[/57a2]

THEORETISCHE PSYCHOLOGIE

Inleiding

Systematische ontwikkeling van een vakwetenschap en verwerving van kennis omtrent de geschiedenis der betrokken wetenschap dienen hand aan hand te gaan. Immers zonder systematisch inzicht inzake een veld van onderzoek is geen bestudering van de geschiedenis der op dat veld betrokken wetenschap mogelijk: men moet weten waarover men spreekt om uit te maken of wat zich als onderdeel der geschiedenis van een vak aandient, dit metterdaad is.

Vandaar dat het m.i. aanbeveling verdient in deze studie met een korte systematische oriëntering inzake de eerste vragen der psychologie aan te vangen, vervolgens een overzicht over de geschiedenis der theoretische psychologie te geven, om dan met een door het onderzoek van de hsitorie verdiepte systematiek te sluiten.

[/30b1][/57a3]

Over de eerste vragen der psychologie zou ik voor u spreken.

HET EERSTE STUK

KORTE SYSTEMATISCHE ORIENTERING

Inleiding

Legt het woord "eerste" me de beperking op. me te bepalen tot het fundamentele, met de term "vragen" is aangeduid, dat er meer dan èèn vóór-vraag aan de order is.

Het meervoud heb ik hier inderdaad nodig, omdat er m.i. twee hoofdvragen zijn te onderscheiden. De eerste van dit tweetal is wijsgerig van aard en luidt: "Wat is psychologie?" De tweede draagt een vakwetenschappelijk karakter en kan aldus geformuleerd: "Welke zijn de grondstructuren van het psychische?"

Deze twee vragen dient men goed uiteen te houden. Bij de eerste is de belangstelling van de vrager slechts indirect op het psychische gericht: rechtstreeks raakt ze niet dit, maar de psychologie. Doch deze, de psychologie, behoort niet tot het vóórwetenschappelijke leven: ze is een onderdeel der wetenschappelijke inspanning en van het door haar bereikte resultaat. Vandaar dat we deze vraag niet stellen als psychologen aan het psychische, maar uit wijsgerige belangstelling aan de psycholoog. Bij de tweede vraag zijn de rollen geheel anders verdeeld: de psycholoog is dan niet meer in eerste instantie de ondervraagde, maar de vraagsteller. En eerst na ernstig onderzoek van het psychische zal dit hem op zijn vraag enig antwoord geven.

Het belang van deze onderscheiding springt in het oog. Het Dit belang is tweeledig: zowel wijsgeer als psycholoog zijn gebaat met het uiteenhouden van deze twee vragen. Allereerst de wijsgeer: want al moge men sceptisch staan tegenover de eenzijdigheid welke de wijsbegeerte alleen maar waarschuwt voor het gevaar van psychologisme en haar intussen aan handen en voeten gebonden zonder bedenken overlevert aan de heerschappij van iedere andere vakwetenschapdat het gevaar van psychologisme óók dreigt, is toch niet te [/30b2] ontkennen. Aan de andere zijde heeft de psycholoog, afziende van iedere poging de wijsbegeerte te overheersen, er voor te waken, dat zijn vakwetenschappelijk onderzoek niet bedreigd wordt door kwasi-wijsgerig ingrijpen: houdt hij voortdurend rekening met de eisen die een goede wijsbegeerte hemevenals aan iedere andere onderzoeker op enig terrein van vakwetenschapstelt, dan zal zijn werk er wèl bij varen indien hij zich nu overigens geheel aan de bestudeering juist van zijn terrein wijdt.

Aan de andere kant hebben deze twee vragen toch wel iets met elkaar te maken. Voor de wijsgeer heeft het geen zin over "psychologie" te spreken indien er niets is, wat dan ook, bestaat, dat "psychisch" kan heten en waarheen zijn [/57a4] belangstelling, zij het dan ook slechts indirect, toch wel degelijk uitgaat. Waarbij dan nog komt dat niet zelden psychologie en wijsbegeerte de belangstelling hebben van dezelfde mens. En de psycholoog heeft het nodig zijn onderzoek telkens opnieuw te onderbreken om zich de vraag te stellen (of door anderen te doen stellen), wat hij toch eigenlijk uitricht. Want anders bedreigt ook hem een gevaar. En wel dit, dat hij, in de mening psychologie te beoefenen, met heel iets anders dan met het psychische bezig is.

Praktisch komt de eerste vraag later aan de orde dan de tweede. Eerst tijdens het psychologisch onderzoek, dat aangevangen is met de ontdekking van iets dat niet elders is onder te brengen, ontstaat de behoefte aan scherper afpaling van het na te speuren gebied, ook wel aan een omschrijving welke belangrijk van die, met welke men aanving, verschilt, omdat later bleek, dat deze eerste aanduiding niet opging. Zo wordt de psycholoog filosoof.

Deze twee vragen worden dan ook niet zelden door dezelfde mens, zij het ook in verschillende kwaliteit, gesteld. En de gelegenheid me geboden, ze beide in deze kring te bespreken, was me juist daarom zo welkom, wijl ik mag onderstellen, dat beide vragen telkens weer bij ons allen rijzen en Het aantal van hen bij wie deze vragen rijzen is bovendien vrij groot. Vandaar dat zij zelfs tot de brandende mogen gerekend worden.

Doch al staan beide vragen in het middelpunt van onze belangstelling, bij de behandeling dient toch èèn van deze twee voor te gaan. En dan schijnt het wel aan te bevelen dat men aan de wijsgerige de voorrang toekenne. Niet natuurlijk dáárom als zou men nu alle vakwetenschappelijke onderzoek moeten staken tot zij is beantwoord. Maar wèl in van deze voege, dat men inziet haar niet meer met een zekere acteloosheid zo even terloops wèg te kunnen werken met een schijn-antwoord. Wat we als psychologen ban de [/30b3] wijsbegeerte vragen is een oplossing, die ons onderzoek steunt door opening van inzicht in ons werk, door afpaling van ons terrein, door verduidelijking van het reeds gevondene en door het opwerpen van nieuwe vragen die de onderzoeker prikkelen tot voortvaren.

Vandaar dan ook, dat ik de bespreking van de wijsgerige vraag voorop stel.

[/57a5]

Hoofdstuk Hoofddeel I Wat is Psychologie?

Op deze vraag hebben betrekking stellingen i—iii, die als volgt luiden:

i. Psychologie is een vakwetenschap.

ii. Een vakwetenschap ontstaat primair uit de synthese van de analytische activiteit van de onderzoeker met de niet-analytische analyseerbare modaliteit van het onderzochte.

iii. Bij de psychologie is het onderzochte de psychische wetskring.

Beziet men deze stellingen nader, dan blijkt het, dat de eerste rechtstreeks antwoord geeft op de vraag wat psychologie is, de beide andere daarentegen het antwoord bevatten op vragen die opkwamen naar aanleiding van het eerste antwoord. Vandaar dat ik straks (onder B) de stellingen ii en iii niet moeilijk geheel afzonderlijk aan de orde stellen kan behandelen, waarom ik ze dan ookin Deel IIsamen behandel. De bespreking van de eerste ga echter (onder A) als Deel Ivoorop.

A Deel I. Toelichting op Stelling i

"Wat is psychologie?" Een vluchtige blik in een andere "inleiding" kan een ieder ervan overtuigen, dat hier tal van antwoorden werden en worden gegeven. Zelfs blijkt de verwarring nog groter dan ze bij eerste kennismaking reeds scheen, daar sommige van deze antwoorden elkaar lijnrecht weerspreken.

Daarom trachten we enige helderheid te verkrijgen door middel van een hulpvraag. Dat kan soms wel eens betekenen, dat men nodeloos een grote omweg maakt: want stel eens dat ook de hulpvraag niet of slechts voor negatieve beantwoording vatbaar bleek! Dan zouden we eerst weer een andere, meer geschikte moeten zoeken, enz. Doch zo ontmoedigend behoeft het resultaat toch niet steeds te zijn. De kwestie is maar de hulpvraag geschikt te kiezen. [/30b4]

Formuleren we haar als volgt: "Is psychologie een vakwetenschap of niet?" Leggen we nu deze vraag aan de psychologen voor, dan zijn er die "neen" antwoorden; anderen zeggen "ja"; een grote groep komt echter reeds hier niet tot een beslissing, hoe gewenst ook.

Het loont moeite de gronden na te gaan voor de onbeslistheid van laatstgenoemde groep. Ze berust immers voornamelijk op het feit, dat de gronden vóór en tegen de opvatting, dat psychologie en vakwetenschap is, op het eerste [/57a6] gezicht ongeveer tegen elkaar opwegen. De bespreking van deze gronden zal ons dus tegelijk een blik gunnen in de betekenis der tegenstrijdige antwoorden, die anderen dan wèl geven.

