[/61c1]
DE CONSEQUENT PROBLEEMHISTORISCHE METHODE
DOOR
PROF. DR. D. H. TH. VOLLENHOVEN
De geschiedenis begint niet in de 20e eeuw. Dit geldt uiteraard ook van de wetenschappen en haar wijze van aanpak. Een methode van onderzoek in deze periode opgekomen, is daarom niet los van wat aan deze opkomst voorafging. De vraag is slechts, in welk verband zij tot dit verleden staat.
De tijd, waarin de methodologie in sterkte mate overschat werd, ligt verscheidenen van ons nog vers in het geheugen. Sinds COMTE c.s. poneerden, dat de apriori's der wetenschap, ook door hen aanvaard, niet langer in het begrip en oordeel der onderzoekers, maar in hun denkende activiteit zouden te vinden zijn, sprak het vanzelf, dat het volle accent der kentheorie op de methode kwam te vallen.
Thans echter behoort deze periode vrijwel tot het verleden. Het neorationalisme bezweek. Niet onder de critiek van denkers als LOTZE, die van uit het oude rationalisme waarschuwde voor het eindeloos scherpen van messen zonder dat de overschatting van de menselijke activiteit met het late rationalisme deelt, maar voor activiteiten van "redelijk" karakter nauwelijks enige waardering weet op te brengen.
De auteur van een artikel over een methode op wetenschappelijk gebied heeft daarom, nog voordat hij zijn onderwerp aansnijdt, zijn houding ten opzichte van deze situatie te bepalen. Wie, gelijk schrijver dezes, zowel in de vroege en late versies van het rationalisme als in het irrationalisme uitlopers van het subjectivisme ziet en met dit laatste beide afsnijdt, heeft noch behoefte met de late rationalisten de apriorische methode te overschatten, noch haar irrationalistisch te verguizen. De methode thans aan de orde, is nl. niet ontstaan uit combinatie van wenken, in oudere methodologieen vervat. Een bezwaar vermag ik daarin niet te zien: zulk een verbinding zou allicht een laat-rationalistisch stempel dragen, en het zoeken daarnaar het gevaar lopen van streven naar onderricht in zwemmen op het droge.
Intussen, geen enkele wetenschappelijke activiteit kan zonder methode. En geen van deze twee mag irrationalistisch gedisqualificeerd. Maar dan dient zulk een methode ook langs wettige weg te zijn gevonden. Wat impliceert, dat zij is ontstaan aan de bewerking van haar materiaal. Dit laatste blijft nl. weerbarstig zolang het niet wordt onderzocht op een wijze die daarbij past, maar opent zich geleidelijk voor wie bereid is ook zijn manier van aanpakken van het begin tot het einde te laten beheersen door het karakter van het te onderzoeken veld.
Vandaar dat een methode die bij de bestudering van de geschiedenis [/61c2] der wijsbegeerte wil opgaan, in de eerste plaats ook zelf wijsgerig zal dienen te zijn.
Uiteraard sluit dit niet het gebruik van hulpmiddelen uit die zelf allerminst een wijsgerig karakter dragen. Ik denk hier in de eerste plaats aan het filologisch vaststellen van een tekst en aan de acribie van de historicus. Beide vergen een voldoen aan eigen voorwaarden, maar geen van deze twee mag de eis der wijsgerigheid verzwakken, aan het karakter der methode te stellen. Hetzelfde geldt voor de kennis der geschiedenis van kunst, techne en wetenschap voorzover betrokken bij de te bestuderen stof: ook haar hulp zal niet zijn te ontberen. Zo valt b.v. PLATO niet te lezen zonder enige kennis omtrent de stand van zaken in toneelkunst, medische praxis en astronomie van zijn tijd. Maar uiteindelijk rijst toch ook hier weer de vraag, welke wijsgerige opvattingen zich destijds op deze gebieden lieten gelden en welke rol dergelijke gegevens spelen in het wijsgerig betoog, door PLATO geleverd.
Dat een en ander intussen allerminst bedoeld is ter aanbeveling van een speculatieve aanpak als die van HEGEL zal duidelijk zijn: de primaire eis, dat een methode van meetaan en voortdurend zich heeft te voegen naar het te onderzoeken materiaal, sluit dit zonder meer uit.
Na deze inleidende opmerking een enkel woord over bouw en gedachtengang van wat volgt.
Met het boven aangeduide karakter der thans te behandelen methode houdt verband, dat zij allerminst van te voren was bedacht, maar dat zij eerst tijdens de studie en dan nog slechts langzamerhand opkwam. Enige geleidelijkheid bij het inkomen in deze materie zal echter ook mijn lezers niet onaangenaam zijn. Vandaar dat ik besloot, ook in mijn uiteenzetting zo mogelijk de historische lijnen te volgen waarlangs ik tot deze methode ben gekomen en aan haar verdere ontwikkeling werken mocht.
Daarom eerst iets over de historische achtergrond (I); daarna komen de vooroverwegingen en de eerste ontwikkeling aan de orde (II); dan volgt een toetsing van de methode op haar vruchtbaarheid (III); het slot brengt dan de bespreking van enkele moeilijkheden (IV).
I. De historische achtergrond
Wanneer iemand me in het begin van mijn studententijd voorspeld had, dat ik in de toekomst iets over methode zou schrijven, had ik zeker de schouders sceptisch opgehaald. Nog meer onwaarschijnlijk zou het mij hebben toegeschenen, dat ik mettertijd jaren lang een goed deel van mijn tijd aan het zoeken naar en het uitwerken van een methode zou besteden. Want de colleges in de hulpwetenschappen bestonden toen niet zelden uit naar de smaak van ons, studenten, veel te brede methodologische inleidingen en anderzijds was het me destijds nog niet duidelijk, dat de geschiedenis der wijsbegeerte nog dringend een eigen methode behoefde.
Wel stuitte ik hier reeds spoedig op een breed complex van moeilijkheden. Na mijn candidaatsexamen in de wijsbegeerte was ik dan ook hoogst onvoldaan over het bij mijn studie verworven inzicht. Want en in de systematiek en in de geschiedenis der wijsbegeerte ontwaarde ik weinig [/61c3] anders dan onzekerheden. En da nog zonder onderling verband en vrijwel niet te formuleren.
Aanvankelijk schreef ik het hachelijke dezer situatie in de eerste plaats aan mezelf toe: de onderwerpen waren nu eenmaal gecompliceerd en verdere studie zou waarschijnlijk raad brengen.
Mettertijd ging ik echter inzien, dat een deel der moeilijkheden wortelde in de bestudeerde uiteenzettingen. Want lang niet altijd voldeden die ook maar aan bescheiden eisen van helderheid.
Dit tekort raakte niet slechts details, maar hoofdzaken. En het betrof niet alleen de terminologie, maar ook de verbanden en de indelingen.
Voor elk dezer drie moge dit met enkele voorbeelden worden geadstrueerd.
