[/63b]

Problemen Rondom de Tijd

Inleiding

De titel zal wel geen verwondering wekken. Want steeds in onze kring, ondanks overeenstemming in de hoofdzakken, [zijn er] toch ook verschillen bij de uitwerking. 'Isagogie' [is] steeds niet gelijk aan 'De Wijsbegeerte der Wetsidee'. En dit ook bewust. Bewijs: 'in de richting van de Wijsbegeerte der Wetsidee' (Statuten [Artikel 3]) en de naam: Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte.

Deze verschillen zijn jaren lang even bewust niet op de voorgrond gesteld.

(/63b171) Gronden:

1) Hier [is] een eerste serieuze poging te komen tot een Schriftuurlijke wijsbegeerte, dus moest de eenheid aan het front gehandhaafd blijven.

2) Als voorzitter had vooral ik hier een taak.

3) [Lang] te bezet met ander werk en daarbij vroeg de [studie] van de problematiek van het gangbare denken wel bijzonder veel tijd 1943 laatste [editie van del 'Isagogie'! 'Kort Overzicht [van de Geschiedenis der Wijsbegeerte' is] van 1956-.

In verband met [de] Brede Coetus [kwamen] echter o.a. deze punten aan de orde. Uiteraard [is discussie van verschillen] niet het enige doel: ook de mannen der vakwetenschappen wat grond onder de voeten [geven] - laat dejongere generatie dit straks niet vergeten! Maar toch ook deze punten.

En nu daarover ook hier uitdrukkelijk werd gevraagd, mijnerzijds geen bezwaar.

Methode

Uitgaande van het gemeenschappelijke in de visie bespreek ik de verschillen. De belangrijkste punten van verschil [zijn de volgende.]

1. De modalisering van de tijd.

2. De kosmische tijd.

3. De tijdsorde.

4. De ontwikkeling in de rijken.

5. De mens.

a) De boventijdelijkheid der ziel.

b) De onderlinge verhouding van ziel en lichaam.

c) Het ambt.

d) De geschiedenis.

Uiteraard is dit alles niet tegelijk aan de orde gekomen. Zoals het meer gaat: het eerst trekt een verschil de aandacht in een zeer gecompliceerde kwestie - [in] de anthropologie o.a. de term 'boventijdelijkheid der ziel' -; eerst later blijkt duidelijker wat er achter deze bezwaren schuilt.

Zo [vond er een] geleidelijke versteviging van eigen reeds oude visie [plaats] ([van del 'Isagogie'!) [met betrekking tot het volgende]:

1. Drieërlei wet en daardoor drieërlei subjèct-zijn.

[i] bij het ontstaansbevel alle schepselen subject;

(/63b172) [ii] bij het liefdebevel alleen de mens subject; en

[iii] bij de positieve wet de mens zelfs bij de wetgeving betrokken (het ambt).

2. De fundering van de gemeenschappelijke strijd tegen de evolutieleer—het belang van de onderscheiding van subject en object juist hier.

3. Het psychische is niet gelijk aan de ziel, maar ook is het organische niet gelijk aan het lichaam bij de mens.

4. De onderlinge verhouding van ziel en lichaam bij de mens.

>Met betrekking tot de wet en het subjècte: de wet geldt, niet God [geldt], en ook niet de mens. N.B. God stelt de wet en schept de mens. Zo is er een tweeërlei correlatie en geen dualisme (bijv. God en mens) en ook geen monisme (Godmens); cf Pomponazzi m.b.t. God en wereld.<

>Met betrekking tot de structuurwet: de structuur van het geheel is meer dan de modale wet; de structuurwet impliceert wel de modale ordeningen. Wet geeft de ordening, niet functioneren als zodanig, anders is er de correlatie niet [tussen wet en functie]. Niet een aparte wet voor ieder individueel ding of mens. [Ook] het universele [behoort tot] het geschapene. Het individuele [is op] geschiedenis [betrokken], de successievelijke andere factoren hier. N.B. [Hier ook de] leiding Gods [... en de] reacties van de mens, enz. Het is er immers niet allemaal tegelijk. Bepaling door de plaats die je inneemt in de tijd van de geschiedenis. De individuele verschillen komen pas later aan de dag.<

Indeling

Maar thans naar de bespreking van de punten zelf Zij laten zich—in verband met [het probleem van] de tijd—samenvatten in twee vragen:

I. Zijn we niet te vroeg begonnen met de invoering van de tijd?

II. Zijn we niet te vroeg daarmee opgehouden?

Beide vragen dienen m.i. bevestigend te worden beantwoord. Daardoor [is er een] dubbele correctie noodzakelijk: iets loslaten en veel toevoegen. (Vanavond beperk ik me tot de eerste vraag.)

(/63b173) I. Zijn we niet te vroeg begonnen [met de invoering van de tijd?]

Inleiding: Waar werd de tijd het eerst aangenomen? In de functie van het arithmetische. Daardoor later in alle functies. En bij Dooyeweerd zelfs uitsluitend in de functies. Zo kwam het bij hem tot:

1. de modalisering van de tijd;

2. de leer van de 'kosmische' tijd;1

3. [del eigen opvatting van de tijdsorde.

>N.B. 'God-wet-kosmos' is een drieslag, die het bestaan er-van aanduidt en is niet bedoeld als drie zijnswijzen in ontologische zin, want noch God noch wet is binnen of in een ontologie te vatten: ontologie slaat alleen op de kosmos.

De verhouding van kosmos en wet is uitgedrukt in het subjectzijn. Binnen dit subjèct-zijn is er de relatie subject-object (dus binnen de kosmos; deze heft de vorige relatie, nl. die van kosmos-wet, niet op, laat staan die van God-wet, die echter ook anders van aard is dan die van kosmos-wet, maar de subjectobject-relatie wordt erdoor bepaald en is daarom kleiner van omvang).<

Omvang. Derhalve vallen onder de vraag, vanavond te behandelen, due der genoemde punten; de twee overige—de ontwikkeling der rijken en de mens—blijven tot de tweede avond bewaard.

Indeling. Eerst de moeilijkheden (A); dan de positieve kijk (B).

A. De moeilijkheden

Deze raken niet het thema van de orde der functies: hier [heet] Dooyeweerd prachtig werk geleverd met het aantonen van retro- en antecipaties. Maar wŠl de gedachten, dat iedere functie een eigen tijd heeft en dat de orde der functies een tijdsorde is, die hier dan nader 'kosmische' tijd heet.

Want daardoor [krijgt] iedere modaliteit een zodanige 'zelfstandigheid' waardoor 't verschil van functie en ding, van modaliteit en rijkniet voldoende uit de verf komt.

Vooral bij de fysische dingen [is het] vastgelopen. Deze bezitten, naar men weet, vier functies ([in toenemende complexiteit:] arithmetisch, ruimtelijk, mechanisch, energetisch).

(/63b174) Twee groepen van moeilijkheden:

1. Bij het arithmetische en het ruimtelijke.

2. Bij het mechanische en het energetische.

[Ad] 1. Bij het arithmetische en het ruimtelijke.

