zulke samenlevingsverbanden zij er vele. Men denke b.v. aan de vereniging, het bedrijf, de staat en aan het gezin. Deze verbanden hebben met elkaar gemeen, dat zij alle de historische vormingsdrang als basis hebben en bovendien taalleven en omgang en verkeer impliceren, terwijl hun hoogste functie hun bestemming aangeeft.
Tot de samenlevingsverbanden behoort ook het geloofsverband. Ook dit is inherent aan het mensenleven. Niet slechts onder Christenen, maar ook in het heidendom kent men een geloofsgemeenschap. In Christelijk milieu noemt men deze gemeenschap "kerk."
De kerk draagt dus, evenals de andere, zoëven genoemde verbanden, een functioneel karakter. Men onderscheide haar dus van het Corpus Christianum, het volk des Heren, dat de prefunctionele gemeenschap is, wortelend in de Christus.
Derhalve zijn ook de ambten der kerk functioneel en te onderscheiden van het prefunctionele ambt, waarin de vertegenwoordiger der mensheid optreedt in de dingen, die voor haar bij God te doen zijn. [/50d73]
C. Met dit laatste ben ik aan het genetische toe. Het menselijke leven is nl. niet uitsluitend iets van vandaag, het heeft ook een verleden. Dit verleden speelt een rol in de opvoeding, die de jonge individuele mens gereed maakt voor het staan in de gemeenschap binnen de samenlevingsverbanden op later leeftijd. Maar het is tevens van belang voor de gemeenschappen, die eveneens haar geschiedenis hebben. En ook hier wordt het functionele naar zijn richting bepaald door het hart, en daarmee door de religie, d.w.z. door de verhouding tot God. Vandaar dat de geschiedenis der religie beheerst wordt door de val van de eerste Adam, die daarbij niet zijn geloof verloor–hij richtte dit anders: hij geloofde niet langer God, maar satan–maar zijn prefunctionele ambt verspeelde, dat daarna aan de Christus als de tweede Adam werd toevertrouwd.
Zo verstaat men, dat het geloof, schoon steeds een functie van een individuele mensenbestaan, is ingebed niet slechts in de totaliteit van dat bestaan, maar ook in het leven der mensheid òf in-, òf buiten de Christus, hoe vaak ook het factische leven een mengsel van het streven in beide richtingen te zien geeft.
II De Structuur
A. Als functie staat het geloof onder een functionele wet. Daarin komt het weer met alle andere functies overeen.
Nu vallen nergens wet en functie samen, ook niet in het beneden-analytische. Bij de analytische functie, ook wel logische genoemd, ontwaren we echter iets eigenaardigs. Haar aard is: te analyseren, d.w.z. te onderscheiden. Maar onderscheiden is niets anders dan opmerken van verscheidenheid, die onafhankelijk van deze onderscheidende activiteit bestaat. Daardoor is het analytische in staat ook de verscheidenheid van wet en functie op te merken. En dit niet slechts bij andere wetskringen, maar ook bij de analytische. Derhalve kan de analytische functie zichzelf van de voor haar geldende wet onderscheiden. Waar dit echter mogelijk is, noemen we de wet een norm. We stellen dus niet, dualistisch, wet en norm tegenover elkaar, maar onderscheiden bij de wetten die, welke geen normen zijn, van die, welke dit wèl zijn.
Op grond van het verband tussen de functies onderling is geen der boven-analytische functies zonder zelf-onderscheiding; de wetten voor al deze functies zijn dus normen. Daarom spreken we van normen voor het analytische, voor het [/50d74] historisch-technische, voor het taalleven, voor het sociale, voor het economische, enz.
Ook het geloofsleven staat dus onder een wet, die norm is. En deze norm is het Woord van God naar zijn geloofszijde; of–in het paganisme–wat men daarvoor houdt. Deze norm vraagt erkenning, d.w.z., dat men er zelf naar luistert, niet dat het iets particuliers tot ons zegt.