A. Allereerst dan de terminologie.
Deze is tot in de handboeken toe niet zelden dubbel-, ja veelzinnig.
1. Men neme b.v. de term "realisme"(). Bij de behandeling van de wijsbegeerte der oudheid dient hij ter typering van het standpunt, ingenomen door PLATO, voorzover deze poneert, dat de kosmos slechts goed valt te verstaan als voorgrond, correlaat met intelligibele universalia in de achtergrond. Intussen duidt men als "realistisch" eveneens de stelling aan, dat er binnen de kosmos universalia bestaan. Het is echter duidelijk, dat deze twee betekenissen elkaar allerminst dekken. Wie ze desondanks niet onderscheidt loopt dan ook vroeg of laat vast. Want onduidelijkheid op dit punt bemoeiljkt reeds de PLATO-studie. PLATO immers erkende, getuige zijn leer van makro- en mikrokosmos in de Menoon, reeds het bestaan van universalia in de kosmos voordat hij er toe kwam naast en achter deze kosmos aisthetos een kosmos noetos aan te nemen.
2. Op iets dergelijk stuit men bij het gebruik van "univeralisme" en "monisme" als synonymen. Het universalisme is nl. een der drie mogelijke antworden op de vraag naar de onderlinge verhouding van het universele en het individuele; het staat dan ook tegenover individualisme en partieel universalisme. Monisme daarentegen raakt primair de opvatting van de verticale structuur der dingen, welke men, volgens de gangbare opvattingen, monistisch, kan zien als een oorspronkelijke eenheid, die verticaal in contrasterende species divergeert, maar evenzo, dualistisch, als een combinatie van twee oorspronkelijke componenten, van welke de ene transcendent, de andere niet transcendent is. Wel kunnen universalisme en monisme samengaan—men denke aan HESIODOS, THALES en HERAKLEITOS—maar dit onderstelt juist dat zij niet synonym zijn; bovendien is zulk een combinatie allerminst noodzakelijk: PLOTINOS b.v. is ongetwijfeld een universalistisch denker, maar inzake de verticale structuur der dingen huldigde hij, blijkens zijn aansluiting bij PLATOS Symposion, Politeia en Timaios, het dualisme, daarin binnen het Neoplatonisme scherp contrasterend met IAMBLICHOS, die, getuige zijn orientatie aan PLATOS Nomoi, monistisch dacht.
3. Een andere bron van gedachtenverwarring ligt in het niet scherp onderscheiden van dualisme en dualiteit. Want terwijl eerstgenoemde term, [/61c4] naar we boven zagen, primair een bepaalde opvatting inzake de verticale structuur der schepselen raakt, heeft "dualiteit" slechts betrekking op een tweeheid zonder meer: zo kan men rustig de dualiteit der sexen erkennen zonder dualist te zijn. Een klassiek voorbeeld van het onheil door het promiscue gebruiken van beide termen is een nog altijd heersende verwardheid inzake PLATO. Als vader van het realisme onderscheidde deze nl. horizontaal de kosmos als voorgrond en het intelligibele als achtergrond. Toen hij dit voor het eerste deed—in de Euthyphroon en Phaidoon—dacht hij tevens inzake de verticale structuur der dingen dualistisch. Maar deze verbinding was niet noodzakelijk: een combinatie van de dualiteit in het realisme met monisme is immers evengoed denkbaar. En blijkens de Parmenides en volgende werken ging PLATO mettertijd ook inderdaad tot monisme over. Voor wie dualisme en dualiteit onderscheidt, schuilt hier generlei moeilijkheid. Anders liggen de zaken echter voor wie deze twee nauwelijks uiteenhoudt. Want op dit standpunt zijn realisme en dualisme onafscheidelijke partners. Vandaar, indien men deze verwarring althans consequent handhaaft, tweeërlei mogelijkheid: of men erkent, dat PLATO steeds realist in de hier bedoelde zin bleef, maar kan dan niet aanvaarden, dat hij mettertijd monist werd, of men geeft dit laatste toe, maar moet dan wel tevens poneren, dat PLATO toen ook zijn leer inzake de realiteit van het intelligibele losliet. Vindt men geen van beide oplossingen aanvaardbaar, dan vervalt men tot skepsis en acht de moeilijkheden bij PLATO ook op dit punt onontwarbaar. De impasse valt in dit geval dan echter niet aan PLATO te wijten, maar aan de onduidelijkheid in terminologie van zijn exegeet.
4. De wat al te grtoe vrijmoedigheid in het hanteren van de termen "dualisme" en "monisme" levert ook elders heel wat last op. Men kent het verschil tusschen subsistentie- en vinculumtheorie. Beide visies ressorteren niet onder het Aristotelisme en engere zin, maar zijn vrucht van ARISTOTELES-interpretatie. De betreffende werken van ARISTOTELES stammen uit diens laatste hoofdperiode, die dualistisch was. Met het gevolg, dat ook de genoemde twee interpretaties een beslist dualistisch karakter dragen. Beide poneren dan ook scherp de tweeheid van "lichaam" en "ziel" als verticale componenten der menselijke eenheid. Intussen is er een niet onbeduidend verschil: volgens de subsistentie-theorie staan deze componenten onderling in de verhouding van materie en de haar bestemmende vorm, die dus samen een substantie uitmaken: de vinculumtheorie daarentegen leert, dat "lichaam" en "ziel" elk op zichzelf een substantie zijn, dus ieder een eigen materie en vorm bezitten; de eenheid van de twee substanties vergt daarom hier een afzonderlijk vinculum, dat beide hoofdcomponenten verbindt. Het onderling verschil tussen subsistentie- en vinculumtheorie komt dus hierop neer, dat de eerste de mens als een substantie ziet, de anthropologie der tweede daarentegen van twee substanties spreekt. Ondanks deze controvers zijn beide visies echter duidelijk dualistisch. Toch typeert men dit onderling verschil hier en daar als een tegenstelling van "monisme" en "dualisme", wat de duidelijkheid beslist niet bevordert.
5. Een dubbele verwarring valt in de term "psychomonisme" te ontwaren. Afgaande op de klank van dit woord zou men menen hier met een monisme van doen te hebben. Maar ook deze visie is een indirecte vrucht [/61c5] ener interpretatie van de late ARISTOTELES, wiens definitieve conceptie hier immers in het geding is. Ook deze draagt echter een beslist dualistisch karakter, al komt dit hier iets minder duidelijk uit in de anthropologie dan in de scherpe tegenstelling tussen de transcendente "god" dezer conceptie en al het overige, waaronder ook de slechts "goddelijke" universele en actualiserende denkgeest (Gr. nous) ressorteert. Nu staat deze nous hier echter als een tegenover de veelheid der menselijke animae intellectivae. De eenheid, hier bedoeld, stempelt de conceptie waarvan deze nous deel uitmaakt natuurlijk niet tot een monistische: zij wil slechts een antwoord zijn op de vraag: "Is de (wereld) intelligentie een of veel?" Wanneer in de Hellenistische periode naast dit oude noologische type van monarchianisme een psychologisch optreedt, dat de ene wereldnous door een kennende wereldpsyche vervangt, wordt dit laatste soms dan ook, terecht, niet als "psychomonisme", maar als "monopsychisme" aangeduid, een naam die analogie vertoont met termen als "monophysitisme", "monenergisme" enz.(). Daarmee is althans het misverstand, als zou men hier met een of ander monisme te maken hebben, voorkomen.