Hier [is er] moeite zowel met de specifieke tijd als met de orde.

a) De specifieke tijd

Indertijd—in m'n dissertatie [1918]—sloot ik aan bij Poincaré. Die [is] een ennoëtist.

[Schema van het ennoëtisme:']

[hogere contem-

plerende denkgeest] [nous]

[lager gecontem- [psyche—tijd—getal]

pleerd object] [sooma—ruimte—geom.figuur]

Tijd bij getal; tijd niet bij de ruimte dan [alleen] via de beweging (gelijktijdigheid)

[De] onderlinge verhouding [binnen iedere divergentie is steeds] een contrasterende: wel—-niet

b) Orde

[Binnen het ennoëtisme is de orde van tijd/getal en ruimte analoog aan die van ziel (psyche) en lichaam (sooma), nl.] contrasterende: tijd—-ruimte

Maar in verband met retro- en antecipatie moest [de] onderlinge verhouding anders [zijnl: niet contrasterend. Maar ook de orde [van hoger en lager] moest een andere worden: ruimte retrocipeert op het arithmetische en het arithmetische antecipeert op de ruimte.

Doch daardoor2: 2 gelijktijdigheid

1 successie.

c) [Het punt]

Bovendien [is er] moeite met het object: waar is het object in de ruimte, dat naar het arithmetische terugwees? [Men zei steeds:] het punt. Maar [het ruimtelijkel retrocipeert in [de] lengte van de lijn en in de veelheid van dimensies. Hoe [is] daarmee de afzonderlijke (/63b175) plaats van het punt te rijmen? Geen wiskundige wist daarmee raad. En, deze verlegenheid [ligt] aan de basis. Hier haperde dus iets.

Argumenten ter verded[iging] tweeërlei:

(i) '[Een] lijn [wordt] door 2 punten objectief bepaald'.

[Antwoord.] Maar hier [is] een spel met de term 'objectief'.

>Een punt is via de snijding [van twee of meer lijnen] een minimale dimensie, en niet meer een objectsfunctie. Eigenlijk is het woord 'dimensie' hier niet eens te gebruiken. Een punt is wel ruimtelijk, maar niet een uitgebreidheid. Men kan wel zeggen, dat het punt een plaats in de ruimte heet maar niet dat ruimte wordt ingenomen.<

(ii) [Maar] ook deze functies [zijn] toch niet buiten de tijd. [Er is] verandering ook van arithmetische en ruimtelijke functie. 'Maar komt men, wanneer men de specifieke tijd voor beide loslaat, toch weer niet bij het rationalisme uit?'

Antwoord. Tijd [is] wel van betekenis voor deze functies, maar indirect, door de verandering der dingen. Dus [er is hier] geen gevaar voor rationalisme.

[Ad] 2. Bij het mechanische en het energetische

Deze onderscheiding [is] van latere tijd.3 Maar [zij is] terecht. Ook de leer der retrocipaties heet daarmee gewonnen. Men denke aan het verschil tussen emotionaliteit en intensiteit van het gevoelsleven.Hier lag de zaak bovendien wat eenvoudiger dan bij het arithmetische en ruimtelijke: geen moeilijkheid met de onderlinge orde van deze twee functies, [want] kracht onderstelt beweging, het energetische impliceert het mechanische.Maar [er is] wŠl ook hier weer [de] moeilijkheid met de leer van de specifieke tijd en met die van het object.

a) De modalisering van de tijd

Argument: de onzekerheidsrelatie—beter: de onnauwkeurigheidsrelatie—tegenover de complementariteitstheorie. Een fysicus kan niet tegelijk de sterkte van de impuls en de plaats van het betreffende partikel bepalen. Anders gezegd: voor de bepaling van deeltje en golf kan een specifieke ineetprocedure worden gevolgd, maar bij de verbinding blijft een onnauwkeurigheid.

Nu leidt de analogie met Bohr er hier toe van subject en object te spreken. Maar scherp onderscheiden: Bohr is een bio-chemicus' en bovendien een aanhanger van het onbeperkte parallellisme.

(/63176) [Schema van het onbeperkte parallellisme:]

S: bewustzijn

sooma O: biotisch

materie S: psychisch

O fysisch-[materiaal]

Nu wil uiteraard ook Dooyeweerd niets van parallellisme weten. Ook zien we beiden scherp het verschil van biotisch en beneden-biotisch. Meer dan een analogie is hier dan ook niet bedoeld. Maar is zelfs die hier mogelijk? Heeft men hier te maken met het verschil tussen energetisch en mechanisch? En onderstelt het argument niet dat men de relatie van energie en materie als die van twee verschillende modale niveaus ziet, m.a.w. het bestaan van niet energetische materie poneert[?]

b) Daarmee [is] echter ook de kwestie der mogelijkheid van het schema [van] subject-object aanvechtbaar.

>Opmerking met betrekking tot fysica en chemic.

Fysica is een modale vakwetenschap van het energetische en mechanische (in een verticale zin). Het mechanische is datgene waarop het energetische is gebaseerd. Kracht is 'oorzaak van wijziging van [snelheid en van] richting van beweging'. N.B. Het energetische zit ook in plant, dier en mens. Dit wordt niet genoeg gezien vandaag, omdat nu de wetenschap te veel door de praktijk bepaald wordt. Chemie [daarentegen] is een structuur-wetenschap van dingen: samenvoegen en scheiden (horizontaal). Hier worden de relaties van subject-object en van subject-subject onder de loupe genomen, wat technische grepen vereist, en wat ook dichter bij het leven staat.<

B. Positieve kijk

1. Tijd impliceert verandering aan en door schepselen. Het ding dat verandert kan niet worden ontbeerd.

De modalisering van de tijd maakt echter functies tot pseudodingen en verbindingen van een groter aantal functies tot een hoger rijk.

(/63b177) >Vraag: Als iedere functie een eigen tijd heeft en er een kosmische tijd is en ook een tijdsorde der functies, impliceert dit dan noodzakelijkerwijs de verzelfstandiging van functie tot ding en [modaliteiten tot] rijk?

Wel als iedere functie, dus ook binnen het fysische, zo gezien wordt hebben we te maken met een versubstantialisering van de tijd. Tijd moeten wij zien i.v.m. verandering. Dit wil niet zeggen, dat wij het arithmetische en ruimtelijke uit de tijd willen halen om het dan ook nog (eventueel) apriorisch te maken—zoals het rationalisme doet -, want de tijd is immers inherent in de (fysische) dingen. Wij moeten onderscheiden tussen tijd i.v.m. functies en tijd i.v.m. orde (laatste hoeft niet tijdelijk te zijn).<

2. Het object

[We moeten] zeker niet (de leer van) het object schrappen: denkers zo uiteenlopend als Brentano, Scheler, Whitehead erkennen weer objecten. Reeds de dagelijke er-varing [is] daardoor rijker.

