[/63a]

PLATO'S REALISME

door

PROF. Dr. D. H. Th. VOLLENHOVEN

Zo is dan het uur aangebroken, waarop ik mijn werk aan de Vrije Universiteit, op de dag af zeven en dertig jaar geleden aanvaard, ga beeindigen.

Dit werk droeg, wat de inhoud betreft, uiteraard deels een systematisch, deels een historisch karakter.

Aanvankeleijk vergde de systematische wijsbegeerte bijna alle aandacht. Daarbij stond eerst de kentheorie op de voorgrond. Toch had ik reeds op de Hardenbroekse conferentie voor kentheorie in 1919 gewezen op de noodzaak, achter het kennen door te stoten naar het zijn, waarvan ook het kennen een onderdeel is. En dan niet alleen voor het funderen van eigen visie, maar ook voor het verstaan van anderen. Met deze lijn kruiste echter van meetaf een tweede. Daar was, eveneens al voor mijn benoeming, mijn reeds oude belangstelling voor geschiedenis. Door mijn terugkeer naar de universiteit werd deze habitus nog versterkt. Want onderricht in de wijsbegeerte moge niet uitsluitend historisch kunnen zijn, de geschiedenis der filosofie verdient daarin toch een ruime plaats. Alweer, zowel voor de versterking van eigen visie, als voor de kennis van wat vorige eeuwen nastreefen.

In het begin richtte deze historische belangstelling zich nog vooral op kentheoretische kwesties, getuige o.a. mijn inaugurele oratie. Het samengaan van ontologische en historische tendentie bracht me echter na enkele jaren als vanzelf ertoe, in de geschiedenis der wijsbegeerte inzonderheid die der ontologie na te speuren. En deze destijds als correctie noodzakelijke eenzijdigheid heeft me tot nog toe nooit gespeten: hoewel zij, gecombineerd met de consequentie doorvoering van de probleemhistorische methode, uitermate veel tijd rooft, bleek zij buitengewoon vruchtbaar.

[/63a127]

Het zou stellig onbillijk zijn, de zoeven aangeduide verbasteringen van zijn gedachten in latere eeuwen PLATO zelf aan te rekenen. Daarom laat ik bij de bespreking van de vraag, welke betekenis is de systematiek der wijsbegeerte aan zijn oeuvre toekomt, dit alles rusten om me tot PLATO's eigen werk te bepalen.

Ook hier vraagt tweeërlei onze aandacht: de kwestie van de plaats der wet en de hantering van het schema subject-object.

De bespreking van deze punten schijnt met niet slechts ten opzichte van PLATO gewenst, maar tevens van belang voor de moderne systematiek, die dergelijke problemen meer dan eens al te gaarne laat rusten.

Wat de plaats der wet betreft onderscheide men—uiteraard zonder bij PLATO het een en ander te scheiden!—het "buiten" de kosmos en de horizontale zin, die deze term in dit verband bij PLATO had.

Laatstbedoeld punt houdt verband met de historische gang van zaken bij de Preplatonici: ANAXIMANDROS onderscheidde zich van zijn voorgangers, de subjectivisten, door zijn "para"—een "voorbij" in horizontale zin—, en de Pythagoreeën waren bij de invoering van het "peras" [grens] thema niet anders te werk gegaan.

Juist echter deze voor PLATO vanzelfsprekende interpretatie van het "buiten" was één der zwakke steeën in zijn opvatting. Want zal er van een wet buiten de kosmos sprake kunnen zijn, dan is het uitgesloten te achten, dat zulk een wet achter een kosmos ligt, tot welke, nog afgezien van de lagere goden, ook de hoogste god in de makrokosmos behoort: een "deon" [wat nodig is] bezit immers gelding noch sanctie zolang men bij "wet" niet denkt aan iets dat geldt krachtens goddelijke wetgeving. En dit bezwaar tegen PLATO's opvatting, waaruit het zoeven gememoreerd tekort niet valt te elimineren, laat zich evenmin ondervangen door de apriorisatie van het intelligibile en de plaatsing daarvan "in mente dei". Want de afhankelijkheid bij deze geest met betrekking tot een dergelijke wet blijft. Een synthese op dit punt is m.i. dan ook even ongeoorloofd als elders.

