[/50n4]

DE SOEVEREINITEIT IN EIGEN KRING BIJ KUYPER EN ONS

Meer dan eens komt men de vraag tegen: Verstond KUYPER onder "soevereiniteit in eigen kring" niet iets geheel anders dan de calvinistische wijsbegeerte en kan dit er eigenlijk wel mee door?

[/50n5] Te deze zal men er goed aan doen scherp te onderscheiden, en wel tussen historische interpretatie enerzijds en systematische verheldering en verdieping aan de andere kant.

Wanneer men eens anders woorden, in het verleden gesproken, interpreteert, heeft men nauwlettend acht te geven op de eis in dergelijke uitspraken niets in te dragen, wat er niet in lag. Wie met deze norm de hand licht vervalt in anachronismen: hij laat een voorganger zeggen wat deze nimmer bedoelde. Dit heeft men ook hier in het oog te houden.

De uitdrukking "soevereiniteit in eigen kring" stamt—naar men weet—van Dr. A. KUYPER. Derhalve zal wie KUYPER wil leren kennen, nauwkeurig hebben na te gaan wat deze zegswijze in diens mond betekende. Hij zal daarbij tot de conclusie komen, dat deze grote denker zich ook op dit punt niet altijd eender uitliet. Maar wel staat vast, dat, wanneer KUYPER deze wending gebruikte, hij daarbij voornamelijk dacht aan de verscheidenheid van scheppingsordinanties voor praktische samenlevingsverbanden als b.v. kerk, staat en bedrijf.

Nu gebeurde het herhaaldelijk, dat gezagsdragers uit het ene verband inbreuk maakten op het gezag van ambtsdragers in het andere. Zo grepen de staat en de kerk meer dan eens in elkanders zaken in. Maar steeds wanneer iets dergelijks plaats vond ging het in de praktijk onherroepelijk mis.

Deze gang van zaken valt licht op en was daardoor ook reeds vroeger meer dan eens voorwerp van ernstige bezinning: men denke slechts aan de rol die het conflict tussen keizer en paus in het Thomistische thema van natuur en genade speelde.

Ook KUYPER kwam over deze conflicten te peinzen. De oplossing van THOMAS kon hij uiteraard niet aanvaarden: te duidelijk stond hem voor ogen, dat het godsdienstig geloof niet een donum superadditum is, maar tot de menselijke natuur behoort. Bovendien stelde hij het probleem veel minder beperkt: het ging hem niet uitsluitend om de verhouding tussen kerk en staat, maar om de onderlinge verhoudingen tussen alle samenlevingsverbanden. Vandaar dat zijn oplossing vergeleken met de Thomistische niet slechts zuiverder, maar tevens breder was. KUYPER concludeerde nl. uit bedoelde gang van zaken, dat gezag, door God voor een bepaalde kring ingesteld, de bevoegdheid miste zich in een ander verband te doen gelden, wilde het leven in beide bij een dergelijk conflict betrokken kringen geen schade lijden.

Onder "kringen" verstond KUYPER dus vrijwel uitsluitend samenlevingsverbanden. Daarin ligt de beperktheid van deze visie, een trek waartoe men ook nog kan rekenen, dat KUYPER, doordat hij soevereiniteit en autonomie nog niet helder onderscheidde, deze kringen niet modaal, maar regionaal opvatte, wat hem in het jaar 1913, bij de behandeling van TALMA’s Bakkerswet, op een pijnlijk gewetensconflict kwam te staan.

Ondanks die—zo men wil dubbele—beperktheid kan, voor wie scherp toeziet, het echt Schriftuurlijk karakter van deze visie niet verborgen blijven: de verscheidenheid van deze kringen is correlaat met een verscheidenheid van gezag; zij vindt haar oorsprong dan ook niet in menselijk willekeur, maar wortelt in de weelde van Gods scheppingswerk.

Deze leer van de "soevereiniteit in eigen kring" betekende destijds een belangrijke vooruitgang; op dit punt had onder onze geestelijke voorouders niemand, zelfs GROEN VAN PRINSTERER niet, zo heldere blik getoond: GROEN zag wel de antithese, maar betrad van hieruit nog niet het pad naar een eigen analyse van de werkelijkheid.

