[55ms121] using Tol's numbering
Levens-eenheid
Dies-rede voor de afdeling Utrecht der S.S.R.
op 13 october 1955 gehouden door
Prof. dr. D.H.Th. Vollenhoven
Levens-eenheid, dat is een staat waarin ons leven kan verkeren en behoort te verkeren; zo staat levens-eenheid tegenover gebrokenheid van leven.
Tegenwoordig spreekt men bijna uitsluitend over deze laatste, de gebrokenheid. Gescheidde dit in Christelijke geest, dan kon het ermee door. We zouden dan moeten waarschuwen tegen eenzijdigheid; maar deze was toch in zoverre in haar recht, als het noodzakelijk is ons te herinneren, dat sinds de zondeval van levens-eenheid alleen in levensgebrokenheid sprake kan zijn. Maar de geest, die het onderwerp "gebrokenheid des levens" aan de orde stelt, is een geheel andere. Zich oriënterend aan het jongste verleden, constateert men dat de ratio met haar apriorische begrippen niet alleen op wetenschappelijk gebied, maar ook op practisch terrein hopeloos is te kort geschoten. Vandaar dat men de "rede" disqualificeert. Ze wordt niet uit het koor gebannen, maar ze eheeft daarin toch niet te domineren; en boven de partijen van theoretische en practische rede uit klint dan de schrille stem van de existentialist, die slechts van redeloze beslissingen in concrete situaties weten wil, en zo "geschichtlich" poogt te zijn, na ook met de geschiedenis te hebben afgerekend.
Deze gebrokenheid valt veelzins te verstaan; en velen, die haar diep doorleefden, verdienen onze deernis. Wanneer een Kierkegaard op 52-jarige leeftijd in Kopenhagen op straat in elkaar zakt ten gevolge van de ernst waarmee hij deze existentiële levenshouding heeft trachten waar te maken, is dit geen kleinigheid. Toch ws hier een fataal misverstand, dat—gezien het feit dat ook tegenwoordig nog [/55ms122] velen een verbinding van Christemndom en existenialisme nastrven—toch wel even mag worden onderkend. Want de gebrokenhied, door het existentialisme bedoeld, verschilt fundamenteel van die, welke het Christendom kent. Wanneer Paulus kreunt "Wij derven de heerlijkheid Gods"—dan is dat iets anders dan te pletter slaan in de branding van rationalisme en irrationalisme. Dan gaat dit ook heel wat dieper. Want bij Paulus is er niet het verzet, waarbij men, niet los komend van het rationalistisch wetsbegrip, ten slotte in arren moede de wetteloosheid proclameert. Het is integendeel steunen onder de last van het feit, dat wij niet beantwoorden aan de norm Gods: wij deugen niet, en die ons voorgingen al evenmin.
En juist omdat Paulus deze situatie zo diep peilt en zo hartgrondig ernstig neemt, kan hij óók ernst maken met de prediking van de genade, die weet van verlossing uit deze nood. Vandaar dat daarop kan volgen: "en worden om niet gerechtvaardigd uit Zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus" Rom. 3:23v.
Zoals Paulus, is ook de reformatie: zij is begonnen met de worsteling van Luther: hoe kom ik aan een genadig God? Deze vraag is van geweldige betekenis. Wij kunnen noch ons zelf, noch onze medemensen kennen, indien we niet óók de relatie zien, waarin zowel die anderen als wij zelf staan tegenover de wet Gods.
Toch hoede men zich voor eenzijdigheid, ook hier.
Want: is deze wet nu werkelijk de enige? Is zij zelf niet een onderdeel van iets dat veel breder is, namelijk de Woordopenbaring? Nu gaan we nog een stap verder: is die Woordopenbaring het enige? Heeft zij geen onderstelden, en wijst ze harerzijds niet naar iets anders?
