[/54f11]

ONZE ACHTTIENDE JAARVERGADERING

Op Maandag 4 Januari jl. ‘s middags ongeveer half drie opende de voorzitter van de Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte, Prof. Dr D. H. TH. VOLLENHOVEN, de druk bezochte achttiende jaarvergadering met Schriftlezing—Psalm 89—en gebed. De aanwezigen zongen op zijn verzoek Ps. 89:1, waarna hij hen hartelijk welkom heette.

OPENINGSWOORD

Het doet ons goed, aldus de Voorzitter, dat er zovelen zijn die ons werk jaar in jaar uit steunen, en dat er van die velen ook een belangrijk aantal is, dat zich de moeite getroost om in het begin van het jaar naar Amsterdam te komen om door persoonlijke tegenwoordigheid hun medeleven te onderstrepen.

Zo iets is wel enig in de wereld, waar het hier gaat om een vereniging voor wijsbegeerte. Natuurlijk, dat heeft een voorgeschiedenis: de geschiedenis van de leiding Gods in het leven van Zijn Christenvolk in ons vaderland. Dat volk heeft leren strijden, en al strijdend heeft het geleerd scherper te zien; en zo is er een falanx, op wier steun en medeleven we een beroep kunnen doen.

Nochtans, laten we niet al te gerust zijn.

Want deze zegen zouden we zo kunnen verspelen. Want de tijden zijn moeilijk: ze stellen ons voor vele problemen; het ene is nauwelijks onder ogen gezien, of er komt al weer een nieuw vraagstuk op. De moeilijkheden worden vaak nog groter gemaakt dan ze zijn. In de eerste plaats doordat men meer dan vroeger mensen, die niet zelf rustig uitgaan van het Woord Gods, op de voorgrond laat komen; en voorts doordat ook zij, die rekening houden met dat Woord, beproefde beginselen los laten en pas nieuw geformuleerde beginselen negeren. Ik denk hier aan de strijd, die ook hier te lande gevoerd is voor vrijheid van religie, en aan de noodzakelijkheid de religie te onderscheiden van het werken en leven in allerlei samenlevingsverband onder het gezag van hen, door wier hand het Gode belieft ons te regeren. Het is nodig te letten op het rechtstreeks verband met God, niet tegen die gezagsdragers in, maar zo, dat we voor Gods aangezicht moeten beslissen, hoe ver de onderwerping aan het gezag mag gaan.

In de tweede plaats denk ik hier aan het onderscheiden van die samenlevingsverbanden en wat er verband mee houdt: aan het thema van soevereiniteit in eigen kring, dat hier en daar wordt los gelaten, bijna zonder dat men er weet van heeft. Het gebeurt onwillekeurig: het zal wel behoren, zo meent men, bij die bestanddelen van KUYPER’s werk, die niet houdbaar zijn gebleken.

Verder de onderscheiding van naieve ervaring en wetenschap, inzonderheid van geloof en theologie. De kerk gebruikt geloofsbegrippen, kerkelijke begrippen, die op het eerste horen duidelijk zijn. Wanneer de gereformeerde kerken iemand afwijzen als "dopers", dan is dat duidelijk voor de kerkgemeenschap, maar dan heeft de theologie zich nog te bezinnen op de achtergronden; want welk een verschil is er soms niet tussen de ene dopersen en de anderen.

Ten slotte: het verband tussen wijsbegeerte en theologie. Nog altijd doet men, alsof dat verband kan worden genegeerd en zijn erkenning voorlopig op de lange baan kan worden geschoven. Nog steeds ziet men in brede kring niet in, dat iedere theologie afhankelijk is van een wijsbegeerte; en dat niet die afhankelijkheid zelf kwestieus is, maar dat de enige vraag is: van welke wijsbegeerte is men afhankelijk bij zijn theologisch werk.

Dat zijn allemaal moeilijkheden waarmee we ieder ogenblik moeten worstelen.

Ik herinner u aan deze moeilijkheden, niet om uiting te geven aan moedeloosheid. Want daarvoor zijn we er nu juist: hier ligt ons werk; hier zien we onze taak. En waren die [/54f12] moeilijkheden er niet, dan zou een groot deel van ons werk ons van de schouders vallen.

Maar ik wil u er op wijzen, om u opnieuw te doordringen van de noodzakelijkheid van dit werk. We zijn de eerste tientallen jaren op dit gebied nog niet klaar, indien we ooit gereed zullen komen.

Daarbij komt nog, dat we ook zelf telkens leren scherper te onderscheiden, door systematische bezinning, en door bestudering van de leiding Gods in de geschiedenis.

Bij dat werk treffen ook ons natuurlijk tegenslagen. Zo is onlangs aan de kring van het bestuur ontvallen Dr SCHOEP, een trouwe medewerker in Vereniging en Stichting, van het begin af. In de Mededelingen heb ik een woord aan zijn nagedachtenis gewijd; hier wil ik dit verscheiden alleen even memoreren. Wij zullen hem missen in zijn trouw en liefdevolle bescheidenheid. Maar ook daarin ligt geen reden om moedeloos te worden: er staan weer andere en jongere krachten strijdvaardig op om ons te helpen.

Zo zien we voor onze ogen, dat God Zijn gunst over ons werk bezig is te bestendigen. Zo willen we het nieuwe jaar ingaan, met een beroep op uw trouw en medewerking. [54f12//]