Met deze conclusie is echter het probleem van de plaats der wet allerminst zinloos geworden. Want de wet bezit nu eenmaal een eigen zijnswijze, die van het "gelden". En dit predicaat past noch bij God, noch bij de [/63a128] kosmos. Maar het komst ten volle tot zijn recht, wanneer men het gelden "krachtens goddelijke wetgeving" aanvult met "en voor het geschapene".

Vandaar dat de calvinistische wijsbegeerte - anders dan het Grieks-Hellenistische en het daarvan afhankelijk synthetische denken - de wet ziet als grens tussen God en kosmos. Waarmee tegelijk het voor een Christen onaanvaardbare dualisme der nog steeds gangbare correlatie van God en wereld is vervangen door de noch dualistische noch monistische visie van een door God gestelde wet correlaat met een door Hem geschapen wereld. Een gedachte, die tevens waarborgt, dat "wet" niet gelijk nog al eens geschiedt, met "wetmatigheid" of zelfs met "regelmaat" wordt verward.

Voorts valt hier tweeërlei wet te onderscheiden. Maar ook deze verscheidenheid is een andere dan bij PLATO: zij valt nl. niet met die van subject en object binnen de kosmos te vereenzelvigen, maar is die van scheppingsbevel en liefdegebod. Het eerste raakt het ontstaan, de structuur, impliciet haar modale verscheidenheid, en de interne ontwikkeling van ieder rijk, het tweede de richting van het mensenleven in zijn verhouding tot God en de naaste. In de verscheidenheid van deze twee soorten van wet is ook de mogelijkheid van de secundair geldende positieve wetten gefundeerd, die immers ambtelijk de brug slaan tussen het liefdegebod en de concrete, mede door de zonde soms zeer gecompliceerde situatie in het naar bestemmingsfunctie, historische tjd en geografische ruimte bepaalde samenlevingsverband, waarvoor deze wetten gelden.

Rest nog de bespreking van de subject-object-relatie.

Zoeven reeds bleek zij niet in de onderling verscheidenheid der twee primaire wetten gefundeerd. Intussen neemt zij binnen het aan deze wetten onderworpene een belangrijke plaats in.

Maar welke?

Ook deze vraag vergt in onze tijd van de systematici dringend nadere bezinning.

Het moderne denken benadert, rationalistisch of irrationalistisch, deze relatie nog altijd uit hoministische hoek: als subject stelt men vrijwel unaniem uitsluitend de mens.

Ook hier echter is bezinning in ontologische zin broodnodig. Volgt men deze lijn, dan ontwaart men een viertal rijken: dat der fysisch gequalifeceerde dingen, de flora, de fauna en de mensheid.

Deze rijken verschillen onderling in het aantal der subjectsfuncties die zij bezitten: de fysisch gequalificeerde dingen hebben slechts vier van deze functies, nl. de arithmetische, de ruimtelijke, de mechanische en de energetische; bij de planten treft men voorts nog een organische en bij de dieren bovendien een psychische functie aan, terwijl de mens zich, wat zijn functies betreft, van alle andere schepselen onderscheidt door geheel een reeks van boven-psychische functies, nl. de logische, de vormende, de linguale, de sociale, de oeconomische, de aesthetische, de iuridische, de ethische en de pisteutische. En deze functies zijn, blijkens hun retro- en antecipaties, bij de dingen van elk rijk weer op eigen wijze doorgestructureerd.

Intussen bestaan er nog functies van een ander karakter. Alle schepselen spelen immers een rol in iedere wetskring. Vandaar dat de fysisch gequalificeerde dingen, de planten en de dieren in al die wetskringen, waarin [/63a129] zij niet als subject optreden, een objectsfunctie bezitten, m.a.w. als object fungeren.

Is deze gedachtengang juist, dan komt de subject-object-relatie ook daar voor, waar van een mens geen sprake is. Wanneer b.v. een rotsketen een bepaalde plantenpopulatie tegen de Noordenwind beschermt, dan betekent dit gebergte in het bestaan van bedoelde planten iets, dat een biotisch karakter draagt, hoewel rotsen uiteraard geen biotische subjectsfunctie bezitten: de onderscheiding van organen heeft bij hen eenvoudig geen zin.