Ook in de practijk heeft deze visie haar houdbaarheid alleszins bewezen. In de eerste plaats positief: de strijd om de vrijheid van onderwijs, die vrijwel overal elders nog onbeslist bleef, ware hier te lande immer zo spoedig in een volledige overwinning van de voorstanders van deze vrijheid geeindigd, indien KUYPER’s adagium hier niet in brede kring verhelderend had gewerkt. Wordt ze daarentegen losgelaten, dan treedt alom toenemende verwarring in. Getuige helaas Nederlands politiek in de jaren na de bevrijding. Want had men bij deze KUYPER’s visie meer in acht genomen, dan ware ons bespaard gebleven, dat meer dan eens dragers van staatsgezag zich de uiterste moeite getroostten allerlei te regelen waarvoor hun de competentie ontbreekt, terwijl tegelijkertijd de behartiging van de staatsbelangen, hun ambtshalve toevertrouwd, op een ergerlijke wijze uit het oog werd verloren.

Maar dit slechts terloops. Want wat ons thans bezighoudt is niet het belang van KUYPER’s leer, maar haar beperkt karakter. Nader nog de vraag, of de voorstanders van de calvinistische wijsbegeerte dit wel voldoende in het oog hebben gehouden.

Welnu, deze vraag kan vrijmoedig bevestigend beantwoord worden. Zelfs mag geconstateerd, dat juist uit de kring van de voorstanders van deze wijsbegeerte meer dan een verhandeling stamt, die, naast alle waardering voor de oorspronkelijkheid in diepte van KUYPER’s conceptie, duidelijk en uitdrukkelijk haar beperkte strekking deed uitkomen. Men denke aan VEENHOF’s boekje: Soevereiniteit in eigen kring (1939) en aan de dissertatie van DENGERINK: Kritisch historisch onderzoek naar de sociologische ontwikkeling van het beginsel van de "Soevereinteit in eigen kring" in de 19e en 20e eeuw (1948).

Daarvan, dat we KUYPER de visie van diens leerlingen in de schoenen zouden schuiven, is dus geen sprake.

"Maar," zo zal allicht iemand opmerken, "wanneer ge u dan bij de interpretatie van Kuyper’s leer van de "soevereinteit in eigen kring" zo helder bewust zijt, dat deze theorie bij de stichter van de Vrije Universiteit voornamelijk zag op wat men tegenwoordig de "samenlevingsverbanden" noemt, waarom gebruikt ge dan zelf deze wending in veel bredere zin?"

Een dergelijke probleemstelling ligt voor de hand en ik ga dan ook gaarne op haar in. Temeer daar het antwoord te geven hier niet moeilijk valt: deze verschuiving en verbreding van de term "soevereiniteit in eigen kring" is nl. het resultaat van een verdieping.

Dit verschijnsel staat niet op zichzelf; het doet zich ook in het practische leven herhaaldelijk voor. Men denke b.v. eens aan het woord "liefde". Dat heeft, hoe ernstig ook gemeend, in de mond van een jonge man en een meisje, die eerst onlangs genegenheid voor elkaar opvatten, een veel minder diepe klank dan later, wanneer zij, na enkele decennia gelukkig getrouwd te zijn geweest, het opnieuw uitspreken. Ook zelf zijn ze zich dit verschil terdege bewust. Maar zal iemand hun daarom het recht betwisten jaren later nog hetzelfde woord te gebruiken?

Welnu, zo staat het ook met het verschil in betekenis bij de term "soevereiniteit in eigen kring" bij Kuyper en diens leerlingen. Dat Kuyper onder deze woorden minder verstond dan wij is ons ten volle duidelijk. Maar daarom behoeven we onze woordkeus nog niet te veranderen! Integendeel: waar we haar bewust handhaven, willen we daarmee uitdrukking geven aan deze gedachte: wat wij voorstaan is niet anders dan een verdieping van Kuyper’s gedachte. Derhalve is het gebruik van dezelfde term ten volle gerechtvaardigd.

Rest nog uiteen te zetten, dat inderdaad onze visie in het verlengde ligt van de lijn, door Kuyper gevolgd. Om dit aan te tonen, moge ik hier wijzen op enkele gedachten van Kuyper, die bij hem zelf niet onder de term "soevereiniteit in eigen kring" vielen, maar bij nadere bezinning ten nauwste daarmee verband bleken te houden.

[/50n6] Te deze denk ik in de eerste plaats aan de grondgedachte van zijn Encyclopaedie: de verscheidenheid van de methoden wortelt niet in de menselijke geest, maar in de verscheidenheid van het onderzochte.