Maar objecten onderstellen, zeker bij het niet-menselijke, altijd andere dingen en gebeurtenissen daaraan. Zeker hier geen inherente objecten. Wie daarnaar zoekt, vindt ze eenvoudig niet.

Resultaat: het aantal dezer modaal verschillende typen van objectsfuncties is dus belangrijk kleiner dan aanvankelijk gedacht (3 groer)en minder): de fysische dingen [zijn] louter subject. Maar hun betekenis [is] groter: de objects-functie speelt een rol bij de onderlinge verhouding van twee rijken, dus bij interregnale relates.

>De definitie van een objectsfunctie wordt nu omschreven als 'de herhaling van de zin der subjectsfuncties van de dingen der lagere rijken'. Dus [alleen] boven het fysische [komen] objectsfuncties [voorl, die [mede op het fysischel gebouwd zijn.<

>De fysicus heet niet met objecten te doen maar alleen met subjecten. Dus er is een onderscheid minder in dit veld van onderzoek [nl. geen subject-object-relatie], maar dit veld van onderzoek blijft als zodanig gelijk[, dus inclusief de mogelijkheid van de mathematische formulering van fysische stonden van zaken]. [Dit laatstgenoemde betreft] hier de kwestie van formalisering. Omdat [een] object minimaal [een] ding is, herhalen zich in de objectsfuncties al de laagste vier modaliteiten. [... ] Zelfs niet een van de eerste vier [modale functies] kunnen op een bepaalde manier (binnen het fysisch ding) (/63b178) bepalend zijn voor de objectsfuncties- Bohr was wegens zijn onbeperkte parallellisme gedwongen niet maar een cel in het lagere als een biotisch iets als ob ectsfunctie te zien (dit is juist), maar ging dit (verticaal subject-object) toepassen binnen het fysisch ding, waardoor hij het mechanische en energetische gaat reduceren tot een verhouding van object-subject.<

Daardoor [zijn] de verschillen tussen de niet menselijke dragers van objectsfuncties voor de mens [ook duidelijker]; reeds bij de naieve ervaring van het kind komt dit uit: het werpt een bal, begiet een plant, en speelt met een dier, en bij de volwassene: bewerken van metaal, kweken van planten, telen van dieren.

3. [De] tijdsorde is een orde niet van modaliteiten; wel onderstelt de hogere modaliteit de lagere (retrocipatie) als de meer gecompliceerde de minder gecompliceerde; tijdsorde is eerst aanwezig bij de orde van rijken.

[Is dit] van betekenis voor de retrocipaties? Neen. Maar wŠl voor de objectsfuncties: het evolutionisme rekent voor [zijn] evolutieleer—bij de kentheorie kan het even anders staan—uitsluitend—op niet verantwoorde wijze bovendien—met subjectsfuncties—alles causaal -; maar 't hogere rijk onderstelt voor de verwerkelijking de aanwezigheid van de objectsfuncties bij het (of de) lagere.

Conclusie. Dus te vroeg met de tijd begonnen: hij speelt wel een rol in alle functies, maar via de verandering der betreffende dingen, en de structuur der laatste is mede van betekenis voor hun objectsfuncties, die op subjectsfuncties van dingen berusten.

Opmerking. Geen overschatting van het object bij Dooyeweerd in deze algemeen gangbare zin: ook hij heet naast [de] subject-object[relatie] de Gegenstandsrelatie, die inzonderheid in de kentheorie van grote betekenis ismen denke aan de onderscheiding van niet wetenschappelijke en wetenschappelijke kennis. Waar de Gegenstandsrelatie niet van de horizontale relatie wordt onderscheiden, o.a. bij de fenomenologie, is wetenschap primair aangewezen op regionale zones en op reflectie. Maar die [komt] ook bij [de] dagelijkse ervaring [voor].

>Tijd is niet te beperken tot het lichaam, tot de kosmos, zoals Dooyeweerd dat doet. De kosmos is in de tijd, [dus tijd] is breder (/63b179) [dan kosmos] en subjèct tussen God en wereld. (Bijv. de 'prioriteitsleer' of [één der concepties van] de late Aristoteles zou de konsekwentie zijn voor Dooyeweerd.) De tijd is in heel de kosmos—de kosmos is een steeds veranderende kosmos—en daarom [is] niets [van het geschapene] boven de tijd. Tijd is niet modaal (prisma en het specifieke, bijv. arithmetisch en ruimtelijk) [en het bepaalt] niet [de] kosmische orde; maar [tijd staat] in verband met dingen [inclusief planten, dieren en mensen], en [komt] niet [primair voor] bij modaliteiten. [Het modaal-] specifieke onderstelt mede de structuur.<

>Een tijdsorde van rijken houdt in dat het hoger reikende rijk het lager reikende rijk nodig heeft: de subjecten [van de hogere rijken hebben] de objectsfuncties van [de dingen van] het lagere rijk nodig. De eerste vier modaliteiten zijn geordend door hun gecompliceerdheid en niet door de tijd.

De wet is wel boventijdelijk; de wet [...] [is betrokken op] de tijdelijkheid, maar dan inzoverre het slaat op de subjecten in het subjècte. In verband met de correlatie van subjèct en wet [... ] [is] een bevredigende definitie van de tijd moeilijk [te geven]; de gedachte dat tijd te zien is in verband met verandering van de dingen [inclusief planten, enz.] is een 'hulp'. De liefdewet en de structuurwet gaan niet in de tijd op (vs. 'Gebot der Stunde'), daarentegen [zit de tijd] wel [in] de positieve wet.

De structuur van [bijv.] de staat [moet dan ook] niet alleen [gezien worden] in verband met de modale wet, maar ook met de geschiedenis. Dit laatste sluit niet uit de noodzaak van een scheppingsordinantie te blijven spreken. Scheppingsordinantie wil zeggen: het is niet willekeurig, het is een van natuur gegeven verband—het sluit aan bij de modale en structurele verbanden, enz. Wij moeten oppassen, dat wij niet alle verbanden gaan verzelfstandigen en vooral dit laatste dan niet in het 'paradijs' gaan duwen. Aan de andere kant moeten [we heel goed oppassen niet te vervallen in de gedachte van een 'physis' vs. 'nomos', waarbij de 'nomos' dan gelijk wordt aan conventie (dit is speculeren met natuur en cultuur). Al kunnen wij de zin van de wet niet verstaan zonder de tijd, dan mogen wij niet concluderen [...] [dat] tijd in de wet [aanwezig is], maar moeten wij allereerst in rekenschap brengen dat de tijd ook in de functies [van dingen] zit.<

(/63b180) Zijn we niet te vroeg opgehouden met de [invoering van del tijd?

