[/65b]
SCHRIFTUURLijKE WIJSBEGEERTE
JUIST NU!
Wijsbegeerte in de geest der Heilige Schrift is allerminst een kwestie van een bepaald tijdstip, dus ook niet iets alleen voor vandaag. Want wat haar deed ontstaan en wat haar nog steeds in stand houdt is een innerlijke noodzaak. Het Calvinisme, dat schriftuurlijk wil leven en denken, is tot het inzicht gekomen, dat het een wijsbegeerte onmogelijk langer missen kan. En een Christendom, dat dit onderdeel van zijn taak, om welke redenen dan ook, wil afschrijven, is een gevaar voor zichzelf en voor z'n omgeving.
Toch is de formulering van m'n titel niet aan een vergissing toe te schrijven en nog minder geboren uit de retorische behoefte aan een pakkend opschrift. Het is beslist nodig, juist nu, speciaal op dit onderwerp opnieuw de aandacht te concentreren. De laatste jaren zijn n.l., als ik het goed zie, in eigen kring sporen van ontmoediging op te merken. Men moge dit levendig betreuren, toch zal men moeten trachten dit verschijnsel ook weer te verstaan. En misschien is daaraan ook een lichte vertekening van de tijd waarin onze Vereniging werd opgericht mede debet.
Daarom wil ik m'n thema "Schriftuurlijke Wijsbegeerte, juist nu" voor u ontwikkelen in de volgende punten. [/65b3]
In de eerste plaats de aanvankelijke ontplooiing, ten tweede het gewijzigde klimaat en ten derde onze verwachting voor de naaste toekomst.
I. De aanvankelijke ontplooiing
Dat onze Vereniging eind 1935 startte, was een gevolg van het feit, dat geleidelijk in bredere kring het inzicht baan brak, dat het Calvinisme het niet langer zonder een eigen schriftuurlijk doordachte wijsbegeerte kon stellen. Wat de generatie van toen dreef, was dan ook in de eerste plaats roepingsbesef. Het gold hier een roeping, op dit gebied een destijds nog weinig opgemerkte, maar daarom niet minder ernstige achterstand in te halen.
Overmoed was daarbij waarlijk niet in het spel. Veeleer waren we gedrukt door het besef van de zwaarte en van de omvang van de taak, die we op ons namen: het terrein, dat we wilden ontginnen was uiterst moeilijk te bewerken en vrijwel onafzienbaar. Wat ons achteraf misschien als overmoed kan worden aangerekend, is slechts het feit, dat we niet al te lang stil stonden bij de tegenstand op welke we zouden stuiten. Die tegenstand was reeds in humanistisch milieu uiteraard een geduchte: neo-idealisme, pragmatisme en levensfilosofie wilden, evenmin als de nog ten dele in opkomst verkerende existentialistische beweging, ook maar iets weten van een poging, wijsbegeerte te gaan beoefenen bij het licht der Schrift.
Maar ook het verweer uit eigen kring bleek niet te onderschatten. Reeds in 1928 bij de oprichting van de Calvinistische Studentenbeweging viel enige reserve to constateren. Intussen hadden we hier nog gemakkelijk spel. Het ging daarbij immers over de kwestie, of een niet-kerkelijke vereniging als een Christelijke studentenorganisatie aan een kerkelijke confessie moest worden gebonden. En bij ons verzet daartegen hadden we het grootste deel van het Christenvolk, dat ook zelf dergelijke vragen bij de oprichting van eigen organisaties onder ogen had moeten zien, achter ons. In 1933/1934, toen de eerste meer omvangrijke publicaties verschenen, was een afwijzende reactie bij sommigen reeds iets duidelijkder. En in 1935, toen onze Vereniging werd gesticht, werd luide alarm geslagen.
Het punt in kwestie was onze kritiek op enkele z.g. heilige huisjes. De leiding van het verzet daartegen berustte bij de semi-mystieke theologen van die dagen. Haar voorstanders waren onderling wel verdeeld. Het pneumatologische denken van MACCOVIUS, het psychologische van VOETIUS en het meer platoniserende Aristotelisme van COCCEJUS, ze telkden in deze kringen allen hun aanhangers. Deze richtingen stonden naast en in meer dan een opzicht tegenover elkaar. Maar al spoedig trokken ze ten opzichte van onze kritiek een lijn, daarbij fel gesteund door de verdedigers der subsistentietheorie. Een en ander vergt natuurlijk verklaring. Wat het zakelijke in deze strijd betreft, vreesde men blijkbaar, het naar binnen gerichte zelfonderzoek onmisbaar achtend, dat onze kritiek daarop een vacuum zou scheppen, wat uiteraard gevaren zou oproepen.
