[/59d1]

Getuigen in de Wetenschap

Daar is hier al enkele malen gesproken over getuigen. Getuigen vanuit de kerk, getuigen in de maatschappij, en getuigen in de kunst en nu vanmiddag is aan de orde getuigen in de wetenschap.

Lang stilstaan bij de betekenis van de term getuigen zal dus in dezen kring op het ogenblik niet nodig en zelfs niet gewenst zijn. Daarom haal ik liever naar voren drie trekken, in elk getuigen aanwezig.

Bij elk getuigen gaat het over iets. In de tweede plaats is daar een persoon of zaak ten gunste, soms ook ten nadele—maar dat geval kan hier blijven rusten—van wie een getuigenis wordt afgelegd. En ten derde: getuigen geschiedt altijd ten aanhoren van anderen. Bij getuigen gaat het dus altijd over iets, getuigen geschiedt ten gunste van een persoon of zaak en tenslotte: het vindt plaats ten aanhoren van anderen.

In verband met deze drie trekken wilde ik vanmiddag tot u spreken over:

Terrein en inhoud van dit getuigenis;

Zijn waarde;

De bij dit getuigenis betrokkenen.

[1. Terrein en inhoud van het getuigen]

Allereerst dus over terrein en inhoud. Ook iets over het terrein.

[a. Inleiding. Het terrein van wetenschap]

Ik zou hier ook kunnen spreken over het karakter van het gebied waarop dit getuigenis wordt afgelegd- We zijn hier bezig op het gebied van de wetenschap. Evenals de praxis onderstelt de wetenschap de volle werkelijkheid. We beginnen niet bij de kentheorie of, (/138) nog enger, bi de theorie van het wetenschappelijke kennen, om dan te pogen vandaaruit een wereld op te bouwen, maar we beginnen bij de volle werkelijkheid en trachten dan de plaats van de wetenschap in haar te bepalen. Die volle werkelijkheid omspant in de eerste plaats God, die Zijn wet stelde en Zijn maaksel schiep, en, achter Zijn wet staande, dat wil zeggen Zijn wet handhavend, haar telkens weer doende voelen als Zijn wet, met Zijn maaksel Zijn plan volvoert. Onder wet versta ik hier allereerst het liefdegebod, aan de mens gesteld. Te onderscheiden van de structuur-wetten, die zich in de kosmos bevinden, en van de positieve wetten die de brug slaan tussen dat liefdegebod en de toestand [/59d2] binnen de kosmos in een bepaald gebied, zowel modaal als geografisch bepaald.

Dat liefdegebod is iets anders dan norm. Want de norm behoort tot de structuurwetten. Daar zijn structuurwetten die beslist geen normen zijn - dat geldt voor alle benedenlogische wetten - maar vanaf het logische zijn de structuurwetten normen, want de norm onderstelt, dat het aan een wet onderworpene zich van die bepaalde wet kan onderscheiden en uiteraard komt dat niet voor in die modaliteiten, waar van onderscheiden nog geen sprake is, maar treedt dit verschijnsel, dat de wet norm is, terstond op daar waar onderscheiding mogelijk is, dat wil zeggen in het logische. En wij als mensen, wij staan nu, wat de practijk betreft, met onze structuur of in onze structuur, op de plaats waar God ons heet gesteld en ons leven doorloopt een bepaalde levenslijn in Zijn plan. We staan daarbij voortdurend in verband met God; coram Deo, voor Zijn aangezicht, leven wij, bekend met Zijn Woord en geleid door Zijn Geest. Maar daar zijn levenslijnen en daarin is tijd en in die tijd kunnen we onderscheiden het vroegere en het latere.

Zie deze laatste twee vooral niet in de verhouding van universeel tot individueel. Het kan wel eens zijn dat een dergelijk verschil zich daarmee verbindt, maar pas daarmee op. In de gereformeerde theologie is vaak gepraat en ook wel gezeurd over 'de volgorde in de besluiten Gods', maar laten we geen ogenblik vergeten, dat het bij de heilsorde gaat om de verwerkelijking van Gods beloften in bepaalde levens. Last ik een voorbeeld mogen noemen: de doopsbelofte komt tot meer mensen dan de latere beloften, want er zijn nu eenmaal heel wat dopelingen, die de doopsbeloften niet aanvaarden, zodat ze niet aan verdere beloften van God toekomen. Doch dit verschil is er een van vroeger of later, van meer en minder, dat ge u nooit duidelijk kunt maken met behulp van het schema universeel-individueel. U en ik hebben die eerste, die fundamentele belofte Gods voor geheel ons leven aanvaard en de vraag, of er van latere en nieuwe beloften in een (/139) leven sprake kan zijn, waaraan we ons hechten en waarop we pleiten, is afliankelijk van het antwoord op die andere vraag, of die doopsbelofte aanvaard werd.