Hierbij twee punten:

A. de genesis bij de rijken (afgezien van de mens) [=het vierde punt van verschill;

B. De mens [=het vijfde punt van verschil; nader:] Ziel, ziel enlichaam, ambt, geschiedenis. [...]

A. De genesis binnen de rijken (afgezien van de mens)

1. Hier [is] een genesis [in ieder rijk]. [... ]

>Genesis vinden we ook in het fysische (dus in alle rijken). Het is niet noodzakelijk hier over plant, dier en mens te spreken, want daar is het genetische nooit ontkend. De atoomsplitsing is technisch tot stand gebracht. Atoom is nooit 'dood' geweest: 'dood' slaat immers op de religie en niet op de rijken; cf stenen zijn toch ook schepselen!<

[2.] Geen evolutionisme

Evolutionisme impliceert genetisch denken—[dit is] juist—maar [het is ook] monistisch van bepaalde typen, [nl. daar waar] meer dan ,,n rijk bij het hogere [voor komt]. [...]

[Het evolutionisme heeft] verscheidene tegenstanders. Maar [er is] verschil in argumentatie. Dooyeweerd gaat uit van de constantie der soorten. [... ] [Dit is] m.i. een laat aristotelische gedachte: wording alleen van het individuele ding.

>Er is een sterkere bestrijding mogelijk, die niet van de wording van de individuele dingen, maar van de procreatie uitgaat.<

(a) Maar bij plant en dier [vindt] procreatie [plaats]. En daarbij [ook] transformatie zowel in negatieve zin (degeneratie) als in positieve zin (evolutie). Geen van beide [is] te loochenen. [...]

>ln procreatie zijn twee soorten van transformatie te onderscheiden: degeneratie en evolutie. Maar dit is dan een kwestie binnen de rijken, binnen een bepaald rijk. Hoever dit gaat moet men aan de onderzoekers van betreffende rijken overlaten; zeg dus niet zomaar 'soorten zijn onveranderlijk'. Deze onderzoekers van de rijken zijn ... niet mensen van de [modaal bepaaldel vakwetenschappen, maar mensen die aan (/63b181) plantkunde, dierkunde, anthropologie, enz. doen.<

>Het generiek begrip is dus transformatie met zijn twee spe-cies [: degeneratie en evolutie], dus niet versus evolutie.<

(b) [Maar van] transformisme en bij [del positieve richting evolutionisme [is pas sprake] eerst bij genesis die de grenzen van de rijken overschrijdt.

Dit [houdt in] een verandering van de rijksstructuur (=antecipaties, retrocipaties) en [houdt] nog minder [rekening met] het accent dat aan de objectsfuncties toekomt.

>Men kan bij transformatie vergeten, dat het alleen zin heet hierover te spreken als men de grenzen van de rijken in acht neemt. Want anders krijgt men transformisme; en dat laatste dan ook weer met zijn twee species, nu echter in hun 'istische' zin: degenerationisme en evolutionisme. Evolutie is dus progressie van transformatie, terwijl evolutionisme is progressie van transformisme.

Dit is helderder, vooral in verband met de soorten, want nu is in het soort-begrip ook degeneratie erbij inbegrepen (versus Dooyeweerd).

Beide -ismen (van positieve en negatieve transformisme) zijn overschrijdingen van de rijken: ,,n ervan [d.w.z. van de -ismen] trekt dwars door de rijken heen.<

>De structuur van dingen van het zelfde rijk is anders dan die van een ander rijk. [Dit omdat iedere rijk een eigen aantal van modale functies heet, zodat ook ieder een eigen configuratie van antecipaties en retrocipaties heet.] Men mag niet modaliteit, of functie, in wijsgerige zin als transformatie zien (positief of negatief).4<

>Vraag: Waarom is tegen het evolutionisme het argument van de constantie der soorten en de wording van de individuele dingen minder sterk dan het argument van de procreatie met haar twee soorten van transformatie, nl. degeneratie en evolutie? Alleen omdat het eerste argument geen plaats heet voor degeneratie?

Antwoord: Nee, niet alleen in verband met degeneratie. Maar ook het soort-begrip is te vaag tegenover het evolutionisme. Soort is als begrip een verzameling van kenmerken; dit is (/63b182) te vaag, omdat wij het over concrete dingen hebben. (Bijv. als men eerst alleen maar van witte zwanen weet en dan ineens hoort, dat er ook zwarte zwanen zijn, dan moet het soortbegrip worden veranderd!) Daar komt nog bij, dat soort te vaak te statisch wordt gedacht (misschien wegens een aristotelische verwarring van eidos en morphe).

Het is beter van procreatie te spreken (in positieve en negatieve zin); procreatie, die alleen in het boven-fysische voorkomt.

'Soort' als begrip kan men wel gebruiken om er alles wat transformatie heet de nek mee om te draaien.

Samenvattend: soort is als begrip te vaag, te star, niet concreet genoeg.[ ... ] Het rijk-begrip is duidelijker: rijk, met een aantal functies, dat bepalend is.<

>Het evolutionisme kent geen objectsfuncties, d.w.z. qua evoItitionisme (eventueel wŠl in zijn kentheorie, bijv. bij Whitehead). Het evolutionisme heet alleen kans in de leer van liet subject.<

>Evolutionisme blijkt subjectivistisch [te zijnl. Het is wel goed te zeggen, dat God zich aansluit bij wat al bestaat (cf opvoeding van kinderen), maar hij maakt rijken met objectsfuncties, wat het evolutionisme vergeet wegens zijn subjectivisme. N.B. Het dier moet er zein voor de mens, planten voor mens en dier, fysische dingen voor plant, dier en mens. En vergeet dan niet dat o.a. de mens helemaal doorgestructureerd is; bijv. Adam moest de dieren een naam geven: hier [heet men met het] dier als objectsfunctie [te maken] op het taalgebied van de mens.<

>Het evolutionisme kan wel, en zij doet het ook in feite, spreken over 'objecten'. Maar het gaat [bij het evolutionisme] om de causale reeksen, en hier spelen de objectsfuncties toch geen rol: de verhouding van subject en object is niet die van causaliteit. We moeten niet vergeten, dat de term 'aanleiding' iets anders is dan prikkel (dus tussen [dingen van] twee rijken) en nooit identiek is met voortplanting, bijv. twee dingen binnen een rijk.<

>De gecompliceerdheid van differentiatie verklaart de verschillen van de rijken onderling niet. Het hogere rijk heeft (/63b183) het lagere nodig. Niet hogere uit lalyere, wel (misschien) later dan het lagere. (Vakmensen moeten zich beperken tot hun eigen vak en daarom zijn zij onbevoegd te oordelen over andere rijken.)<

> [Bij de problematiek van het evolutionisme is kennis van de] geschiedenis van de filosofie nodig, bijv. [monistische] Cretisch Dionysische Orfiek en de [analoge monistische] zo6logische wisselwerkingstheorie. Als men deze dingen goed ziet (historisch) zal men niet zomaar verkeerde theorieën christelijk' gaan dopen met de (een) scheppingsgedachte.<

[3. Samenvatting over] genesis

>Genesis is breder dan procreatie: genesis komt voor ook bij het fysische en bij de splitsing van eencellige wezens (splitsing is louter genesis); dus in genesis zit wel het fysische erbij in, maar de fysische genesis en eencellige splitsing zijn iets anders dan voortplanting. Voortplanting is geslachtelijk van aard.<

i. Bij fysische schepselen [is er] verbinding en scheiding op verschillende reactie-niveau's; men denke hier o.a. aan de radioactieve verschijnselen.

ii. Bij eencellige biotische schepselen [vindt niet-geslachtelijke] voortplanting [plaats door cel-]kern[splitsing] en plasma[scheiding]. Reeds hier relatie van subject en object [tussen] het biotische en fysische, maar geen analogie in het fysische (dit tegenover Bohr). [Zie] Dooyeweerd, A New Critique of Theoretical Thought, deel III, par. 2 & 3 [van] slot[hoofdstuk, p. 699-732].

iii. [Bij] sensorische schepselen—planten—is [er] geslachtelijke voortplanting, maar middellijk, b.v. sporen door wind of door insecten overgebracht—reactie op prikkels van warm en koud, licht en donker, droog en vochtig.

