53l8
Wat is Calvinisme?
Dit is ook niet wetenschappelijke kennis. Maar het is meer dan een verzameling van kennis die berust op geleidelijke verwijding van de horizon, met telkens andere mensen in aanraking komen, uitbreiding van gebied van waarneming: het is de visie die ge van thuis meekrijgt, of die ge u moeizaam hebt verworven. Het is niet een wetenschappelijke conceptie, maar een kijk op God, op de wereld, het leven, de mens, uw medemensen, ook op uzelf.
Zo'n visie drukt haar stempel op de mens... Maar zo'n visie is allerminst wetenschap...
Want wat de levensvisie is voor de niet-wetenschappelijke kennis, dat is de wijbegeerte voor de wetenschappelijke kennis.
[/53l6]
Schriftgebruik en Wijsbegeerte
[Inleiding]
[/6] Het onderwerp, in de titel van dit referaat vermeld, mag niet vereenzelvigd worden met dat van ‘Schrift en wijsbegeerte’. Natuurlijk is dit laatste hier wel ondersteld, maar [/53l7] ons Schriftgebruik is iets anders dan de Heilige Schrift zelf De Schrift immers is Goddelijk, ons Schriftgebruik daarentegen blijft menselijk; en terwijl de Schrift heilig is, blijkt ons Schriftgebruik altijd weer met zonde besmet. Schriftgebruik ligt dus in het vlak van zondig mensenleven, betrokken op de Heilige Schrift.
Spreken we dan voorts over Schriftgebruik en wijsbegeerte, dan komt dit neer op de kwestie: ‘Hoe hebben we de Schrift te gebruiken, wanneer we wijsgerig bezig zijn?’
Deze vraag wordt natuurlijk alleen in Christelijk milieu gesteld: waar men geen rekening houdt met God en Zijn woord, speelt deze kwestie uiteraard geen rol.
Maar al komt deze vraag slechts in Christelijke kring voor, daarmee is niet uitgemaakt, dat de intentie, met welke zij wordt gesteld, nu ook steeds juist is. Reeds het woord 'gebruik' vergt hier voorzichtigheid. Aan deze term kán namelijk—al behoeft dit niet—een verkeerde opvatting ten grondslag liggen: dit is het geval, wanneer men van zichzelf uitgaat en dan vraagt: ‘Wat kan ik nu met de Schrift bereiken?’ Maar, als gezegd, een dergelijke opvatting, die natuurlijk een misvatting dient te heten, is niet noodzakelijk, dus kan dit punt verder ter zijde blijven.
Belangrijker is, dat we met de Schrift niet allereerst wijsgerig bezig zijn: tot de Schrift hebben we in de eerste plaats te gaan niet als wijsgerige mensen, maar als mensen zonder enige titel, zonder enige pretentie.
Die Heilige Schrift richt zich allereerst tot het praktische leven. Tot lering, wederlegging, maar tegelijk tot vertroosting, opdat we hoop zullen hebben; opdat we als Christenen uitzicht zullen hebben naar boven; opdat we weten dat er in het leven een deur is, door welke God komt om tot Zijn mensheid te spreken; een deur ook door welke wij ons met ons antwoord op dat Goddelijk Woord tot God mogen richten.
In de tweede plaats: dat Woord doet ons zien geheel de wereld, zoals die door God is geschapen. Het zest ons dat die wereld door God is geschapen, en dat wij dus nooit iets in die wereld voor goddelijk mogen houden. Ook dit is vóór alles practisch bedoeld: geen verafgoding, noch van dingen noch van mensen!
Voorts is die wereld door God gesteld onder Zijn wet: liefdevolle gehoorzaamheid is het eerste, dat van ieder wordt gevraagd.
Bij dit alles is aanvankelijk geen sprake van vakwetenschap en wijsbegeerte. De practijk klopt daarmee: er zijn millioenen die de Heilige Schrift erkennen als Gods Woord, die geleerd hebben God te vertrouwen op Zijn Woord; en van die millioenen zijn er meer dan vijf en negentig procent, die niet aan vakwetenschap en wijsbegeerte doen.
Toch heeft de Heilige Schrift ook met wijsbegeerte iets te maken. Maar hoe zit het nu precies met deze relatie?