De eerste van deze gronden ligt wel in het feit, dat de taal niet steeds duidelijk onderscheidt. We spreken van "zoveel zielen op een stuk grond", we beklagen "die arme ziel", enz. In zulke gevallen bedoelen we telkens mensen, en wel als dingen, nog zonder veel modale onderscheiding. "Ziel" is hier dus ongeveer gelijk aan "mens" en daar is niet alleen niets tegen maar alles vóór. Vertaalt men nu echter "psychologie" door "zielkunde", dan meent men allicht, dat het woord "ziel" hier hetzelfde betekent als zoeven, en dus deze wetenschap de gehele mens onderzoekt. Aan de andere zijde geeft men toch ook weer toe, dat er een vakwetenschap is Derhalve zou men kunnen menen, dat "zielkunde" ongeveer hetzelfde zou betekenen als "antropologie" in de wijsgerige zin van deze term. maar dit komt niet uit: onder "psychologie"en helaas ook onder "zielkunde"verstaat men doorgaans een vakwetenschap, die alleen pijn, gewaarwording, geheugen, enz. onderzoekt en dus niet de gehele mens naspeurt. Derhalve staan we hier voor een tegenstrijdigheid dubbelzinnigheid in de betekenis van het woord "ziel."

Deze moeilijkheid zou echter makkelijk genoeg te overwinnen zijn door de onderscheiding van "ziel" en "het psychische". Doch aan de aanvaarding van deze plausibele oplossing, die aan het spraakgebruik van de Heilige Schrift in Statenvertaling en aan dat van iedere dag evengoed recht laat wedervaren als aan dat van de wetenschap, staan niet zelden tal van andere moeilijkheden in den weg. Slechts enkele daarvan kunnen hier aangestipt, namelijk, de verandering van woordbetekenis, de overschatting van bepaalde modaliteiten en het misverstaan van de Heilige Schrift.

Letten we aller eerst eens op de tweede grond, de verandering in de betekenis der betrokken termen. Raadplegen we het woordgebruik bij de Grieken, dan vinden we dat ze bij "psychè" oorspronkelijk dachten aan de adem en ademhaling, door welke we met de atmosfeer in verband staan. Doch een psycholoog die ademhaling deze twee als symptoom onderdeel van psychisch leven aanvaardt zal men tegenwoordig tevergeefs zoeken: [/30b5] allen rangschikken we het onderzoek naar haar in de organologie: het woord "psychè" heeft ook als we het daar waar het een zin heeft scherp onderscheiden van "ziel"blijkbaar in de loop der tijden een andere betekenis gekregen.

Als derde grond komt hier in aanmerking de overschatting van bepaalde modaliteiten. Ook deze is gemakkelijk te verstaan. De verschillen tussen stof fysisch ding, plant, dier en mens werden al vrij spoedig opgemerkt, waarschijnlijk nog heel wat eerder dan de eerste vastlegging van dit opmerken in de literatuur. Wat lag mèèr voor de hand dan dit, dat men bij de poging deze dingen te typeren het fysische, het organische, het psychische en het analytische onderscheidde, maar tegelijk ook de rol van deze vier in de kosmos geweldig overschatte? Men mad de oudheid deze overschatting dan ook m.i. niet te zwaar aanrekenen: men leert immers eerst geleidelijk meer onderscheidingen te gebruiken, naarmate men inziet dat de tot nog nu toe gebruikte niet toereikend zijn voor het ondubbelzinnig uiteenhouden van de in de kosmos aanwezige verscheidenheid. Doch dat er meer dan vier van dergelijke onderscheidingen nodig waren bleek reeds bij de strijd tussen de Pythagoreeën en Eleaten over de onderlinge onherleidbaarheid van ruimte en getal. En de tegenwoordige wetenschap liet dan ook, door droeve ervaring geleerd, de gedachte, dat het aantal van dergelijke verschillen op vier zou zijn te bepalen, geheel los: ze komt niet uit zonder minstens een tiental van zulke modale verschillen mèèr aan te nemen.

Als vierde grond noemde ik zoeven het misverstaan van de Heilige Schrift. Zij ook spreekt van "aarde," "lichaam," "ziel" en "geest." Wat spreek meer vanzelf lag, wanneer men de rol der functies in de kosmos overschat, mee voor de hand, dan dat men ook hier een opsomming van modaliteiten meende te zien? En wanneer men dan lette op het veelvuldig gebruik van deze woorden, scheen de [/57a7] conclusie gewettigd, dat de woordopenbaring de door de nieuwe wetenschap thans gelukkig weer in brede kring gewraakte overschatting in het gevlei kwam.

Doch ook hier is oplossing van de moeilijkheden m.i. zeer goed mogelijk. Het berust op een fundamenteel misverstand van de Heilige Schrift, die overigens allerminst modale onderscheiding verbiedt, wanneer men in haar tracht steun te vinden voor een overschatting van bepaalde van deze modale verschillen, daar ze immers niet eens bedoelt zulke verschillen, nog afgezien van de overschatting, aan te duiden. Hoofdzaak is toch voor haar de woordopenbering Gods en het correlaat daarvan de religie, die ze wat de menselijke zijde betreft opvat als een wandelen van de mens met God in gehoorzaamheid aan Zijn geboden. Vandaar dat ze scherp onderscheidt God en de kosmos.[/30b6] Met laatstgenoemde term vat ze samen de hemelin de zin van engelenwerelden de aarde. Beide staan in voortdurende verbinding met elkaar. Onder "geest" verstaat ze de wind die de schepselen in hun groei en bewegingen beheerst en correlaat daarmee de gave eigenschap van dier en mens zichanders dan de plantenop de aardbodem te verplaatsen; voorts ook, analogice, de machten die, door God uitgezonden, ons leven in de verbondsverhouding tot God omwenden, ten kwade en ten goede, en, correlaat met deze machten, onze het centrum van des mensen bestaan in zijn vatbaarheid daarvoor. Bij "ziel" denkt onze Bijbel aan de neusadem van dier en mens, die bij het sterven door de mond of door een wond van ieder waarneembaar het lichaam verlaat, dan aan dieren en mensen die immersanders dan de plantendoor de neus ademen en zo in verband staan met de aardse atmosfeer, en eindelijk, hoewel niet minder vaak dan men denkt, aan dát, wat alle leven ten kwade of ten goede bepaalt: onze tot een wandel al of niet in het verbond met God. Het woord "lichaam" eindelijk duidt in de Heilige Schrift hier en daar de dingen aan zonder meer, dus o.a. ook zielen (=dieren en mensen), al valt bij het gebruik van de term "lichaam" nietals bij dat van het woord "ziel"de nadruk op de ademhaling. Vandaar dan ook dat de woorden "ziel" en "lichaam", zonder precies hetzelfde van een ding aan te duiden, toch wel degelijk beide voor hetzelfde ding kúnnen wordt gebruikt: het "overgeven van het lichaam om verband te worden" is een vorm van het "verliezen van zijn zielof levenom Jezus wil"men denke hier slechts aan Openbaring 18:13, waar sommige slaven "soomata", andere psychei" worden genormd. Vandaar dan ook, dat de Heilige Schrift eten, drinken en sterven rustig aan de ziel toeschrijft. En evenmin sluit "geest" volgens haar het lichaam uit: zo heet manna "geestelijke spijze", vormen de gelovigen een "geestelijk lichaam" en zingen ze "geestelijke liederen." Natuurlijk valt over een en ander nog wel meer te zeggen. Waarop het hier dus aankomt is dit: met deze woorden duidt de Heilige Schrift niet aan de modale verschillen in de oudheid gevonden enzij het ook te midden van een groter aantalook heden nog door de wetenschap, terecht, gehandhaaft. Zijn echter modale verschillen hier niet eens aangeduid, dan kunnen nog minder bepaalde van deze verschillen in de Heilige Schrift zijn overschat. Maar nog eens, schriftuurlijke religie verdraagt modale onderscheiding zeer goed. Zelfs mag gezegd, dat de belijdenis, dat God de bouwmeester en kunstenaar van de kosmos is, ons een geheel ander instelling meegeeft bij ons onderzoek dat we door de belijdenis, dat God de Schepper van de kosmos is, bij ons onderzoek in een gehel andere houding verkeren dan men gemeenlijk bij de tegenstanders van de Christus vindt: al vinden we steeds mèèr onderscheidingen treffen we steeds meer verscheidenheid aan, we menen nooit alles reeds gezien te hebben, want het werk Gods is zó groot, dat we nimmer de betekenis van het [/30b7] reeds gevondene mogen overschatten. Wat we nog niet zagen is wellicht nog veel geweldiger. Die mogelijkheid houden we steeds open, juist omdat we met een werk Gods hebben te doen. En deze instelling houding is voor het onderzoek veel vruchtbaarder dan de waan dat het ontdekte wel het belangrijkste is, eenvoudig omdat wij dit het eerst zagen! Daarom strijd de Heilige Schrift dan ook niet met het postulaat der vakwetenschappen, dat ieder van haar zich èèn modaliteit tot nader onderzoek zie toegewezen. [/57a8]

