[/53i1]

RELIGIE EN GELOOF

Een van de boeiendste trekken in het leven der Stichting is deze, dat geheel de Gereformeerde gezindte bij haar werk betrokken is.

Ook deze relatie is uiteraard een tweezijdige. De Stichting kan slechts verder indien zij van ons volk mag verwachten het gebed de leerlingen, haar toekemstige docenten en de benodigden financielen steun. En harerzijds zal de Stichting zich de zorgen der Gereformeerde gezindte hebben aan te trekken.

Tot die zorgen behoort zeker niet in de laatste plaats de kerkelijke gespletenheid van het Gereformeerde volksdeel. Men zal die vooralsnog hebben te nemen en tijdens deze periode op niet-kerkelijk terrein alles in het werk dienen te stellen om de samenbundeling van de verschillende groepen te bestendigen en te stimuleren. Meer dan een voorlopige gedragslijn kan dit echter niet zijn: wat we voor alles nodig hebben is dat we innerlijk naar elkander toegroeien.

Dit laatste nu kan niet uitsluitend door wederzijdse welwillendheid. Wie het alleen van dergelijke middelen verwacht wijt het ontstaan van de verdeeldheid geheel aan vroegere machtskwesties en onderschat een zeer belangrijken factor, nl. het verschil in overtuiging. Want het was vooral dit verschil dat de Gereformeerde groep uiteen deed vallen en haar tot op heden verdeeld houdt. Derhalve zal, wil men een goedgefundeerde hereniging van al wat maar niet Gerformeerd heet, doch in verschillende kerkelijke groeperingen Gereformeerd is of wordt, vooraf bezinning nodig zijn op wat de verdeeldheid veroorzaakte en tevens op wat haar kan overwinnen.

Tot die bezinning nu heeft ook de Calvinistische wijsbegeerte, door de Stichting voorgestaan en bevorderd, een bijdrage te leveren. Wat de oorzaak der onderlinge divergenties in overtuiging betreft, wees zij reeds meer dan eens de synthese als de schuldige aan: geeft het bijvoorbeeld niet te denken, dat het aantal opvattingen in het vroeg-Christelijk denken vrijwel even groot was als dat der pagane concepties in die periode en telkens duidelijkder het verband tussen deze twee reeksen aan de dag treedt?

Belangrijker nog is uiteraard het streven een bijdrage tot positieve verheldering te leveren. Tot deze pogingen nu behoort mede de onderscheiding van religie en geloof, reeds sinds jaren door de Calvinistische wijsbegeerte aanvaard.

Nu is deze onderscheiding echter juist een der punten op welke ons werk nog al eens weerstand ondervindt.

Wel valt gelukkig ook hier een geleidelijke verbetering van het klimaat op te merken. Toch komt men na een lang gesprek over geheel andere kwesties genoemd bezwaar nog meer dan eens tegen.

De vorm waarin deze bedenking te berde wordt gebracht verschilt nog al eens. Soms geldt zij rechtstreeks de onderscheiding van religie en geloof, dan weer die van levens- en wereldbeschouwing enerzijds en ervaring aan de anderen kant, in een derde geval ook wel die van wijsbegeerte en theologie. Maar in de grond der zaak komen deze bezwaren nader ontleed, op hetzelfde neer.

Van deze drie vormen raakt eerstbedoelde het practische ....de tweede het niet-wetenschappelijk kennen en de derde de wetenschap. Nu ligt de practijk onder het onmiddellijk bereik van al m’n lezers. Daarom kan ik me hier waarschijnlijk het best ertoe bepalen slechts de eerste formuleering te behandelen: gelukt het me inzake de onderscheiding van religie en geloof voor m’n lezers klaarheid te scheppen dan zal het resterende hun niet veel moeite meer opleveren.

Wil de bespreking van bedoelde kritiek echter niet op onhelderheid stranden, dan zal het nodig zijn eerst nog even de zin der onderscheiding van religie en geloof nader toe te lichten.

Zij wortelt in de stelling, dat de Heilige Schrift, wanneer zij ons de mens tekent, zich van geheel andere trekken bedient dan de anthropologie der gangbare wijsgerige concepties.

Laatstgenoemde immers handelen uitsluitend over het verschil van hoger en lager bij de mens. Zo stelt de vitalist het "levende" tegenover de "dode materie", poneert de psychologist, dat het psychische tegenover het vitale zou staan en contrasteert volgens menig beoefenaar der kentheorie het bewustzijn met het psychische. Met de zoëven vermelde opvattingen is het aantal van zulke theorieën allerminst uitgeput; wie bedenkt, dat er ten minste veertien functies zijn, begrijpt dat hier nog tal van andere mogelijkheden liggen. Ook in de wijze waarop men dergelijke tegenstellingen uitwerkt openbaart zich nog menig diepgaand verschil: zo nemen de dualisten aan, dat men van een oorspronkelijk tweeheid dient uit te gaan en de eenheid pas secundair zou zijn ontstaan.... wijl daarentegen de monisten het begin als een eenheid zien uit welke zij dan door divergentie de tweeheid willen verklaren. Maar waarin men ook onderling moge uiteengaan, daarin stemt men met elkaar overeen, dat de .... onderscheiding in de mens die van hoger of lager...

De Heilige Schrift daarentegen spreekt,.... [/53i2] ...een andere taal. Voor haar is primair niet enig verschil tussen hoger en lager, maar dat van inwendige en uitwendige men, van hart en vlees, van ziel en lichaam, van geest en stof.