I. [Schriftgebruik en wijsbegeerte vanuit de blik op degeschiedenis]
Om deze vraag te beantwoorden werpen we eerst een blik op degeschiedenis.
[A. Synthese-denken]
Het verleden leert, dat men in Christelijk milieu dit verband meestal verkeerd heeft gelegd. Men ging van een in oorsprong pagane conceptie uit en wendde zich vervolgens tot de Heilige Schrift. Het resulteat was dan natuurlijk een verbinding van pagane begrippen met Schriftuurlijke themata. Met andere woorden synthese.
(/99) Nu is het in de betreffende handboeken nog al eens gewoonte de geschiedenis der synthese filosofie kort af te doen. Dit valt te verstaan: wie in de verhouding van Schrift en wijsbegeerte geen belang stelt, zal dan ook het synthetisch denken en de resultaten daarvan weinig interessant vinden. Toch kan dit standpunt niet juist zijn. Want de synthese stelde tal van nieuwe themata aan de orde. Bovendien beheerste zij gedurende ongeveer vijftien eeuwen het Zuid- en West-Europese denken. Twee gronden voor èèn om haar niet en bagatelle te nemen.
Bij nadere bestudering blijkt dit tijdvak drie perioden te beslaan. De eerste van deze is die van het vroeg-Christelijk denken, de tweede die der Middeleeuwen, de laatste die van Prereformatie en 'Christelijk' Humanisme.
De eerste synthese was de meest oorspronkelijke: de Middeleeuwen verwerkten haar resultaten in scholastischen, dat wil zeggen in geleerden zin, en de derde trachtte, antischolastisch en achter de Middeleeuwen om, weer het vroeg-Christelijk denken tot herleving te roepen, doch moest tot haar teleurstelling ervaren, dat dit met ging.
Met deze onderscheiding van tijdvakken kan men echter niet volstaan. Want reeds tijdens de eerste periode blijkt, dat synthese op verschillende manier tot stand komt. In hoofdzaak kan men hier drie verbindingstypen onderscheiden.
Het oudste is dat der in- en uitlegmethode. Volgde men haar, dan ging men in de Heilige Schrift zelf iets van wijsbegeerte zoeken, en vond, naar men meende, de gedachte die men vroeger had in de Schrift terug. Dit gebeurde onopzettelijk: denk niet, dat die vroege Christenen de vraag stelden: ‘Hoe combineer ik mijn systeem met de Heilige Schrift?’ Ook dit, dat het Oude Testament vaak slechts in Griekse vertaling werd gelezen en het Nieuwe Testament in het Grieks geschreven was, speelde een rol. Een enkel voorbeeld moge volstaan. lemand had te voren een wijsbegeerte aangehangen in welke de term ‘logos’ een belangrijke plaats innam; ging hij nu johannes I lezen, dan vond hij ook daar de term ‘logos’, maar in geheel andere betekenis. Dit werd echter niet opgemerkt, en zo kwam men er licht toe dat begrip, dat men door opvoeding en studie had meegebracht, in te dragen in de Schrift: zo werd het Woord Gods in de zin, dien deze term reeds in het Oude Testament had, hier tot de sprake die uitging van het wereldleven dat met het leven Gods zou samenvallen. Dit was natuurlijk niet een uitlegging, maar een inlegging: men droeg eigen opvatting in de Schrift in zonder dat men er weet van had. En verklaarde nu de vroegere wijsgerige gedachte te hebben behouden, maar thans versterkt, omdat zij niet steunde op (/100) menselijk gezag, maar op de autoriteit van Gods Woord.
Deze methode liep uiteraard vast. Want het bleef vanzelf niet bij één opvatting, die men in de Schrift bevestigd meende te zien: het aantal der ‘Christelijke’ filosofieën dat op deze wijze ontstond was al spoedig even groot als dat der te voren bestaande pagane concep:ties! Daaronder waren er, die door de kerk werden afgewezen, maar ook die niet door haar werden veroordeeld.
