[/60d]
IN MEMORIAM ANTHEUNIS JANSE 1890 - 1960
Sinds de verschijning van het vorige nummer der Mededelingen is de Heer A. Janse van ons weggeroepen: de 18e maart j.l. overleed hij, bijna 70 jaar oud, te Breda.
De Heer Janse werd te Oostkapelle geboren. Vandaar dat mijn kennismaking met hem reeds uit de jaren 1918-1921 stamt, toen ik daar predikant was Janse, sinds 1910 aan het Christelijk onderwijs verbonden, was toen juist K. Wielemaker als hoofd der school te Biggekerke opgevolgd.
Het persoonlijk contact tussen ons begon, toen hij, na m'n dissertatie te hebben doorgewerkt, me een lange brief vol vragen schreef; ik stuurde hem daarom een uitnodiging eens te komen praten. Zijn belangstelling stimuleerde me: samen hebben we een artikel over de activiteit der ziel in het rekenonderwijs gepubliceerd en, in bond met de Heer S. Laansma, destijds hoofd der Christelijke school te Oostkapelle, een paedagogische studieclub opgericht.
Tot een dieper contact kwam het echter eerst toen ik reeds in Den Haag stond. Het raakte vooral de anthropologie. Op dit punt was Janse nl. ondertussen tot een meer Bijbelse visie op "de levende ziel" gekomen, die me van heel wat onvruchtbare traditionele speculaties bevrijdde.
Deze winst stond niet op zich zelf. Janse begon steeds duidelijker te zien, dat de Heilige Schrift in concrete en niet in wetenschappelijke taal spreekt. En dit inzicht deed hem de waarde van de Bijbel niet lager, maar hoger aanslaan: in de Heilige Schrift richt God zich tot Zijn volk, reddend en troostend, maar ook waarschuwend, dreigend en bestraffend.
Deze, m.i. enig juiste, visie op de Schrift scherpte zijn oog voor een echt geestelijke beoordeling van de concrete situatie. Niemand wist als hij de oude schatten der Woordopenbaring, ontdaan van het stof der scholastiek, te doen glanzen voor hen, die nog of weer bij de Schrift wilden leven - men denke aan zijn Van de rechtvaardigen. Maar evenzeer verstond hij - getuige z'n werkje over Lourens Ingelse - met echte deernis te waarschuwen tegen de vervanging van het kinderlijk geloof door innerlijke ervaring, die waarlijk niet uitsluitend, maar toch ook in Zeeland voor menigeen in de letterlijke zin dodelijk gevaar oplevert. Daarentegen keerde hij zich scherp tegen valse profeten en stromingen, inzonderheid dan wanneer die aanvankelijk niet of nauwelijks werden onderkend: men herinnere zich o.a. zijn critiek op Karl Barth en Albert Schweitzer en zijn protest tegen de rage voor de uniforme petten als geraffineerde baanbreekster van nationaal-socialistische methodes.
Zijn pittig een heldere wijze van schrijven deed velen naar zijn boeken en artikelen grijpen; dat de frisse reformatorische stroming van omstreeks 1930 ook bij tal van studenten weerklank vond is zonder de invloed van zijn geschriften niet te verklaren. Het was dan ook zeer de wens van vele vrienden dat zijn 25-jarig onderwijsjubileum (1935) niet ongemerkt voorbij ging. Destijds ontbrak het hem trouwens ook van andere zijde niet aan waardering: in 1931 werd Janse ridder in de orde van Oranje Nassau en 1934 lid van het Zeeuwsch Genootschap van Wetenschappen.
Dat hij zich vooral op de reformatie van de praxis richtte, hield niet in, dat hij geen oog zou hebben gehad voor de betekenis van de analoge strijd aan het wetenschappelijke front: ook hierin leefde hij met zijn vrienden intens mee. Zo sprak het vanzelf, dat hij bij de oprichting van de Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte, eind 1935, van meetaan in het Bestuur zitting had.
Uiteraard oogstte zijn veelzijdige activiteit niet overal instemming: zijn dapper verzet tegen de geest van het subjectivisme kwam hem zelfs meer dan anderen niet slechts op tegenstand, maar ook op hoon en smaad te staan: sommigen meenden zelfs met "wetenschappelijke" onderscheidingen van synthetische makelij zijn schriftuurlijke inzichten als blijken van misverstand en eigenwaan te kunnen afdoen. Wanneer hij daaronder leed, was dat echter meer om Gods volk, dan om zichzelf.
Zo valt het te verstaan, dat, toen de oorlog ook ons land niet spaarde, Janse daarin meer dan anderen vooral een oordeel over een geleidelijk voorgeschreden, maar steeds duidelijker aan de dag tredend verval voelde, al bleef hij wel degelijk de antigoddelijke trekken ook van het Duitse machtsstreven signaleren.
De evacuatie van Zuid-Walcheren in 1942 noopte hem de vertrouwde omgeving te verlaten en met zijn gezin naar Breda te vertrekken. Daar openbaarden zich al spoedig de eerste symptomen der ziekte die hem ten grave zou doen dalen. Na de bevrijding heeft hij dan ook, als ik me goed herinner, nog slechts eenmaal de jaarvergadering der Vereniging bijgewoond. En reeds kort daarna moest hij zijn werk als bestuurslid geheel opgeven.
Zomer 1948 heb ik hem nog eens bezocht. De wederzijdse band trok evenals vroeger. Maar het gesprek kostte, hoewel ik het uitsluitend tot de groei van het gemeenschappelijk werk beperkte en de studie liet rusten, hem merkbaar inspanning. Daardoor bleef slechts schriftelijk contact mogelijk, dat bovendien over de leden van zijn prachtig gezin moest lopen, dat in deze moeilijke jaren nog kans zag meer dan eens zijn hart te verkwikken door de bundelsgewijze uitgave van moeilijk verkrijgbare, maar nog allerminst verouderde artikelen.
Door deze levensgang reeds geruime tijd op de achtergrond geraakt en daardoor aan de jongere generatie van onze kring niet persoonlijk bekend, zal "onze" heer Janse echter bij de ouderen onder ons in dankbare herinnering voortleven: het voorbeeld van deze eenvoudige en zachtmoedige, maar tegelijk dappere rechtvaardige zal hen blijvend sterken.