De verwarring van de zoeven behandelde onderscheidingen der Heilige Schrift met modale verschillen was reeds op zichzelf niet zonder bedenking voor de helderheid van het inzicht in de bedoeling van de woordopenbaring. Ze blijkt echter funest zodra we letten op de verbinding van de opsomming der onvolledige modaliteitenleer met de heidense wijsbegeerte. Naar de mening der volkeren buiten Israël was God niet de God van het verbond, die toornt om onze zonden en Zich verblijdt over onze wederkeer en ons berouw, maar de oereenheid van alles, de ène substantie van welke al het overige steeds ijler wordende "verschijning", steeds dikker kleed, steeds bijkomstiger accidens enz. zou zijn. Zo verkrijgt bet verschil van gecompliceerdheid in modaliteit een pseudo-religieuze betekenis: de afstand tussen de ène substantie en het analytische is minder dan die tussen deze substantie en het psychische, dat op zijn beurt weer dichter bij deze pseudo-god ligt dat het organische. Dat organische zou dan zijn religieuze plaats hebben op de grens tussen licht en donker, terwijl de stof volgens deze beschouwing geheel tot het rijk der duisternis behoren zou. Religie is hier dan ook niet een leven in verbond met God, Die men schroomt smart aan te doen, maar een substantieel èèn-zijn, niet een unio foederlais, maar substantialis of functionalis. En het middel Gode te behagen was niet zich door het geloof te onthouden van zonde, maar dit: dat het z.g.n. minder accidentele zich onttrekke aan het meer perifere: men vastenoch uit naastenliefde noch uit verdriet, beschaamd belijdend dat men de hooggewaardeerde gaven Gods door ernstige zonde meer dan gewoonlijk verbeurd heeft, maar uit hoogmoeddie in het denken de rust zoekt die alleen bij God in Christus is te vinden; men late de zintuigen niet meer functioneren, en negere het bewuste leven als pijn en voorstelling, dan is het voorlopig ideaal bereikt: er blijft immers na deze inkeer tot het zelf voor het analytischewaarboven de fanatici der analyse in de oudheid nu eenmaal niets anders meer opmerktenniets te onderscheiden over. En straks kon dan h.i. deze analytische "kern", die toch nog anderen.l. die bij andere mensennaast zich heeft, evenals deze andere opgaan in het alèène: de althans in het brahmana, de accidentia in de ène substantie, enz.

Ik weet wel, dat wie in onze kring van de metafysische substantie in de mens spreekt, dat vaak niet zo kwaad bedoelt. Maar toch is deze gang van het substantiele denken niet zo onschuldig als de aanvankelijke onderschatting van het aantal der modale verschillen. Ze is maar niet een "vanzelfsprekende", maar een echt "natuurlijke" in de zin die Paulus aan dit woord hecht als hij uitspreekt, dat de natuurlijke mens, d.w.z. die de geest van Christus niet heeft en dus "dood in de zonden en misdaden" is, niet verstaat de dingen die des Geestes Gods zijn. Daarom schijnt het me een alle eerste eis van Christelijk denken, dat we met deze substantie-fenomeen-filosofie totaal breken. Ook wanneer ze slechts half is doorgevoerd en men b.v. deze gedachtengang niet wil laten gelden voor het organisme en derhalve deze zogenaamde substantiele kern een "substantia incompleta" noemt of spreekt van "subsistente vormen", enz.

Aanvankelijk zal deze wijziging wel moeilijk zijn, daar ze tegen heel wat denkgewoonten, die we ons op de Westers-Oosterse divan hebben aangeleerd, ingaat. Maar de schriftuurlijke gedachtengang, die all scheiding van intellect en leven verbiedt, blijkt, zodra we hem om principiele redenen aanvaarden, ook terstond zijn loon met zich te brengen in de vorm van een grote verheldering van inzicht. En dus is het resultaat de inspanning dubbel waard. Zodra men echter deze substantie-fenomeen-theorie de rug heeft toegekeerd is ons probleem "Wat is psychologie?" heel wat vereenvoudigd. Want de De gronden voor de onbeslistheid bij de beantwoording van de hulpvraag: "Is psychologie een vakwetenschap of niet?" zijn nu vervallen dus geen van alle steekhoudend. Deze vraag is immer bleek n.l. correlaat aan die andere: "Is het woord "psychepsychisch" de aanduiding van èèn der vele, onderling modaal verschillende, functies van een ding van dier en mens of is het de aanduiding van een dingdier en mens als geheel?"

"Ding" is hier dan natuurlijk niet weer gelijk te stellen aan "substantie". De substantie wortelt in de lucht, het "apriori" of vrij van de wet, "rein" of los van haar substraat enz.; het ding is een eenheid van functies, in al deze functies onderworpen aan wetten Gods, zodat de meest gecompliceerde functie evenzeer tot het geschapene behoort als de minder gecompliceerde, welke haar steunen.

[/30b9] Is "psyche" de aanduiding van een modaliteit, dan kan men beter spreken van "het psychische" en dan is psychologie een vakwetenschap; denk ik echter bij "psyche" aan de "(levende) ziel" van de Heilige Schrift en van de omgangstaal, of ook aan de ziel in de zin van "hart", dan is psychologie ident aan wijsgerige antropologie en zoölogie of aan een deel der eerste. Aan de vaagheid is dus in ieder geval een einde gekomen, en men ziet in, dat het probleem, geformuleerd in de hulpvraag "Is psychologie een vakwetenschap of niet?" voor oplossing vatbaar is.

En nu blijkt plotseling de keuze tussen het "ja" en "neen" der besliste groepen ook vrij gemakkelijk. Men kieze, wat mij betreft, wat men wil, mits maar vast sta dat men het woord slechts gebruikt in vakwetenschappelijke óf in wijsgerige zin, en na keuze een goede term geve voor wat men dan niet onder "psyche" verstaat.

Kiest men voor de identstelling: psyche = ding mens of dier, dan moge men dus bedenken, dat er nog een vakwetenschap bestaat die suggestie, gewaarwording, pijn, enz. bij mensen en dieren onderzoekt en ook een naam verlangt. Zou men daarvoor echter "zielkunde" voorslaan, dan zou men in de vertaling der Heilige Schrift en in de omgangstaal het woord "ziel" moeten vervangen door "psyche"! Veel doelmatiger schijnt het me daarom het woord "ziel" aan de omgangstaal te laten en er dan onder te verstaan wat het spraakgebruik van de Statenvertaling en ook nog wel van het tegenwoordig geslacht er onder verstaat meent. Het vreemde woord "psychisch", dat voor niet-studerenden vrij moeilijk is uit te spreken en nóg moeilijker van het woord "fysisch" is te onderscheiden, gebruike men dan uitsluitend ter aanduiding van een gebied dat wordt onderzocht door de beoefenaars van een vakwetenschap. En correlaat daarmee reservere men dan de naam "psychologie" nog wel te omschrijven als "vakwetenschap van het psychische", maar niet meer te vertalen door "zielkunde." Want al is het psychische steeds het psychische van een ziel in de zin van mens of dier en al bestaat er dus niet een psychologie zonder ziel, de psychologie bespreekt dan niet meer geheel de ziel, maar slechts èèn van haar functies.

Zo bleek de hulpvraag eerst voor beantwoording en later voor beantwoording in bevestigende zin vatbaar. Daarmee is echter tegelijk de eerste hoofdvraag beantwoord. Want op de vraag "Wat is psychologie?" kan nu met behulp van het bevestigend antwoord op de hulpvraag, of psychologie een vakwetenschap is, geantwoord "Psychologie is een vakwetenschap." Vandaar dat ik mijn eerste stelling dan ook aldus formuleerde. [/30b10]

Ze bleek heel wat af te snijden en dus verre van louter formeel. Maar bij dat wat ze afsneed onderscheide men helder wat verworpen werd om principieele en om doelmatige redenen, daar anders geheels de vraagstelling tot het peil van een woordenstrijd daalt. [/57a9]

Deel II

B. Toelichting op Stellingen II en III.

Met het voorgaande mag ik de strekking van de eerste stelling "Psychologie is een vakwetenschap" wel voor toegelicht houden.

Aanvaard men haar, dan rijzen echter terstond de vragen: "Wat is een vakwetenschap?" en "Wat is het psychische?" Beide navragen hangen dus samen met het antwoord op de eerste grondvraag.

Om ze te kunne beantwoorden, stip ik even aan welke de primaire onderscheidingen zijn die de wijsbegeerte nodig heeft. Uiteraard vermeld ik daarvan slechts wat van belang is voor het vervolg.