Welnu, zoals het staat in de practijk, zo staat het ook in de wetenschap is een stuk van de werkelijkheid. Ook wetenschap, want ook deze leeft bij relaties binnen het geschapene. Dit zijn echter niet de relaties van het practische leven. Deze zijn onder meer die van subject en object: ik geniet hier van de stralende natuur om ons heen, de kleuren en hun tinten in onze naaste omgevlng. In dat practische leven hebt u natuurlijk ook de verhouding van subject en subject. De verhouding tot de planten, tot de dieren, tot de medemens, en in verhouding tot die medemens kan ik nog minder dan in al die andere verhoudingen vergeten, dat ik tegelijk als subjèct sta onder de wet van God die ook deze verhoudingen regelt. Maar de relatie [/59d3] van de wetenschap is niet die van de omgeving, maar die van het logische subject tot het niet-logische veld van onderzoek en nu spelen in die niet-logische velden voor het wetenschappelijk onderzoek natuurlijk de subjecten wel een zeer belangrijke rol, maar ze zijn daarin toch niet het enige. Wanneer ik psychologie beoefen, dan kan ik dat natuurlijk niet doen zonder te denken over het gevoelsleven bij dier en mens, maar ik kan dat ook niet doen zonder te denken over veel psychische objecten waarop dat gevoelsleven zowel bij dier als bij mens, zij het ook op verschillende wijze, reageert. Het veld van onderzoek is dus niet louter object. Het is zelfs niet in de eerste plaats object. Het object ligt erin, maar het veld is altijd veel breder dan het object.

Dit even ter inleiding om het terrein te karakteriseren waarop we ons vanmiddag bewegen, wanneer het hier gaat over getuigen in de wetenschap.

[b. De inhoud van het getuigen op wetenschappelijk terrein]

Hoe kunnen we nu daarmee beginnen? Wat is de inhoud van dat getuigen?

In de eerste plaats vraag ik ook hier naar het positieve. Is dat altijd een betoog, een uiteenzetting, liefst nog in de vorm van een bewijs? Geen sprake van.

Ik heb eens gehoord van een leraar in de wiskunde, die, midden in zijn betoog, waarin hij bezig was met het uitwerken van zeer ingewikkelde vergelijkingen over tamelijk gecompliceerde verhoudingen, ineens stilstond en, naar zijn tekeningen op het bord ziende, zei: ‘het is toch mooi, dat dit alles in het geschapene ligt’. Kijk, dat is de houding die de man en vrouw der wetenschap, wil het tot getuigen (/140) komen, in de eerste plaats nodig hebben. Dat ze leven uit de overtuiging: ‘dit is Gods wereld, Zijn schepsel, en wat we verrichten is het doen van de ene ontdekking na de andere’ en telkens weer verrast zijn bij het ontwaren van nieuwe en niet bevroede verhoudingen in het werk van de Vader in de Hemel. Maar we hebben daarbij in het oog te houden, dat ook in dat veld van onderzoek de tijd een rol speelt. Dat God hier Zijn plan ontvouwt. We hebben rekening te houden met de temporele ontplooiing binnen de rijken en ik denk hier aan de geschiedenis van de mensheid.

Iets dergelijks, die kwestie van vroeger en later, niet maar rakend bepaalde functies doch geheel het bestaan, vindt u in de dierenwereld, in het plantenrijk en evenzo in het gebied van het fysische. Want het materialistische materie-begrip is al even hopeloos onbruikbaar geworden in de tegenwoordige tijd als het hylemorfistische. We kunnen ook het gebied van de fysische dingen niet denken buiten een ontplooiing, een ontplooiing van fysische aard, maar toch een ontplooiing, een verwerkelijking van allerlei mogelijkheden in de voortschrijding van vroeger naar later. En het is juist een gemis in het christelijk denken, onder invloed van statisch denkende filosofen als Aristoteles, dat men daar te weinig oog voor heet gehad. In [/59d4] zoverre kan het evolutionisme beschouwd worden als een reactie, die de aandacht vestigde op een leemte.

Maar dat getuigenis heet ook een negatieve inhoud en dan begin ik maar bij dat laatste, bij het evolutionisme. De behoefte, eens na te denken over de wording in het plantenrijk en in de dierenwereld en via deze in het mensenleven moge dan misschien ten dele verklaarbear zijn als reactie tegen een verzuim in christelijke kring, we mogen geen ogenblik vergeten, dat het evolutionisme als zodanig voor ons onaanvaardbaar is en dat we dus wel degelijk in ons getuigenis binnen de wetenschap dit punt hebben te betrekken. Want alle evolutionisme is monistisch, stelt God en wereld gelijk of ziet God als een deel of als een contrast van de wereld; bovendien ver-wart het altijd weer dat natuurlijke schema vroeger en later, dat ge overal in de geschiedenis van ieder rijk aantreft, met een geheel ander verschil namelijk met dat van een lagere en hogere structuur. Er is nergens bezwaar tegen, te zeggen dat het latere uit het vroegere voortkomt, mits men natuurlijk niet denkt, dat men daarmee gereed is en het denken nu wel verder kan ophouden; maar er is wel degelijk bezwaar tegen, te zeggen dat de rijker geconstrueerde rijken voortkomen uit de lagers; en in geen geval mogen die twee verscheidenheden met elkander worden verward.