De geloofsfunctie wordt echter niet slechts genormeerd door de met haar correlate wet: zij staat, als aan deze wet onderworpen, mede in verband met al het overige, dat aan deze wet onderworpen is. Dat overige nu is deels object, deels subject.
Objecten in de kring des geloofs zijn alle dingen, die zelf geen subjectsfunctie op dit gebied bezitten; ook zij spelen een rol in het geloofsleven. want van alle overige schepselen geloof ik als Christen, op grond van de Woordopenbaring, dat zij door God geschapen zijn. Een bijzondere plaats nemen de sacramenten in: zij blijven wat zij zijn, maar dienen tevens de prediking als teken en zegel, dus ter verduidelijking en ter bevestiging.
B. Het geloof staat echter mede in verband met het substraat. Het rust niet slechts daarop, maar maakt er èèn geheel mee uit. Vandaar dat het naar dit substraat verwijst door trekken, die aan het geloof inherent zijn. Zo wijst de blijdschap en de droefheid des geloofs op het psychische terug, zijn denken en kennen op het analytische, zijn offer op het economische, zijn vertrouwen op het ethische. Deze retrocipaties zijn geen elementen, zodat men zou kunnen zeggen: geloof bestaat uit blijdschap plus offer plus vertrouwen. Want geloof is iets sui generis; het valt niet anders te definieren dan als hoogste functie. Maar al deze trekken liggen in het geloof, zonder dat zij dit qualificeren; de strijd over de kwestie, of het geloof emotioneel, cognitief or voluntatief is, heeft dus geen zin.
C. Het kennen in het geloof betekent derhalve niet meer dan b.v. het vertrouwen. Maar in verband met ons onderwerp verdient deze trek thans toch wel speciaal onze aandacht.
Ten deze valt dan in de eerste plaats op te merken, dat dit denken en kennen een niet-wetenschappelijk karakter draagt: men verwarre het vooral niet met de wetenschap omtrent het geloof, die onder de theologie ressorteert. Christelijk, dus Schriftuurlijk gevat, is het geloven een kennen van God in het aangezicht van Jezus Christus. [/50d75]
III De Waarde voor de Wetenschap
A. Wetenschappelijk denken en kennen is geheel anders dan niet-wetenschappelijk.
Het laatste heeft steeds betrekking op dingen in hun geheel. Zo neem ik b.v. de dingen in mijn omgeving waar.
Het eerste daarentegen gaat methodisch te werk: de vakwetenschappen onderzoeken elk èèn aspect van het geheel. Wat de methode bepaalt, is niet slechts ons denken, maar mede het veld van onderzoek en dit bevat, behalve objecten, ook, en zelfs primair, subjecten.
B. Niet-wetenschappelijk- en wetenschappelijk denken zijn niet tot elkaar te herleiden. Het eerste is niet minder dan het tweede, maar anders. De men en vrouw van het praktische leven staan op zichzelf niet achter bij de man en de vrouw van wetenschap: hun inzicht is zelfs vaak veel scherper. Wie aan het niet-wetenschappelijk denken en kennen de maatstaven der wetenschap aanlegt, vergrijpt zich dan ook aan het praktische leven; ook aan dat van zichzelf: want ook in het leven van de man van wetenschap blijft het niet-wetenschappelijke kennen een belangrijke plaats innemen.
Maar al zijn niet-wetenschappelijk- en wetenschappelijk kennen niet tot elkaar te herleiden, daarom strijden ze nog niet met elkaar. Zelfs houden zij positief verband met elkaar. Want het kennen begint met niet-wetenschappelijk kennen en schrijdt dan soms voort tot het gedifferentieerde kennen der vak-wetenschappen om straks, op deze omweg verdiept en verrijkt, in de wijsbegeerte tot de kennis van het geheel terug te keren.