Interessant is voorts, dat langs deze weg ook het kennen ontisch aan zijn recht komt. Het kennen begint nl. in de horizontale ervaring van iedere dag, wanneer iemand een verscheidenheid opmerkt o.a. bij niet-menselijke dingen in zijn omgeving—b.v. die van wortel, stam en kroon bij een eik—en het onderling verscheidene dus logisch, maar niet wetenschappelijk onderscheidt; en het schrijdt straks voort tot de wetenschappelijke methode met haar verticale verbinding van logische subjectsfunctie met een niet-logisch veld van onderzoek, inclusief de subject-subject- alsmede de eventuele subject-object-relaties daarin aanwezig.

Het gebied der objectsfuncties is dus allesbehalve beperkt tot de zintuigelijk waarneembare qualiteiten der fysische dingen: bedoelde functies spelen, integendeel, een belangrijkde ontische rol in de verhouding van de lagere rijken tot de hogere en hierdoor in de subject-object-relatie van de hogere rijken tot de lagere.

Is nu echter laatstbedoeld schema mede bruikbaar voor de verhouding van ziel en lichaam in het mensenleven, zoals ook PLATO aannam? Indien de mens, zoals de dualist meent, tot twee rijken behoorde, zou deze vraag uiteraard in bevestigende zin moeten worden beantwoord. Maar ook de monisten, hoewel niet van de tweeheid uitgaande, geven haar toch niet prijs: h.i. contraseren psychè [ziel] en sooma [lichaam] met elkander, hetzij, zoals prioreitsleer en parallelisme poneren, verticaal, hetzij, gelijk de wisselwerkingstheorie meent, horizontaal. Maakt men echter ernst met de eenheid van de "mens naar ziel en lichaam", dan zal men de conclusie moeten aandurven, dat schema subject-object in de anthropologie wèl bij de bestudering van menselijke adaptie en cultuur, maar niet bij die van zijn natuur rechtstreeks aan de orde is. Bij laatstbedoelde draagt dan weer de intermenselijke relatie een interindividueel karakter en die van ziel en lichaam een intraindividueel.

Daarmee is echter allerminst geponeerd, dat de verhouding van ziel tot lichaam niet een van actief tot passief kan zijn. Het is bepaald niet overbodig dit te zeggen, omdat het gangbare denken niet zelden de relatie actief-passief met die van subject-object vereenzelvigt, terwijl de eerste toch eveneens bij inter- en intraindividuele menselijke verhoudingen voorkomt, terwijl de subject-object-relatie hier geen rol speelt: men denke b.v. aan de opvoedbaarheid van de jonge medemens of aan de waarneembaarheid van anderen en van mezelf. [/63a130]

Intussen vereenzelvige men de relatie ziel-lichaam niet met enige andere intraindividuele verhouding. Zo laat zij zich niet indentificeren met die tussen een vroeger en een later moment in hetzelfde mensenleven, al sluiten deze twee relaties elkander niet uit. Wat de relatie ziel-lichaam positief kenmerkt is de richting-aangevende activiteit in religieuze zin: zij richt—ten opzichte zowel van God als van de naaste—het betreffende mensenleven ten goede of ten kwade, niet zelden ook in beide richtingen tegelijk.

Geheel deze structurele werkelijkheid blijkt voorts opgenomen in de tijd: een stand van zaken is voor wie genetisch leerde denken slechts een momentane doorsnede van een gang van zaken. Ook hier houde men echter scherp de verscheidenheid der rijken in het oog.

Onder dit tijdsproces ressorteren niet alleen de weer ophefbare combinatie, het ouder worden en de afsplitsing, in het rijk der fysisch gequalificeerde dingen op te merken. Want bij flora, fauna en mensheid omspant de genesis ook het telkens zich herhalend ontstaan van een jongere generatie uit de oudere.