We hebben dus in de wetenschap, voorzover het getuigenis (/141) negatief is, zeker in de eerste plaats dat getuigenis te richten tegen het evolutionisme. Maar niet alleen daartegen. Een tweede en niet minder gevaarlijke vijand is het historisme. Onder dat historisme versta ik niet de overschatting van een bepaalde functie, zoals bijvoorbeeld bij het technicisme en het economisme het geval is; wanneer ik de geschiedenis zie als de volvoering van Gods plan in het schema van vroeger naar later, waarbij de dingen en de mensen in hun geheel betrokken zijn, uiteraard in het samenweefsel van hun onderlinge verbanden, dan begrijpt u wel, dat ik in het historisme iets anders zoek dan het overschatten van een functie. Dat wil intussen niet zeggen dat ik er ook maar een goed woord voor over heb. Wat is historisme? Historisme is dit, dat men de wet Gods, en dan speciaal ook de liefdewet, neerhaalt binnen het subjecte en daarna of daarom—dit kan samenvallen—die wet tracht te verklaren uit de geschiedenis. Historisme vindt u daarom ook bij denkers, die zuiver statisch te werk gaan in hun wijsbegeerte. Ik denk hier aan een psycholoog-filosoof als Klages, die een volledig statisch wereldbeeld heet, maar echt als levensfilosoof volbloed historist is. Had Aristoteles indertijd geleerd, dat de bovenpersoonlijke denkgeest in het individuele denkvermogen telkens weer ingrijpt door daarmee contact te maken en het zo te actualiseren, en zocht Aristoteles als intellectualist, daarin wel het hoogtepunt van het mensenleven, Klages heet deze zaak overeenkomstig de grondprincipia van de levensfilosofie precies omgekeerd. Hij gaat uit van het individuele, het leven, en ziet nu in dat contact maken van de bovenpersoonlijke denkgeest met die individuele levens iets verschrikkelijks. [/59d5] Want, zegt hij, dit actualiseren is er niet steeds geweest: die geest heet Einbruch gepleegd; wat Aristoteles dus prees als een contact maken, waardoor het potentiële actueel kon worden, wordt hier verafschuwd als een binnenbreken van de geest in het mensenleven. Dat is er niet altijd geweest, maar dat is gebeurd en zo komen we dan tot de Auffassungsakt en nog erger tot de Willensakt: daardoor komen er normen die aan het leven worden aangelegd. Zodat, wie zo dwaas is om naar die normen te luisteren, het leven verspeelt, het in stukken ziet breken. U ziet, hier is historisme bij een denker, die zuiver statisch denkt, omdat hij bij de late hylemorfistische Aristoteles aansluit.

We hebben dus bij ons getuigenis wat de inhoud betreft, uitgaande van het karakter der wetenschap, allereerst te leven uit deze houding dat we bewonderen willen. Het gaat niet om beheersen, zelfs niet om beheersen van bepaalde leerstof; dat is goed voor een tentamen en een examen en voor het doceren. Maar het eigenlijke onderzoek, daaraan ten grondslag liggend, moet zijn positief een bewonderen (/142) van Gods maaksel. En wie hier de houding nog niet heeft geleerd van een kind, dat bewonderend tot zijn vader opziet die zo ontzaggelijk veel meer kan dan hij, die is aan de echte wetenschap nog niet toegekomen en die zal ook licht verspelen de mogelijkheid in de wetenschap de basis te vinden voor een getuigende houding. En wat het negatieve betreft, wil men actueel zijn, laat men dan vooral bij zijn getuigen letten op het evolutionisme en het historisme, want die twee zijn op het ogenblik verreweg de gevaarlijkste tegenstanders.

[2. De waarde van het getuigenis in de wetenschap]

[a. Inleiding over waarden]

Ik kom nu tot mijn tweede punt: de waarde van het getuigenis in de wetenschap.

Met dat woord 'waarde' wordt tegenwoordig ontzaggelijk gesold. Voor menig humanist betekent ‘waarde’ even veel als ‘wet’. Voor ons is dit natuurlijk geen reden om deze woorden ongebruikt te laten. Maar laten we dan die twee, wet en waarde, scherp van elkander onderscheiden. Van waarde kunnen we spreken bij het subjecte in zijn relatie tot de wet van God, namelijk in dat geval wanneer die relatie goed is; anders spreken we van onwaarde. Natuurlijk is de werkelijkheid zeer gecompliceerd en liggen waarde en onwaarde zó dooreen dat het ons uiterst moeilijk valt scherp te onderscheiden, maar het gaat hier om een begrijpsverheldering tegenover een verwarring die bedenkelijk is.