Deze vragen moeten bevestigend beantwoord worden. Want de Woordopenbaring onderstelt de schepping en de scheppingswet, en ze wijst vooruit naar de Geesteswerking die haar voltooit. Vandaar dat het oude Christelijk credo, dat de Zoon in het middelpunt stelt en terecht in de brede bij Zijn werk stil staat, begint bij de Vader en eindigt bij de Geest.
Van levens-eenheid kan dan ook slechts sprake zijn wanneer ons leven de eenheid van drieërlei wet kent en voor die drievoudige wet buigt.
I.
Allereerst de kenbaarheid van die drieërlei wet.
De uitlegging van het credo in de Heidelbergse Catechismus beginnt met de indeling waarvan de aanhef aldus luidt: Van God de Vader en onze schepping..
[/55ms123] Inderdaad: van norm is geen sprake zonder voorafgaande schepping; want iedere norm onderstelt het bestaan van datgene waarvoor zij geldt. Norm is ook iets anders dan bevel, en op dat bevel komt het in de schepping juist aan. Ge hoort telkens weer, in het verhaal over de schepping, van de bevelende stem Gods. Het gaat daar niet over ideeën waarover we wat kunnen speculeren, maar over bevelen, aan welke moet worden gehoorzaamd; en scheppingsbevelen zijn bevelen die gebieden, dat allerlei ontstaat. "Daar zij licht!" "Daar zij een uitspansel!" "Dat de wateren samenvloeien!" En later zal de dichter dat aldus samenvatten: Hij gebood, en zij waren geschapen, vgl. Ps. 33:9.
En na geschapen te zijn blijven ze ook in stand: Gij hebt de aarde gegrond, zodat zij stáát, Ps. 119:90; naar Uw verordeningen staan zij heden ten dage, want zij alle zijn Uw knechten, Ps. 119:91.
Met het geschapen-zijn van het geschapene is ook de structuur daarvan gegeven. Want het geschapene bestaat niet als ene verzameling losse dingen. Ge onderkent in het geschapene soorten, en dan niet in morfologische zin: dingen die op elkaar gelijken; maar in genealogische zin: schepselen die wel individueel zijn maar toch in staat zich te splitsen, zich voort te planten, te paren, geslachtsgemeenschap te hebben. Soorten die dus kennen een vroeger en later. Daarbij zijn ze—voor zover we althans met echte soorten te maken hebben, die natuurlijk ook variaties kennen—alle geschapen naar eigen aard: de hogere soort komt niet uit de lagere voort, maar wel de latere generatie in hetzelfde rijk uit de vroegere; daar is evolvering, geen evolutie. Er is hier geen bouw in de mechanische zin van het woord: het volgende rijk ontstaat niet doordat op de dingen van het vorige een verdieping wordt gezet; want in ieder rijk zijn de dingen doorgestructureerd, ze zijn een innerlijke eenheid. De plant is niet een verzameling van atomen, samengehouden door een biotische entelechie, noch het dier een collectie planten waarvan dan een van boven afdalend gevoelsleven is toegevoegd.
Een enkel voorbeeld van deze eenheid, van dit doorgestructureerd-zijn: Dieren en mensen nemen zintuigelijk waar en gebruiken daarbij hun zintuigen. De zintuigen zijn organen; als organen kunnen ze zowel ziek als gezond zijn. Als organen worden ze behandeld bij ieder onderzoek. Als ge bij de oogaarts komt, neemt hij u niet direct mee naar de leeskamer, maar gaat ge eerst in dat donkere hokje waar ge moet zien op dat rode lampje. En ondertussen belicht hij uw oog met een fel licht, om te onderzoeken of er wellicht een gebrek is dat hij niet verhelpen kan; en pas wanneer dat oog gezond blijkt, neemt hij u mee en ziet hij of, en zo ja welke gebreken de lens van uw ogen vertoont.