Deze genesis onderscheide men in de eerste plaats van de aanpassing aan de omgeving voorzover men bij laatstbedolede term één of meer dan één lager rijk op het oog heeft. Adaptatie in deze zin raakt immers slechts de relatie van bepaalde subjecten tot gelijktijdig daarmee bestaande objecten, die als subjecten tot een lager rijk behoren. De voortplanting daarentegen betreft steeds een bepaalde verhouding tussen subjecten binnen hetzelfde rijk, bij flora en fauna zelfs binnen dezelfde genetische soort; en wel eerst die tussen gelijktijdige partners, vervolgens ook die tussen oudere en jongere generatie.

Maar ook wanneer men, tegenover het tijdens de positivistische fase van het neo-rationalisme bij bepaalde monistische concepties opgekomen evolutionisme, het geheel eigensoortige der rechstreeks bij de genesis betrokken relaties in het oog houdt, hoede men zich ook bij deze subject-subject-relatie ervoor de verscheidenheid der betreffende rijken over het hoofd te zien.

Een dergelijke houding is reeds daarom niet geoorloofd, omdat bij het voortplantingsproces schepselen in hun totaliteit zijn betrokken. Dit proces draagt dan ook alleen in de plantenwereld een typisch organisch karakter. In de fauna daarentegen is de paring psychisch gequalificeerd: men denke o.a. aan het lokken en roepen. En weer anders staat het bij de mens: hier spreekt men, terecht, van "geslachtsgemeenschap". En wijl bij deze verbinding beide partners naar ziel en lichaam betrokken zijn, draagt ook zij niet een uitsluitend lichamelijk, maar een volledig menselijk karakter.

Eerst bij deze benadering verkrijgt de genetische ontplooiing van het menselijk geslacht haar rechtmatige plaats in de uiteraard niet technicistisch op te vatten geschiedenis der mensheid. En in die van haar redding. Want mede tot de kern van het Christendom behoort het geloof, dat God, de Schepper van hemel en aarde, niet slechts, ook na de zondeval, de natuuren cultuurgeschiedenis der mensheid leidt, maar in Zijn Zoon Zelf mens is geworden, niet om "zielen" of ook slechts afzonderlijke mensen te redden, maar om door deze ontplooiing der mensheid het in de loop der eeuwen waar te maken, dat de God der vorige generaties ook die der nog volgende geslachten is. [/63a131]

Zie daar, Dames en Heren, de resultaten waartoe mede de PLATO-bestudering me geleidelijk in geschiedenis en systematiek bracht.

Tenslotte nog een enkel persoonlijk woord.

Dan wil ik in de eerste plaats dank zeggen aan de God van mijn leven, Die, onuitputtelijk in liefde en gedult, ook mij van mijn prilste jeugd gedragen heeft en, ondanks en door meer dan één tegenslag, me zowel in m'n gezin als in m'n ambt een leven bereidde, waarop ik met grote dankbaarheid terugzie.

Bij het eerste—m'n gezin—denk ik uiteraard inzonderheid aan mijn vrouw, die, wat de verdeling van m'n tijd betreft, in de wijsbegeerte wel eens een concurrente moet hebben gezien, maar me met haar toegewijde liefde des te meer omringde en, evenals onze kinderen, door haar hartelijk medeleven me telkens, maar vooral in moeilijke ongenblikken verrassend wist te verkwikken.

Wat m'n ambt betreft was het me een zeldzame vreugde, tegelijk met een zwager en geetverwant als DOOYEWEERD, reeds vroeg door de Vrijde Universiteit te worden geroepen tot een taak, die door haar verbinding van zoeken naar problemen en oplossingen met het doorgeven daarvan aan rijpere jeugd me grote bevrediging schonk. Nog behorend tot de generatie van hoogleraren, die tot tweemaal toe het rectoraat hadden waar te nemen, leerde ik de Universiteit ook als bedrijf kennen, waarbij de opofferende inspanning van de leden der leidende colleges me een ongeveinsde bewondering afdwong.

De steun, die ik voor m'n werk vooral sinds 1945 van Curatoren en Directeuren mocht ondervinden, zij met erkentelijkheid vermeld. De benoeming van ZUIDEMA in 1948 betekende voor mij niet alleen verlichting van een reeds lang te zware taak, maar ook bevrijding uit m'n isolement: de wijsgerige sectie bestond voortaan uit een duo-, na de komst van SMIT zelfs uit een trio van collega's en vrienden, allen bezield door dezelfde geest van liefde voor de Christelijke wetenschap en speciaal voor de Calvinistische wijsbegeerte.