We onderscheiden dan allereerst in het door God en het geschapene. Voorts in de kosmos: hemel en aarde. Ons thans tot laatstgenoemde beperkend, onderscheiden we hier ten eerste verschillende rijken, voorts vele dingen en bij ieder van die dingen weer vele functies, die onderling modaal verschillen. Van zulke functies zijn er heel wat: ik noem slechts enkele, beginnende bij de minst gecompliceerde: de arithmetische, de ruimtelijke, de mechanische, de fysische or energetische, de organische, de psychische, de analytische, de historische, de linguale, de sociale, enz. Het verschil tussen deze functies is niet analytisch van aard, daar het analytische immers zelf slechts èèn uit de vele functies is. Evenmin is het uitvloeisel van enige ander functie, daar voor deze hetzelfde geldt. Zo kunnen we het alleen gefundeerd achten in een scheppingsdaad Gods. En wijl Hij alles geschapen heeft en aan Zijn wil onderworpen houdt, staan alle dingen onder zijn wetten, zijn m.a.w. "gode subjèct". Deze wetten zijn niet verborgen: ze ressorteren onder het geopenbaarde deel van de wil des besluits. Doch al zijn ze kenbaar in het aan haar subjecte, ze zijn niet gelijk aan onze formuleringen van haar en daarom ook niet "wankel". Nader zijn deze wetten modaal verschillend, evenals de daaraan onderworpen functies. De functies van dezelfde modaliteit bij verschillende dingen vormen samen een wetskring. Derhalve kan men spreken van een arithmetische wetskring, een ruimtelijke, enz., ook van een organische, psychische en analytische. Verschillende dingen [/30b11] met functies, van dezelfde modaliteit staan met elkaar in samenhang. Zo raken en snijden lijnen, versnellen en vertragen snelheden elkaar, enz.

Een staan nu is actueel onderworpen aan slechts vier drie van deze wetten, nl. aan de arithmetische, ruimtelijke, mechanische en fysische. Een plant heeft èèn actuele functie, nl. de organische, mèèr, een dier èèn meer dan de plant, nl. de psychische, een mens vele meer dan een dier, nl. de analytische, sociale, historische, lingualistische, sociale, economische, aesthetische, juridische, ethische en pisteutische. Naar de hoogste actuele functie van een ding kan men een steen een fysisch ding, een plant een organisch ding or organisme, een dier een psychisch en een mens, voorzover functioneel, een pisteutisch ding noemen.

Mag men nu een plant beschouwen als een steen + nog iets, een dier als een organisme + iets psychisch, een mens als een dier + nog een paar modaliteiten? Zou men die kant uitgaan, dan zou men miskennen het verband tussen de verschillende functies, waardoor de minder gecompliceerde b.v. bij een mens veel rijker ontwikkeld zijn dan bij een plant en een dier, zijl de lagere hier aangelegd zijn op een bijeenvoorkomen in hetzelfde ding met de hogere. Men kan spreken anticipatie. Zo hebben planten, voorzover mij bekend, wel organen, maar missen ze zintuigelijke organen, eenvoudig wijl [/57a10] de zintuigen ontbreken. Aan de andere zijde rusten de meer gecompliceerde functies niet alleen op de minder samengestelde, doch wijzen ze op deze ook telkens terug: ze vertonen m.a.w. retrocipatie daarop. Anticipaties en retrocipaties bestaan dus slechts krachtens het verticaal verband of de systase van verschillende modaliteiten in hetzelfde ding, dat men helder dient te onderscheiden van de horizontale samenhang tussen gelijke functies van verschillende dingen en mensen.

Doch dan is het ook niet geoorloofd de plant te splitsen in een steen en een organische functie, of het dier in een organisme en een psychische functie, noch de mens in een dierlijk en een bovendierlijk deel. Trouwens, waarom zou men dan bij een tweedeling blijven staan? Deze heeft alleen historisch een prae. , omdat de Grieken in hun denken de rust zochten die wij als Christenen niet vinden in een bepaalde functie, maar slechts in het functioneren van alles, voorzover dit geschiedt uit liefde tot God naar de wil des bevels. Zodra men dan ook het humanistisch karakter van dit Griekse motief Zodra men dit heeft doorzien en ook de dualiteit van het schema der kentheorie (ook daarover straks) niet langer als voldoende grond voor een dualisme in de kosmologie [/30b12] aanvaardt, verdient de dichotomie dus een dichotomische indeling van de functies in geen enkel opzicht langer de voorkeur boven welke andere indeling der functies ook. En dDe consekwentie zou er dan ook toe moeten leiden het ding te beschouwen als een agglomeraat van functies zonder enig onderling verband. Maar Doch God schiep niet losse functies, maar dingen, wier functies reeds terstond in dubbel onderling verband staan. Nog minder natuurlijk is geoorloofd de splitsing in een analytisch en een psychofysisch deel. Dan vermenigvuldigen zich immers de bezwaren. Want 1e: Waar is dan de kosmische plaats voor het organische? en 2e: Waar die van het arithmetische, ruimtelijke en mechanische? Men zou om aan de ernst van deze vragen te ontkomen deze functies eerst met de Marburgers in het analytische moeten trekken; doch vanwaar dan weer de retrocipatie daarop in de hogere kringen? En hoe kan men dan b.v. het analytische, het arithmetische en de arithmetiek onderscheiden? van meetaf in dubbel onderling verband staan.

Men lette er intussen op het feit dat dit verband er echter alleen een is van (intraindividueel) "rustend op" en (intraindividueel) "aangelegd zijn op". Alle evolutietheorie van een ascenderende evolutie inzake de verhouding der functies blijve hier verre, zowel de nieuwereo.a. de emergence-theorie van Lloyd Morgandie het hogere uit het lagere, als de oudereIndischedie het lagere uit het hogere laat voortkomen. Evolvering kunnen we slechts aannemen als evolvering van het ene en latere ding uit een ander en vroeger, en aan de erkenning van deze ontwikkeling tengevolge van kruising enz. heeft de wetenschap volkomen genoeg.

Dit alles bestaat in de tijd, die in elk van deze wetskringen een eigen karakter draagt: hij is successie in de arithmetische kring, klokkentijd in de mechanische energetische, duur in de psychische; in het analytische komt hij voor bij de verhouding van het logische prius en posterius, enz.

Zoeven sprak ik van actuele functies. Die naam kan men echter niet overal gebruiken. Metalen b.v. hebben geen hogere dan fysische functies. Toch spelen zeb.v. blijkens de vitaminetheoriein het leven van plant, dier em mens ook een organische rol. Dat doen ze echter niet uit zichzelf, maar alleen krachtens het gebruik dat de actuele organische functie van hen maakt: ze treden in deze hogere kring alleen als object op, d.w.z. tengevolge van objectivering door andere dingen, die deze objecten niet scheppen, maar alleen áls object stellen in zulke wetskringen in welke het geobjectiveerde geen actuele functies bezit. Er bestaan n.l. nog andere functies, n.l. de objectsfuncties, zij zijn de herhaling van de zin van het substraat in het superstraat, bezitten de modaliteit van het laatste, maar missen het typerende van de subjectsfunctie. Zo herhalen de discontinuen zin van het getal in de ruimte, schoon ruimtelijkpunten zijn niet getallenzijn ze niet, zoals lijn, vlak en geometrisch lichaam, continu. Evenzo is de niet versnelde beweging de herhaling van het ruimtelijke in het fysische, qua beweging fysisch, staat ze buiten het verband van causa en effect, dat het fysisch subject typeert.

Ook in het psychische komen objectsfuncties voor. Als voorbeelden mogen hier de ledige ruimte en de kleur worden genoemd. Het eerste is herhaling van de zin der ruimte in het psychische: terwijl het voor de mathematicus geen zin heeft over ledige ruimte te speken, tast de waarnemende in zijn omgeving haar naast het volle; het ledige is dus iets zintuigelijk waargenomens, hoewel het zelf niet tast. Evenzo is de kleur niet fysisch, maar psychische herhaling van fysisch substraat in het psychische; iets dat zelf niet voelt, maar toch rechtstreeks op het gevoelsleven van dier en mens betrokken is.

De religie is niet te stellen in een afzonderlijke functie. [/30b13] Wel is bestaat en een menselijke functiede pisteutischdie correlaat is aan de woordopenbaring, maar deze werkt bij de Mohammedaan precies op dezelfde wijze in zijn onderwerping [/57a11] aan de Koran als bij ons in onze onderwerping aan de Heilige Schrift. Daarmee is intussen het verschil tussen Mohammedaan en Christen allerminst gerelativeerd: alleen maar blijkt het verschil tussen goed en kwaad, waar en vals, enz. niet modaal te zijn. De opvatting van religie als een functie zou ons niet alleen linea recta tot de leer van het donum superadditum terug voeren, maar ook de religie maken tot een wet, instee van een verhouding tot God, krachtens welke we op grond van een verhouding Gods tot ons uit dankbaarheid Zijn geboden willen houden. Dit Het verschil tussen Christen en niet-Christen is er een van richting, nader: tussen de richting naar God toe en de richting van God af. Dit verschil speelt bewust een voorname rol in die wetskringen welker wetten normen zijn, waar de functies maar niet niet slechts onderworpen zijn aan wetten, maar ook gehoorzaamheid hebben te betonen aan bevelen. Voor de beneden-analytische kringen heeft dit verschil óók Gods en Zijn bevelen volgen, maar ook zich van Zijn wetten verschillend weten. Intussen heeft dit verschil ook voor de beneden-analytische kringen betekenis: de man die zich op weg begeeft naar het huis van zijn naaste om te stelen en zich het verbod Gods herinnert, ondergaat óók een wijziging in voorstellingen en organische houding: de begeerte naar buit wijkt voor de indruk die een vrome moeder in zijn geheugen naliet, en zijn voeten gaan thans het huis, dat hij reeds met boze bedoelingen observeerde, voorbij. En eveneens ligt hier het verschil tussen gezond en ziek, schuldig en onschuldig, enz. Schuld en onschuld in de hoger kringen mogen niet te herleiden zijn tot dit verschil in de lagerebeide tegenstellingen wortelen volgens de Heilige Schrift in de tegenstelling welke er sinds de zondeval is in de verhouding tot God.