Intussen vond men destijds ook Christenen, die aanvoelden, dat wat ze meebrachten iets anders was dan wat de Heilige Schrift gaf. Dezen waren dan ook afkerig van de in- en uitlegmethode. Toch zeiden ook zij: er is maar èèn wijsbegeerte, de Grieks-hellenistische; en die hielden ook zij vast. Maar men wilde óók geloven wat de Heilige Schrift bracht, en voelde dan, dat het hier en daar botste; daarom oordeelde men, dat de waarheid der Schrift en die van de wijsbegeerte in paradoxale verhouding stonden. Dat was het standpunt van een denker als Tertullianus.
Dan was er nog een derde opvatting: die van natuur en genade. Ze is reeds oud: al op de synode van Orange van 529 vinden we haar uitgesproken. Volgens deze opvatting moet men onderscheid maken tussen 'natuur' en 'bovennatuur'; Adam had in de staat der rechtheid de bovennatuur ontvangen, en die door de zondeval verspeeld; door de genade zou dan bij de Christen die bovennatuur worden hersteld. De van het pagane denken overgenomen wijsbegeerte behoort hier tot het terrein der natuur. Maar die wijsbegeerte had ook over God nagedacht, ze had een eigen Godsbeeld. Nu was [/8] dit een ander dan dat der kerk, die deets bi de Heilige Schrift, deels bij de traditie der in- en uitlegmethode aansloot. Daardoor kreeg men ook hier een tweeheid, evenals bij de paradoxale verbinding. Toch was men het met laatstgenoemde allerminst eens: de onderlinge verhouding van de pagane en de kerkelijke visie was niet een paradoxale, maar heette die van voortrap en vervulling.
Ziedaar de drie verbindingsthemata der synthese-filosofie. Ook later wisten zij zich te handhaven: men herkent hen onder andere in de driehoeksstrijd gedurende de vroege Middeleeuwen in scholastischen trant gevoerd tussen denkers als Willem van Champeaux, Petrus van Damiani en Lanfranc. Wat geleidelijk, in de loop der geschiedenis, veranderde, was slechts de werfkracht dezer drie: daardoor kwam het thema natuur-genade, dat in de tijd der kerkvaders betrekkelijk weinig aanhangers telde, in de bloeitijd der scholastiek op de voorgrond. Maar ook de twee andere themata bleven boeien. En zelfs thans nog volgen de Bijbelse humanisten de in- en uitlegmethode, leven de volgelingen van Kierkegaard uit de paradox en (/101) huldigen niet alleen Roomse maar ook wel Protestantse denkers het thema van natuur en genade.
Wie dit opmerkt, verstaat, dat de strijd, welken we te voeren hebben om tot een Schriftuurlijke wijsbegeerte los van elk soort synthese te komen, bijzonder zwaar is.
[B. Schriftuurlijke wijsbegeerte]
Wat is echter onze bedoeling met de term 'Schriftuurlijke wijsbegeerte'?
In de eerste plaats dat we niet met een eigen conceptie naar de Schrift gaan om die door Haar te laten sanctioneren, maar het Haar laten zeggen in ons leven, van jongsaf.
Nu wordt niemand als wijsgeer geboren. leder komt als kind ter wereld. leder begint in zijn kennisleven met de niet-wetenschappelijke kennis der dagelijkse ervaring. De zuigeling leert al iets van moeder kennen. Die zuigeling is een kleine mens. Ge moet niet te veel van de volwassene in die kinderziel indragen. Maar aan de andere kant: stel het u niet zó voor alsof kleine kinderen eigenlijk jonge diertjes zijn die niet anders kunnen dan zintuigelijk waarnemen en die bij moeder slechts wat warmte en voedsel opmerken. Daar is ook bij het jonge kind—omdat het een jong mensje is—liefde en vertrouwen. Zo ziet de Heilige Schrift de kleine mens. David weet ervan, dat hij op God betrouwde toen hij nog een zuigeling was. Dat is natuurlijk niet een geloof dat zich vertolken kan in woorden; maar daar is een opgedragen-zijn aan God door het geloofsvertrouwen der ouders; daar is soms ook al een rechtstreeks gebonden-zijn in vertrou-wen op God, een geborgen-zijn in Zijne liefde.
Dan groeien we op en leren onze ouders kennen, onze broertjes en zusjes, onze omgeving; eerst de wieg, dan de kamer, vervolgens de tuin, de straat, vriendjes en vriendinnetjes, de school.
