[/57c8]
DE WIJSBEGEERTE VAN HET EVOLUTIONISME
(Samenvatting van het referaat, gehouden op de jaarvergadering der Vereniging, 2 Januari 1957.)
Het thema der evolutie, hoewel nog geen twee eeuwen oud, ontwikkelde sinds zijn optreden ongekende kracht. En niet slechts in het milieu waarin het ontstond, maar evenzo onder Christenen.
In Calvinistische kring had het praktisch geloofsinzicht met de afwijzing geen moeite: intuïtief voelde men aan, hier met een opvatting omtrent God en wereld van doen te hebben, die kortweg onaanvaardbaar was: in dit opzicht volgen de theologen der oudere generatie-Kuyper en H. Bavinck-en de biologen van onze tijd-Diemer en Lever èèn lijn. Evenzo zag men in, dat dit standpunt voor de wetenschap consequenties inhield. Bij de uitwerking van deze laatste gedachten stuitten echter beide generaties op grote moeilijkheden: Kuyper en Bavinck zochten steun bij aan de late Aristoteles georiënteerde louter kosmologische concepties, de biologen bij een min of meer Augustijnse preformatie-theorie. De laatste opvatting heeft op de vroegere voor, dat zij het genetische denken recht wil doen. Toch zal het nodig zijn geheel de kwestie van het evolutionisme in breder verband na te gaan. Want daar het thema der evolutie een wijsgerig karakter draagt, zal de vakwetenschap het ook hier niet zonder hulp van een geestverwante filosofie kunnen stellen. En dan niet slechts voor de systematiek, maar ook voor de geschiedenis. Vandaar dat het dringend nodig is, de wijsbegeerte van het evolutionisme eens nader te bezien.
Daarbij onderscheide men haar karakter, problematiek, verscheidenheid, en beoordeling.
Karakter
Evolutie is de zelfontwikkeling van een genetisch monistische oorsprong, die verticaal divergeert. Daarbij wordt de zelfontwikkeling, die niet met de divergentie te vereenzelvigen is, als actieve vooruitgang gedacht. De combinatie van deze twee themata was eerst bij de voorlopers van het positivisme mogelijk: vroeger is dan ook van evolutionisme geen sprake. Reeds deze karakteristiek is van belang: het genetisch karakter van het evolutionisme sluit materialisme uit; dat zelfs voorstanders van het evolutionisme dit niet zagen, berust op een tekort aan inzicht in de geschiedenis der wijsbegeerte, die "materialisme" en "hylozoïsme" dient te onderscheiden.
Problematiek
Daar het evolutionisme een vrij grote verscheidenheid vertoontnaast elkaar staan hier niet minder dan zeven typen!, vergt de karakteristiek de aanvulling met een problematiek.
Te deze onderscheide men twee vraagstukken.
Het eerste raakt de kwestie, of de zelfontwikkeling al of niet onder de primaire divergentie van de oorsprong ressorteert. Hier antwoorden de parallelisten in bevestigendehylozoïsme en prioriteitsleer daarentegen in ontkennende zin.
Het andere probleem betreft de omvang van het gebied der evolutie: sommige evolutionisten beperken dit terrein tot dierenrijk en mensheid, anderen daarentegen achten ook de plantenwereld in de evolutie betrokken.
Deze problemen laten zich niet tot elkaar herleiden: zij kruisen. Daardoor staan in het evolutionisme al spoedig zes concepties naast elkaar; daar èèn van deze zes bovendien een mythologiserend analogon bezit, komt men tot een total van zeven concepties.
Verscheidenheid
Bij het hylozoïsme der wisselwerkingstheorie onderscheide men in het evolutionisme de zoölogische richting (De Buffon, Stumpf, in diens latere jaren, en de mind-stuff-theorie van McDougall) en de fytologische (De Lamarck, Darwin en Haeckel). Bij de laatste conceptie sluit dan in mythologiserende zin de conceptie van Nietzsche, na diens breuk met Wagner’s dualisme, aan. Onder de parallelisten staat de beperkte richting der frenologen (Oken en de time-space theorie van S. Alexander) tegenover de volledig parallelistische der monadologen (Fechner, in diens latere jaren, en Spencer). Tenslotte de prioriteitsleer, die bij het evolutionisme steeds gepaard gaat met impetus-theorie; zij splitst zich in instrumentalisme (Bergson) en vitalisme (Fouillèe en Whitehead).
Beoordeling
Te waarderen valt in het evolutionisme de ruime plaats aan "het worden" toegekend, dat in het geschapene zowel bij elk der rijken afzonderlijk als bij de onderlinge verhouding van deze rijken een rol speelt.
Toch dient deze stroming resoluut te worden afgewezen. En wel op de volgende gronden:
1. Het evolutionisme wortelt in het contrasterend denken der Grieken; vandaar dat het uitgaat van het dilemma "òf dualisme òf monisme", welke probleemstelling voor Schriftuurlijk denken onaanvaardbaar is.
2. Door te kiezen voor het monistisch alternatief zoekt de ontologie van het evolutionisme God binnen de kosmos: Hij is ident òf met de oorsprong òf met de hoogste der twee uit de oorsprong divergerende loten.
3. Anderzijds brengt het evolutionisme de wereld, van welke het alleen het aardse ziet, onder èèn noemer, onverschillig of het deze "materia prima", "onbekende derde" of "het ène" noemt.
4. Door deze opvatting van de wereld kan het evolutionisme [/57c9] geen recht doen aan de verscheidenheid van wetliefdegebod, structuur wet en positieve wet. Daardoor valt in de leer omtrent de mens de verscheidenheid van ziel en functie. Ook komt binnen de structuurwet de veelheid der modaliteiten te kort, terwijl de contrasterende trek de erkenning van retro- en anticipaties in de weg staat.
5. Door het accentueren van beweging en verandering, voornamelijk aan het súbject georiënteerd, heeft het evolutionisme niet of nauwelijks plaats voor de erkenning van het object: ook waar men deze aantreft, nl. bij Whitehead, speelt het object in de leer der aanpassing geen enkele rol.
Eerst wanneer men met deze wijsgerige bezwaren rekening houdt, zal de wetenschappelijke weerlegging van het evolutionisme in Calvinistische kring zonder moeite met het op de Heilige Schrift gefundeerde praktische geloofsinzicht stroken. [57c9//]