[/52ms111]

Het "Divergentierapport I", waarin Vollenhoven zich voornamelijk concentreert op de zijn verschillen met Dooyeweerd, luidt:

Strikt vertrouwelijk

Divergentierapport I.

Aan het Bestuur der Stichting

Bijzondere Leerstoelen Calvinistische Wijsbegeerte.

Inleiding.

Er bestaan tussen de docenten in de Calvinistische Wijsbegeerte, al of niet als hoogleraren aan de Stichting verbonden, een aantal onderlinge divergenties. Zij trokken reeds zomer 1949 de aandacht van Prof.(dr.ir H.J.) van der Maas en op de Studieconferenties der Vereniging kwamen zij sindsdien herhaaldelijk aan de orde.

Dat dergelijke verschillen ook in deze kring voorkomen kan niet verbazen: een bepaalde moeilijkheid, resp. mogelijkheid wordt niet licht door allen tegelijk gezien en zelfs wanneer dit geval zich wèl voordoet, is, gegeven het verschil zowel in de vroeger afgelegde weg als in de toevertrouwde taak, de kans groot, dat men bij de oplossing niet steeds dezelfde methode volgt. Bezwaren opleveren kunnen deze divergenties bovendien slechts wanneer men hetzij het [/52ms112] voorlopig karakter hetzij het individueel bepaalde der gewonnen resultaten uit het oog verliest.

In positief Protestants milieu bestaat tegen dergelijke gevaren een tweeledig correctief; het is vervat in het adagium: "Daar staat geschreven en daar is geschiedt". Voor onze kring komt dit neer op: continu werken bij het licht der Heilige Schrift en zich bezinnen op de geschiedenis der wijsbegeerte in het algemeen en op die van eigen groep in het bijzonder.

Bij het betrachten van deze dubbele eis zal echter intensief onderling overleg niet mogen ontbreken. Vandaar dat dankbaar gebruik wordt gemaakt van de Coetus Docentium, door het Bestuur der Stichting in het leven geroepen.

Uiteraard sluit het aanvaarden van deze mogelijkheid voor ons de verplichting in, zo nu en dan eens het Bestuur over de stand van zaken in te lichten. Natuurlijk zal daarbij slechts een generaal overzicht bereikt kunnen worden. Maar meer is, naar we vernamen, ook niet bedoeld.

In het onderstaande beperken we ons tot het systematische. En ook hiervan kan niet alles ter sprake komen: zo moest o.a. het punt der onderlinge verhouding van subject en individualiteit en geheel de kentheorie ter zijde blijven. Wat wel aan de orde kwam zal, naar we vertrouwen, omvangrijk en belangrijk genoeg blijken.

Achtergrond.

Gaan we de voorgeschiedenis der Calvinistische Wijsbegeerte na, dan blijkt dat haar vaders door de Marburgers en Husserl c.s. zijn heengegaan. Nu werd sindsdien natuurlijk ook het werk van deze scholen in onze kring aan een fundamentele kritiek onderworpen. Maar de zoeven gememoreerde gang van zaken heeft toch hier en daar haar sporen nagelaten: in de leer omtrent het zijn blijft nu en dan de aandacht te lang op de functies gevestigd en in de kentheorie is er nog al eens te eenzijdig belangstelling voor de vakwetenschappelijke kennis: de rest van het geschapene heet dan licht "mystiek", hoewel bij dit overige behalve het hart onder meer de Kerk, de menselijke natuur van de Middelaar en de engelenwereld behoren, zodat dit gebied nog tal van onderscheidingen vereist, waarbij het vastleggen van de terminologie de uiterste voorzichtigheid zal vergen.

Overzicht.

Systematisch geordend betreffen de voornaamste moeilijkheden de [/52ms113] punten: Wet en subjèct (I); de structuur van het subjècte en de tijd (II) en het prefunctionele (III).