Nu geloof ik, dat deze vrees ongegrond was. Want inderdaad, we hadden kritiek geleverd, ook op dit punt, maar allerminst uit een negatief motief. Want wat we in de eerste plaats beoogden, was een terugkeer. Het ging er ons om, weer duidelijk als de grondgedachte der Reformatie te poneren, dat geloof is een vertrouwen in God en op God, en niet een onderzoek, of we wel gelovig zijn. Vooral niet, wanneer men met dat onderzoek zou bedoelen het naar binnen zien, om dat af te tasten, of het met ons geloof wel in orde was: want zulk een zelfonderzoek leidt de aandacht van de hoofdzaak af, is eigenlijk in strijd met het karakter van het geloof, dat zich naar buiten richt, en dan uiteraard niet op de wereld om zich heen, maar op God, de Schepper van hemel en aarde, Wiens almacht garant is voor het nakomen van Zijn beloften. En die positieve gedachte ging bij ons voorop. Van meet af is dit duidelijk gesteld: de kritiek was voor ons altijd bijkomstig.
Deze strijd was dan ook niet door ons gezocht. Veeleer kwam hij ons in meer dan een opzicht ongelegen. Veel liever hadden we rustig doorgewerkt aan de reformatie van wat reeds bestond. Bovendien was onze beweging nog jong en allerminst gereed. Ze is dat ook nu niet, laat staan toen. De systematiek was nog in de eerste fase van haar ontwikkeling en bij de geschiedenis viel het ons destijds nog uitermate moeilijke de vier typen, die ik zoeven bij onze tegenstanders onderscheidde, duidelijk te onderkennen. Voorts was er in onze eigen kring een onderling verschil in de benadering van verscheidene kwesties, waardoor het niet mogelijk was altijd een heldere, samenvattende formulering te geven.
Ondanks al deze ongelegenheden zijn we deze strijd te boven gekomen. Hoe dit mogelijke was? Wel, we stonden en we stelden ons op de basis van de Heilige Schrift en, dat moet erbij, in deze methode van werken werden we destijds nog gedragen door een vrij grote kern der Gereformeerde gezindte.
Toen echter de oorlog uitbrak, de Tweede Wereldoorlog, voor ons, hier in Nederland, sinds 1940 verzwaard door de Duitse bezetting met haar verbijsterende gevolgen, wachtte ons werk meer dan een beproeving. Ook wij leden persoonlijke verliezen: ik denk nu aan theologen als SIETSMA en TUNDERMAN, aan een jonge, maar veelbelovende jurist als CHARDON en aan de nog velen onder ons bekende bioloog DIEMER. Nog pijnlijker echter was de voorzetting van de ten dele vrij zinloze kerkelijke strijd. Wel was het vrijwel onmogelijk, tegen ons werk iets te beginnen, daat het op wijsgerig gebied lag, waar de kerk natuurlijk niet kan spreken. Maar de scheur, die in het verlengde van deze strijd lag en waaronder de Gereformeerde gezindte nog altijd lijdt, heeft onze kring niet onberoerd gelaten.
Intussen, daarop mag wel eens met blijdschap worden gewezen, had het werk ook in oorlogstijd gerede voortgang. In die jaren, vooral toen de Universiteit, in verband met het nationale verzet, gesloten was, werden resultaten van studie geboekt, die voor de latere ontplooiing van het werk van betekenis zouden blijven. Dat we toen nog niet met ontmoediging hadden te kampen, blijkt wel daaruit, dat kort na de oorlog het plan opkwam, de Stichting voor Bijzondere Leerstoelen op te richten en deze reeds in 1947 kon starten. En een derde belangrijk winstpunt was, dat in 1948 aan de Vrije Universiteit en de sectie wijsbegeerte en de litteraire faculteit het eenmanswerk was afgelopen en ZUIDEMA naast me kwam te staan.
II. Het zich wijzigend klimaat
Wanneer ik in de tweede plaats wil spreken over een zich wijzigend klimaat, kan ik dus moeilijk vroeger beginnen dan met de tijd enkele keren na de beeindiging van de oorlog.
En dan noem ik hier het woord "doorbraak". Daarbij denke men niet in de eerste plaats aan de doorbraak naar buiten, d.w.z. aan de overgang van enkele Christenen uit Christelijke organisaties naar de z.g. neutrale. Die doorbraak heeft ons werk vrijwel niet geraakt. Belangrijker daarentegen zou worden de doorbraak naar binnen. Het binnendringen van allerlei in den grond niet-Christelijke gedachten en themata in het leven der Christenen en in hun organisaties.
Ik denk nu allereerst aan het voortschrijden der secularisatie.
Die term heeft, naar men weet, tweeërlei betekenis. Tijdens de 16eeuw werd bij veelel gebruikt voor het onttrekken van goederen in de dode hand aan de kerkelijke suprematie. De [/65b4] vraag, of men daarbij altijd rechtmatig te werk ging, kan hier terzijde blijven. Maar reformatie en humanisme, voorzover protestants, waren hierin eenstemmig, dat een dergelijk optreden in vele gevallen uitermate gewenst was.