>Sensorisch, d.w.z. prikkel en reactie; het is niet zuiver biotisch, alhoewel het er dicht bij komt. 'Reactie op' is iets anders dan zintuigelijke waarneming. Het is niet een vorm (cf. Aristoteles) en ook niet een wezen, maar [het is] modaal.<

iv. [Bij] vitale schepselen >ligt het accent op drift<; ook (/63b184) afweermechanismen [spelen hier een rol].

v. [Bij] gevoelige schepselen [is sprake van] lust en onlust. ([Cf.] W.K van Dijk, [hoogleraar psychologie te Groningen, 'Neurose en religie' in] 'Mededelingen [van de Ver. voor Caiv. Wijsb.'] Dec. '62.)

[Opm. bij] iv/v. Dieren [vertonen] motorisch [gedrag] bij de voortplanting; 'paring'. [Zijn deze schepselen] nog onderling verschillend?"5

vi. [De] mens [heet] vele functies meer. Voortplanting en paring [zijn termen die] hier niet voldoen. [Eerder gebruike men de term] geslachtsgemeenschap. [Dit is] niet alleen functioneel; gemeenschap is niet gelijk aan omgang. De behoefte [is] niet zuiver functioneel, maar het innerlijke daarbij [is] zeker niet primair.

B. De mens

Inleiding. Hier [worden] de overige punten [behandeld:] ziel, ziel en lichaam, ambt, geschiedenis.

1. Ziel

[Binnen onze kring is men het] eens [over het feit], dat de ziel niet gelijk is aan het psychische. Over de ziel [is] geen vakwetenschap mogelijk.

[Er is] verschil [, met name wat betreft] (a) [het] boventijdelijke van 'het ik' en 'het zelf', [ (b) 'ziel' in de Heilige Schrift].

[Ad a. Het boventijdelijke van de ziel.]

Toelichting: [Dooyeweerd plaatst] de ziel tussen God en overige schepselen in. [Schema:]

Bavinck: Dooyeweerd Vollenhoven

God God God mens ziel wetszijde wet kosmos kosmos ——————- kosmos inclusief mens subjèctszijde naar lichaam en ziel

[...]

<Verschillen treden aan de dag [binnen onze kring] met betrekking tot ik en zelf, vooral wanneer er ook nog 'het' voor staat: Vollenhoven is bang voor versubstantialisering. (Geesink, een leermeester van Vollenhoven, zei eens: 'De wil wil' bestaat niet en ook 'Het verstand stelt zich voor' bestaat (/63b185) niet, enz.) Hier zit wel iets in, nl. in zoverre dat overwegingen bij wil [en verstand] gevonden worden (dit zag Geesink echter niet duidelijk genoeg), maar als versubstantialisering van wil en verstand had Geesink gelijk ertegen te zijn. Vollenhoven is daarom tegen 'het ik' en 'het zelf: taalkundig alreeds is het zeer gevaarlijk en verdacht. Daarom wil Vollenhoven ziel niet tussen God en kosmos plaatsen, zoals bij Dooyeweerd, maar ziel geheel en al tot de kosmos laten behoren.<

>'Ik': spreker en besprokene vallen samen! Niet 'het Ik', 'het Zelf'; dit tegen Dooyeweerds veelvuldig gebruik ervan. Voorzover [het hier om] zelfbewustzijn [gaat] is het zeer breed, bijv. herinnering (het vroegere in je eigen leven) en ook toerekeningsvatbaarheid ligt erin. Dit zelf is maar ,,n levenslijn binnen de trilg'oenen van zijnden. Te zeggen dat het zelf via bewustzijn op de ziel van de mens is betrokken is fout, want 'ik' en 'zelf' slaan niet alleen op de ziel maar ook op het lichaam in gelijke zin. Zeg niet: tijdelijke-lichaam-kosmos. Te zeggen 'ik ervaar de tijd' is een abstractie. Tijd en verandering zijn correlaat: [dit] raakt h,,l de mens. Pas op voor het dualisme in de zin van: [het] transcendente is onveranderlijk, [het] niet-transcendente is veranderlijk.<

[Ad] b. Daartegen [heeft] 'ziel' [in de] Heilige Schrift tweeërlei betekenis:

[(i) het] schepsel dat zichzelf beweegt (mens en dier);

>[Een betekenis van] 'ziel' als term in de Heilige Schrift: het schepsel dat door de neus ademt.

'Hoe kleeft mijn ziel aan het stof' is niet een vorm van materialisme, want er volgt direct op: 'maak me levend door Uwe Woord'. De zin is dus: zorg dat door Use toezegging, Heer, ik, die geen moed heb om op te staan, weer kan opstaan en gaan leven. Let wel: de jood sliep op de grond, dicht bij het stof der aarde, en zat dus practisch letterlijk aan het stof vast. Wij, anders dan dejood, slapen op een lekker zacht en hoog bed. Vollenhoven had vroeger heel veel last van de scholastiek, vooral in verband met het gebruik van de term 'ziel' in de Bijbel"'—totdat eens een eenvoudige oude gelovige man tegen Vollenhoven zei: 'm'n ziel is zeer benauwd, en daarom wil ik mijn ziel bij U leggen'. Toen was Vollenhoven in principe (/63b186) ineens bevrijd van de scholastieke opvatting van de ziel.

Nog een ander voorbeeld: Saul zegt tegen David: 'Mijn ziel is dierbaar geweest in uw ogen' nadat David hem niet gedood had. 'Ziel' hier betekent gewoon 'me'. Ps. 124: 'de stoute wateren over de nefesj, ziel (cf. neus, niet lippen hier). Nefesj: d.w.z. door de neus (ademen). Dit is de betekenis van I ziel' in de meeste gevallen in de Bijbel (Oude Testament). Ook 'ruach' wordt gebruikt: d.w.z. door de mond. Dit staat in verband met spreken! Bijv.: 'Door het Woord des Heren is de wereld gemaakt'.<

(ii) alleen bij mens: m'n ziel in mij.