I. Wet en subjèct.

Enige tijd stonden Prof. Dooyeweerd en Vollenhoven hier vrij ver van elkaar. Prof. Dooyeweerd zocht nl. beide, wet en subjèct, in de kosmos, onder welke term hij verstaat dat deel van het geschapene dat in de mens z’n centrum vindt; vandaar dat hij bij de kosmos wetszijde en subjèctszijde onderscheidt, welke zich z.i. dan onderling zouden verhouden als het universele en het individuele. Daarentegen sprak Prof. Vollenhoven van de drieslag God-wet-kosmos in deze zin, dat God onafhankelijk van wet en kosmos bestaat en ook niet met deze twee correlaat is, maar de wet aan de door Hem geschapen kosmos stelt, zodat wet en kosmos met elkaar correlaat zijn, waarbij kosmos geheel telt. Daarom kon hij niet van "wetszijde-" en "subjectszijde in de kosmos" spreken: de wet stond z.i. steeds boven de kosmos, zodat het aan deze wet subjècte ident met de kosmos was en niet een zijde daarvan.

Mettertijd zijn beide standpunten elkaar ten dele genaderd. Prof. Dooyeweerd wil het ius divinum in tijdelijke zinsbreking van het ius humanum onderscheiden. Terwijl Prof. Vollenhoven mede van wet in de zin van regelmatigheid in de kosmos wil spreken.

Toch blijft er verschil. Prof. Vollenhoven acht nl., daargelaten de "tijdelijke zinsbreking", over welke later, en de wel wat juridische inslag bij het spreken van "ius", de distinctie van ius divinum en ius humanum niet toereikend. Z.i. is hier een drieledige onderscheiding noodzakelijk: 1. de wet Gods, die als norm boven de kosmos staat en op aarde rechtstreeks slechts de mens raakt en voor de overige schepselen niet dan indirect, d.w.z. via de mens, geldt; 2. de kosmos, inclusief de mens, en 3. de positieve wet, door welke de ambtsdragers, krachtens hun ambt, in hun modaal gekwalificeerd en regionaal begrensd samenlevingsverband de wet Gods primair voor het menselijke leven op al of niet juiste wijze positiveren.

Ad 1. Onder de norm valt dan te verstaan "de wet des HEREN", door de Christus samengevat in het dubbele liefdegebod. Deze wet geldt primair slechts voor het menselijk leven: het heeft geen zin te spreken van Christelijke dieren, planten en fysische dingen. Maar ook het menselijk leven kan slechts al of niet met deze wet "stroken", zodat het zelfs wanneer het dit doet (b.v. vroeger in het Paradijs, en tegenwoordig in de menselijke natuur van de Middelaar) niet ergens met de norm samenvalt, maar aan haar [/52ms114] gehoorzaamt. Bovendien staat de norm als heilig tegenover het aan haar subjècte, dat, behalve in de menselijke natuur van de Middelaar, sinds de zondeval steeds, althans ten dele, niet heilig, maar zondig is. Vandaar dat de Schrift kan spreken van de "vloek der Wet" over het haar overtredend subjècte, zodat kosmos ("wereld") volgens Hare religieuze dialectiek beurtelings "het kunstwerk Gods", "wat in het boze ligt" en "wat gered wordt" betekent.

Ad 2. De regels, wil men wetten, in de kosmos daarentegen raken de regelmatigheid zowel van het niet als van het wel met de wet qua norm strokende: over daling en stijging bij het aantal gepleegde moorden valt evengoed een statistiek op te stellen als over de frekwentie bij het geboorteaantal. Uiteraard staat dit gebied niet los van de tegenstelling goed en kwaad: de Schrift spreekt van "de schuld" of "de ongerechtigheid der zonden", die tevens feiten zijn door welke de verdere gang van zaken mede bepaald wordt. Maar het verschil blijft: de schuldrelatie tot de norm is iets anders dan regel en uitzondering in de structuur. Vandaar dat de vakwetenschappen, voorzover deze de structuren in de kosmos onderzoeken, wanneer zij de vroeger gevonden regel doorbreken zien een regel zoeken die ook deze doorbreking omspant.