[/55ms124] Maar dit is nu het typische: hoewel het oog een orgaan is, zoekt ge iets dergelijks bij organismen tevergeefs: bij planten heeft men niets dat daaraan analoog is. Zintuigelijk organen zijn organen, maar ze ontbreken bij de organismen, bij de dingen die door de organische functie zijn getypeerd als de hoogste die ze hebben; en men vindt deze dingen in het organische uitsluitend bij dieren en mensen, vooruitwijzend op hun activiteit in het hogere.
Zo doorgestructureerd is ook het mensenleven.
Het is niet zo, dat we naar de uiterlijke zijde zijn samengesteld uit een sooma, een groep beneden-psychische functies, en daarbij een psyche die het overige zou omspannen; en nog minder dat we zouden zijn samengesteld uit sooma, psyche en denkgeest. Dat alles is in die eenheid aanwezig, en dan nog alleen maar aan de buitenzijde: want de eenheid van de mens is primair te onderscheiden in een innerlijk en een uiterlijk leven.
Zo is daar een wetmatigheid in het werk van de Vader. Maar er is meer. We spreken van de Vader en onze schepping, van de Zoon en onze verlossing. In de catechismus als populair leerboek is dat goed. Maar van avond moeten we in dit opzicht niet te haastig zijn. Want van verlossing is pas sprake als er ellende is opgetreden. Maar de Zoon is al eerder bezig geweest. Als Logos is Hij God in Zijn spreken tot de mensen, God in de openbaring van Zijn woord.
Dit is een tweede. Dit is niet een scheppend bevel; dit is ook geen daad van structuren: het geschapene in al zijn structuren is al ondersteld als de Woordopenbaring begint. Ook de mens is er dan al. Maar dan gebeurt er iets nieuws met de mens: dan wordt die mens niet van het overige afgezonderd, maar wel in een uitzonderingspositie geplaatst. En de Logos, God in Zijn spreken, richt Zich nu tot dien mens en openbaart hem de gedachten van Zijn hart.
Dat is al gebeurd in het paradijs, vóór de zondeval, en geheel los daarvan. Dan is er nog geen sprake van verlossing; evenmin als van kennis van ellende door deze Woordopenbaring. Integendeel: daar is openbaring van Scheppers-heerlijkheid. God spreekt tot de mens van Zijn werk: Hij vertelt hem ook iets van Zijn visie op de mens, en van de taak die hem wachten zal. En wanneer Hij zó met de mens spreekt, dan stelt Hij belang in hem. Als God Adam opdraagt eens te letten op de dieren, en op grond van dat onderzoek hun namen te geven, dan ziet God geïnteresseerd toe, wat daaruit te voorschijn komt. Want zoals Adam de dieren noemen zou, zó zouden ze heten.
Het is als bij een vader, die met belangstelling nagaat wat zijn kind al presteren kan. Het getuigt al van Gods gunst. De mens wordt hier gezien als vriend des HEREN, en als medewerker.
[/55ms125] Zelfs is hier niet uitsluitend de norm. Norm in deze Woordopenbaring is slechts dit, dat God iets wil, dat God opdracht geeft om te bewerken en te bewaren. Te bewerken, opdat de hof vruchtbaar zij; en te bewaren, opdat die hof beschut blijve tegen de tot nu toe door de mens niet ontmoeten vijand.
En zo wordt die Woordopenbaring, inclusief norm, bron en zegen. Wanneer Adam de dieren ziet en gadeslaat in de gezelligheid van hun nest-leven, maakt hij de analogie met zich zelf, en mist hij iets.
Hij is een bijzonder mens, die eerste mens; want straks zal er een ander mens uit hem worden geschapen. Hij is nog in ander opzicht een bijzonder mens, want hij is de eerste Adam, de ambtsdrager. Maar anderzijds is hij toch ook weer een gewoon mens: een man die behoefte heeft aan gezelligheid, en juist aan de gezelligheid van een vrouw. Vandaar, dat wanneer God hem Eva toevoert, dit de oplossing is van een probleem dat hij zich zelf heeft gesteld, en de vervulling van een wens.