In deze zin het woord waarde gebruikend hebben we hier weer allereerst te letten op de waarde van het terrein en op de waarde van het getuigen zelf

[b. De waarde van het terrein van wetenschap]

In de eerste plaats dan de waarde van het terrein waarop we getuigen, van de wetenschap. In enkele decennia hebben we een geweldige frontverandering meegemaakt. Vroeger werd de wetenschap danig overschat. [/59d6] Ik denk hier in de eerste plaats natuurlijk aan het determinisme, met zein mening, dat geheel de gang van het wereldproces voorspelbaar was; niet dat we dat nu zo één twee drie zouden klaarspelen, maar indien we maar steeds verder doordrongen en de beschikking hadden over een genoegzaam aantal gegevens, dan was het voor een mens in principe toch mogelijk geheel de toekomst af te lezen uit datgene wat hij thans wist. Nu heeft het determinisme echter ook in de rationalistische periode lang niet allen bekoord; hier was maar een uitloper. Wat men echter overal aantrof, dat was de (/143) waan van de souvereine geest, van de souvereine mens. De wetten, door de Grieken buiten de menselijke geest gezocht, buiten de wereld of in de wereld, werden, toen de scepsis twijfelend ging vragen, of die wetten wel bestonden, geleidelijk de een na de ander overgeheveld naar het menselijk brein. Men voelt de bedoeling. Men ging ten dele met de scepsis mee: de wetten, zoals die door de Grieken werden gezien en daar waar ze bij de Grieken werden gezocht, die bestaan niet; we kunnen echter niet buiten wetten; wanneer we ze nu eens niet zochten buiten ons, maar in ons! Zo krijgt men reeds vóór het begin van de christelijkejaartelling deze dwaasheid, dat de wetten in ons zouden zijn. Algemeen geldige begrippen; algemeen, dat wil zeggen universeel, want ze zijn wetten, maar bovendien ook geldige begrippen, niet aan de ervaring te danken, maar in tegendeel aan alle ervaring voorafgaande, zoals ook de wetten, door de Grieken gezocht, uiteraard aan alle ervaring voorafgingen. En het aantal aprioris is gegroeid, steeds weer gegroeid. Tijdens de middeleeuwen is er bij gekomen het universele logische object; in het begin van de nieuwe tijd het universele psychische object; van kleur, klank, geur, enzovoort bleef in de extramentale wereld, de wereld buiten onze geest, niets anders over dan een menigte van sense-data, die dan uiteraard individueel waren en moesten bewerkt worden met die universele apriorische begrippen.

Men behoefde dus geen determinist te zijn om toch ten prooi te vallen aan deze overschatting van de ratio en mettertijd, toen er steeds meer apriori's kwamen, aan het rationalisme zelf. Het toppunt van eigenwaan werd dan bereikt in het idealisme; het onderscheidde apriori's voor de wetenschap en voor de practijk en meende nu uit een derde soort van apriori's die twee andere te kunnen deduceren. En toen het, sinds de opkomst van het late rationalisme niet meer ging over apriorische begrippen, maar over apriorische methodes, had men wetenschappelijke methodes en practische methodes en dan waren er tenslotte filosofische methodes van de idealist die die andere twee methodes moesten constitueren. Dat is de overschatting die in de wetenschap heeft huisgehouden en invloed kreeg ook in de practijk, ook in de christelijke practijk. Ik herinner me nog, dat, toen de eerste wereldoorlog uitbrak, een vriend bij me op de kamer kwam en me half verwijtend vroeg: ‘had de wetenschap dat nu niet kunnen tegenhouden?’ Wij in onze tijd voelen heel scherp aan, hoe hier een [/59d7] geweldige overschatting van de wetenschap was. Wanneer men even eigen leven gadeslaat en daarbij stilstaat, dan weet u, dat de praxis niet is een toepassing van wat wetenschappelijk vaststaat: laat staan dat men met iets dergelijks zou hebben te maken bij de (/144) onderlinge spanningen van de volkeren! Maar we hebben een geweldige omslag meegemaakt, vooral bij speculatieve geesten.