Dat alles moest even gezegd, zullen we kunnen zien, hoe vakwetenschap primair tot stand komt. Vakwetenschap is wel kennis, maar er is heel wat, dat "kennis" kan heten en toch niet vakwetenschap is: zo spreken we b.v. van kennis die het geheugen omtrent gewaarwordingen in het verleden aan dier en mens verschaft: "de os kent zijn bezitter". Ook bestaat er religieuze kennis: het kennen van God in het aangezicht van Jezus Christus. Maar ossen doen in het geheel niet en Christgelovigen slechts sporadisch aan wetenschap. Dus blijkt het woord "kennis" mèèr aan te duiden dan het woord "vakwetenschap."

Wat is nu vakwetenschap? Ze is meer dan analytische redeneren op grond van analytische herinnering, hetzij [/30b14] men daarbij de resolverende dan wel de componerende (syllogiserende, bewijzende) weg volgt. En dat meerdere is zelfs het eerdere. Vandaar dat in stelling II sprake is van "primair." Want ieder trekken van een conclusie onderstelt minstens twee andere stellingen, die niet uit andere zijn afgeleid, dieanalytisch gezienen dus analticaal gezien niet middelijk, maar onmiddelijk mogen heten. Waaruit bestaan zulke stellingen? Als oordelen zijn ze analytisch. Maar hun zin is toch iets mèèr. Want 2 en 4 zijn getallen, en het gelijk zijn van 2 * 2 en 4 is een arithmetische samenhang. Aan de andere zijde is de stelling "Tweemaal twee is vier" toch ook weer niet enkel arithmetisch: ze is gesteld wel niet uitsluitend door mijn denken, maar toch wel mede daardoor. Ik vind hier dus een eigenaardige verbinding van het analytische met het niet-analytische. En wel op tweeërlei wijze: eerst heeft de onderzoeker, krachtens zijn analytische functie, het arithmetische ontwaard als onderscheiden van het ruimtelijke, enz. vervolgens heeft hij op dat aldus afgepaalde terrein een onderzoek ingesteld, uitsluitend naar de samenhang van 2 * 2 en 4, en gevonden dat deze er een van gelijkheid is. Vandaar dan ook dat het grondschema der vakwetenschappelijke kennis niet is subject-object, maar analytisch-niet-analytisch. De verhouding subject-object is daarmee natuurlijk niet geloochend, maar wel moet uitdrukkelijk gesteld, dat deze verhouding ondergeschikt is aan de synthese iets secundairs is t.o.v. de subject-Gegenstand-relatie, wanneer men [/57a12] zich rekenschap wil geven van de structuur der vakwetenschap.

Daarmee zal de tweede stelling "Een vakwetenschap ontstaat primair uit de synthese van de analytische activiteit van de onderzoeker met de zin der niet-analytische modaliteit van het onderzochte" in haar positieve strekking wel duidelijk zijn.1 //Note the substitution of "zin" for "positieve strekking"

Negatief richt ze zich o.a. tegen de volgende theorieën:

1e. het rationalisme, dat het niet-analytische in een stelling wil afleiden uit haar analytische bestanddeel;

2e. het empirisme, dat het analytische in een stelling wil afleiden uit haar niet-analytische bestanddeel;

3e. het Kantianisme, Dit vermijdt wel beide eenzijdigheden, maar heeft toch met de mij bekende historisch alleen [/30b15] voorkomende vormen van rationalisme en empirisme in het Oosten en het Westen gemeen, dat het dit niet-analytisch gelijk stelt aan een "object", dat bovendien nog bij nader onderzoek zou blijken steeds psychischen nog wel intrapsychischte zijn. De meningen over het rapport tussen dit psychische en de buitenwereld lopen dan nog weer zeer uiteen. Derhalve blijft het Kantianisme, ondanks zijn succesvolle strijd tegen het psychomonisme, toch in de psychologieen dan nog wel alleen in die van het eigen ikgevangen, om van de verwarring tussen object en veld van onderzoek nog te zwijgen!

Maarhet laatste bezwaar toegegevenis het wel mogelijk aan het Kantianisme pschologisme in de kentheorie te verwijten en tegelijk in de psychologie het psychische als veld van onderzoek te nemen, zoals in stelling III geschiedt? Sluit het eerste het tweede niet uit? En omgekeerd, aan vaardt men met stellingen I en III de mogelijkheid van een vakwetenschappelijke psychologie, is dan het verwijtafgezien van de beperking der psychologie tot het intrapsychischenog wel gegrond?

Passen we het gevondene toe in het geval der psychologie, dan komt men vanzelf tot stelling III.

Rest de vraag of men met aan het psychische een plaats in de synthese der psychologie in te ruimen, in de kentheorie wel het gevaar van psychologisme vermijden kan.

Onder psychologisme versta men toekenning in de kentheorie van een prae aan de psychische wetskring boven andere van zulke kringen.

Is daarvan nu hier sprake?

Om hier ten deze goed te zien, hoe de zaken staan, moet men onderscheiden: 1e het niet wetenschappelijke en het wetenschappelijk leven en 2e de algemene kentheorie en hare toepassingen niet op, maar in het geval der psychologie.

1e. In de natuurlijke volgorde der wetskringen in het psychische minder gecompliceerd dan het analytische: het ligt onder het analytische, behoort tot het substraat van deze functie. Vandaar dat geldt: geen denken zonder psychisch substraat, en dus: geen denken zonder retrocipatie in het denken op het psychische. En deze stellingen blijven natuurlijk ook gelden wanneer het denken door synthese met de zin van een niet-analytisch veld van onderzoek een bestanddeel van de tweeëenheid van het vakwetenschappelijk kennen wordt: geen wetenschap is mogelijk zonder geheugen in het substraat van het denken en zonder herinnering (een subject-object samenhang binnen het analytische) als retrocipatie in het denken op het geheugen tenzij de onderzoeker ook naar zijn gevoelsleven op het onderzochte betrokken is en tevens zijn onderzoekende activiteit als denkwil retrocipeert op zijn gevoel. Maar al is het psychische noodwendig als substraat van het denken, het is daarom nog niet een bestanddeel ervan. Of liever: juist wijl het psychische behoort tot het substraat van het denken, kan het er geen bestanddeel van zijn. Wanneer men dit toch beweert men moge dan het denken beschouwen als een abstractie uit het psychische of het psychische als een verzwakking van het denken, dat is op ons standpunt om het even verliest [30b16] men uit het oog, dat het psychische bij de dieren bestaat aanwezig is zonder dat daar een denken in de analytische zin van het woord voorkomt.

2e. Anders staat het bij de vakwetenschap. Ook daar blijft het psychische substraat van het denken. En ook daar is het niet steeds bestanddeel van de synthese. Dat was de bedoeling van de kritiek op het psychologisme.

Maar dat wil niet zeggen dat het psychische nimmer als bestanddeel der vakwetenschappelijke synthese kan optreden. De algemene kentheorie leert slechts dat van vakwetenschap geen sprake kan zijn zonder synthese van het denken met een analyseerbaar niet-analytisch veld van onderzoek. Doch dit "niet-analytisch" is een verzamelnaam voor alle functies, ondergezonderd de analytische: dus is het psychische een onderdeel van het niet-analytische. En in het geval van de psychologie hebben we nu juist met dit onderdeel te doen. Bij de vakwetenschap liggen de zaken iets meer gecompliceerd. Hier heeft men immers met een tweetal factoren te maken, n.l. met het analytische als onderscheidende activiteit en met het veld van onderzoek.

a) De verhouding van de analytische activiteit in het vakwetenschappelijk onderzoek tot het psychische is dezelfde als in het niet-wetenschappelijke denken: het psychische is hier substraat en dus nimmer bestanddeel van het wetenschappelijke denken.

b) Of het psychische veld van onderzoek is, hangt uitsluitend af van de vraag met welke vakwetenschap men bezig is. In de psychologie is het psychische wel, in al de overige vakwetenschappen niet veld van onderzoek.

c) Ook in de vakwetenschap komt dus aan het psychische geenerlei prae boven enige andere modaliteit toe.