Dit alles is niet-wetenschappelijke kennis. En nu is dit het mooie: deze kennis is niet een fase die voorbijgaat. Er gaat heel wat voorbij van de kinderleeftijd; maar de niet-wetenschappelijke kennis blijft: ge kent elkander als man en vrouw met niet-wetenschappelijke kennis, ge kent als ouders uw kinderen met niet-wetenschappelijke kennis; ge doet het grootste deel van uw zaken met niet-wetenschappelijke kennis af.
Langzamerhand ontwikkelt zich dan een visie, een eenheid van kijk, die allerminst een wetenschap en dus ook niet wijsbegeerte is, maar levens- en wereldbeschouwing: men spreekt van humanisme, katholicisme, Lutheranisme, Calvinisme.
Wat is Calvinisme? (102)
Dit is óók niet-wetenschappelijke kennis. Maar het is meer dan een verzameling van kennis die berust op geleidelijke verwijding van de horizon, met telkens andere mensen in aanraking komen, uitbreiding van gebied van waarneming: het is de visie die ge van thuis meekrijgt, of die ge u moeizaam hebt ver-worven. Het is niet een wetenschappelijke conceptie, maar een kijk op God, op de wereld, het leven, de mens, uw medemensen, ook op uzelf.
Zo’n visie drukt haar stempel op de mens: ge kunt sommigen humanisten het humanist-zein, sommigen Roomsen het Rooms-zijn van het gezicht lezen; er zein ook echt Calvinistische koppen. Maar zo’n visie is allerminst wetenschap. Er zijn stoere Calvinisten, mannen en vrouwen, die niet studeren, die het niet kunnen of het niet willen, maar, ofschoon zij zelf tijd noch lust voor wetenschappelijk werk hebben, toch de Calvinistische actie met hun gebed, belangstelling en gaven dragen en stimuleren.
Daarmee kom ik tot de wetenschappelijke kennis.
Zij omspant vakwetenschappelijke kennis, die zich tot èèn gebied beperkt. Maar ook wijsgerige kennis. Deze twee houden ten nauwste verband met elkander, doch vallen niet samen. Want wijsbegeerte is die wetenschap, die van alle vakwetenschappen leren wil, omdat zij in alles belang stelt; maar dan vèrder vraagt, omdat het haar gaat om het onderling verband der velden van onderzoek van welke de vakwetenschappen zich slechts èèn zien toegewezen; die ook vraagt naar de methode die door elke vakwetenschap wordt toegepast om vooruit te komen.
Wijsbegeerte is dus de generale wetenschap.
Maar niet een vergaarbekken.
Want wat de levensvisie is voor de niet-wetenschappelijke kennis, dat is de wijsbegeerte voor de wetenschappelijk kennis.
[C. De verhouding tussen niet-wetenschappelijke en wetenschappelijke kennis]
Hoe is nu de verhouding tussen de niet-wetenschappelijke en de wetenschappelijke kennis?
Ge raakt het niet-wetenschappelijke nooit kwijt. Als ge gaat studeren, bouwt ge voort op uw niet-wetenschappelijke kennis. Er is wel een tijd geweest, dat de wetenschap, criticistisch, alle niet-wetenschappelijke kennis beschouwde als iets dat overwonnen moest worden. Maar daarvan is men teruggekomen. Ook de man van wetenschap gaat uit van klanken en kleuren—heus, die bestaan! niet in ons, maar buiten ons! Die kleur is ginds, en die klank hoort ge van zoveel meter afstand; dat bestaat buiten ons denken, en daarvan gaan we uit. En pas wanneer ge dat vasthoudt, kunt ge verder komen en studeren. En (/103) anders wordt alles verward en houdt ge niets meer over, krachtens het criticisme van uw doolgeraakte wetenschap.
Nu hebt ge, wanneer ge verder werkt, ook die algemene visie der wijsbegeerte nodig. Maar ook die strookt met de niet-wetenschappelijke kennis; zij bouwt op haar voort en denkt over haar na.