Om de portee van deze stelling te doorzien moet men rekening houden met de gang van zaken in het wijsgerig denken van die dagen. Kuyper leefde nl. in de tijd van het positivisme. Deze stroming had met de wijsbegeerte van de 17e eeuw de overschatting van wiskunde en mathematische fysica gemeen. Naast deze overeenstemming was er echter een niet te verwaarlozen verschil: Descartes en Leibniz hadden zich tot het beneden-analytische beperkt. Vandaar dat de Aufklarung en de Preromantiek, die een intense belangstelling voor boven-analytische terreinen als historie, taal, sociaal verkeer, kunst, staat, ethisch leven en geloof aan de dag legden, geen kans zagen deze gebieden bij de wetenschap onder te brengen en hen aan de practische rede toewezen. Het positivisme, dat de breedte van blik met de Aufklarung deelde, verwierp deze oplossing: wanneer het boven-analytische niet onder de wetenschap van de 17e eeuw past, dan dienden de grenzen van deze wetenschap te worden uitgezet. Met deze gedachte op zichzelf deed men een goede greep. Maar de fout was, dat men ondanks deze uitbreiding van gebied, wetenschap als mathesis bleef opvatten en deze laatste met nauwkeurig denken vereenzelvigde. Want daardoor was men genoodzaakt de verscheidenheid in methode—bij de verscheidenheid van het onderzoek geeist—tot een verschil in de menselijke geest te herleiden. Vandaar dat men niet een veelheid van te onderzoeken terreinen erkende, maar een verscheidenheid van gezichtshoeken poneerde, waaronder de menselijke geest de werkelijkheid zou bezien.

De uitbreiding van het gebied van de wetenschappen stuitte bij Kuyper niet op verzet. Evenmin de erkenning van de verscheidenheid van de methoden. Maar tegenover de positivistische afleiding van de laatste tekende hij fel protest aan: ook de veelheid van methoden wortelt z.i. niet in de activiteit van de menselijke geest, maar in de weelde van Gods scheppingswerk.

Op de uitwerking ook van deze gedachte bij Kuyper kan men achteraf op meer dan een punt gegronde kritiek uitoefenen. Zich bindend aan het destijds gangbare aantal van de faculteiten, onderscheidde hij slechts een vijftal terreinen, terwijl hij bovendien "terrein" en "object" vereenzelvigde. Op beide punten hebben de grondleggers van de calvinistische wijsbegeerte dan ook hun leermeester moeten corrigeren.

Maar dit constateren van beperktheid ging ook hier met een dankbare erkenning van de juistheid van de grondgedachte gepaard. Daardoor kwam het als vanzelf tot een diepere bezinning op Kuyper’s resultaten.

Tot tweemaal toe leidde zijn calvinistische realiteitsintuitie hem tot een pleidooi voor de erkenning van de verscheidenheid in Gods werken. Maar terwijl hij in het ene geval—bij de samenlevingsverbanden—van "soevereiniteit in eigen kring" sprak, deed hij dit in het andere—bij de verscheidenheid in het onderzochte—niet.

Nu was dit verschil in houding bij Kuyper allerminst toevallig. Volgens hem immers was bij de practische levensverbanden het subject, bij het onderzoek daarentegen het object in het geding. Bovendien dacht hij bij "soevereiniteit" niet uitsluitend aan de soevereiniteit Gods, maar—onder invloed van de Romantiek—mede aan het gezag van functionele ambtsdragers.

Ook hier bracht nadere bezinning licht.

In de eerste plaats bleek het niet aan te gaan "veld van onderzoek" met "object" te vereenzelvigen. Een voorbeeld zal dit duidelijk maken. Ik ontleen het aan de psychologie. Haar veld van onderzoek is het psychische. Maar valt dit samen met "psychisch object"? Geen sprake van! Want psychische objecten—b.v. kleuren—mogen tot het psychische behoren, het psychische bevat heel wat meer, nl. geheel het gevoelsleven van dier en mens, dat we psychisch subject noemen. Derhalve omspant het veld van onderzoek van de psyche niet alleen objecten, maar ook subjecten en zijn de laatste zelfs belangrijker dan de eerste. Anderzijds mogen de hogere gebieden, die men bij de samenlevingsverbanden aantreft, niet met de betreffende subjectsfuncties worden vereenzelvigd: het economische terrein gaat niet in de economische activiteit op, daar het zonder objecten—goederen—zelfs niet denkbaar is. Zo blijken noch de lagere terreinen louter object, noch de hogere uitsluitend subject!