3e. Derhalve heeft de psychologie in de kentheorie geen enkel prae boven andere vakwetenschappen. De psycholoog heeft daarom geen enkele grond zijn vak boven een andere vakwetenschap te verheffen. Maar wel mag hij van de kentheoreticus vergen, dat de kentheorie ook aan zijn vak de plaats geve op welke het in de encyclopaedie recht heeft.

Niet weinig heeft tot de verwardheid van deze vragen, juist in verband met de psychologie, bijgedragen het verschillend gebruik van het woord "bewust" [/57a13] en, correlaat daarmee, dat van "onbewust". Tegen identificering van psychisch en bewust bestaat m.i. geen bezwaar mits maar weer uitdrukkelijk vaststa dat men het woord dan ook alleen in deze betekenis gebruikt. Let men daarop dan zal achter het terminologisch verschil met de voorstanders van het onbewust-psychische vaak een zakelijk overeenstemming blijken te bestaan.

Onder "onbewust" verstaat men nl. drieërlei: 1e. het ondestudeerde beneden-analytische. 2e. het z.g. psychisch bij planten en 3e. het religieuse in zijn moment van principiele omkeer. Bij ieder van deze drie betekenissen staan we even stil.

1e. Noemt men "onbewust" als het beneden-analytische zolang men het nog niet bestudeerd heeft, en handhaaft men op deze grond het bestaan van een onbewust-psychisch leven, dan moge dit spraakgebruik in de kentheorie niet aan te bevelen zijnzakelijk bestaat er dan geen verschil van gevoelen. Want in deze zin van het woord is niet slechts oorspronkelijk alle psychisch leven onbewust maar zal ook [/30b17] wel steeds het grootste deel daarvan onbewust blijven: men denke maar eens aan het psychisch leven van de vorige generaties, aan het grootste deel van het psychisch leven der opgewekte mensen, die weinig over zichzelf reflecteren en nimmer door een psycholoog worden onderzocht, en aan het niet-onderzochte deel van hen met wier psychisch leven dat wel het geval is.

2. Van men "onbewust" op in de zin van het organische, dan heeft men misschien alweer alleen maar een minder gelukkige term gekozen: men zegt dan wel "onbewust", maar bedoelt "beneden-bewust". Niet zelden echter wortelt deze oppositie dieper: zo onderscheidt b.v. het parallellisme niet helder tussen het analytische en het psychische; op die grond komt het er dan toe de tweeledigheid in de synthese der vakwetenschap vervat, uit te leggen niet als een verbinding van analytisch met niet-analytisch maar als een gecoördineerd zijn van het psychische aan de materie. Dat vergt dan, dat b.v. ook iedere plant een psychisch leven heeft. Doch op zulke verwarde premissen kan men geen betrouwbare conclusies bouwen: of een plant psychische functies bezit kan men alleen aantonen met resultaten die men zou moeten hebben bereikt is een vraag, die men slechts dan in bevredigende zin mag beantwoorden, indien het mogelijk blijkt resultaten te boeken door de toepassing van de methode van een heldere psychologie op planten.

3. Noemt men tenslotte de levendmaking "onbewust", dan heb ik daartegen inzoverre niet het minste bezwaar als inderdaad de omkeer van satan tot God niet is te typeren door enige functie, dus ook niet door de psychische of door het bewustzijn. Doch dan gelde drieërlei beding: men erkenne allereerst, dat deze omkeer in wezen met de naam van geen enkele functie is aan te duiden, juist wijl ze de richting van onze activiteit in alle functies verandert; vervolgens, dat deze omkeer voor alle functies betekenis heeftanders komt men uit bij de innerlijkheidsreligie der humanisten! en dus ook, maar slechts o.a., voor de psychische; en eindelijk, dat men van deze betekenis, die het woord "onbewust" inderdaad kan hebben, niet in een onbewaakt ogenblik overglijde naar èèn van de beide andere.

Natuurlijk is ook dèze vakwetenschapevenmin als enige andere niet neutraal. Ze heeft met de religie te maken en wel wat het primaire onderzoek betreft in beide bestanddelen van de tweeëenheid van deze kennis. Ten eerste vindt ze in het veld ban haar onderzoek een verschil tussen het psychische leven van hen die God dienen, en dat van hen die God dienen, en dat van hen die Hem niet dienen. En in de tweede plaats hangt voor het welslagen van haar onderzoek heel veel af van de vraag of ze èn in de onderscheiding van de wetskringen [/30b18] èn bij het verder analyseren gehoorzaam is aan de normen die God haar stelt, dan wel slag op slag bij [/57a14] de analyse fouten maakt. Maar ook in dit opzicht heeft de psychologie geen enkel prae: de "ziel", die de vijanden van de Christus niet kunnen doden, is ook in het psychische te bespeuren, maar allerminst daarmee ident. Maar genoeg ter toelichting van stelling III.

Hoofddeel II

Niet zonder bedoeling nam ik de bespreking van de eerste drie stellingen vrij breed. Het volgende zal aanmerkelijk korter kunne zijn, juist wijl de beantwoording van de eerste hoofdvraag: "Wat is psychologie?" vele problemen bijzonder vereenvoudigt en tegelijk nieuwe, vruchtbare aan de orde stelt.

Daarmee ben ik nu toegekomen aan de tweede hoofdvraag. Ze wordt, naar we zagen, door de psycholoog aan het psychische gesteld.

Hoofdstuk II Welke Zijn de Grondstructuren van het Psychische?

Laat me thans, terTer bekorting, slechts geven de psychologische ga voorop de psychische analyse van èèn geval, waaraan ik dan de bedoeling van stellingen IV-VI kan toelichten.

Stel, ik heb twee lichtkronen met een gelijk aantal contactpunten, doch de lampjes van de ène kroon geven minder licht dan die van de andere. De ène, nl. die welke op mijn studeerkamer hangt, is een erfstuk van mijn vader en ik behandel haar steeds met zekere piëteit. Nu ben ik vanmorgen verhuisd. Daarbij heb ik gezegd, op mijn studeerkamer, na het indragen van de meubelen door de kruiers, verder alles zelf te willen regelen. Tijdens een kort bezoek, dat ik elders moest afleggen, wilde echter de werkster zich verdienstelijk maken door al vast de kroon van lampjes te voorzien. Doch ze vergiste zich en schroefde de verkeerde in. Tegen de avond teruggekeerd, sloeg ik daarop aanvankelijk geen acht. Toen ik echter een kwartier later ging werken, bespeurde ik na een poosje aan mijn turen, dat het licht niet helder was, en bemerkte de oorzaak daarvan. Ik raakte aan het mopperen over de werkster; ik ben daarbij weinig dankbaar voor haar goede bedoeling, integendeel wel wat al te verontwaardigd om het feit dat ze handelde tegen mijn wens, en zelfs op een onoordeelkundige wijze omsprong [/30b19] met dat erfstuk. Ik krijg de andere lampen op een stoel en begin de brandende lampjes èèn voor èèn te vervangen door de oude, die er vroeger in zaten, om zo spoedig mogelijk de kroon tot zijn gewone lichtsterkte op te voeren. De werkster merkt mijn ontstemming op en mokt wat in de gang, terwijl mijn vrouw binnenkomt met een blij gezicht, omdat het ergste van de verhuizing toch al achter de rug is.

Nu stelt zich een psycholoog de taak dit geval te ontleden.

Wat doet hij dan, indien hij methodisch te werk gaat?

Allereerst zal hij al het niet-psychische terwijde stellen. Het gewicht waarmee ik rust op de stoel, de temperatuur van de kamer, de hoogte van het vertrek enz., zal hij aanvankelijk buiten beschouwing laten: het gaat hem om bewustzijnstoestanden.

Heeft hij zo het veld van onderzoek afgepaald, dan gaat hij in dit veld isoleren. Hij onderzoekt n.l. vooral de psychische toestand van èèn mens n.l. van mij. Daarbij zal hij bedenken, dat mijn psychische toestand ingebed is in de opeenvolging van heel het psychische leven. Erfelijke factoren spelen waarlijk niet alleen bij mijn ontstemming een rol; daarbij ben ik vermoeid door de verhuizing op de vorige dag en heb nog zoeven zitten turen om de courant te lezen. Er is echter niet alleen een persevereren van het verleden in het heden, mijn optreden vertoont ook een prospectieve tendenz; ik heb n.l. de toeleg straks de oude toestand hersteld te zien, en de verwachtings-associatie: beter lichtgeen pijn meer aan de ogen.

Doch behalve deze successieve gecompliceerdheid ontwaart hij ook een simultane. Het mokken van de werkster hindert me, de opgewektheid van mijn vrouw, die aan het geval onschuldig was, [/57a15] helpt me wat over mijn ontstemming heen. Er is dus invloed van het psychische leven bij anderen òp dat van mij, gelijk het mijne zijnerzijds van betekenis is voor dat van de beide vrouwen in mijn omgeving, en van de psycholoog die me ondertussen bestudeert.