Bij de niet-wetenschappelijke kennis nu speelt ook de kennis van het geloof en rol. Als ge niet gelooft, maar in ongeloof leeft, krijgt ge een wijsbegeerte, waarin dat ongeloof, die dwaling een rol speelt. Maar wanneer ge God gelooft op Zijn Woord en op dat Woord vertrouwt, krijgt ge een wijsbegeerte, waarvan dat niet-wijsgerige, niet-wetenschappelijke geloof aan de Heilige Schrift en in God de basis vormt.
Daarmee wordt het geloof niet wijsgerig.
De Heilige Schrift begint met dat majestueuze: In de Beginne schiep God de hemel en de aarde. Wie dat gelooft, is daarmee heus niet man of vrouw van wetenschap. Maar ge kunt dat rustig blijven geloven, ook wanneer ge gaat studeren. Want daar is geen wetenschap, die u dat kan afhandig maken: wie aan de Academie zij geloof verloor, heeft dit niet aan enig onderzoek te wijten: hij delfde het onderspit in de strijd tegen het ongeloof, dat zich mede van menige pagane traditie in de wetenschap bedient.
Zo kunt ge uw wetenschap bouwen op uw Schrift- en Christgeloof.
En zo verkrijgt ge ook een wijsbegeerte die op wetenschappelijk gebied hetzelfde presteert als het Calvinisme voor de [/53l9] levens- en wereldbeschouwing op niet-wetenschappelijk terrein.
II. {De basis van de Calvinistische wijsbegeerte]
Calvinistisch wijsbegeerte dient dus van een niet-wetenschappelijke basis uit te gaan. Feitelijk doet iedere filosofie dat. Maar niet iedere wijsbegeerte legt rekenschap van dit feit af.
Bedoelde basis nu is ons gegeven in de Heilige Schrift. Juist daarom mag Haar inhoud niet dienst doen als bovenbouw, hetzij in paradoxale, hetzij in Roomse trant. En mag die Schrift evenmin in wijsgerige zin worden uitgelegd, en afortiori niet in de geest van een paganistische interpretatie.
Wil men met een en ander ernst kunnen maken, dan zal men het pagane denken terdege in zijn geschiedenis moeten bestuderen: alleen zo zal men zijn dilemma’s kunnen verstaan en afwijzen.
Als voorbeeld van zulk een dilemma noem ik hier dat van monisme en dualisme. Onder monisme versta men die eenheidsgedachte, welke inhoudt, dat God en wereld hetzelfde zouden zijn of dat er een (/104) eenheid zou bestaan, uit welke God en wereld beide zouden ontspringen. Onder dualisme [versta men] dat thema der correlatie, volgens hetwelk God en iets anders—wereld of materie—van meet af elkanders correlaat zouden zijn. Dualisme is dus iets anders dan erkenning van dualiteit: wie belijdt, dat God de wereld schiep zal rustig erkennen, dat God en wereld twee zijn; maar tegelijk zal hij, juist op grond van zijn scheppingsgeloof, de dualistische gedachte, dat God en wereld beide eeuwig of beide tijdelijk zijn, met kracht verwerpen.
Correlaat daarentegen zijn de wet en het aan haar subjècte. Want een wet zonder iets waarvoor zij geldt is even zinloos als een subjèct zonder wet.
Nu speelt, naar men weet, de wet in het Calvinisme een belangrijke rol. Sprekend over de wet der tien geboden, onderscheidde men bij haar drieërlei gebruik: zij is breidel voor de goddeloosheid, tuchtmeester tot Christus en regel der heiliging. In de grond der zaak gaat dit drieërlei gebruik op èèn thema terug: de wet als liefdegebod norm voor het mensenleven. Want in het Paradijs aanvankelijk gehouden, kwam deze wet, toen zij, na overtreden te zijn, van haar eis niet afliet, met haar vloek tegenover ons te staan, terwijl zij thans, nu de Christus aan haar voldeed, door de Christen weer als norm voor zijn leven wordt erkend.
De wet in dezen zin blijft buiten en boven ons: ook wanneer, zoals in de staat der rechtheid en bij de Christus, het leven met haar strookt, valt dit leven niet met haar samen. Want de eis ‘gij zult’ is iets anders dan het aan dien eis voldoen.
Calvinistische wijsbegeerte kan een en ander slechts beamen. Intussen ontmoet zij de term ‘wet’ ook in anderen zin. Men spreekt namelijk ook van ‘wet in de kosmos" en van ‘positieve wet’.