Tegenwoordig is de wetenschap bij hen heel weinig in tel. Ze hebben het over de nutswaarde en dan dient de wetenschap in dienst daar-van te worden gesteld. Ze spreken over levensmystiek en zoeken een religie die zich duidelijk laat maken met de gedachte, met het thema, dat het individuele straks zal opgaan in het universele—dat is heel de religie hier—. En tenslotte zweert tegenwoordig het existentialisme bij het naakte bestaan dat vol verachting op de wetenschap neerziet. Ook hier hebben we met een reactieverschijnsel te doen. Maar ook hier is dat niet het laatste woord. Het kan ons helpen, te verstaan, maar het mag vooral niet daartoe dienen, dat we elkaar vergeven, wanneer we met die reactie meegaan. Uit de reactie leven is altijd doodgevaarlijk; en ook in de wijsbegeerte zijn houding te laten bepalen door de reactie tegen een voorgaande stroming leidt werkelijk nergens toe. Want het irrationalisme heeft met het rationalisme het subjectivisme gemeen. Maakt het zo heel veel uit of men nu als apriori's aanvaardt wetenschappelijke methodes of irrationele existentialen? Ten opzichte van de hoofdvraag, of men geheel de wereld uit het súbject, dat tegelijkertijd subjèct is, wil verklaren, toch niet! En als het gaat om een getuigenis voor God en voor Zijn zaak, vergis u dan niet. Zeker, dan kunt ge, wanneer ge echt christen zijt, niet terecht bij de natuurlijke theologie van het rationalisme. We lachen om die natuurlijke theologie van mensen als Herbert van Cherbury c.s. Maar wanneer u nu een denker als Rudolf Otto neemt, die u weet te spreken over de huivering voor het numineuze, nu, dan kunt ge toegeven, dat hij meer van de subjectszijde van het religieuze leven heeft gezien, maar wat hij opmerkt, gaat op zowel voor christelijke als voor heidense religies en van een getuigenis voor God en tegen Satan, daar-van is ook bij Rudolf Otto geen sprake. En daarom: laten we voorzichtig zijn en niet meegaan met het irrationalisme, soms uit christelijk motief. Want dan is het ook met de erkenning van de waarde der wetenschap gedaan. Ik zeg dit waarlijk niet om nog een goed woord te spreken voor het rationalisme; integendeel, dit blijve ook hier geoordeeld. Maar waar haalt men toch de moed vandaan om de wetenschap te diskwalificeren? Zij behoort tot het gebied van de kenniswaarde, en die is er. Men mag haar niet overschatten, maar dat geldt voor alles. Maar er is kenniswaarde: altijd weer staat kennis tegenover dwaling en dat geldt niet alleen in de practijk maar ook in de wetenschap. Derhalve is de waarde van de wetenschap te zoeken binnen de waarde van het kennen, die tegenover de onwaarde van de dwaling staat. De waarde van de wetenschap berust dan ook niet op (/144) de diensten [/59d8] die ze aan de practijk bewijst, en evenmin behoeft zij haar waarde te ontvangen vanuit de hoogte ener mystiek. Integendeel, zoek die waarde maar gerust in die wetenschap zelf, mits ge die wetenschap ziet als een onderdeel van de schepping Gods en de rol der wetenschap als onder-worpen aan het plan Gods. Dat over de waarde van de wetenschap.

[c.] En nu iets over de waarde van het getuigen

Tegenwoordig heerst er een geweldige scepsis ten opzichte van laatstbedoelde waarde. De scepsis staat niet op zichzelf, ze houdt verband met de devaluering van het woord, inzonderheid bij het existentialisme. Hoe ligt dat dan? Wel, men gaat er van uit dat eigen existentie, de kern van het eigen bestaan, toch verborgen blijft. En nu kan men wel spreken, maar spreken is zich wenden tot de openbaarheid en die openbaarheid staat tegenover de verborgenheid en dus is spreken eigenlijk openbaring van verborgenheid, en dat gaat niet, want het is veruitwendigen van het inwendige. En zoals men zich dit dan bij een mens als een scherpe tegenstelling denkt, denkt men het zich ook bij God. Het Woord in de openbaring, dat is Gestalt, die niet Gehalt is en daarom waardeloos.

Hoe dit nu te zien? Laten we beginnen met de erkenning, dat vervalsing wel degelijk mogelijk is bij het schepsel. Allereerst bij Satan. Het valt inderdaad wel heel moeilijk de vader der leugenen te onderkennen wanneer hij in de gestalte verschijnt van een engel des Lichts.

Inderdaad, hier is vervalsing in de hoogste graad. In zijn verhouding tot Satan tekent de Schrift nu de mens als slachtoffer: ‘het bedrogen hart heeft hem terzijde afgeleid’. Ge hoort in deze woorden de deernis van God met Zijn mensenkind in diens strijd tegenover Satan. Toch is het ook waar, dat die mens Satan kan volgen: wanneer hij aan Satan's kant gaat staan tegenover God, is hij niet uitsluitend meer de bedrogene, maar kan ook hij optreden als bedrieger. Laten we de grootheid van dat kwaad vooral niet onderschatten. Er is vaak een spel om een bepaalde indruk te maken. Denk eens aan het diplomatieke spel van de volken. Wat betekenen die geweldige bombardementen daar op dat kleine eilandje, dat voor geen van beide partijen militair zoveel waard is? Is dat alleen maar laten merken, dat men er is en dat men eisen vervuld wil zien? Of is dat het inluiden van een grote stri d? Wie weet dat? De volkeren zelf tasten elkaar af. Ze wagen wat; die waagt dit en die waagt dat te onderstellen, maar zeker weten doet niemand het. Bij Satan is de vervalsing dus wel heel erg en ook in het mensenleven heeft die vervalsing (/146) ontzaggelijke proporties aangenomen.