Zo was daar een verhouding van Woordopenbaring, van het spreken door God tot de mens en het wachten van een antwoord. Pas later, wanneer de val is ingetreden en het ambt is verspeeld, wordt de norm in de Woordopenbaring een kenbron van ellende. Maar dan is er ook heel wat gescheid met de natuur van de mens. Niet dat die verloren is gegaan. Zelfs niet ten dele: die natuur is precies dezelfde gebleven; en toch geheel veranderd, omdat de richting is omgeslagen.
De mens is van rechts naar links gegaan; van medewerker Gods geworden een, die voor het aangezicht des HEREN vlucht. En dan treden gevolgen op, terstond: de toorn Gods, Die de mens komt zeggen: Dit hadt ge niet mogen doen, ge hebt de verkeerde geloofd.
Gevolgen ook in het mensenleven: Adam en Eva vervreemden aanvankelijk niet alleen van God, maar ook van elkaar; en Kaïn slaat straks zijn broeder neer.
Gevolgen ook voor de verhouding tussen mens en de overige schepping: de aarde wordt om uwentwil vervloekt. Het werk van de mens zal bemoeilijkt worden, doornen en distels zullen uit de akker opschieten. En straks steigert die aarde tegen het mensenleven in, wanneer ze gedwongen wordt het eerste mensenbloed te drinken.
Ook later zal dat doorwerken. Dan wordt inderdaad die norm een kenbron van ellende. In Sumerië zal men er eeuwen later nog van weten, dat de onsterfelijkheid de mens ontfutseld is door een slang. En nog weer eeuwen later zal in Griekenland, wanneer Sokrates, de [/55ms126] afgod van zo menig humanist, beweert dat niemand opzettelijk kwaad doet tegen beter weten in, Euripides die stelling bestrikjden en protest aantekenen als hij een heldin laat zeggen: We weten het goede, maar doen het niet, sommigen uit traagheid, of uit een ander lust, omdat ze daaraan boven het edele de voorkeur geven.
Dat is wat de Heilige Schrift noemt: dat de gewetens elkaar beschuldigen en ontschuldigen. Er is nog een kennis van de wet door traditie. Dat heeft niets te maken met de natuurrechts-constructie van de Stoa. Dit wordt nog gehandhaafd door God; en zelfs als bron van kennis van ellende is de wet daarin nog een zegen.
Dan gaat de Woordopenbaring verder.
Zij spreekt ook van genade.
Wet en Evangelie, ze strijden niet met elkaar. Want als de wet aanklaagt, dan komt het Evangelie spreken van de verlossing, die God heeft bedacht. Tegenstrijdig worden wet en Evangelie alleen voor hem die de aanklacht van de wet kan voldoen. Maar ze zijn zo weinig tegenstrijdig, dat wet en Evangelie worden gehoord uit de mond van dezelfde Logos, van dezelfde Persoon in het Goddelijk Wezen.
En ook later, wanneer Hij afdaalt naar de aarde om de vloek van de wet voor ons te dragen, dan heft Hij de wet niet op, maar onthult Hij integendeel haar diepe zin: Hij laat zien dat die wet liefde eist, niet alleen vood de volksgenoot maar ook voor de vijand. En straks vraagt Hij in een nieuw gebod de wederzijdse liefde, in een nieuwe gemeenschap, te stichten door Zijn bloed. En daarbij wijst Hij nog vooruit op het werk van de Geest, die de liefde uitstort in òns, in onze harten.
Ten slotte: daar is nog een derde wet: de wet des Geestes. Ook daarvan is al sprake bij de schepping: dat is de wet van de voltooiing. De Geest Gods zweefde over de wateren, en dan gebèurt er iets met dat werk van de Vader.
In het paradijs is ook die Geest aanwezig. Daar stond het een ogenblik zo: zou die mensheid zich door Gods Geest ongedeeld en rechtstreeks in de loop des tijds laten leiden tot het einddoel, of zou er iets tussen treden? Zou die mensheid gedeeld worden, gesplitst, en zouden dan ook degenen die toch nog weer de leiding des Geestes volgden, slechts langs een lange omweg het doel bereiken?