Doch ook intra-individueel bestaan er tal van verbanden. Daar is de pijn in mijn ogen, het gevoel van spanning in mijn tenen bij het reiken, een temperatuurgevoel omdat ik moe en misschien wat koortsig ben, enz. Maar ook het besef van verontwaardiging om de overtreding van mijn verbod de werkster en over het gemis aan piëteit bij haar optreden.

En eindelijk is er nog de gewaarwording van warmte, kleur en geruis.

Dat alles is bijeen in deze ène psychische toestand. Ze is een eenheid van duur: de klok sloeg niet minder dan [/30b20] negen slagen, maar toch lette ik daarop niet, vervuld als ik was juist met dit ène.

[Het resultaat van de eerste analyse] Tracht de psycholoog nu eens nader te onderscheiden wat er al zo in deze ène toestand ligt. Dan vindt hij:

1e. de inter-individuele successieve samenhangen met het verleden in anderer psychisch levendat van mijn voorouders;

2e. de intra-individuele successieve samenhangen met het nauwelijks voorbije verledenmijn geheugenen met de naaste toekomstmijn verlangen;

3e. de inter-individuele contemporele samenhangen met het psychisch leven van mijn vrouw, van de werkster en van de psycholoog-bezoeker;

4e. de intra-individuele contemporele systase verband met mijn andere functies, en wel: a) retrociperenop mijn organische functie: de pijn in mijn ogen; op de energetische: mijn temperatuur-gevoel; op de mechanische:, en het drukgevoel van de druk der stoelleuning tegen een van mijn schenen, enz. en b) anticiperend op mijn sociale functie: mijn verontwaardiging gold de belediging van mijn misschien wel wat door mezelf overschat gezag in deze zaken; op mijn historische functie: mijn ontstemming gold ook de historische waarde van deze kroon;

5e. het contemporele objectiveringsverband: de waarneming van de kleur en het geruis van de lampjes, die zelf immers niet een actuele psychische functie bezitten, terwijl die kleur en dat geruis toch iets anders zijn dan mijn waarneming daarvan.

Vergelijken we nu Datgene nu, waarop het in dit resultaat vooral aankomt, kan samengevat in drie stellingen. De eerste van dit drietal formuleer ik als volgt met stelling IV, die ik als volgt formuleerde:

De verbanden tussen het psychische en het niet-psychische van hetzelfde ding enerzijds en die tussen het psychische van het ène ding en het psychische van een ander ding aan de ander kant zijn onherleidbaar.2 dan vindt men het volgende:

1e. Het objectiveringsverband (het 5e punt van het resultaat) is in stelling IV niet genoemd: het bleek het meest-ingewikkelde: want de twee verbanden, in deze stelling wèl onderscheiden, zijn bij de waarneming verbonden. Derhalve stelt de waarneming, wel verre van het uitgangspunt der psychologische analyse te kunnen zijn, aan deze de [/30b21] zwaarste eisen. Dat wordt dan ook tegenwoordig wel vrij algemeen ingezien. Vandaar dat ik op haar thans niet verder inga, maar slechts een poging wil wagen deze bij de waarneming, maar ook buiten die verbinding voorkomende verbanden, afzonderlijk te laten zien, inzonderheid met het doel de aandacht er op te vestigen, dat ze, schoon voor combinering vatbaar, niet tot elkaar zijn te herleiden.

2e. Ook het verschil van successief en contemporeel of simultaan kan, wijl algemeen aanvaard, buiten bespreking blijven.

3e. Zo restten alleen de verschillen tussen inter- en intra-individueel [/57a16] verbanden. Dat dit verschil bestaat geven allen toe die niet solipsist zijn en dus het voorkomen van suggesties enz. erkennen. Verschil van mening rijst er tussen hen eerst over de vraag of er directe inter-individuele psychische samenhangen bestaan of niet.

Daarbij zijn dan nog weer twee scholen te onderscheiden: 1e. De zuiver-romantische school beziet het psychische bij twee mensen als twee uitschijningen van de boven beide verheven eenheid (de objectieve geest). Contact tussen beider psychische eenheid: daarom huldigt deze school de opvatting, dat suggestie slechts mogelijk is door de omweg van het verstaan.

2e. De anti-romantische school spreekt daarentegen van het psychische als van het binnen het organisme gevormede epifenomeenon. Vandaar dat h.i. contact tussen het psychische van twee mensen alleen mogelijk is via het organisme: "parallelle verschijnselen indrukken" is hier de term voor twee intra-individuele verbanden, die dan noodzakelijk zouden zijn voor het tot stand komen van èèn inter-individueel psychisch verband.

Daar blijkens de onderlinge tegenspraak van deze twee monistische universalistisch-subjectivistisch theorieën geen van beide voldeed, sloeg men niet zelden het pad van het eclecticisme in: zo ontstond een dualisme, dat de romantische opvatting voor het hogere en actieve, de andere theorie voor het lagere en passieve deel van het psychische huldigt. Op deze wijze sluiten substantie-theorie en verkeerd begrepen evolutiegedachte met elkaar een verbond ten koste van de eenheid der psychologie, het psychische, dat die men dan indeelt in een metafysisch en een empirisch deel.

Wel verre van ons verder te helpen brengt deze theorie, die alleen sterk is voorzover ze beide monismen de vroeger genoemde beide bestrijdt, ons dus nog verder van het doel af. Een Het functionere is bij mens en een dier zijn eenheden een eenheid en er is niet de minste reden ze als ding deze eenheidde [/30b22] religieuse gebondenheid bij de mens is een geheel andere prefunctioneel!in tweeën te delen. En datgene waarvan men zich hier rekenschap wil geven, behoort niet hier, maar elders thuis (zie toelichting op stelling V).

Op het in dit referaat verdedigde standpunt levert de suggestie heel wat minder moeilijkheden op dan dat blijkbaar bij andere theorieën het geval is. Want een omweg, hetzij over een meer-, hetzij over een minder-gecompliceerde functie, is immers niet nodig, zelfs indien er zo iets als een "objectieve geest" of een "organisme" als universele substantia incompleta bij dier en mens bestond. Want het psychische staat onder eigen door God daaraan gestelde wetten en alle psychisch leven staat in onderlinge samenhang. De (inter-individuele) samenhang in het psychische moge steeds gepaard gaan met een samenhang in het organischebeide samenhangen zijn directe. De vreugde van mijn naaste lees ik van zijn gelaat af, en dit gelaat is een deel van zijn lichaam of levende ziel, maar dit lichaam of deze ziel functionele leven, maar dit heeft niet alleen organische, maar ook psychische functies. En het suggestie-verband betekent slechts, dat het psychische bij het ène schepsel afhankelijk is van de psychische invloed die van een ander schepsel in zijn omgeving uitgaat, gelijk die omgeving afhankelijk is van invloeden die het zijnerzijds op haar uitoefent. Mijn logische functie moge nu helpen de naaste te bestuderenhet ondergaan van de psychische invloed, die hij op me uitoefent, is iets anders: dat blijkt mede wel uit het feit, dat ook wel degelijk de dierenpsychologie van suggestie kan spreken.

De handhaving van directe inter-individuele samenhangen is dus alleen te winnen door het fundamentele verschil van samenhang èn systase het verband tussen twee schepselen en het verticale verband tussen de functies van hetzelfde schepsel ook hier in het oog te houden. Wil men twee duidelijke voorbeelden: de suggestie die ik van de zijde van mijn naaste onderga is iets anders dan mijn gevoel van oververzadigd te zijn na het genieten van een coieuse maaltijd of de lichte beneveling na het [/57a17] gebruik van alcoholica, enz.: hier werkt de ène functie van een mens op de andere functie van dezelfde mens. Het retrociperende eis in zulke gevallen zózeer de psychische en de eventueel aanwezige andere bovenpsychische functies op, dat de werkzaamheid van deze functies daardoor geheel in beslag wordt genomen. Aan de andere kant bewerkt een overdreven studievreugd, dus een overmatig functioneren van de anticipatie in het psychische op een van de hogere functiesin casu de analytischeverstrooidheid, d.w.z. een afstomping van de oefening van de inter-individuele [/3ob23] samenhang (en van de waarneming). Over beide de blijken van het systatisch verticaal verband, waarin het psychische tot het niet-psychische staat, behoef ik thans niet veel meer te zeggen: dit verband is principieel soortgelijk met ieder ander systatisch verticaal verband, dus met ieder verband tussen onderling verschillende functies: het verband tussen het psychische en het organische in dier en mens is soortgelijk met dat tussen het ruimtelijke en het arithmetische, enbij de menstussen zedelijkheid en recht.