Bij BERKELEY is men echter ook daarmee nog niet gereed: het actualiserende noemt hij niet psyche of anima (Eng. "soul"), maar pneuma of spiritus (Eng. "spirit"). Vandaar dat hier de term "monopneumatisme" past. Uiteraard met de toevoeging "gerduceerd", omdat hij het bestaan van het soomatische ontkende, zodat, wanneer men uitsluitend met zijn gereduceerde ontologie rekening wil houden en noch op de schrapping van de materie noch op de allerminst monistische visie inzake de keninhoud let, het dualisme slechts in de tegenstelling van de transcendente god (Mind) en de niet transcendente universele geest (Spirit) uitkomt.
Maar genoeg om aan te tonen, hoe verward en verwarrend men niet zelden bij de bestudering van de geschiedenis der wijsbegeerte met de terminologie omspringt.
B. Uiteraard draagt een dergelijke manier van doen niet bepaald tot de verheldering van het inzicht in de verbanden bij. Zelfs suggereert zij meer dan eens een verband, waar dit beslist ontbreekt of althans geheel anders ligt.
1. Wat de wijsbegeerte der Oudheid betreft is het klassieke voorbeeld, dat men, wanneer ARISTOTELES tegen het eind van zijn leven weer een universele nous aanneemt, die bovendien gescheiden is van de individuen, klakkeloos in de betreffende boeken "platonisch realisme" meent aan te treffen. Met het gevolg dat de een dergelijke boeken met W. JAEGER aan de Academische jaren van ARISTOTELES toeschrijft, maar daarmee de doorvoering van de vooral door JAEGER op gang gekomen genetische verklaring van het Corpus Aristotelicum ernstig blokkeert, de ander daarentegen rustig bij de late ARISTOTELES een terugkeer naar PLATO aanneemt, waardoor de interpretatie niet alleen van ARISTOTELES, maar ook van PLATO in een slop geraakt. Met als voorlopig enig gevolg een strijd tussen deze twee "oplossingen", die uiteraard kansloos is, omdat beide verzuimden rekening te houden met de dubbelzinnigheid die hier het begrip "realisme" drukt.
2. Een ander voorbeeld van een ten onrechte geconstrueerd verband [/61c6] te brengen: dan waren de Engelsen uiteraard empiristen, de Fransen rationalisten en de Duitsers romantici of idealisten. Een indeling die, indien ze ooit met de stand van zaken strookte, in ieder geval sterk momentaan bepaald was: tegenwoordig zou men immers met evenveel (en tegelijk even weinig) recht kunnen spreken van Engelse analysis, Russisch "materialisme" en continentale existentiefilosofie.
Een minder nationaal-geografische, maar tegelijk sterk gebonden historische indeling stonden DILTHEY en HEYMANS voor.
Eerstgenoemde stond niet ver van HEGEL, maar wist zich toch van hem te onderscheiden. Met de prioriteitsleer natuur tegenover geest stellend, beperkte hij in de zin der primaire impetustheorie de eerste tot het organisme en achtte hij de geest met het individuele en interindividuele leven der menselijke Seele indent. Daarbij beschouwde hij, overeenkomstig de vitalistische hermeneutiek van W.v. HUMBOLDT, het organisme tevens als het voertuig voro de taal. De Seele nu is hier niet, dualistisch, een combinatie van elementen, maar, monistisch, een eenheid. Zij valt dan ook niet causaal te "verklaren", doch slechts met behulp van beschrijvende analyse te "verstaan". Dit onderzoek brengt bij ieder mens drie trekken aan de dag: denken, voelen en willen. Intussen treedt bij den een deze, bij den ander gene trek naar voren. Correlaat met dit verschil in "structuurtype" onderscheidt DILTHEY nu drie typen van Weltanschauung: het naturalisme, dat de geest uit het object verklaart, het objectieve idealisme, dat, het gevoel overschattend, in alles uiting van innerlijkheid ziet, en het idealisme der vrijheid, dat, van de wilservaring uitgaande, de souvereiniteit en het transcenderen van de geest over het lichaam poneert. Al toont DILTHEY, zolang hij over Weltanschauung spreekt, duidelijk voorkeur voor een bepaald type, in casu het derde, toch dient de wijsbegeerte z.i. hier neutraal te blijven: zij is niet meer dan Weltanschauungslehre, die de verscheidenheid in haar gebied constateert en beschrijft. Zo leidt de vereenzelviging van hogere Seele met Geist hier tot een psychologie en alleen reeds daarom noch juiste noch volledige fundering en de indeling der Weltenschauungen tot een historische relativering van de wijsbegeerte.
Een geheel andere weg betrad HEYMANS. Onder de invloed van LAND aanvankelijk aan het begrensde parallelisme van WUNDT georienteerd en vervolgens bij het onbegensde parallelisme van FECHNER en SPENCER aansluitend, ging hij, na een tijd van agnostische bezinning, to het "psychisch monisme" over. Sindsdien onderscheidde bij drie typen van wijsbegeerte: het parallelisme, het materialisme en het psychomonisme. Daarbij is hun onderlinge verhouding z.i. deze, dat het eerste zowel het bestaan van psyche als van sooma onderstelt, maar de schrapping van de psyche tot materialisme en die van het sooma tot psychomonisme leidt.
De term "parallelisme" wordt hier blijkbaar niet in mythologiserende zin verstaan, daar, wanneer men aan het Chaldeeuwse determinisme met zijn temporalistische drieslag van hemel, aarde en onderwereld denkt, aan het betoog geheel de basis ontvalt. Dit echter slechts terloops. Primair is immers ook hier de garantie van juistheid, omvang en fundering van deze indeling. Wat de juistheid betreft moge ik herinneren aan wat ik boven over het psychomonisme schreef: historisch ontstond dit door schrapping van de materie niet in parallelistische, maar in pneumatologisch monarchiaanse zin; en ook systematisch is het psychomonisme, wijl dualistisch, met geen [/61c8] mogelijkheid uit het parallelisme, dat immers monistisch is, af te leiden. Evenmin is het materialisme, in welke zin men het ook neemt, historisch of systematisch een eenzijdige uitloper van het parallelisme. Derhalve valt op de juistheid van deze indeling heel wat af te dingen. Maar ook inzake de omvang scheidt deze indeling ernstig te kort. Want waar blijven hier, om slechts enkelen te noemen, denkers als KANT, FICHTE, SCHELLING, HEGEL, COMTE en DILTHEY? Rest de fundering. Zij is een andere dan bij DILTHEY: met de psychologische typenleer van HEYMANS en ook met de onderscheiding van haar drie grondtrekken—emotionaliteit, activiteit en reactie-snelheid—heeft deze indeling niets te maken; psychologisme mag men haar dus niet verwijten. Maar wel bespeurt men hier al te duidelijk de neersalg der eigen wijsgerige levensgang van haar auteur. En een dergelijke persoonlijke ervaring, hoewel natuurlijk in ieder levenswerk een rol spelend, schijnt me voor een indeling der wijsgerige systemen toch een al te smalle basis.