Wanneer de vakwetenschap naar wetten zoekt en haar voorlopige resultaten formuleert, beoogt zij de regelmaat in de kosmos op te sporen. Reeds daarom is de wet in deze zin iets anders dan het liefdegebod. Bovendien betreft de gezochte regelmaat sinds de zondeval zowel wat met het liefdegebod strookt als wat daarmee in strijd is: zo kan men evengoed een statistiek geven van het aantal huwelijken en geboorten als van het aantal moorden en echtscheidingen. Daarmee gaat de tegenstelling van goed en kwaad, liefde en haat, gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid aan het liefdegebod niet te loor, inaar dwars door haar heen loopt die van regelmaat en onregelmatigheid.
De onderlinge verhouding van deze twee wetten is niet die van hogere en lagere functies. Want het liefdegebod eist geheel de mens op en statistische verwerking van regelmaat en onregelmatigheid (/105) heeft evenzeer voor de kennis van hogere als voor die van lagere functies zin. Evenmin laat deze verhouding zich herleiden tot een tweeheid van kenbron, als zou het liefdegebod slechts door de Schrift, de regelmaat daarentegen zonder Haar te vinden zijn. Want de zin van het liefdegebod wordt ons pas duidelijk wanneer we de geschiedenis van de kosmos onderzoeken en de geschiedenis van de kosmos, die in de gezochte regelmaat steeds een belangrijke rol speelt, valt niet te verstaan, zonder dat men rekening houdt met de grote lijnen dier geschiedenis in de Heilige Schrift aangegeven.
Uit een en ander volgt reeds, dat, al dienen onjuiste opvattingen inzake de onderlinge betrekking van deze wetten te worden afgewezen, beide wel degelijk met elkander verband houden.
Dit verband ligt allereerst in God. Want achter beide wetten staat Zijn wil: men denke hier aan de oude onderscheiding van de wil des bevels en de wil des besluits.
Deze onderscheiding vereenzelvige men niet met die van geopenbaarden en verborgen wil. Want de eerste distinctie raakt het willen Gods afgezien van zijn kenbaarheid, de andere de relatie van dit willen tot onze kennis. Bovendien is de wil des bevels ons lang niet altijd geheel duidelijk, terwijl anderzijds ook de wil des besluits, voorzover het besluit reeds is gerealiseerd, door ons kan worden onderzocht.
Op deze wijze wordt tenslotte ook de zin der positieve wet verstaanbaar. Deze wet is zeker niet een formule voor de ontdekte regelmaat: zij registreert, beschrijft en verklaart niet, doch beoogt het leven in een bepaalde richting te leiden. Evenmin echter is zij ident met het liefdegebod: het blijkt herhaaldelijk nodig, juist op grond van bedoeld gebod, een ontwerp van wet te becritiseren en, indien deze strijd vruchteloos bleef, te trachten de tot positieve wet verheven regeling zo spoedig mogelijk door een betere te vervangen. Maar juist doordat de positieve wet noch met de wet als regelmaat noch met het liefdegebod ident is, kan zij beide verbinden. Vandaar dat de bevoegde gezagsdrager bij het ontwerpen van de positieve wet met beide rekening dient te houden: de positieve wet heeft immers juist deze zin, dat zij het liefdegebod Gods in zijn specificatie voor een gequalificeerd samenlevingsverband’—voor èèn bepaald samenlevingsverband gedurende een bepaalde periode positiveert. Daarom bindt een positieve wet slechts hen die tijdens haar geldingsduur tot het betreffende verband behoren. Maar bindt zij hen dan ook als gebod Gods, zij het slechts indirect: men denke hier aan de motivering van dit ontzag in de Heidelbergsen Catechismus: ‘aangezien het God belieft ons door hunne hand te regeren’.
Uiteraard resten ook hier nog tal van kwesties. In het thans (/106) gebodene zie men dan ooks slechts een proeve, die ertoe wil bijdragen aan te tonen, hoe ook in haar analyse van het wetsbegrip de Calvinistische wijsbegeerte, haar religieuze basis trouw blijvend, voor de behoeften zowel van wakwetenschap als van praktijk een open oog heeft. [53l9//]