Maar hier moet ge dan ook halt houden om op deze manier het verborgene tegenover het geopenbaarde te stellen: het Woord der openbaring als een vervalsing bij God te beschouwen gaat niet op. Daar zijn wel speculaties in dezen geest, en wonderlijk, nu het over God gaat, in alle richtingen. Het mythologiserend denken heeft de mythe van een God met Zijn twee [/59d9] Zoons, de Christus en Satan. Het relativisme kent zijn coincidentia oppositorum, waarbij ja en neen tegelijk waar zijn. En zelfs bij het statische denken, dat zweert bij het principe van de uitgeslotene contradictie, vindt ge toch ook het thema van de vervalsing door het woord. Jaspers spreekt van een God in de verte, en tussen die God in de verte en het individuele mensenleven is het Bewusstsein _berhaupt; het een en ander is nodig voor ons om te kunnen transcenderen; maar ,,n ding staat vast: die God in de verte kan niet spreken, kan zich niet openbaren! Tegenover dat alles nu staat het christendom met zijn kinderlijk vertrouwen op het Woord Gods. Ook God heeft Zijn geheimen. Dat zegt Hij zelf soms, maar dan gebruikt Hij ook het woord geheim. En daar is geen vervalsing bij. Daar zijn zaken die God voor Zichzelf houdt, die Hij op Zijn tijd openbaart. Dat raakt niet de kwestie van eerlijkheid. Eerlijkheid is niet: alles zeggen wat men op zijn hart heeft; in de practijk plegen de ergste brokken te komen, wanneer men die opvatting van eerlijkheid huldigt. Maar eerlijkheid wil zeggen dat men meent wat men zest en dat men staat voor de oprechtheid van zijn woord. Last ons daarop letten: het getuigenis dat een christen kan afleggen wordt in zijn waarde betwijfeld door allen die die moderne opvatting hebben over de verhouding van verborgen existentie en openbarend woord, dat immers toch maar een vervalsing is. Dit is maar niet een stukje taalfilosofie; dit is een stukje mensbeschouwing, heidense mensbeschouwing, en neemt die vooral niet over. Zeg rustig, dat er vervalsing is bij Satan en bij de mens, maar begin als christen weer te leven naar het Woord van de Christus: ‘uw ia zij ja,’ u vol schrik herinnerend wat daarachter komt: ‘en wat bovendien is, is uit de boze’.

En zo hebben we dan te getuigen met woorden. En dan maar niet alleen een woord voor God spreken—dat kan natuurlijk ook te pas komen—, maar ook in de moeizaamheid van het wetenschappelijk werk ernst maken met de woorden. Op het gebied van de geschiedenis van de wijsbegeerte heerst een chaotische toestand, omdat men voor elke term drie, vier, vijf betekenissen heeft en dan rustig concludeert op deze wijze: een stelling met dat woord in de eerste betekenis, een stelling met dit woord in de tweede betekenis, en men zet er een (/147) streep onder: conclusie:.... Maar daaruit valt natuurlijk niets te concluderen. Al verder, daar wordt gekronkeld met woorden in de geschiedenis van de wijsbegeerte, omdat men zich niet de moeite gunt om werkelijk bij de geschiedenis stil te staan. Een voorbeeld: Heijmans is aanvankelijk parallellist geweest: de lijn van het bewustzijn en de lijn van de werkelijkheid liepen zijns inziens parallel. Later is hij tot het psychomonisme overgegaan: daar bestaat alleen een levensgeest met apriori's en toevallige inhouden, maar een mens heeft geen materieel sooma. En zonder veel nadenken heeft Heijmans zijn eigen levensgang getekend: eerst heb ik twee parallelle lijnen aangenomen, later bleek me echter, dat de onderste lijn kon wegvallen, waarom ik die toen heb geschrapt;[/59d10] thans houd ik slechts de bovenste lijn over en ben nu idealist. Men kan ook die bovenste lijn laten vallen, dan wordt men materialist; het derde mogelijke standpunt is dan het parallellisme. Met de onderscheiding van deze drie typen zou dan geheel de geschiedenis van de wijsbegeerte kunnen volstaan, terwijl bovendien slechts parallellisme en materialisme typen aanduiden en het idealisme een tijdstroming is!

Nu was Heijmans een en ander nog te vergeven, omdat hij die overgang persoonlijk had meegemaakt, en alleen tekort schoot in de fixering van datgene, wat deze wijziging inhield; maar wanneer men nu, decennia na Heijmans’ dood, bij een leerling nog datzelfde verhaal vindt, dan zegt men: waar blijft toch de wetenschappelijke bezinning in de geschiedenis van de wijsbegeerte op de termen die men gebruikt? En welke waarde is er dan nog aan dat onderwijs toe te kennen? Ook hier is devaluering van het woord. Uiteraard niet opzettelijk, maar tengevolge van de gecompliceerdheid, ontstaan doordat het bedrogen hart de mens steeds verder terzi de deed afwijken.