Het antwoord werd negatief: niet allen gaan mee. Daar openbaarde zich in de gang van hun leven de wet des doods. Maar anderzijds zijn er toch ook nog weer velen in wier bestaan zich openbaart de wet [/55ms127] van de Geest des levens, al moesten ze dan ook langs een omweg het doel van hun leven bereiken.
Zo wordt door de zondeval het werk des Geestes doorkruist. Maar zijn leiding wordt niet afgebroken. Hij handhaaft de structuur van des mensen natuur, en door Zijn werk zijn er mannen en vrouwen, die niet alleen de norm hóren, maar ook naar haar luisteren, en, hoe ongelofelijk zij ook klinken, toch de beloften van het Evangelie aanvaarden en omhelzen, en op de Logos blijven vertrouwen.
Daartoe behoren ook die eerste mensen zelf: Adam noemt straks in het geloof, ondanks alle ellende waarin ze verkeerden, Eva de moeder van alle levenden.
Deze leiding geschiedt mede door de ambten. Ook door de partiële ambten.
De Heilige Schrift kent geen genieën; de Heilige Schrift kent wèl mensen die door de Geest bijzonder worden bewaakt, die worden begiftigd met de Geest, met een speciale geest. Daar zijn de bouwers van de tempel; ook regeerders: op Saul, met zijn toch onbekeerd hart, komt tóch de Geest des HEREN. En door die overheidspersonen wil die Geest het volk handhaven; Hij maakt dat ze strijden voor het gezag en tegen de revolutie, dat ze het leven—overeenkomstig het zesde gebod—beschutten tegen de dood, het huwelijk tegen de echtbreuk, het bezit tegen diefstal, de goede faam tegen de laaster, en de liefde die er in het leven is tegen de haat.
Maar het is diezelfde Geest Die bedroefd wijkt wanneer Saul, in Israël koning geworden, een pilaar opricht voor zich zelf en daarmee Israël het gezicht op de toekomst en op de Messias wil ontnemen. En ook tegen kleinere zonden waakt die Geest: wanneer David zijn gezag misbruikt voor het najagen van zijn particuliere lust en hij Uria een brief meegeeft waarin zijn doodvonnis is getekend. Het is die Geest Die hem ook slaat, als hij in hoogmoed zijn volk heeft geteld.
Maar het is diezelfde Geest Die ook te pas komt bij het totalitaire ambt, bij de Mens Jezus Christus; want Hij ontvangt de Geest, de ambts-Geest zonder mate.
En zo werkt die Geest ook buiten Israël. Daar is niet alleen een hardigheid des harten in de menselijke natuur, maar ook een werken ten goede. Die overheid, indien zij werkelijk haar taak nakomt, heeft maar niet te beschrijven de toestand zoals ze die aantreft: dat kan ze aan de wetenschap overlaten. De overheid moet niet studeren, maar regèren, al zal ze gebruik maken van de resultaten van velerlei onderzoek. Wat doet die overheid dan?
Zij slaat bruggen tussen die tweeërlei wet, u ten goede. Zij past die norm [/55ms128] van God toe op de toestand, zoals die zich voordoet op háár domein en in diè bepaalde tijd.
Zo kan zij het leven ten zegen zijn.
Zij predikt ook, maar niet de wet Gods zonder meer. Zij beschrijft niet het leven, maar past de wet Gods toe op de situatie die er is.
Precies zo doet Paulus als apostel. Hij stuit op de bigamie; dat was men gewoon in die dagen; Paulus bepaalt nu dat de ambtsdrager slechts èèn vrouw mogen bezitten. Dat is niet het invoeren van een dubbele moraal, maar pedagogische leiding: zij die geroepen zijn leiding te geven moeten ook het voorbeeld geven, en straks zal heel de gemeente volgen. En dat is ook gelukt, want zelfs in milieus die ver van het Woord vervreemd zijn wordt over bigamie alleen in afschuw en met walging gesproken.