Maar nog eens: met de nadruk die in deze stelling valt op het verschil tussen samenhang en systase verticaal verband bedoel ik allerminst andere verschillen-als b.v. dat tussen successief en contemporeelop de achtergrond te dringen, noch ook het gecombineerd zijn van beide verbandenb.v. in de waarnemingte loochenen. Ook hier ging het me slechts om een programmatische aanduiding van de weg, die m.i. valt aan te bevelen.

Korter zal ik het verschil en de eenheid van dieren- en mensenpsychologie kunnen behandelen. Daaromtrent zegt stelling V:

Het is noodzakelijk dieren- en mensenpsychologie te onderscheiden; deze onderscheiding heft echter de eenheid der psychologie niet op.

Na al het gezegde behoef ik niet te vrezen met de verdediging van de eenheid der psychologie, het odium op me te laden, het verschil tussen mens en dier uit het oog te verliezen: men herinnere zich slechts de opsomming der bovenpsychische functies en de vermelding relevering van de religie bij de mens. Religie vindt men alleen bij de mens: slechts indirect lijdt het dier tengevolge van de zonden en wel óm de mens. Maar religie is blijkens het voorgaande iets totaal anders dan het psychische: ze deelt zelf weer het menselijk psychische en tweeënmen denke maar eens aan het verschil tussen onwedergeboren, niet tegen zichzelf verdeelde en wedergeboren, wèl tegen zichzelf verdeelde fantasie. De tegenzin tegen de erkenning van het psychische bij het dier berust op het totaal verouderde Cartesianisme, dat met de onderscheiding van subject-object dacht anima rationalis en corpus meende uit te komen, het psychische tot het subject rekende als product van de verbinding tussen deze twee beschouwde en het derhalve, voorzover het buiten de mens voorkomt, niet kon erkennen. Doch wie toegeeft dat ook een dier pijn, gewaarwordingen en begeerten heeft, moet toch wel vergen dat men ook dit onderdeel van het door God geschapene onderzoeke, natuurlijk onder erkenning van zijn eigenaardigheid.

Intussen Want, al is bij dier èn mens het psychische aanwezig, [/30b24] daarom is het niet bij beide gelijk. En juist wie de tweedeling van het psychische in een lager en en hoger deel verwerpt, kan hier het radicaal verschil over heel de linie handhaven. Want ook datgene wat de dualistische psychologie aan de psychologie van het dierlijke en van het dierlijke in de mens overlaat, is bij een mens totaal ander dan bij een dier: ook dat z.g.n. lagerezeggen we liever: ook het op lagere functies retrociperenderetrocipeert bij de mens op functies die menselijk zijn en derhalve anticiperen op functies welke bij het dier ontbreken.

Zo is het juist wanneer men maar de consekwenties van het Calvinisme aandurft, vrij makkelijk het verschil tussen [/57a18] het psychische bij dieren en mensen over geheel de linie te handhaven, en tegelijkertijd het inzicht te behouden in de eenheid der psychologie.

Met de laatste stelling keer ik terug tot de wijsbegeerte, nader tot de bezinning op de methode van de psychologie. Daaromtrent zegt zij:

[VI] Beperking van het psychologisch onderzoek tot een onderdeel van het psychische is alleen mogelijk door gnotische isolering; daarbij mag men echter nimmer de niet-gnotische verbanden, in welke het geïsoleerde blijft staan, uit het oog verliezen.

Een herhaling van het reeds in het eerste hoofdstuk behandelde, ligt echter niet in de bedoeling. Wat echter hiet mag ontbreken is een dubbele waarschuwing.

De eerste geldt de verwarring van psychische en psychiatrie. Daartoe

Allereerst lette men hier op de term "psychologisch". We zijn n.l. eerst nu in staat haar scherp te onderscheiden van "psychiatrisch". De psychiater moet natuurlijk eerst psycholoog zijn. Maar het zou geen zin hebben zijn werk aan dat der psychologen te verbinden, indien niet in het psychische leven ook krankheden voorkwamen. Op grond van het voorgaande kunnen we in het kranke onderscheiden: het gevolg van overmatig functioneren, hetzij van retro- hetzij van anticipaties (de desintegratie), en de religieuse afwijking. Ook hier betekent onderscheiding allerminst dat deze beide niet verbonden voorkomen.

Toch is er ook een verschil tussen psycholoog en psychiater. De instelling van de eerste quatalis is louter theoretisch, die van de medicus in eerste instantie praktisch: hij tracht het eerst-bestudeerde kranke nu ook te genezen.

Lang bij dit verschil te toeven is niet nodig. Alleener vloeit iets uit voort voor de kentheorie der psychologie. De medicus onderzoekt in meer dan 99% der gevallen anderen, [/30b25] die voor hem dus niet alleen momenten in zijn veld van onderzoek, maar tegelijkertijd ook objecten van waarneming zijn. Vandaar dat bij niet al te scherpe onderscheiding van psychiatrie en psychologie en zal een psychiater eerder dan een psycholoog geneigd zal zijn de nadruk ten onrechte op het subject-object schema te leggen, ook voor de psychologie pragmatische beschouwingen te huldigen, enz. Dat de psycholoog zijnerzijds, de praktische instelling van de psychiater missende of terzijde latend, niet het "rein-psychische" kan afzonderen om dan aan de psychiater de toepassing op het niet-zuivere over te laten, spreekt bij de hier ontwikkelde opvatting evenzeer vanzelf: een niet-bevlekt en een niet-verzwakt psychisch leven vindt men nergens in de kosmos dan alleen bij de menselijke natuur van de Christus, en de psycholoog kan het door hem onderzochte van deze zonde-invloeden nimmer isoleren.

Hij kan trouwens in het geheel niet isoleren dan alleen gnotisch. Dat is de hoofdstrekking van de laatste stelling, die tegelijk wil waarschuwen tegen de gevaarlijke overschatting van de wetenschap, die niet slechts hier dreigt, maar intussen ook hier allerminst is uitgeschakeld.

Kennen staat niet tegenover zijn: het vormt er een onderdeel van. Vandaar dat kennis nooit enig verband, hetzij samenhang, hetzij systaseverticaal verband, kan opheffen: ze onderstelt die reeds in zichzelf. Want evenmin als het rein-psychische bestaat het rein-analytische. Wat hier alleen valt te bereiken is isolering binnen de kennis. Is eenmaal door gnotische synthese de gnotische tweeëenheid der vakwetenschappelijke kennis tot stand gekomen, dan kan men verder onderscheiden. Eerst het psychische van mensen en dieren, dan het successieve en contemporele, het inter- en intra-individuele, de samenhangen en de systatische verticale verbanden, enz. Alleen in die geest is het mogelijk psychologie van het gevoel, van de waarneming, van de suggestie enz. afzonderlijk te beoefenen. Wie echter dan daarna de vraag zou stellen hoe hij als man van wetenschap het psychische leven kan opbouwen, vergeet dat niet hij dit kan doen. Al kan hij in het experiment misschien eens enkele details, die hij [/57a19] eerst door resolvering heeft ontdekt, door de compositieve methode verbindenook die details komen dan toch te liggen in een psychisch leven dat wortelt in dat der voorgeslachten, dat in successief verband staat met het, de psycholoog misschien vrijwel onbekend, verleden en met de toekomstverwachtingen van de onderzochte, niet minder ook met al diens lagere en ook hogere functies.

Een isolering is nochtans te voltrekken. Doch steeds is ze zelf gnotisch van aard. De onderzoeker zal echter, indien hij haar ver doorvoert, verstandig doen zich telkens de verbanden te herinneren in welke hij het onderzochte aantrof. Dan zal hij zich kunnen hoeden voor de dwaling, dat hij uit samenvoeging van aldus geïsoleerden weer een nietwetenschappelijke geheel heeft op te bouwen, of dat hij dat ook maar zou kunnen. Wat hij alleen kan is, beginnende bij de isolering van het veld van onderzoek, en steeds verder daarin doordringende, zijn wetenschappelijke resultaten zo nu en dan eens te ordenen. Het gevolg zal ook zó vruchtbaar kunnen zijn voor het nietwetenschappelijk leven. Want dat is het meest gebaat bij een beoefening van de wetenschap bij welke de onderzoekers weten dat de eigenaardigheid van het onderzochte niet bestaat bij de gratie van een door de onderzoeker bepaald "gezichtspunt", maar krachtens een eigen wet Gods.

Meer dan een programmatische opzet is voor heden hier niet bedoeld. Geslaagd zal ik mijn pogen achten, indien het me gelukte U te laten zien hoe het Calvinisme, wel verre van tot het verleden te behoren of op hellenistisch-scholastische motieven te moeten teren, met behulp van nuchtere exegese "ziel" en "psychische functie" onderscheidend, in staat is: 1e. krachtens de belijdenis van de onmiddelijke soevereiniteit Gods over iedere wetskring de eigenaardigheden van het psychische volledig te erkennen, en 2e. krachtens een daarbij passende kentheorie de mogelijkheid van een psychologie te handhaven, welke is opgebouwd op enkele uiterst eenvoudige onderscheidingen.