Tegen het eind van dit eerste stuk vielen enkele namen. Intussen was het niet mijn bedoeling speciaal bepaalde denkers te bestrijden. Wat me voor ogen stond was alleen de typering van het klimaat, dat tussen 1910 en 1920 bij de studerenden ook in calvinistische kring geleidelijk een rol ging spelen. Enerzijds een relativering van de grenzen tussen systematiek en geschiedenisstudie en waar men die twee uit elkaar wilde houden een onoverzichtelijk divergeren deels in rationalistische richting (LOTZE, WINDELBAND, RICKERT, en MARBURG), deels in irrationalistische geest (BERGSON, POINCARE). Tot al te duidelijke formulering kwam het ook bij de laatste groep echter niet: dank zij de verwardheid van terminologie, verbandsleer en indelingen kon men eigen jargon nauwelijks zichzelf, laat staan anderen duidelijk verstaanbaar maken.
Op grond van deze situatietekening zal het wel geen enkele lezer meer bevreemden, dat ik destijds uit dit complex van moeilijkheden kortweg geen uitweg zag. Bovendien bedenke men, dat de veelheid van kwesties, zoeven aangestipt, toen, althans voor mij, maar vermoedelijk evenzo voor vele anderen nog vrijwel ononderscheiden dooreenlag en de toch zo noodzakelijke oplossingen me pas later—in sommige gevallen zelfs eerst na vele jaren—mogelijk bleken. Ook houde men bij het lezen van het voorgaande in het oog, dat ik bij deze uiteenzetting reeds van enkele verhelderingen, pas mettertijd verkregen, gebruik moest maken: ik zag anders eenvoudig geen kans, mijn lezers de aanvankelijke onontwarbaarheid van dit kluwen aan te tonen.
II. Vooroverwegingen en eerste concretisering.
Tot nu toe stond ik stil bij een reeds van feiten, die me mettertijd de ogen zouden openen voor de interne moeilijkheden, met welke de bestudering van de geschiedenis der wijsbegeerte, nu goed veertig jaar geleden, had te kampen.
Een dergelijke ervaring kan, indien niet te laat opgedaan, stimulerend werken. Nu was dit hier ook inderdaad het geval: van de onhoudbaarheid der situatie overtuigd, begreep ik, dat zij zo mogelijk gewijzigd diende to worden. Een plan had ik echter nog niet. Zelfs was het me niet duidelijk waar te beginnen. De stimulans resulteerde aanvankelijk dan ook slechts [/61c9] in het inzicht, dat hier een taak lag, aan welke ik me op de duur niet zou kunnen en mogen onttrekken.
Voor het vinden van een uitweg was natuurlijk heel wat meer nodig. Onder dit meerdere ressorteren twee kwesties, die op de afpaling van het te onderzoeken veld betrekking hadden en daarom vooraf moesten worden bezien. De eerste betreft een principieel punt, nl. het in acht nemen van de grens tussen systematiek en historisch onderzoek in de wijsbegeerte. De tweede raakt een practisch onderwerp, nl. de vraag: hoe de erkenning van de veelheid der culturen, bij bedoeld onderzoek betrokken, verantwoord te rijmen met de noodzaak, de studie tot een bepaalde sector van dit gebied te beperken?
Over elk van beide punten daarom een enkel woord nog voordat ik dieper op de eerste concretisering van mijn werkwijze bij de bestudering van de Preplatonici inga.
1. De afbakening van de geschiedenis der wijsbegeerte als veld van onderzoek vergt voor alles helderheid inzake de onderlinge verhouding van haar systematiek en de bestudering van haar geschiedenis.
Bij dit punt komen twee kwesties aan de orde: een methodologische en een ontologische.
a. De methodologische raakt het verschil in werkwijze bij de man der systematiek en bij de historicus.
De eerste vormt zich, zolang hij niet over kentheorie en logica handelt, begrippen, die in eerster instantie betrekking hebben op het niet-begripmatige in de werkelijkheid; daarentegen wil de historicus der wijsbegeerte, althans bij zijn pogen de resultaten van vroegere denkers te verstaan, zich een begrip vormen ontrent zaken, die zelf een begripmatig karakter dragen. Korter gezegd: de systematiek der wijsbegeerte is het om primaire begrippen te doen, de bestudering van haar geschiedenis echter goeddeels om secundaire.
b. Ook hier wortelt de methodologische verscheidenheid natuurlijk in de ontische der betreffende velden van onderzoek. Want de systematiek is het resultaat der bezinning op de structuur der schepselen en hun ontische genesis. Daarentegen bestudeert de studie van de geschiedenis der wijsbegeerte de genesis van een onderdeel der menselijke cultuur.
Het zal duidelijk zijn, dat naar deze opvatting de geschiedenis niet louter functioneel is, maar de mens in zijn totaliteit, m.a.w. naar lichaam en ziel raakt.
Maar, zo kan men vragen, dreigt bij deze visie toch weer niet het gevaar van historisme? En is het voor de bezwering daarvan niet nodig ook de historie primair als functioneel veld te zien?
Beide vragen vallen echter m.i. in negatieve zin te beantwoorden. Want al acht ik de tijd niet tot het functionele beperkt en meen ik bij de analyse van de menselijke structuur geen bestanddeel te ontwaren, dat boventijdelijk is, toch impliceert dit allerminst, dat de mens, uitgaande van de ons geopenbaarde relatie van God tot Zijn schepsel, van zijn kant in zijn relatie tot God en Diens liefdewet—en dus mede in de fundering van de tegenstelling tussen rechts en links bij de intermenselijke verbanden—in zijn biddend gehoorzamen als totaliteit niet boven de tijd uitreikt. Daarom valt bestudering van geschiedenis, dus ook van die der wijsbegeerte, bij deze opvatting zeker niet aan het historisme ten prooi. [/61c10]
c. Zo zijn mede in de wijsbegeerte systematiek en geschiedenis zowel methodologisch als ontologisch helder te onderscheiden. Uiteraard impliceert ook in dit geval dualiteit niet tegenstelling. Eerder zijn deze twee wetenschappen er op aangewezen, elkander te helpen. Want een wijsgerig systeem wordt slechts goed duidelijk, wanneer het achteraf ook met zijn historische consequenties wordt geconfronteerd. En anderzijds kan de studie van de geschiedenis der wijsbegeerte het niet stellen zonder systematiek. Want reeds het onderzoek naar de volledigheid der wijsbegeerte in een bepaald land en in een beperkte periode is slechts mogelijk bij het aanleggen van de norm op dit punt aan de systematiek gesteld.