Zo vinden we drieërlei wet: in de schepping, in de Woordopenbaring en in de Geestesleiding.
Maar die wetten staan niet los van elkaar. Evenmin als de Vader en de Zoon en de Geest los staan van elkaar. Want die drie zijn èèn; en met haar belijdenis van de Drieëenheid heeft de kerk zich gekeerd tegen die scheiding van eenheid en drieheid in God, die door het monarchianisme werd geleerd, dat de eenheid wilde redden als hoogste doeloorzaak, het denken van het denken, en de drieheid onderbracht bij een bovenpersoonlijke denkgeest die het denken van de mens actualiseert. Neen, dezelfde God is èèn en tegelijk drie.
En er is ook een zekere opvolging: de Zoon komt zeer bepaald niet om de werken des Vaders te verbreken, maar des duivels; en de Heilige Geest neemt het uit het werk van de Zoon en verkondigt dat weer aan de mensen. En toch is deze drieheid niet het principe voor de periodisering van de wereldgeschiedenis, en evenmin een grond om te speculeren over de verhouding van universaliteit en individualiteit.
Zo is er een drievoudigheid van de wet en toch een eenheid, als het ware parallel met de Drieëenheid van God Die die wet aan ons geeft. En zo rijst het vermoeden, dat echte levens-eenheid alleen kan worden bereikt daar, waar de mens zich houdt aan die drieënige wet van de Drieënige God.
II.
Daarom hebben we die wet niet alleen te kenne, maar ook te erkennen en ervoor te buigen. Maar past u een beetje op met die vestigia Trinitatis. Daar is al veel over gespeculeerd; weest er voorzichtig mee. [/55ms129] De ergste gevaren kunt ge afweren door vast te houden, dat een dergelijke drieëenheid in het mensenleven alleen mogelijk is onder de wet, juist in verband met die drievoudigheid in de wet. God stelt de wet; en de wereld is niet correlaat met God en ook niet een uitvloeisel van Zijn Wezen, maar ze is door Hem geschapen en gesteld onder de door Hem gegeven wet. De wereld is niet correlaat met God, maar correlaat met de wet.
En hoe hebben we dan naar die wetten te luisteren, er ernst mee te maken en er onder te buigen?
Allereerst in de wijsheid die God kent en zichzelf; die God kent als de Koning, de Wetgever, de Rechter; die Hem vertrouwt als Degene Die ons zal behouden.
Maar dan ook in de practische èn de wetenschappelijke kennis.
En dan gaat de practische kennis voorop.
Want de fout van het tegenwoordige irrationalisme is juist, dat men de wetendschap voorop stelt, en dan, ziende dat dat niet gaat, daarbovenop bouwt het terrein van de practische rede, en, als dan óók de practische rede te kort schiet, men in het irrationalisme vlucht.
De volgorde is precies omgekeerd: men moet zich die volgorde niet laten voorschrijven door de gang van zaken in een mislukt Europa, maar door de structuur van het leven zoals God het heeft gemaakt. Het gaat allereerst om de kennis van God en onszelf, en vanuit deze basis treden we de practijk in. En niet-wetenschappelijk kennis is niet alleen maar vóórwetenschappelijk: ze is er eerder dan de wetenschap en ze blijft; en we genieten ontzaglijk veel van haar, ook al is een bepaald leven grotendeels aan de wetenschap gewijd.
Allererst dus de practische kennis.
Dan hebben we te denken aan de structuren en naturen zoals die geschapen zijn. We hebben onderscheiding nodig van terreinen. Dat wordt nog veel te weinig ingezien. Dat bevreemdt ook niet, omdat men altijd steunde op de wijsbegeerte, voor welke de denkgeest het hoogste was, en moeilijk mee kon als door de denkgeest allerlei activiteiten in de mens werden onderscheiden; dan gaat men spreken over epifenomenen, of meent te doen te hebben met willekeur, met scheppingen van de menselijke geest.