Even noodzakelijk was het de soevereiniteit Gods scherper van het gezag van de ambtsdragers te onderscheiden. Want het gezag moge van God stammen, zodat de ambtsdrager, die immers tot taak heeft de wet Gods voor een bepaald gebied te positiveren, in zijn ambt aan de zijde van de wet staat, als ambtsdrager is ook hij een mens en blijft hij dus, zelfs op het terrein waar hij een ambt bekleedt, evengoed als degene over wie hem gezag is toevertrouwd, aan de wet Gods onderworpen.

Beide veranderingen waren bewust voltrokken afwijkingen van Kuyper. Maar zij lagen anderzijds geheel in de lijn van diens werk. Want wie zo als hij meer dan eens het pleit voerde voor de erkenning van de rijkdommen in Gods scheppingswerk, kan op de duur ook voor de verscheidenheid van object en subject het oog niet sluiten. En wat het tweede punt betreft staan de zaken nog eenvoudiger: naarmate men met Kuyper dieper buigt voor de majesteit Gods ontgroeit men ook aan de romantische opvatting inzake de ambtsdragers, die hem hier en daar nog parten speelde.

Wanneer men echter beide wijzigingen aanvaardt, blijkt, dat zowel daar, waar Kuyper van de "soevereiniteit in eigen kring" sprak, als ook op die terreinen waar hij dit niet kon doen, al het onderzochte onderworpen is aan de wet Gods. Daarmee werd uiteraard de verscheidenheid van deze gebieden niet geloochend; maar deze verscheidenheid, hoe groot ook, bleek toch ene die zich bevond binnen het aan de wet onderworpene, dus binnen het Gode subjecte, daargelaten nu, of het subject dan wel object is.

Maar dan is het ook ten volle verantwoord, wanneer Kuyper’s leerlingen van "soevereiniteit in eigen kring" spreken ook daar waar geen sprake is van samenlevingsverbanden.

Het verschil tussen de "soevereiniteit in eigen kring" bij Kuyper en bij ons blijkt dus te berusten op enkele correcties, door welke echter Kuyper’s diepste motief, eerbied voor de verscheidenheid in het werk Gods, beter tot zijn recht komt. Derhalve valt dit verschil niet te laken, maar eerder te prijzen.

Want deze correcties waren onontkoombaar, wilde Kuyper’s visie niet verstarren en zijn werk in de toekomst ten dode zijn opgeschreven. Daarom moest ik rustig voortgaan veld van onderzoek en object te onderscheiden, ook toen me van theologische zijde verzocht werd me aan Kuyper’s Encyclopaedie te houden. En wanneer op het ogenblik voor meer dan een faculteit het contact tussen vakwetenschap en wijsbegeerte al enige vrucht begint af te werpen, valt dit mede toe te schrijven aan onderscheidingen door sommigen van Kuyper’s leerlingen omstreeks 1930 ten onrechte afgewezen.

Nu blijve men billijk. Dat men destijds juist in theologische kring extra voorzichtig was, valt te begrijpen: de innovaties van 1920 en 1926 hadden niets dan teleurstelling opgeleverd. Maar men kende ons toch. En voor een gezonde intuitie valt het bovendien niet moeilijk uit te maken, of de kritiek van medediscipelen op de gemeenschappelijke leermeester stamt uit een gedachten-wereld welke [/50n7] aan diens visie totaal vreemd is en zich dan ook onwillekeurig uit in lach en hoon, dan wel gedragen wordt door de begeerte de kostelijke stam te behouden, al moet er daartoe krachtig worden gesnoeid.

Maar genoeg hierover. Want het doel van dit artikel en de volgende is niet, verdrietelijke dingen uit het verleden op te halen, maar, integendeel, een bijdrage te leveren tot het herstel van de eenheid in het kamp van KUYPER’s leerlingen. Waarop het thans aankomt is dan ook slechts dit, dat men, toegevend, dat het Kuyperianisme in zijn eerste, beperkte ontvouwing, na aanvankelijk menige tegenstander geboeid en overtuigd te hebben, mettertijd aan wervende kracht inboette, en daarom op meer dan een punt correctie vergde, erkent, dat de calvinistische wijsbegeerte bij het aanbrengen van deze noodzakelijke revisies niet revolutionnair te werk is gegaan, maar heeft voortgewerkt in KUYPER’s geest. [50n7//]