2. De kwestie van de afbakening van het eigen studieveld gaat naturlijk heel wat minder diep. Toch vergt ook zij een verantwoorde bezinning. Uiteraard is hier het ideaal een geschiedenis der wijsbegeerte van alle cultuurkringen, inclusief de wederzijdse invloeden. Zodra deze geschiedenis voor meer dan een cultuurkring grondig bekend ware, zou een vergelijkende studie gelijktijdige overeenkomsten en verschillen in de gang van beide kunnen constateren. De vraag, of een dergelijke vergelijkende studie van de geschiedenis der wijsbegeerte reeds een voldoende basis ter beschikking heeft, mag hier terzijde blijven, daar ik aan een dergelijk onderzoek me nimmer heb gewaagd, o.m. omdat ik in de gegeven omstandigheden aan de bestudering van de Europese wijsbegeerte de handen meer dan vol had. Derhalve restte voor mij, wat de veelheid der culturen betreft, slechts de kwestie van de invloed der andere culturen op de Europese cultuurkring. Zij komt tweemaal aan de orde, nl. bij de bepaling van het begin en bij de behandeling van het vervolg.
Wat het eerste punt betreft, heb ik, naar mijn leerlingen uit de eerste jaren van mijn professoraat zich zullen herinneren, aanvankelijk nog getracht de invloeden van het Oosten en Zuiden, met name die van de Babylonische en Egyptische cultuur op de Grieks-Romeinse vrij grondig na te gaan. Maar ook deze voorstudie werd te breed. Vandaar dat ik, ofschoon, om niet tot Europaeisme te vervallen, met de mogelijkheid van meer dan een verband in het begin voortdurend rekening houdend, besloot, slechts daar, waar mettertijd nieuwe uitheemse invloeden zouden optreden, de blik zijwaarts te richten. Alleen door deze noodzakelijke besnoeiing was het me mogelijk, me geheel op de geschiedenis van eigen cultuurkring te concentreren.
Daarmee ben ik toegekomen aan de bespreking van de toepassing van de hier voorgestane werkwijze bij de bestudering van de Preplatonici. Ook hier wil ik mij beperken tot die punten, welke m.i. vooral aandacht verdienen.
A. Motief
Het motief, dat me indertijd er toe dreef, inzonderheid van dit onderdeel der geschiedenis van de wijsbegeerte werk te maken, was niet de verwachting, hier de verjongingsbron voor eigen systematiek aan te treffen, hetzij in irrationalistische (HEIDEGGER), hetzij in rationalistische zin (K.R. POPPER), maar de simpele overweging, dat in een historisch proces het vroegere wel niet geheel, maar toch in sterke mate het latere bepaalt. De winst, die de bestudering van de vroegste voor ons bereikbare periode [/61c11] eventueel voor de systematiek mag afwerpen stond van meetaan op de tweede plaats.
B. Grieks en Hellenistisch denken
Het preplatonische denken ressorteert onder de Griekse filosofie, die, wanneer men haar met de Hellenistische vergelijkt, zich kenmerkt door een ontologische trek. Bij deze term denke men niet aan de ontologie in de zin van de late ARISTOTELS, die een geheel eigen karakter draagt en bovendien eerst aan het eind der Griekse periode staat. "Ontologisch" gebruik ik hier—krachtens de vergelijking van Grieks met Hellenistisch—dan ook uitsluitend in tegenstelling met "gnoseologisch": aan de kentheorie, ofschoon ook bij de Griekse, denkers beslist niet ontbrekend, bleef gedurende deze periode, terecht, slechts een secundaire plaats ingeruimd.
C. De kwestie der volledigheid
Ter nadere karakterisering van mijn studieveld stelde ik indertijd reeds bij het begin de vraag, of het preplatonische denken, gezien de religieuze opvattingen waarvan het uitging, wel volledig was. Deze wijze van aanpak was ongewoon. Daarom behoeft ze echter nog niet te bevreemden. Want in de praxis gaat niemand anders te werk: bij de vraag, of oppervlakkige kennismaking straks tot vriendschap kan uitgroeien, gaat toch ieder niet alleen na wat bij de ander aanwezig is, maar ook wat hij daar mist. Een dergelijke houding nu past ook de wetenschap. En geen citeren, hoe breedvoerig ook, kan het inzicht, aan het stellen en bean twoorden van deze vraag te danken, vervangen.
Nu kan men het geloof van Christenmensen relativeren tot een onder vele. Met het geloof in de Christus staat het echter anders. Want dit is een vertrouwen op de Enige Die betrouwbaar is. Vandaar dat een meten van het werk, door de wijsbegeerte van een bepaalde cultuurkring in haar beginstadium overzien, aan de breedte van Zijn Woordopenbaring, niet slechts geoorloofd is, maar eis van een goede methode mag heten. Want wat geeft ons het recht, het Griekse denken zonder nader onderzoek als betrouwbaar en volledig te aanvaarden? Leggen we bedoelde maatstaf aan, dan blijkt, dat een volledige systematiek rekening dient te houden met drieërlei, nl. met God, de door Hem gestelde wet en de door Hem geschapen kosmos. Van deze trias zijn de laatste twee leden met elkander correlaat: geen kosmos zonder wet en geen wet zonder het aan haar subjectie. Bij deze correlatie dient men echter nader te onderscheiden. Want ook de term "wet" is, zelfs wanneer men hem onderscheidt en van de aan een wet beantwoordende wetmatigheid en van de formulering daarvan (men denke b.v. aan zegswijzen als "de wetten van NEWTON",) niet zonder meer duidelijk: in de wijsbegeerte alleen reeds heeft hij drieërlei zin. Daar is, ten eerste, de structurele wet, die mede de modale wetten omvat: deze wet wortelt in het ontstaansbevel bij de schepping en is correlaat met de structuur en modale verbijzondering van alle schepselen. Een ander karakter vertoont echter de liefdewet: zij onderstelt bij het correlate schepsel niet slechts het geschapen-zijn, maar tevens een hart en geldt in het voor de wetenschap toegankelijk gebied daarom uitsluitend de mens, zowel in zijn relatie tot God als in die tot de medemens. Een eigen plaats neemt dan tenslotte nog weer de positieve wet in: zij is een niet door willekeurige [/61c12] mensen, maar door ambstdragers uit te vaardigen regeling die een brug dient te slaan tussen de liefdewet, door God de mens gesteld, en het structureel bepaalde en naar tijd en ruimte beperkte samenlevingsverband waarvoor het betreffende ambt verantwoording draagt.