>De uitdrukking 'M'n ziel in mij' is soms anders dan de mens, zoals die reilt en zeilt (zie onder i. boven) en betekent dan 'hart', d.w.z. centrum, en ook 'geest' d.w.z. richting. Dit [laatste] speelt een grote rol in de ontologie en anthropologie [zie onder bij 2]. [We moeten geest] niet zien volgens Aristoteles als een substantie (universeel en individueel) of als een deel of component van een substantia). [ ... ]Transcendering is uitreiken boven de schepping (niet uitwijzen—dat is Aristo- telisch). Er is hier afhankelijkheid: in de Heilige Schrift met betrekking tot 'alles heet levensbehoefte en verwacht spijs van U'. De mens is hier zeker niet uitgesloten: een christen-mens, die zo uitreikt, dringt door tot in de troonzaal van God en God geeft dan gehoor—vergeet dit nooit!—op grond van Zijn genade.<

>'Uitwijzen' ziet alleen maar op het ontische. 'Uitreiken' daarentegen onderstelt de activiteit van de mens, en de mens is meer dan al die andere schepselen, omdat hij op de Openbaring kan antwoorden, en dit antwoorden van de mens op de Openbaring is nujuist gelijk aan het uitreiken boven al die overige schepselen. Vollenhoven is sterk gekeerd tegen het werken met de scholastische begrippen van 'algenoegzaamheid' (God) en 'ongenoegzaamheid' (het geschapene).<

>De ongenoegzaamheid zit aan al het geschapene, ook in [de mens als] beeld Gods. Daarom [moeten we] niet spreken van het beeld Gods. Weerspiegelen:i. wet-spiegel, zoals een mens voor een spiegel gaat staan om te zien of zijn das wel goed zit, enz. Dit is de oude gereformeerde opvatting: hoe God overje denkt. Dit is fout.

(?63b187) >In de oude Statenvertaling staat in 2 Cor 3:18, 'en wij allen met ongedekte hoofden aanschouwen God'. 'Aanschouwen' is hier onder invloed van de mystiek. Ook Calvijn [is] hier schuldig aan wegens de invloed van Augustinus en het neoplatonisme! [Maar] hier betekent het echter 'weerspiegelen', terugkaatsen', en niet 'aanschouwen'. Het raakt hier de heerlijkheid Gods (bijv. 'Mozes ongedekt' wil zeggen: anders dan Israel). Dus niet voor een spiegel staan om te zien hoe wij eruit zien, niet een zich toetsen aan de wet, want dan immers acht ook Mozes zich heel klein.

iii. Dat wij de spiegel zijn is helemaal fout!<

2. Ziel lichaam

[Binnen onze kring zijn we het] eens [dat de] ziel niet gelijk is aan het psychische, en eveneens [dat het] menselijk lichaam niet gelijk is aan een organisme. Een plant is [een] organisms; dier en mens niet, ook niet [dat zij] een organisme hebben [in de zin van een lichaam als orgaan]. Dier is dier en mens is mens.

>Ziel is anders dan het psychische. Het lichaam is ook anders dan het organisme! Alleen een plant is een organisme, en andere organismen bestaan niet, tenzij als een metafoor. Planten zijn organismen. Dier is niet een organisme plus een [psychische] functie. Wel dat het dier een functie meer heet, maar deze functie is er niet opgezet (dan krijgt men dualisme met dichotomie), want het psychische is niet te vinden zonder het lagere immers. Ook de mens is niet een organisme plus functies; daarom ook verkeerd te zeggen, dat de mens een organisme heet. Zeg maar gewoon, ook in de wijsbegeerte, een plant is een plant, een dier een dier, een mens een mens. (Wij moeten niet alleen vechten tegen de speculatie in anderen maar ook en vooral vechten tegen speculatie in ons eigen denken en daarom ook oppassen voor een verkeerd gebruik van woorden.)<

[Er is ook] verschil: [volgens Dooyeweerd is de] ziel boventijdelijk en in mij [d.w.z. de mens]; [Vollenhoven: de ziel is] niet boventijdelijk, [de mens is] mens naar ziel en lichaam. Ook bij de voortplanting [zijn] lichaam en ziel [betrokken].

Wat is de rol der ziel dan wel? Regulerend. Nee: [dit is te] functionalistisch: [regulering is] reeds [aanwezig] bij fysische dingen, planten en dieren (cybernetica—Blok).

(/63b188) >Bijv. de cybernetics, die wel eens iets te veel zest, maar toch iets goeds bevat, nl. de gedachte van de zelfregulering van de dingen: bijv. een oliekachel; ook in de natuur, nl. atomen.<

[Is de rol van de ziel] Norrnatie ,p Ook niet; dit [is] regulerend met zelfonderscheiding.

>Het is wel verlokkend om natuurwet en norm te gaan verwarren, en dan gaan christenen ook vaak nog de liefdewet verwarren met norm. Beiden vergeten, dat de laatste, nl. de norm, oefening vereist. Het gevolg van deze verwarring is meestal, dat het christendom intellectualistisch opgevat wordt.

Het verschil van de zelfregulering met de zelfonderscheiding is een verschil tussen het benedenlogische en het boven-psychische. Wij mogen niet de functiemantel gaan delen. Ga daarom niet natuurwet (lichaam) plaatsen tegenover norm (ziel of geest).<

>Norm treedt bij het logische pas op, want in het logische is pas sprake van onderscheiding. Dus een dualiteit binnen het logische. Norm is iets anders dan de positieve wet.

De positieve wet onderstelt de norm [... ]. Norm is er eerder dan de positieve wet. Beide, norm en positieve wet, zien op het boven-psychische, want de wet voor de menselijke natuur is norm wanneer de betreffende modaliteit boven-psychisch is. Immers bij het analytische begint al de onderscheiding van (modale) wet en hetgeen daaraan onderworpen is; het beneden-analytische heet deze onderscheiding nog niet.

Samenvattend:

a. norm en positieve wet komen beide voor op hetzelfde terrein, nl. in het boven-psychische.

b. norm is er eerder dan de positieve wet.

c. norm is niet corrigeerbaar, daarentegen de positieve wet wel.

N.B. Norm = [boven-psychische] modale wet!<

> [Het onderscheid tussen] ontstaansbevel en liefdesbevel [is] niet [gelijk aan] het onderscheid tussen natuurlijke en normatieve functies, dus tussen niet- en welgenormeerd. [Dit laatste onderscheid] is goed, maar maak het niet tot een (/63b189) antinomie. Norm is alleen te gebruiken i.v.m. de menselijke natuur: de logische functie bijv. moet door liefde worden beheerst.<

[De rol van de ziel is] Richtend. [Het] voor of tegen God en de Christus [zijnl; antithese in eigen hart.

Dit [is] niet uitsluitend [een] verticale [aangelegenheid]; maar ook niet uitsluitend [een] horizontale. [Het is] bij beide tegelijk maar waarbij] het verticale niet gelijk is aan het horizontale. Hier [is de] correlatie met de liefdewet. [Vandaar dat het] eerst zin [heet] bij schepselen met een hart. Maar niet alleen voor het hart (tegen gezindsheidsmoraal): lichaam en ziel [zijn betrokken op] geheel het leven.