Daarmee is tevens inzicht verkregen in het onderling verschil van normatieve en niet-normatieve wetten. Dit verschil correspondeert nl. niet met dat van hogere en lagere modaliteiten: immers ook in het psychische en biotische staat gezond tegenover ziek als correlaat van wel en niet met de norm strokend en ook bij fysische dingen is daarvan sprake dat zij de Middelaar gehoorzamen. En evenmin (correspondeert dit verschil) met dat van hoofdsom en tijdelijke zinsbreking. Want afgezien van de kwestie der tijdelijkheid, over welke straks, is het verschil tussen de eenheid in de kern en de veelheid in de uitwerking zowel bij de norm als bij het aan haar subjècte aanwezig, terwijl bovendien de onderlinge verscheidenheid der geboden van de tweede tafel der wet allerminst correlaat is met die der modaliteiten bij de uitwendige mens.

Ad 3. Het verschil tussen wet Gods qua norm en de positieve wetten vergt minder brede bespreking. Alleen zij opgemerkt, dat ook de ambtsdragers zelf in verschillende levensverbanden aan de norm onderworpen zijn: de Schrift noemt hen enerzijds "goden", maar tegelijk "gewone mensen"; hun werk blijft dan ook steeds appellabel aan de norm, aan welke zij—evenals hun onderdanen—in hun geweten gebonden zijn ook dan wanneer hun positiveringstaak meebrengt dat zij mede met de hardigheid des harten bij hun onderdanen [/52ms115] rekening dienen te houden.

II. De structuren van het subjècte en de tijd.

Uitgaande van de Schriftuurlijke onderscheiding van hart en functie acht Prof. Dooyeweerd de laatste tijdelijk (A), het eerste boventijdelijk (B).

A. Het verband tussen tijd en functies.

Dit (verband) is z.i. tweevoudig, nl. 1. in de tijdsorde der functies en 2. in iedere functie afzonderlijk, waarbij dan in het arithmetische de successie en in het ruimtelijke de gelijktijdigheid blijk der aanwezigheid van de tijd zou zijn.

Ad 1. Tegen het eerste werd opgemerkt, dat men van tijdsorde slechts bij gebeurtenissen kan spreken; dit ook bij de onderlinge orde der functies te doen maakt het de tegenstanders nodeloos moeilijk onze visie van de evolutionistische te onderscheiden.

Ad 2. Hetzelfde argument geldt met betrekking tot de tijd in het arithmetische en het ruimtelijke. Als tegeninstantie kan niet de opvatting van Einstein worden aangevoerd: z.i. zijn ruimte en tijd beide in het fysische gebeuren aanwezig, wat in confesso is.

Op dit punt vallen intussen ook andere bezwaren in te brengen. Zo merkte Prof.(dr. C.C.) Jonker op, dat, indien in het arithmetische de successie, daarentegen in het ruimtelijke de gelijktijdigheid blijk der aanwezigheid van de tijd in alle functies is, er bij de overgang van het arithmetische naar het ruimtelijke ontisch een teruggang zou zijn op te merken, hoewel men, daar immers het ruimtelijke het arithmetische onderstelt, een omgekeerde verhouding zou verwachten.

De verklaring van een en ander is wellicht mede te vinden in de gang van zaken in de ontwikkelingsgeschiedenis der Calvinistische Wijsbegeerte: Vollenhovens dissertatie (1918) nam—met Poincarè—de successie in het getal als correlaat van de tijd aan. Van tijd in de ruimte sprak Vollenhoven daar echter niet. Laatstbedoeld thema houdt wel verband met Dooyeweerd’s gedachte, dat tijd in alle functies moet te vinden zijn. In verband met het argument, dat men van de tijd alleen bij gebeuren spreken kan (zie onder 1) is het echter wellicht beter noch in getal noch in ruimte naar blijken van de tijd te zoeken; de "successie" wordt daarmee niet prijsgegeven: zij kan als niet-tijdelijke orde van klein en groot worden opgevat.