Leggen we deze maatstaf de wijsbegeerte der Grieken aan, dan vinden we, dat zij, opgekomen, buiten het licht der Woordopenbaring, van de levende God niet wist en daarmee ook de totaliteitsblik op wet en kosmos kwijt was. Vandaar dat structuurwetmatigheid hier met wet werd vereenzelvigd, het liefdegebod onbekend bleef en de positieve wet, hoewel uiteraard bekend, niet als brug tussen liefdewet en nader te regelen situatie kon worden gezien.
Zowel deze vraagstelling als haar beantwoording kunnen de lezer uit mijn Geschiedenis der Wijsbegeerte, deel I() bekend zijn. Gezien de vele misverstanden, die hier nog heersen, acht ik het echter niet overbodig, nog even bij dit punt stil te staan.
Het eerste bezwaar, tegen deze aanpak ingebracht, is, dat dergelijke vragen niet in het begin thuis behoren: is het niet juister achteraf op te merken, dat een en ander met een bepaalde Bijbeltekst in strijd is en dan dienovereenkomstig een aanvulling of beperking aan te brengen? Dat dit bezwaar geopperd wordt kan ik verstaan. In een irenische tijd als de onze, maakt de door mij voorgestane aanpak licht de indruk ietwat geforceerd te zijn. Toch is deze indruk beslist onjuist: DOOYEWEERD heeft al meer dan eens terecht erop gewezen, dat met een duidelijk positie-kiezen in de kernvragen zowel de eerlijkheid tegenover zichzelf als de onderlinge openheid in het wetenschappelijk debat gebaat is.
Bij dit argument komt mede voor het historisch onderzoek nog een ander, nl. dat de religie ook in het veld van onderzoek een rol speelt. Religie valt echter allerminst samen met Christendom, maar is, naar een geleidelijk toch wel gemeen goed geworden inzicht, iets, dat niet slechts bij alle mensen voorkomt, maar tevens overal, dus ook in pagaan milieu, van centrale betekenis blijkt. Intussen vergete men daarbij niet, dat nergens zo scherp als in de religie de tegenstelling van rechts en links aan de dag treedt. Het ook in Christelijk milieu nog herhaaldelijk voorkomend pogen, een belangrijk stuk cultuur te onderzoeken, zonder op deze tegenstelling in het veld van onderzoek te letten, wreek zich dan ook onherroepelijk in het ontoereikende der op deze basis bereikte resultaten. De strijd over de vraag, of de Griekse filosofen, "de wijsgerige grondmotieven" slechts verkeerd gebruikten, dan wel hun grondmotieven zelf vrucht van afvallig denken waren en dus voor onze systematiek onbruikbaar zijn, raakt dan ook niet een secundair punt, maar de tegenstelling tussen een steeds verder op retour zijnde "wetenschap van Christenen" en een "Christelijke wetenschap", die een belofte voor de toekomst heeft.
Hoezeer het ernstig nemen van deze tegenstelling ook voor ons onderwerp zin heeft, blijft mede daaruit, dat de leemten, die de Griekse wijsbegeerte van meetaan met betrekking tot de kennis inzake de wet vertoont, haar ontwikkeling reeds tijdens haar eerste periode in sterke mate beheersten. [/61c13]
D. Men denke hier niet slechts aan de tegenstelling van subjectivisme en objectivisme, maar eveneens aan de spanning bij de beantwoording van het probleem inzake de ontische onderlinge verhouding van het universele en het individuele voor HIPPOKRATES.
1. De tegenstelling van subjectivisme en objectivisme.
Wat hier bevreemdt is niet, dat het preplatonische denken reeds vrij vroeg de verschiedenheid van subject en object ontdekte: hetzelfde proces speelt zich immers in het leven van ieder normaal kind af. Wat echter aandacht verdient is het feit, dat over al of niet erkenning van deze verscheidenheid een geschil ontstond, waarbij dit denken over geheel de linie reeds vrij vroeg in twee scherp te onderscheiden kampen uiteen viel. Want daaruit blijkt, dat hier voor beide groepen meer aan de hand was dan een verschil tusschen twee opeenvolgende fasen, nl. een kwestie van "nomizien", d.w.z. van al of niet als wet opvatten.
Men lope over dit punt niet heen met de opmerking, dat de strijd tussen subjectivisme en objectivisme pas in het moderne denken een rol zou spelen. Want tegenwoordig hebben deze termen slechts een sterk methodologische inslag en de geschiedenis is daar om te bewijzen, dat deze kentheoretische toespitsing, wel verre van oorspronkelijk te zijn, de neerslag is van een eeuwenlang proces, waarin het West-Europese denken geleidelijk, maar consequent in subjectivistische richting voortschreed. Zodat ook hier het uitgaan van een moderne problemstelling neerkomt op een bedenkelijk anachronisme, dat de weg naar het historisch inzicht verspert. Volgt men daarentegen de probleemhistorische methode, dan komt van achter het geschil, dat de daarbij betrokken partijen uiteendreef, te voorschijn wat beide gemeen hadden, nl. primo, de stelling, dat geheel de wet binnen de kosmos, nader binnen de correlatie van subject en object, zou te vinden zijn, en, secundo, het slechts vanuit deze basis begrijpelijke probleem, of deze wet in het subject, dan wel in het object lag.
Het verschil tussen subjectivisme en objectivisme, zoeven besproken, was, wanneer men de chronologie raadpleegt, een strijd tussen vroegere en latere generaties: ANAXIMANDROS, met wie het (niet-mathematische) objectivisme begon, leefde enkele eeuwen na MOUSAIOS en HESIODOS, de vaders van het subjectivisme.
Hetzelfde geldt, zij het in minder sterke mate, van de onderlinge strijd tussen niet-mathematische en mathematisch objectivisme: PYTHAGORAS, met wie laatstgenoemde stroming aanving, leefde vier decennia later dan ANAXIMANDROS. Ook systematisch bezien was het onderlinge verschil hier minder groot: beide groepen deelden met elkander het objectivistische uitgangspunt. Uiteen ging men slechts bij de beantwoording van de vraag, of het object, al of niet zonder metrische grenzen, als wet viel te zien.
Met brekking tot beide conflicten—dus zowel bij de scherpe tegenstelling inzake subjectivisme en objectivisme als bij het minder ingrijpende verschilpunt tussen ANAXIMANDROS c.s. en de Pythagoreeën—houde men echter in het oog, dat deze geschillen niet de wet raakten, maar uitsluitend datgene, wat de preplatonci als wet zagen. Want slechts op deze wijze kan de studie van de geschiedenis der wijsbegeerte mede vrucht afwerpen voor eigen systematiek. [/61c14]
2. De spanning bij de beantwoording van het probleem inzake de ontische verhouding tussen het universele en individuele voor HIPPOKRATES.