C. Daarbij komt nu aan de niet-wetenschappelijke kennis des geloofs een bijzondere plaats toe. Want wel blijft het geloof als functie een functie van de mens, maar wanneer een mens de Woordopenbaring, die in Zichzelf geloofwaardig is,–dus geen getuigenis van node heeft, dat Haar steunt–hoort en naar Haar luistert, verneemt hij het een en ander niet slechts omtrent de kosmos, maar ook omtrent God en omtrent Diens relatie tot de kosmos. Wie alleen maar Genesis 1:1 gelooft, weet iets omtrent God, nl. dat Hij de wereld schiep, en iets omtrent de kosmos, nl. dat geheel de wereld door God geschapen is. En deze kennis raakt de hoofdzaken, wil men: de omramingsbegrippen. Want heb ik eenmaal deze kennis, dan laat zij negatief geen plaats meer voor vergoddelijking van iets in het geschapene, maar helpt zij mij ook positief aan de algemene [/50d76] noemer voor al dat geschapene: het is aan de Wet Gods en daardoor aan God zelf onderworpen–Gode subjèct.
Hetzelfde geldt met betrekking tot de kennis des geloofs omtrent de geschiedenis. Want wie de zondeval aanvaardt, verstaat, dat de men daardoor, hoewel in zijn structuur ongewijzigd, van richting radicaal veranderde: hij leeft, zolang er niet een nieuwe wending optreedt, niet meer naar rechts, maar naar links. Onder die niet-wetenschappelijke kennis ressorteert ook wat we weten omtrent de toorn en genade Gods. Beide zijn openbaringen van de gezindheid Gods ten opzichte van de zonde en de zondaar. Daarom staat genade nooit, hoe dan ook, tegenover natuur, maar altijd tegenover toorn; wat hare verhouding tot de (gevallen) natuur betreft, kan men haar werking het best als een ten leven wekkende en genezende zien. Want genade werkt genade-gaven en de voornaamste van deze is de omzetting van het hart, de levendmaking. Ok deze is dus geen toevoeging van een donum superadditum, maar een genadige invloed door welke we weer uit liefde in gehoorzaamheid gaan leven, niet maar in een "religieuze sfeer", maar als mensen in hun totaliteit.
De begrippen der niet-wetenschappelijk geloofskennis zijn dan ook alle totale begrippen. Zij kunnen de begrippen van het wetenschappelijk onderzoek niet vervangen, maar zij omramen die: wat ik door wetenschappelijk onderzoek vind, past daarin vroeg of laat.
Aan dit wetenschappelijk onderzoek mag ook het geloof–Christelijk èn paganistisch–niet worden onttrokken. Maar deze wetenschap is dan altijd vakwetenschap omtrent het geloof, als veld van onderzoek, bestaat voordat het onderzoek beginnen kan en dus niet door wetenschap wordt geconstrueerd of ook gefunderd.
Conclusie
Zien we de verhoudingen zo, dan verstaat men tweeërlei:
A. Een wetenschappelijke fundering van het Christelijk geloof is niet mogelijk.
B. Daarentegen is een Christelijke fundering van de wetenschap terdege mogelijk. En bovendien een primair vereiste. Want de wetenschap, die deze fundering niet bezit, mist het kader, waardoor ook de wetenschappelijke kennis dient te worden omraamd.
Een en ander is uiteraard ook voor de onderzoeker tijdens zijn werk van groot belang. Want het bedt zijn werk in de grote strijd om de waarheid in. Het kweekt [/50d77] verantwoordelijkheidsbesef: wetenschap is een onderdeel van ons leven, dat in zijn geheel in dienst van God staat; wetenschap wordt dus een deel van ons wandelen voor Zijn aangezicht. Het scherpt voorts de blik, niet slechts voor wat in het onderzochte ligt, maar ook voor wat daarin door de zonde ontbreekt; zo zal de historicus niet maar beschrijven wat hij bij een heidens auteur, als b.v. Plato, vindt, maar tevens zien wat Plato niet bekend kon zijn.
Anders gezegd:
Christen-zijn is oneindig mèèr dan student-zijn.
Student zijn is mogen-studeren; het is dus mèèr dan niet-student zijn.
En Christen-student-zijn is oneindig meer dan als Christen te studeren. Want bij de Christen-student is geheel het leven, dus ook de wetenschappelijke zijde daarvan, zowel wat haar activiteit als wat haar resultaten betreft, in de Christus geborgen bij God.