>De mens is dus een mens naar ziel en lichaam: ziel, d.w.z. richting, het richting-gevende in verband met goed en kwaad, cE de 'ziel in mij'. Het richting-gevende is te verstaan in de zin van 'anders dan alleen en alle functies'. Religie is dus een andere zaak dan de genormeerde hogere functies, waar sprake is van normen. (Vaak zelaen christenen, dat wanneer nietchristenen spreken van het normatieve dat dat dan een christelijke trek in hun denken is. Maar zij vergeten dan, dat de humanist heel makkelijk over het normatieve kan spreken zonder dat te verbinden met de religie—op een bewuste manier, tenminste—en zij (deze christenen) vergeten dan ook, dat zij het normatieve en de religie op een onmogelijke manier zijn gaan identificeren.) Lichaam: geheel de mens; cf. adem door de neus.<

>Met betrekking tot 'het richting-gevende':

linksgericht——-rechtsgericht

Richting wordt bepaald door gehoorzaam of ongehoorzaam zijn aan de liefdewet. Vollenhoven vindt niets in het Oude (/63b190) Testament over 'het' [richting-gevende] in verband met de bepaling van de richting; wel iets hiervan in het Nieuwe Testament, iets dat bij de dood gehandhaafd en rechtstreeks naar God gaat. Vergeet echter niet, dat de mens voor de nieuwe aarde geschapen (en herschapen) is; zie het Nieuwe Testament met betrekking tot het 'geestelijk lichaam'. Ontologisch kunnen wij zeggen in ieder geval, dat het bij de dood, bij het graf, niet uit is; christologisch kunnen wij zeggen, dat wij des Heren zijn. Wij moeten iets persoonlijks aannemen in de mens, want anders wordt hij een speelbal van de omgeving. De wet (der liefde) geeft de read van God aan dit 'iets' van de mens. Zie Maria: 'En zij bewaarde al deze woorden in haar hart'. Er zein niet twee substanties, wel twee richtingen, In onze anthropologie moeten wij vast blijven houden aan de eenheid van de mens, hetgeen 'het richting-gevende' niet uitsluit, maarjuist insluit, omdat het om een mens gaat.

Richting wordt hier niet bedoeld in de verticale zin van naar boven en naar beneden, maar in de horizontale zin van goed en kwaad. Het is zeer moeilijk, zo niet onmogelijk, hier in wetenschappelijke taal te spreken aangaande de eenheid van de mens en 'het richting-gevende'. Men kan en mag hier alleen de 'taal van de Heilige Schrift' gebruiken, die onze filosofie [behoort te] beheersen!

De mens leer rechts en links met al zijn functies. Maar ga nu niet spreken over rechts en links in [de niet-genormeerde functies als zodanig], bijv. het arithmetische. [... ] [Maar het heet toch zin op dit niveau van richting te spreken.] In het fysische speelt de richting een grote rol, bijv. pilletje slikken tegen nerveusiteit. Ook in het r-uimtelijke speelt het een rol: bijv. een alcoholist, die voor een caf, staat, en zich bekeert en van die plaats wegloopt.6

Rechts en links, [wat] niet identiek [is] met de verticale richting, kunnen wel onderscheiden worden in de mens, ondanks het vele laveren van de mens.

Prefunctioneel; dit is niet [zelf] functioneel [in modale zin], maar toch nog een functioneren. Dit is zulk een moeilijke kwestie, tenminste om het in woorden tot uitdrukking te brengen!<

>Opm. Niet God is correlaat met de wereld, want dan raakt men in allerlei dualismen met betrekking tot tijd en eeuwigheid. Maar God is de Steller van de wet, (cf. liefdewet met (/63b191) het correlate) en de Schepper van de kosmos (cf structuurwet met het correlate). Hier is dus sprake van een dubbele correlatie, die dan onderling weer verschilt: de liefdewet heeft immers pas zin bij een schepsel met een hart, nl. de mens. 'Mens met een hart' dus, en ga niet spreken over 'het hart' alleen, want dan halen wij het hart eruit en de dwaalleer van een gezindheidsmoraal, die zonder betekenis is voor de praktijk, is het gevolg.

N.B. niet dier, plant, enz. i.v.m. de liefdewet op een directe manier in de zin van correlatie [betrekken], echter wel op een indirecte manier, nl. het betrachten van de mens van de liefdewet heet invloed op dier, plant, enz.<

>Natuur encultijur: deze zijn niet gelijk; in laatste zit activiteit van de mens. J. Waterink is tegen 'Christelijke' cultuur. Maar hij ziet daarbij de tegenstelling [van goed en kwaad in de cultuur] over het hoofd.

Voortplanting: ene uit twee geboren op zulk een wijze, dat die ene anders is dan een van de twee waaruit het geboren is. Die ene is ook anders t.o.v. een ander kind uit dezelfde twee ouders. [Dit verschil is] alreeds bij ontvangenis en geboorte, ook bij de opvoeding en bij leeftijd enz. (De uitdrukking een gezin is een maatschappij in het klein' is zeer waardevol: cf. positivering in het hele leven later.)

Als we de ziel stellen in verband met het [onderscheid van] innerlijk-uiterlijk van de wissselwerkingstheorie, dan is ziel'ibewustzijn en lichaam oermaterie. Dit kan niet, wegens het contrasterende [hier] van het organische en het anorganische. Wij spreken niet van contrasteren maar van het uitwerken van een plan.

De verhouding van ziel en lichaam is niet een wisselwerking, want wij mogen in onze anthropologie niet contrasterend denken en voor ons is de 'ziel in mij' iets anders dan een bewustzijn aan de binnenkant. Immers bewustzijn is in het lichaam! Dit ontologisch. Nu ook nog een kentheoretisch argument (tegen de wisselwerkingsgedachte): in de wisselwerkingstheorie wordt dan subject en object altijd horizontaal gezien (het bewustzijn zit erachter) en is dus hier geen 'Gegenstandsrelatie' mogelijk. Mensen van de wisselwerkingstheorie hebben niet de mogelijkheid over wetenschap en vakwetenschap te spreken, vandaar dat zij grote nadruk leggen op de reflectie! Ook het parallellisme en de prioriteitsleer niet te gebruiken, omdat zij de 'Gegenstandsrelatie' gelijkstellen (/63b192) aan de subject-object-relatie.<

[Het is ook relevant] speciaal nog eens stil te staan bij de waarde van het lichaam in onze zin voor de kennende activiteit.

a. Het lichaam [is] het aanschouwende, ook op logisch niveau.

Want het verschil tussen logisch en psychisch [is] niet noodzakelijk dat van abstract en concreet: er bestaat ook logische waarneming van het concrete, en anderzijds ook vaagheid bij psychische waarneming.

Maar ook op boven4ogisch niveau vindt men 'de kijk': een houthakker ziet een bos geheel anders dan een houthandelaar, terwijl een schilder het betreffende bos nog weer anders ziet.

Dit [verschil in kijk is] niet een kwestie van verschil [in] gezichtshoek [d.w.z. er-varingswijzel, maar van verschil [in] gezichtsveld [of bestaande terreinen].