Ook de beantwoording van dit vraagstuk bracht in de kring der preplatonici de gemoederen in beweging: de universalisten, die, uitgaande van een concreet en met zichzelf ident universele, de individuele dingen niet meer dan de uitlopers daarvan achtten, de partiele universalisten, die, inziende, dat daarmee het individuele niet tot zijn recht kwam, wel bedoeld universale handhaafden, maar de individuele dingen daarnaast plaatsen, en de individualisten, die, het bestaan van een dergelijk universale kortweg ontkennend, slechts van individuen wilden weten en daarom het universale uitsluitend als een voorlopige vaagheid in het begrijpen en benoemen van de individuen zagen, gingen heftig tegen elkander in. Betekenis valt aan deze strijd dan ook zeker niet te ontzeggen: de opkomst zowel van het makro-mikrokosmosthema in het vroege partiele universalisme als die van de sofistiek, de socratische en de klein-socratische groepen, zijn aan dit treffen toe te schrijven.
De relatie van dit geschilpunt tot het vroeger besprokene was tweeledig: zakelijk ging dit universaliaprobleem minder diep dan dat van de plaats der wet, zodat het daaraan gesubordineerd was; doch dit bracht anderzijds mee, dat het niet alleen bij de subjectivisten, maar ook bij de beide vleugals van het objectivisme opdook. In elk van deze drie groepen was bovendien de volgorde dezelfde: het eerst kwamen de universalisten, dan melden zich de partiele universalisten, en de individualisten sloten de rij. Daarom scheen het me voor het verkrijgen van een geordend overzicht bevorderlijk eerst het subjectivisme met zijn drie daaraan gesubordineerde groepen af te handelen, daarna hetzelfde procede op de niet-mathematische objectivisten en de Pythagoreeën toe te passen en met de kleinsocratici te eindigen.
Rest voor wie mijn werk over de preplatonici bestudeerde nog de vraag, of het wel geheel juist is bij het niet-mathematische objectivisme van individualisten in het meervoud te spreken en ook een dergelijke groep bij de Pythagoreeën aan te nemen. Inderdaad bracht voortgezet onderzoek me hier tot een dubbele wijziging: in eerstbedoelde stroming wordt SOOKRATES als individualist thans door XENOPHOON geflankeerd en onder de geestverwanten van PYTHAGORAS reken ik reeds sinds jaren KEBES en SIMMIAS tot de individualisten: na in hun geboorteplaats. Thebae, PHILOLAOS gehoord te hebben, voegden beiden zich tegen het eind van diens leven bij SOOKRATES.
E. De verscheidenheid tussen tijdgenoten.
Tot nu toe hield ik me slechts met stromingen en golven bezig, die na elkander optraden. De geschiedenis kent echter nog een ander schema: naast de verhouding van vroeger en later, speelt in de historie die der gelijktijdigheid een rol. Zoals men in het gewone leven niet alleen de relatie van ouders tot kinderen, maar eveneens de onderlinge betrekking van laatstgenoemden onderkent, vergt ook de wetenschap, niet alleen aandacht te schenken aan het opeenvolgen der generaties, maar evenzo aan de onderlinge overeenkomst en verscheidenheid tussen de leden derzelfde generatie. Ordent men nu de opeenvolging, in de geest van een jaartallenlijst, in het verticale schema van hoger en later, dan is het voor de duidelijkheid [/61c15] dienstig de leden van een generatie horizontaal te ordenen, dus naast elkaar te plaatsen.
Behalve dit verschil tussen successie en gelijktijdigheid() is hier echter nog een ander aan de orde: terwijl de tijdstromingen, die primair met de kwestie van de plaats der wet te maken hebben, zich niet herhalen, maar, naar we nog zien zullen, steeds weer een ander antwoord brengen, valt in de onderlinge overeenkomst en verscheidenheid binnen een zelfde generatie iets op te merken, dat blijft: eenmaal in de reeks der concepties van vroegere of latere generatie opgekomen, verdwijnen de thans te bespreken verschillen niet geheel: zij vertonen blijvende, wil men typische trekken. Vandaar dat we hier ook van "typen" kunnen spreken.
Intussen houde men in het oog, dat ook de onderlinge verscheidenheid der typen teruggaat op een verscheidenheid in het stellen en beantwoorden van problemen.
Van de hier bedoelde vraagstukken nu spelen sommige een rol in alle concepties, andere slechts in bepaalde.
[/61c31]
IV. Enkele bezwaren.
Na eerst uit de historische achtergrond de noodzak van een diepgaande bezinning op de methode bij het onderzoek van de geschiedenis der wijsbegeerte [/61c32] te hebben gepostuleerd (I) schetste ik voorts het ontstaan der consequent probleemhistorische methode aan het materiaal der Preplatonici (II) om vervolgens haar vruchtbaarheid mede voor de twee volgende perioden te toesten. (III).
Intussen spreekt het vanzelf, dat ook deze vrucht der Calvinistische wijsbegeerte hier en daar nog al op bedenkingen stuitte. Vandaar dat ik in dit slothoofdstuk op de voornaamste van deze wil ingaan.
De bezwaren die deze methode ontmoet, berusten ten dele op misverstand inzake haar terminologie. Zo herinner ik me een recensie, die, uitgaande van de mening, dat het Christendom ook m.i. het dilemma van monisme en dualisme had te aanvaarden en dan voor het laatste zou dienen te kiezen, uiteraard met mijn publicatie niet goed raad wist. Dergelijke moeilijkheden, hoewel ik ze allerminst wil negeren, moge ik hier echter terzijde laten: zij raken immers niet rechstreeks de methode.
A. Een van de vragen die dit wel doen en bovendien al vrij vroeg gesteld werden, betreft de kwestie, of ik niet uitging van de onderstelling, dat iedere mogelijkheid ook werkelijkheid moest worden.
Iets dergelijks heb ik echter nimmer beweerd, en evenmin ligt het in de lijn mijner gedachten. Want een conceptie, onverschillig welke, is steeds een denkresultaat, vroeger of later door iemand uitgedacht, misschien wel uit een tevoren aanvaard dilemaa of trilemma als de beste gekozen. Derhalve zou bedoelde stelling min of meer op een anthropologie neerkomen, die ons denken aan de uit Grieks milieu stammende problematiek bond en de verantwoordelijkheid voor continuering resp. afwijzing van deze denkvorm dus niet voldoende erkende.
Maar ook wanneer men het stellen en beantwoorden van deze uiterst belangrijke vraag achterwege laat of ontwijkt, is er m.i. geen grond te poneren, dat iedere in de geschiedenis der wijsbegeerte denkbare conceptie ook inderdaad moest of alsnog moet voorkomen. Uiteraard valt echter ook het tegensgestelde in een bepaald geval niet te bewijzen. Daarom zal men er goed aan doen, het zoeken naar een eventuele vertegenwoordiger van een dergelijke conceptie niet al te spoedig op te geven: het blijft altijd mogelijk dat men hem alsnog vindt. Immers kent niemand alle denkers en zelfs kan het iemand gebeuren, dat hij b.v. in een hem bekende auteur, na deze aanvankelijk verkeerd te hebben gezien, later de lange tijd tevergeefs gezochte herkent.