En onderscheiden we terreinen, dan gaan we ook verbanden onderscheiden.
Ook dat is pas geleidelijk gegaan. Vroeger zag men wel de grote verschillen, zoals die van kerk en staat; vooral zo lang de staat heidens was. Het werd moeilijker, toen ook de staat in klimmende mate onder invloed van Christenen kwam. Dan probeert men allerlei constructies [/55ms130] over die twee; en zelfs de reformatoren zien hier niet helder: geboeid door de oude gedachte van de stad-staat meende Calvijn dat het zó moest, dat in èèn staat slechts èèn kerk kan zijn; er is geen dwang dat men tot die kerk moet behoren, want men kan wegtrekken met behoud van zijn eer; maar de staat kan geen veelheid van kerken hebben.
Pas wie door de geschiedenis geleerd hadden, zoals Willem van Oranje, hebben hier beter gezien.
Maar dan komt, bij de voortschrijding van het rationalisme, weer het probleem van de Christelijke politiek. Groen heeft er iets van aangevoeld: staatsman niet, Evangelie-belijder; maar dan toch Evangelie-belijder in de colleges van de staat. En Kuyper heeft het verder doorgevoerd; hij heeft gezien dat er samenlevingsverbanden waren, ieder van eigen karakter, met gezagsdrager wier gezag beperkt was juist tot dát samenlevingsverband. En de jongere generatie heeft die gedachte uitgewerkt en scherp onderstreept, dat alleen van deel en geheel sprake kan zijn binnen hetzelfde type van verband.
Het is dringend nodig dat we zien hier te maken te hebben met scheppingsstructuren. Het religieuze inzicht moet worden gescherpt. Want hoe zullen we streven naar Christelijke politiek als we zouden vergeten het werk van de Zoon, steunend op en aansluitend bij het werk van de Vader.
Dan zijn daar de wetten van de Zoon: de roeping Gods die in de Woordopenbaring tot ons komt. Hij neemt ons als verantwoordelijke mensen, als mensen die antwoord dienen te geven op de vragen die Hij ons stelt.
Ook onze wetten kunnen we nooit erkennen op redelijke gronden.
Want die "rede" is een hersenschim: het verstand, door de waan van het rationalisme toegerust met apriorische begrippen en oordelen. "De rede" bestaat dan ook niet; en toch bestaat ze wèl: ze bestaat als waan. Een waan die velen beheerst. De rede bestaat zoals een afgod bestaat: met een sleep van aanhangers; ze bestaat zoals de waan van Hitler bestond, die Europa tot aan de rand van de afgrond bracht.
Maar zelfs zonder al die apriorische waan zijn de wetten niet door het verstand alleen te aanvaarden. Maar we behoeven het verstand daarbij niet op stal te zetten; we mogen dat zelfs niet proberen. Want de roep tot bekering komt tot de gehele mens: ook het verstand valt onder die wet die beschuldigt en aanklaagt, maar ook onder de prediking van de Zoon Die mede het verstand wil redden en door Zijn Geest heiligen in Zijn dienst.
En ten slotte is er in die practische kennis toch ook nog de wet van de [/55ms131] Geestesleiding: Daarin ziet ge de waarde van de positieve wet, die tracht als overheid Gods wil, de wet Gods toe te passen op een bepaalde situatie, die geheel en al niet aan die wet beantwoordt. Dat kan niet door te decreteren: Nederland is Christelijk; maar dat kan door leiding geven, langzaam voortschrijden, in een bepaalde richting stuwen.
En dan kunnen we danken, als er zó wordt gewerkt; en ook als er anders wordt gewerkt, dan zullen we nog in die overheid zien iets dat, haars ondanks toch medewerkt aan de bescherming van het gezag tegen de revolutie, beschutting van het leven tegen de dood, beveiliging van het huwelijk, en zo voorts. En ook dan zullen we nog een zegen vragen voor hen, door wie het Gode belieft ons te regeren. Omdat we weten dat ze niet alleen macht bezitten, maar ook gezag, en dat gezag, langs middelijke weg, van God stamt.