Ook de waardering voor m'n werk in de Faculteit der Letteren en Wijsbegeerte bleef niet tot woorden beperkt. Uiteraard denk ik hier inzonderheid aan de klassieke secite, uit wier midden ik wijlen mijn vaderlijke vriend, R.H. WOLTJER en G.J. DE VRIES moge noemen, alsook aan de mede onder de Interfaculteit der Letteren en Wijsbegeerte en der Medicijnen ressorterende secties voro psychologie en paedagogiek, in welke ik de laatste jaren de erkenning van de onmisbaarheid der wijsbegeerte duidelijk mocht zien toenemen.

Een analoge gang van zaken viel bij de andere Faculteiten te ontwaren: ook daar groeide de belangstelling voor filosofisch onderricht. Daardoor was het verleden jaar zelfs mogelijk bij het uitstippelen van de formule lijnen voor de toekomst in de Senaat volledige eenstemmingheid te bereiken. Zij deze uitslag een voorbode voor de regeling van de nog resterende organisatorische kwesties der Centrale Interfaculteit i.o. en van eensgezindheid ook wanneer het op de concrete uitwerking aankomt.

Bijzonder prettige herinneringen bewaar ik aan het interacademisch landelijk beraad, juni 1962 te Leiden tussen de wijsgerige secties begonnen. Naar [/63a132] ik vertrouw zal het in de toekomst, wanneer deze secties volledig tot centrale interfaculteiten zijn uitgegroeid, blijven voortbestan. Ook onze sectie, door de jongste benoemingen sterk uitgebreid en tot haar vreugde na lang wachten in het bezit van een wijsgerig instituut gekomen, zal aan dit contact zeker gaarne het hare bijdragen.

Tenslotte moge ik hier nog memoreren het stimulerende bezoek, dat ik als gasthoogleraar der Vrije Universiteit voor Christelijk Hoger Onderwijs te Potchefstroom, deze zomer, vergezeld van mijn vrouw, aan Zuid-Afrika mocht brengen.

Uiteraard geldt m'n laatste woord mijn studenten en de toekomst van de Vrije Universiteit.

Al het zoeven ter sprake gekomen organisatorische werk beoogt mede de studentenwereld te dienen.

Inzake de mogelijkheid van meeleven met het niet-wetenschappelijke daarin gaf ik reeds in mijn inaugurele oratie uiting aan de vrees, dat mijn bemoeiing daarmee wel enigszins in het gedrang zou komen door mijn zwak voor studie en doceren. Dit vermoeden is, helaas, juist gebleken, zelfs in sterker mate dan ik kon verwachten: had de eerste wereldoorlog een eind gemaakt aan de mos der studentendiners ten huize der hoogleraren, de tweede deed ook de thee-avonden bezwijken. Des te meer verheugt het me, dat ik, zowel voor het Studentencorps, waarvan ik sinds 1930 erelid mag zijn, en zijn Reunistenorganisatie als voor de Calvinistische wijsbegeerte en van de Stichting Bijzondere Leerstoelen, strengere beperking noodzakelijk.

Het centrum van ons contact werd door deze gang van zaken steeds meer de ontmoeting op college. Gezien het gehalte der te behandelen stof dreigde daar het gevaar, dat ge slechts zoud luisteren en aantekeningen maken. Vandaar dat ik telkens opnieuw bij u erop aandrong, toch vragen te stellen. Ik deed dit om te weten, waar uw moeilijkheden lagen. De vragen kwamen inderdaad, en zelfs in vrij groot aantal. En ik juichte. Aanvankelijk slechts om de wederkerigheid van het contact en om de mogelijkheid u te helpen. Al spoedig echter kwam ik tot het inzicht, op deze wijze ook zelf gebaat te zijn: uw moeilijkheden bleken ten dele de keerzijde van onhelderheid mijnerzijds, die nadere bezinning vergde!