Schematische voorstelling der kentheorie:

subject -> object: accoord; maar dan vanuit het ob ect in het logische naar beneden en boven naar veld van onderzoek.7

S + O

S + O

S + O

S + O

[velden] S + O

S | O ([niveau van] fysische dingen)

S | O

S | O

S | O

S | O

Zelfs de wetenschap kan geen stap verder zonder deze dagelijkse ontwaring bij het begin.

>Waarneming is wel iets anders dan onderscheidend waarnemen, maar dit laatste is ook weer anders dan het logische, want onderscheiding onderstelt altijd twee dingen, die men ontwaart. Abstractie is niet altijd maar het weglaten van het concrete, zodat men met begrippen gaat werken: immers begrippen kunnen toch ook van individuele dingen zijn. Het concrete is niet altijd gelijk aan het individuele: cf. vage waarneming.<

>Waarneming van een ding [...] is iets anders dan de bestudering van een ding (dit zonder het psychische). In het 'Gegenstands-veld' van onderzoek [is] overal subject-object (/63b193) en subject-subject, behalve in de laagste vier modaliteiten waar alleen subjecten en geen objecten zijn.

N.B. 'Gegenstand' is iets anders dan een horizontaal object.<

>Opm. Waarneming is dus niet gelijk aan het psychische, de bovengenoemde gezichtsvelden zijn niet te reduceren tot psychische anticipaties. Voor iedere modaliteit moet men een andere term (van of voor de waarmening) gebruiken: bijv. ont-waren, en dan te spreken van retrocipaties in het subject op het psychische. Pas op het benedenlogische niet te verwarren met het ob ect! In alle functies moeten wij recht vooruit kijken, dus subject-object-relatie en niet alleen de subjectsubject-verhouding zien in het horizontale. Het komische is bijv. niet een louter psychische waarneming, en wij kunnen toch de logische objectsfuncties waarnemen. (N.B. Een functie [behoort tot het] subject-zijn van een bepaalde modali-teit).<

Men denke aan de betekenis der aanschouwing voor de fantasie enaan de rol der fantasie ook in de wetenschap ([bijv. del werkhypothe-se!)

>Opm. Fantasie is iets anders dan fantasma; ook is fantasie iets anders dan kennis—een scepticus komt nooit aan zijn werk toe -. In het begin is deze fantasie bijv. in een werkhypothese, te ongebreideld, d.w.z. ongefundeerd of te weinig gefundeerd; dan moet men gaan verifiëren of eventueel corrigeren. Fantasie [heet een rol] in de activiteit van het denken.<

>Opm. Het is onjuist te poneren, dat het kenbare gelijk is aan het object zonder meer. Via de gedachte van de activiteit ziet men vandaag gelukkig weer iets van het subject onder het kenbare. [Maar] wij mogen de horizontale subject-objectrelatie niet overschatten, en wij moeten de verticale relatie bijv. van het logische en het niet-logische helder zien en erkennen.<

b. Tot nu toe lette ik speciaal op het kennen van het niet-menselijke door de mens. Nu echter de verhouding tussen mens en mens.

Bij vriendschap en liefde is deze vanzelf een verhouding van subjectsubject: twee menschen raken met elkaar bevriend; anderen vormen leen pear'. Daarbij het spel van de verrassing door openbaren en verbergen.[...]

(/63b194) Maar ook wanneer een zakenman een sollicitant voor de vervulling van een vacature aanneemt, is dit wel niet een kwestie van vriendschap, maar evenmin een van koper en koopwaar: hier is de aanbieding van een werkkring met b.v. betere arbeidsvoorwaarden. Daartoe behoort een verstaan van de medemens: wanneer de werkgever opmerkt, dat het de sollicitant uitsluitend om wat meer geld in het loonzakje te doen is, zal hij hem als werkkracht lager taxeeren en bi' Iaanbod van meer dan ,,n zijde hem zo mogelijk passeren.

>Opm. Medemenselijkheid is niet gelijk aan naastenliefde. 'Naaste' [raakt] het religieuze, want wie de naaste is wordt bepaald door de leidingen van God. Zo is naastenliefde zeer moeilijk [te analyseren?, te praktiseren?], omdat het concreet is. In een zeker opzicht zijn er dus 'grenzen' aan de naastenliefde.

Een machine is een economisch object voor het bedrijf, een machine is daarom ook iets anders dan een beroep doen op een medewerker. Wij mogen niet object gelijk stellen aan passiviteit; deze twee zijn gelijk alleen in de taal; in het zetten van een gebroken been is de mens subject maar passief-, in het zetten van een gebroken poot is het dier een object; zo ook is de relatie tussen een tandarts en de tand (van een mens) er een van subject-subject, terwijl de relatie tussen die tand en een medicijn voor die tand er een is van subject-object.<

En nu de kwestie der verhouding van 'psyche' en 'sooma' bij mezelf [ Opm. Dit gedeelte is slechts een torso gebleven, ook in Vollenhovens aantekeningen. Vollenhoven constateert: 'Hier is het leerzaam, vooraf na te gaan, hoe deze verhouding volgens verschillende theorieën ligt.' Er wordt dan een aantal antropologische verschillen opgesomd volgens de typen-onderscheidingen van de probleem-historische methode. Een ver-volg op deze opsomming 'vooraf' is niet aanwezig. We laten deze opsomming achterwege. A.T.]

3. Ambt. [Dit onderwerp kwam geheel niet aan de orde tijdens het college. Slechts een pear aantekeningen zijn hier bruikbaar. (A.T.)]

[Ambt houdt in] positivering van de wet der liefde. Niet alleen [valt hier te] denken aan de staat; ook en eerst aan het gezin. Bij het ambt [is] altijd meer dan ,,n persoon [betrokken,] [omdat door het ambt minimaal ,,n ander persoon door de ambsdrager vertegenwoordigd (/63b195) wordt. Een ambt wordt verder gespecificeerd overeenkomstig het samenlevingsverband waarvoor het betreffende ambt verantwoording draagt. Zie ook 'Levens-eenheid' over de wet in de Geestesleiding, en 'De visie op de Middelaar' over de partiële en totale ambten. (A.T.)]

4. Geschiedenis. [Dit onderwerp kwam eveneens niet aan de orde tijdens het college. Het wordt echter wel besproken in 'Problemen van de tijd in onze kring' (p. 199 w.). (A.T.)]

[Conclusie]

Dus [zijn wij] veel te vroeg opgehouden [met de invoering, of het betrekken van de tijd.]

Slot. Tijd [is] uitermate belangrijk. [De] moeilijkheden [waren:]

- wat te vroeg begonnen [met de invoering van de tijd]

- veel te vroeg [daarmee] opgehouden.

Vandaar onze verschillen.

En elkaar te overtuigen.

Opdat onze beweging niet verzande.

Maar, overeenkomstig de geest waarin ze begon, kome tot een Schriftuurlijke wijsbegeerte.

Ons volk en niet alleen ons volk tot zegen.