Ten slotte: ook in de wetenschappelijke kennis hebben we met die drieërlei wet rekening te houden.
Hier ligt een eindeloze taak.
Maar levens-eenheid moet dan ook niet beginnen met de eenheid in de wetenschap. Zelfs waar het gaat over de kennis, zullen we hebben te beginnen met de wijsheid, die stil staat bij de verhouding van God en mens, en van de mens tot God.
Als deze eenheid in beginsel is gegrepen, zullen we dat doen door werk in de practijk, in de practische kennis en ten slotte ook in de wetenschap. Want het leven vergt niet dat ieder studeert. Maar de levens-eenheid vergt wel, dat wie studeert en naar die levens-eenheid staat door het geloof in Christus Jezus, dan óók staat naar eenheid in de wetenschap.
En die is mogelijk.
Ook al is het uw taak u te begraven in de dètails van het onderzoek van èèn aspect van dat leven. Denk maar weer eens, voor de analogie, aan de practijk: ge hebt veel ervaringen, ge maakt telkens met andere mensen kennis; ge blijft in dezelfde omgeving maar het stroomt telkens nieuw op u af; of ook God zegt u te vertrekken en ge komt in een totaal nieuw milieu; of ge maakt een reis, en telkens weer vermenigvuldigen zich uw afzonderlijke ervaring. Maar arm de mens die zijn practische levenskennis moet hebben van de optelsom van al die ervaringen: dat is dood-vermoeiend.
We hebben een levens- en wereldbeschouwing, waarin we al die ervaringen vatten. We hebben omramings-begrippen; ook diè hebben we gekrègen, het zijn geen apriorische begrippen: we hebben ze gekregen door opvoeding, al of niet bij het licht van Gods Woord. Als we [/55ms132] nu een levens- en werldbeschouwing hebben bij het licht van dat Woord, kunnen we al die dagelijkse ervaringen daarin plaatsen. Dan lopen we niet mee met de eerste de beste beweging die droomt van een nieuwe maatschappij, omdat we wantrouwen ieder mens die wil werken uit eigen kracht. Anderzijds wantrouwen we niet ieder ogenblik het terrein waar de Geest van Christus werkt; want dan weten we uit de Heilige Schrift, uit Zijn belofte—en zien we het bevestigd in de ervaring—dat ondanks alle zwakheid en slapheid er telkens nog weer veel meer van terecht komt dan we ooit hadden durven hopen.
En zoals levens- en wereldbeschouwing de practische kennis van alle ervaringen in het juiste kader zet, zo hebt ge ook iets in de wetenschap: de eenheid van die vele velden van onderzoek rust in de schepping Gods, en de eenheid van de vele vakwetenscahppen rust in de generale wetenschap, die nadenkt over het onderling verband van die velden en vakken, en ook peinst: wat is nu eigenlijk zulk een vak, en wat is de methode, nodig om zulk een vak te bestuderen? En zoals de levens- en wereldbeschouwing, niet in apriorische zin maar als omramingsgeheel, voorafgaat aan de vele ervaringen van het dagelijks leven, zo kan de wijsbegeerte u helpen. Ze is niet een plus dat er bij komt en o zo moeilijk is; maar juist een hulp die u wil steunen en verder brengen, omdat ze de visie op de eenheid bewaart te midden van de veelheid der dètails. Zo is het mogelijk, niet alleen in de levenswijsheid, maar ook in het practisch en wetenschappelijk kennen, te staan naar de levens-eenheid. Natuurlijk hier altijd een eenheid in gebrokenheid, maar toch een levens-eenheid die gefundeerd is in de eenheid van drieërlei wet, die zelf weer teruggaat op de door de Christelijke kerk van alle eeuwen beleden Drieëenheid Gods. 55ms132//]