B. Het boventijdelijk karakter van het hart.

Tegen dit thema werden deels terminologische (1), deels zakelijke [/52ms116] (2) bezwaren aangevoerd.

Ad 1. Terminologisch werd opgemerkt, dat het ook op het standpunt van Prof. Dooyeweerd beter zou zijn niet van "boventijdelijk", maar b.v. van "buiten-tijdelijk" te spreken. De term "boven-tijdelijk" wekt immers de indruk, dat het verschil tussen functies en hart bij het schema lager-hoger zou kunnen worden ondergebracht. Daarbij komt de praktische overweging dat het pagane denken deze term herhaaldelijk in deze zin gebruikt. Zo bij monisten als Leibniz maar evenzo, en zelfs in sterkere mate, bij dualisten: volgens niet dichotomistische denkers als [African] Spir [1837-1890]/[Karl] Barth [1886-1968] en volgens dichotomisten als Klages, de louter frenologische denkers en de spiritualisten in het transcendente geheel—en bij andere, als Jung, ten dele—boventijdelijk. Daardoor maakt het vasthouden aan deze term het mogelijk, dat de verschillen tussen de Calvinistische Wijsbegeerte enerzijds en beslist af te wijzen synthetische concepties anderzijds worden genivelleerd, wat onze strijd nodeloos verzwaart—men denke hier inzonderheid aan die leden der jongere generatie die genoodzaakt zijn zowel van bedoelde concepties als van onze visie kennis te nemen en dan onwillekeurig naar de vemeende grootste gemene deler zoeken.

Ad 2. Met de vervanging van de term "boventijdelijk" door "buiten tijdelijk" zouden echter de zakelijke bezwaren tegen deze gedachte van meer dan èèn zijde ingebracht niet verdwenen zijn. Immers noch de voortplanting van het menselijk geslacht noch z’n geschiedenis zijn volgens de hier aan het woord zijnde docenten buiten-tijdelijk, en evenmin de omzetting van het hart bij de Christen in de levendmaking.

III. Het prefunctionele.

Tenslotte willen we Uw aandacht vestigen op de moeilijkheden in verband met het prefunctionele, afgezien van de tijdskwestie. Tot nu toe onderscheidt de antropologie der Calvinistische Wijsbegeerte het hart en de functiemantel en ziet dus het geloof als hoogste functie.

Tegen deze visie werden van verschillende kant tal van bezwaren ingebracht. Zij raken deels de plaats van het geloof, dat, in de zin van "trouw" genomen, niet functioneel kan zijn, deels ook de opvatting van [/52ms117] de kerk als instituut, inzonderheid haar diaconaat en tucht inzoverre als deze ook rechtskracht heeft voor het Koninkrijk der hemelen.

Deze bezwaren zijn, voorzover zij niet uit eigen kring stammen, afkomstig van ernstig te nemen Gereformeerden. En hun ondervanging zou ons werk ten zeerste bevorderen. Anderzijds moet hier een onderscheiding blijven, wil men niet bij de stelling belanden, dat de kerk als instituut òf geheel het Christelijk leven dient te beheersen òf geen afzonderlijk samenlevingsverband zou zijn, gedachten die ons geen van beiden juist voorkomen. Mede aan dit punt zal in de naaste toekomst ernstig aandacht worden gewijd. [52ms117//]

Tot zover de letterlijke tekst van het divergentie-rapport. Omdat op de achterzijde nog staat: "Eind Mei besproken met Her", dus met Herman Dooyeweerd, en de inhoud grotendeel overeenkomt met de op de coetus van 5-7 april 1952 besproken inleiding van Vollenhoven over Revisie noodzakelijk, heb ik dit rapport in de archief-mappen van 1952 opgenomen.