In verhoogde mate gold dit uiteraard de rapporten der assistenten; het meest echter de problemen, gesteld door hen die bij me gingen promoveren. De moeilijkheden, hier te lande aan het verkrijgen van een doctoraat in de wijsbegeerte verbonden, zijn niet gering en voor buitenlanders wegen zij bijzonder zwaar. Zij die desondanks wisten door te zetten, dwongen dan ook beslist m'n respect af. Daarom verheugt het me intens, dat zij allen een professoraat verkregen en daarbij, eveneens zonder uitzondering, hun Alma Mater een warm hart bleven toedragen.

Wat tenslotte de Vrije Universiteit betreft, zij heeft voor mij iets betekend sinds ik van mijn vader haar bestaan en iets van haar ontstaan te weten kwam. Daardoor heb ik reeds als jongen, op mijn manier, meegleleefd met KUYPER's strijd tegen het liberalisme om haar het civiel effect van haar graden te waarborgen. En later, als geboren Amsterdammer leerling van WOLTJER's gymnasium, koesterde ik al vroeg de wens aan haar te studeren. [/63a133]

Een ontmoeting, met een dergelijke achtergrond, is niet zonder gevaren. Want ook hier moest ik natuurlijk leren, ideaal en werkelijkheid te onderscheiden. Maar daar bleef het, gelukkig, dan ook bij: tot scepsis ten aanzien van de V.U. en afortiori tot cynische spot met haar idealen ben ik nooit vervallen.

Bedoelde distinctie had ik ook later dringend nodig: door haar kon ik de critiek, vanuit de Gerformeerde gezindte op de V.U. geleverd, niet alleen verstaan, maar tot op zekere hoogte soms ook delen, zonder ooit aan haar doelstelling te vertwijfelen.

Ik vermoed, dat ons Gereformeerde volk dit heeft aangevoeld. Het heeft me althans, vanaf de tijd dat ik als proponent, om met Geesink te spreken, "het land onveilig maakte met candidatenpreken", het nooit euvel geduid, wanneer ik heilige, of liever onheilige huisjes opruimde; zelfs heeft het me later, in nodeloos moeilijke jaren, meer dan eens positief verrast met een troostend Schriftwoord, een treffend praktische raad, ook wel met een enkele handdruk vol vertrouwen.

Dat de Gereformeerde gezindte als zodanig conservatief zou zijn, geloof ik dan ook niet: zij staat wel degelijk open voor critiek op tradities, mits deze uit liefde werd geboren en Schriftuurlijk verantwoord is. Daarin gaat ze zelfs zó ver, dat ze hem, die, na gevonden te hebben, verder zoekt, met belangstelling blijft volgen. Wat zij echter niet begrijpt is dat men, na alle critiek gedurende enkele decennia op het synthetisch denken geleverd, daaraan dermate verknocht is dat men, nog nauwelijks uit de lethargie van het dualisme ener oude en nieuwe scholastiek ontwaakt, z'n denken onder de hypnose van faenomenologie, technicisme en evolutionistisch monisme stelt of, indien men zelf niet zover gaat, als buitenstaander door de gecompliceerdheid van een dergelijke poging zó geboeid wordt, dat men daarvoor een nieuwe complicatie riskeert.

Ik meen, dat het goed is, deze dingen ook hier te zeggen. Juist ter bestendiging van de band tussen Vrije Universiteit en het volksdeel waarop zij bouwen kan. Want het gevaar van vervreemding tussen die twee schuilt niet, zoals men vroeger wel eens meende, daarin, dat zij, die de Vrije Universiteit dragen met hun liefde, hun gebed, hun gaven en hun kinderen, niet elk wetenschappelijk betoog kunnen volgen, maar veeleer in de vrees, dat alles, ook het onrijpe, dat in de Gereformeerde gezindte tegenwoordig woelt, mede in ons Hoger Onderwijs gaat doordringen. Terwijl toch het beginsel der souvereiniteit in eigen kring, dat de verscheidenheid in het Christelijk organisatieleven hier te lande kenmerkt, vergt, dat de Vrije hier niet volge, maar door haar leiding Schriftmatige tegenweer biede.

Van harte hoop ik, dat ook dezerzijds dit gevaar worde onderkend en daarmee voor de Vrije Universiteit nog een rijk gezegende toekomst zij wegelegd. [63a //]