Nog minder gaat het op, iemand op een der concepties der gangbare wijsbegeerte vast te leggen: ook van hen, die zich aan haar klimaat niet wisten te onttrekken zijn ettelijke denkers van tijdstroming of—ook wel en—van type veranderd en in vele van deze gevallen bleef het niet bij een wijziging. Daarom zal wie het met de bestudering van de geschiedenis der wijsbegeerte ernst is, van een historiebeschouwing dienen uit te gaan, die voor zulke werkelijkheden de mogelijkheden openlaat.
B. Een tweede opmerking aanvaardt dit antwoord, maar stelt de vraag, of deze methode het accent toch niet te veel op de concepties legt en hen die haar voorstonden niet min of meer verwaarloost.
Ik kan me begrijpen, dat een bedenking als deze bij de bestudering van mijn studie over de Preplatonici opkomt. Wel heb ik uiteraard ook daar van de biografische gegevens, althans voor zover ze me betrouwbaar voorkwamen, gretig gebruik gemaakt. Maar niet zelden hielpen zij het [/61c33] onderzoek meer aan op zichzelf soms belangrijke geografische en chronologische gegevens dan aan bijzonderheden die licht wierpen op het werk. En om dat werk gaat het toch! Dit blijkt reeds daaruit, dat het mogelijk is, de historische plaats van een conceptie te bepalen zonder dat zelfs de naam van de bij haar betrokken auteur ons bekend is—men denke b.v. aan de eerste en tweede gewijzigde vorm der conceptie van ANAXIMENES—. Bovendien verkreeg iemands werk niet zelden invloed in kringen met welke hij nimmer persoonlijk in contact stond en behield het die meer dan eens nog lang nadat de betreffende denker zelf wegviel. Vandaar dat ik de biografische gegevens over de Preplatonische periode, mits zij iets zeggen, niet graag verwaarloos, maar deze nog minder overschat.
In latere tijden staan de zaken meer dan eens heel anders. Van Plato, Aristoteles, en Porphyrios, Augustinus, Thomas, en Roger Bacon, Leibniz, Vico en Schelling, Brentano, Husserl en Croce, Neitzsche, Berdjajew en Heidegger, om uit verschillende hoofdperioden enige algemeen bekende gevallen te noemen, zijn vrij veel betrouwbare gegevens bekend, die ons van dienst kunnen zijn ook hun wijsgerige ontwikkelingsgang beter te verstaan. Maar bij de bestudering van dergelijke denkers tracht ik deze bronnen dan ook zo volledig mogelijk aan te boren.
C. Een derde moeilijkheid raakt de eis, door deze methode gesteld, het begin zodicht als mogelijk is te benaderen en vandaar, al meedenkende, de ontwikkeling van problematiek en beantwoording te volgen, om eerst tegen het einde aan eigen tijd toe te komen. Is het, zo vraagt meer dan een zich onwillekeurig af, niet profijtelijker, juist omgekeerd, bij de vraagstellingen van eigen tijd te beginnen en vandaar naar het verleden terug te keren? Nu onderscheide men hier voor alles doceren en studeren. Wie, in het tijdsbestek van een korte cursus, een eerste inleiding in de geschiedenis der wijsbegeerte heeft te geven, kan ook m.i. op laatstgenoemde wijze zijn gehoor allicht beter boeien en daardoor de aandacht daarvan wekken voor zaken, die anders aanvankelijk wellicht te vreemd zouden zijn. Ook menige geograaf heeft immers een lagere school gevolgd, waar men begon niet met de wereldbol, maar met een kaartje van eigen dorp of stad. Maar het onderwijs zal men ook in dit geval toch slechts toevertrouwen aan iemand, die niet alleen meer weet, maar ook leerde de beperkte mee te delen stof voor zichzelf in het licht van het geheel te zien. Iets dergelijks geldt hier. Tegen de didactische greep als boven omschreven, bestaat m.i. geen bezwaar, indien de docent ook voor zijn eigen studie zich niet op haar acht aangewezen. Want dan krijgt men, om nog even op het analoge geval terug te komen, een ruimteleer a la MACH, die bij de zintuiglijk waarneembare ledige ruimte vaneigen omgeving, dus bij de psychische objects-functie van de ontische ruimte, begint en vandaar wel uiterst moeilijk de weg naar de geometrie zal vinden en deze laatste straks wellicht ook existentieel disqualificeert. Alsmede een geschiedenis der wijsbegeerte die egocentrisch eigen tijd als de enig belangrijke beschouwt en op het verleden met zijn sterk ontologische inslag minachtend neerziet. Terwijl het toch in feite zo is, dat men eigen tijd alleen goed te zien krijgt indien men hem niet als het begin, maar, zoals het toch ook werkelijk is, als het gevolg ener ontwikkeling van eeuwen ziet, waarin het verleden heel sterk meespreekt en zich niet straffeloos laat negeren. Want verliest men dit uit het oog, dan dreigen wel heel ernstige gevaren, niet alleen voor de paedagogiek, [/61c34] maar ook voor de studie van de geschiedenis der wijsbegeerte; ik behoef hier niet te herinneren aan de PLATO-interpretatie van NATORP en aan een werk als dat van MAHNKE: nog deze week las ik een existentialistische benadering van PLATOA Laches, waarbij iemand de griezels over de grauwen lopen.
D. Tenslotte nog de vraag, of in de hier voorgeslagen aanpak niet een flink stuk academisch perfectionisme schuilt. Ik meen van niet. Want wie een auteur belicht, heeft, of dit nu in een kort overzicht of in een brede monografie geschiedt, hem toch te zien en anderen te tonen in het licht van het geheel. Anders keren we terug tot de toestand van een halve eeuw geleden, toen het gebeuren kon, dat iemand, na twee jaar trouw een college over FICHTE gelopen te hebben, moest bekennen, zelfs FICHTE nog niet te hebben gezien!
Welnu, tot een behandelen van de enkeling in het licht van het geheel behoort het aangeven van tijdstroming en type. Dit de historicus der wijsbegeerte voor ogen te houden is dan ook niet symptoom van een onmogelijk specialisme: het betekent slechts een herinnering aan het volstrekte minimum van vereiste acribie.
In de kring der Calvinistische wijsbegeerte is met deze eis ernst gemaakt, om zo mogelijk de bestudering van de geschiedenis der wijsbegeerte vooruit te helpen. En men zal, naar ik vertrouw, dit daar ook in de toekomst blijven doen. Vandaar dat ik meende in deze jubileumuitgave onzer vereniging met alle ernst, ook buiten eigen vrij kleine kring, voor deze methode aandacht te mogen vragen. [61c //]