Zo hebben we te getuigen voor de waarde der wetenschap en we hebben ook de waarde van het getuigen zelf in de wetenschap te handhaven. Wie werkt bij het licht van Gods Woord, komt verder, en kan daardoor anderen helpen. Precies zoals het in de practijk gaat: mensen die bij het Woord Gods leven en overal vraagtekens durven zetten, maar achter het Woord Gods niet, die kennen zichzelf en hun medemens. Die bouwen niet op zichzelf en op allerlei menselijke bewegingen, maar alleen op God. Zo nu is het ook in de wetenschap: wanneer men maar rustig doorwerkt bij het licht van Gods Woord, vindt men veel meer dan anderen; en dan mag men daar uiteraard niet hoog mee doen, want we hebben het om niet ontvangen, maar we mogen wel zeggen: daarmee kunnen we anderen helpen en tot zegen zijn. Zulk getuigend werken is van waarde.

(/148) [3. De betrokkenen bij het getuigenis]

Tenslotte, de betrokkenen. ja, die zijn niet overal dezelfde. Last ik eens onderscheiden het getuigenis in niet-christelijk milieu en in christelijk milieu.

[a. Het getuigenis in niet-chyistelijk milieu]

In niet-christelijk milieu zijn de anderen ten aanhoren van wie we getuigen - ik blijf nu in de kring van de wetenschap—rationalisten of irrationalisten. Vereenzelvig deze tegenstelling niet met die van optimisten en pessimisten. Want er zijn pessimistische rationalisten geweest, denk aan Schopenhauer, en het irrationalisme is lang niet alti . d pessimistisch. Beter zijn de termen zelfbewust en sceptisch. De rationalist is zelfbewust, de irrationalist is sceptisch. Ons christelijk getuigenis staat zowel tegenover de een als tegenover de ander. Tegenover het zelfbewust optreden van de rationalist erkennen we, dat alle wetenschap geboren wordt uit moeizaam onderzoek, waarbij de wetten niet liggen in onszelf, maar we ook die [/59d11] wetten hebben op te sporen; en tegenover het scepticisme hebben we rustig te getuigen van de waarde der wetenschappen, mits de waarde van het woord in de wetenschap niet hopeloos devalueert. Maar wat de situatie nog moeilijker maakt is dit: in een bepaald gesprek kunt ge wel met een rationalist te maken hebben en in een ander met een irrationalist, maar in het algemeen staan we tegenover beide tegelijk.

Daarbij komt - laten we onszelf niet overschatten! - dat we ons niet altijd vrij weten te houden van besmetting met een van deze twee of misschien wel met beide. Maar ook indien men zich op een bepaald punt daarvan vri weet, dank zi het luisteren naar Gods Woord, blijft er nog iets over. We zijn zo licht bevreesd. En dan denk ik hier niet aan de berekenende vrees, die nagaat remands kansen op wetenschappelijk gebied; ik denk hier ook niet aan de wetenschappelijke bescheidenheid die iedereen past; evenmin aan de wetenschappelijke voorzichtigheid die ook iedereen past, maar speciaal natuurlijk dengene die pas begint; maar ik denk hier aan een hominisme, ik zeg niet ‘humanisme’, maar ‘hominisme’. Een teveel letten op mensen, een niet genoeg rekening houden met God en met Zijn Christus. Het ligt ook zo voor de hand. We zien ze alle dagen om ons heen, en ze kunnen ons zo imponeren. Wanneer God en Christus niet de eerste zijn en blijven in ons leven, en vooral wanneer dan irrationalisme en rationalisme samenspannen tegen het christelijk getuigenis in de wetenschap, dan kunnen we wel eens moedeloos worden. ‘lk kan niet tegen ze op’, of, na lang werken: ‘ik kan niet langer er tegen op.'

(/149) De enige weg om hier uit te komen is het practisch gelovig denken aan God en aan Christus, het bidden tot Hem. Meditatie en gebed, zo ge wilt, mits ge bij dat mediteren dan vooral maar niet denkt aan een mediteren over uzelf Dat heeft nog nooit iemand verder geholpen. Wat daarentegen altijd helpt is het in gedachtenis houden van God, van Zijn Majesteit, van Zijn Christus, die het gewaagd heeft in vertrouwen op het Woord Gods de dood in te gaan en daardoor de onsterfelijkheid aan het licht heeft gebracht.

Denken aan die Christus die in de hemel voor ons bidt en voor ons pleit en die ons ook meant tot voorzichtigheid met dat waarschouwende woord: wie mij verloochenen zal voor de mensen, die zal ik verloochenen voor mijn Vader in de hemel. Bovendien, laten we oppassen, dat wij niet alles afzonderlijk willen doen. Alle mensenwerk moet door individuele mensen worden gedaan en alle wetenschappelijk werk ook. Men kan wel eens wat verdelen, men kan detailkwesties laten behandelen door assistenten, men kan in teams samenwerken en zeggen: doe jij nu dit, dan wil ik dat gedeelte nader onderzoeken, en dat is alles mooi en vruchtbaar, maar het blijft altijd weer het werk van individuele mensen. Maar laten we het nu eens omkeren: die individuele mensen moeten samenwerken, er moet gemeenschap zijn. Denk toch vooral niet, dat ge het alleen wel aan kunt.

[/59d12] Ge hebt van uw wieg af de steun van uw ouders nodig gehad en ge zult tot uw graf toe moeten steunen op het werk mede van anderen. Er moet meer teamwork onder ons zijn. Er moet gemeenschappelijk worden gewerkt, ook ten aanhoren van het niet-christelijke milieu. Daarom is het werk van de Stichting [Bijzondere] Leerstoelen in Calvinistische Wijsbegeerte aan Rijksuniversiteiten en Hogescholen zo dringend nodig, maar ook zo prachtig.

[b. Het getuigenis in chtistelijk milieu]

En nu, het getuigen in christelijke kring. En daarbij onderscheid ik dan maar even wat nader: in wetenschappelijk en in niet-wetenschappelijk milieu.

[1] In wetenschappelijk milieu stuiten we op deze moeilijkheid, dat er zo heel veel christenmensen zijn die synthetisch werken.

Begin met dit te verklaren. Want ze zijn dit zich vaak zelf niet bewust. Niet zelden zijn ze afhankelijk van een traditie, wier achtergronden ze niet doorzien; maar ook speelt toch wel eens een rol die vrees, zijn wetenschappelijke naam te verspelen, terwijl een christen toch moest helpen. Daardoor ontstaan dan natuurlijk wel eens spanningen binnen eigen kring en dan is het nodig niet alles over zijn (/150) kant te laten gaan. Ook dan is het zaak te getuigen. Dat het anders kan en dat het anders behoort. Maar laten we dat dan altijd doen in het besef dat we ook zelf niet volmaakt zijn, dat we ook zelf nog lang niet alles doorzien, dat we morgen aan de dag alweer ontdekken een thema dat toch nog weer synthetisch was en dat we tot nu toe zelf voorstonden. Dan zein we ook bedacht op het gevaar van de coteriegeest.

[2] En nu in niet-wetenschappelijk milieu. Getuigenis in de wetenschap ten opzichte van een niet-wetenschappelijk milieu. Daar staan de zaken niet zelden geheel anders. Daar heeft men vaak een vrij frisse kijk op de kwesties. De man van de practijk, die christen is, voelt soms aan, dat de man van wetenschap, die toch ook christen wil zijn, niet genoeg getuigend optreedt. Nu hebben we hier te onderscheiden. Ook bij een lagere school heeft men een organisatie en als er een vacature is, moet er iemand worden benoemd, ook al is het bestuur herhaaldelijk genoodzaakt iemand aan te stellen die men eigenlijk niet gewild had, daar men geen betere kon krijgen. Iets dergelijks kan zich ook voordoen bij vacatures op wetenschappelijk gebied. Bovendien, het werk op wetenschappelijk gebied groeit uiterst moeilijk. Daar zijn kinderziektes die we door moeten maken en ook hier hebben we te getuigen van onze geloofsverwachting. We moeten het vooral niet zien als werk van ons; natuurlijk, ons werk is daarbij niet uitgeschakeld, maar we mogen de verwachting hebben, daar we een belofte hebben van zegen, zolang we luisteren naar het Woord van God.

Dat alles heb ik voorop gesteld om de zaken tot dejuiste proporties te herleiden. Maar wat nooit mag gebeuren is dat een christelijk man van wetenschap verraad gaat plegen tegenover de niet-wetenschappelijke christenen, wanneer die aanvoelen, dat er een tekort is aan getuigende kracht. Ze hebben taai volgehouden in de fabrieken, ze hebben stakingen [/59d13] gebroken en waarom dan wel daar en waarom niet hier? ‘Gij zult mijn getuigen zijn’ is toch een gebod, dat geldt voor ieder christen, toch ook voor de man van wetenschap. Wanneer ze komen tot zulke critiek en die critiek gegrond is, dan hebben ze gelijk, en dan zult ge hun ook gelijk geven. Want indien ge dit niet doet, dan komt het probleem op van volk en universiteit, in dezen zin dat het volk wel krachtig zal getuigen en de universiteit niet, een probleem waar-voor God ons in de toekomst beware.

We hebben dus, evenals anderen, vanuit de kerk, en evenals anderen, ook op ander gebied, in de maatschappij bijvoorbeeld en in de kunst, te getuigen, niet afzonderlijk, maar met anderen en dan vooral (/151) niet in eigen kracht en zonder de verwachting des geloofs. De Christus heet eens gezegd: ‘Wie dorst heet, kome tot Mij en drinke en het zal zijn, zegt de Geest, stromen des levenden waters zullen uit Zijn binnenste vloeien’. U kent dat beeld van de gouden kruik, door de priester leeggegoten op de bakken rondom het altaar: dan begint het water eerst zo'n beetje te sputteren, iets later komt er een straal en tenslotte vloeien die bakken over en ontstaat er in het visioen van EzechiŠl een rivier waar men niet meer wadend door kan gaan. Zo zal het ook met ons getuigenis gaan. Het begint, als het dan maar begint, met stotteren, straks gaat het door, met rustig spreken, en het eindigt met een tot zegen zijn voor onze omgeving.