Maar secularisatie betekent ook nog iets anders, n.l. niet goederen of een stuk van het leven onttrekken aan een kerk, maar het menselijk leven losmaken van de religie. En hierin volgde het humanisme, ook het protestantse, een geheel andere lijn dan de Reformatie.
Niet dat het humanisme bezwaar had tegen religie. In West-Eurpoa had het zelfs geen enkele bedenking tegen de Christelijke religie. Dit kon ook moeilijk, want het humanisme teert zelf op Christelijke denkbeelden en idealen. Maar, en dat was de secularisatie in gevaarlijke zin, die het humanisme voorstond, deze religie ws uitsluitend bestemd voor het huisgezin en voor de kerk. Men mocht met haar niet komen op de markt van het publieke leven: die moest "neutraal" blijven.
Deze gedachte nu was mede voor verscheidene aanhangers van de Reformatie niet zonder gevaar. Want ook onder vroege Protestanten waren er, die, humanistisch, niet zo gauw onderscheidden tussen het onttrekken aan een kerk en het losmaken van de religie. In de theologie liep daarmee analoog het voortborduren op het tijdens de Middeleeuwen opgekomen thema "natuur en genade": dan kon er een wijsbegeerte zijn, en niet alleen een wijsbegeerte, maar ook een heel groot stuk van het leven, dat tot "de natuur" behoorde en niet rechtstreeks met de genade had te maken. Weer anderen onderscheidden natuur en bovennatuur, wat daarop neerkomt, dat men geheel het menselijk leven z'n gang laat gaan. Maar ook onder de nietwetenschappelijke Christenen waren er, die, uit geheel andere motieven, de secularisatie in de hand werkten. Hier denke men aan de velen, die huiverig waren voor aanraking, althans te nauwe aanraking, met de cultuur, die inderdaad vaak gedragen werd door het ongeloof. In deze geest waren er heel wat pietisten, die zonder humanist te zijn, zich angstvallig op grote sectoren van het leven achterafhielden, en ook hun kinderen inscherpten, dat deze houding bij de echte vroomheid paste, meer daardoor, zonder het te bedoelen, de cultuur aan de humanistische secularisatie overlieten. Dat was reeds vroeger zo. KUYPER heeft een goed deel van z'n strijd moeten wijden, enerzijds aan het verzet tegen deze Christenen en anderzijds aan de voorlichting van deze mensen, om hun bij te brengen, dat ze ook hier als Christenen een taak hebben. En dat was niet slechts in het begin, toen KUYPER eigen actie tegenover deze mensen moest rechtvaardigen, maar ook nog aan het einde van zijn leven, als hij Pro Rege schrijft en de Christenen oproept tot actief verzet tegen alles wat het koningschap van Christus niet erkent en heel sterk de lijn der antithese uitstippelt, de antithese tussen mensen in verband met hun verschillende verhouding tot het Woord van God en tot God zelf.
Maar al mocht dit alles veel ouder zijn dan de Tweede Wereldoorlog, na deze strijd kwamen de zaken veel gecompliceerder te staan. Daarbij denk ik niet aan de droom van enkele uiterst linkse elementen in het nationaal verzet, die meenden na de oorlog staatjse in de staat te kunnen spelen, want dat betekende niet veel en vond al spoedig een roemloos einde. Evenmin streefde men naar een kleurloze volkseenheid, althans niet in Christelijke kringen: reeds tijdens de oorlog bleek in het nationale verzet, ondanks de overeenkomst in het voorlopige negatieve doel, bij de bezinning op de positieve taak daarna, zowel de afwijzing van het z.g. neutrale "algemene" als de tegenstelling tussen Christelijke en anti-Christelijke idealen springlevend. Zo openbaarde zich onmiddellijk na de bevrijding opnieuw de oude antithese.
Maar de vulling van het oude patroon bleek moeilijker dan voorheen. Daarbij denke men niet uitsluitend en zelfs niet allereerst aan de praktische politiek en hare verlegenheden. Want belangrijker is het zicht op de onderlinge verhouding der samenlevingsverbanden. M.a.w. het al of niet erkennen van de "souvereiniteit in eigen kring", niet in de ruimtelijke zin, waarin KUYPER deze term verstond, maar in de geest van een modaal gekwalificeerdzijn dezer verbanden.
Op dit punt nu blijkt meer dan een belangrijke wijziging te zijn ingetreden. Vroeger was deze term, evenals de daardoor aangeduide zaak, zelfs in het dagelijks leven voor menigeen ook zonder studie duidelijk; tegenwoordig echter hoort men zelfs van wie academisch gevormd zijn, nog al eens de opmerking: "ik kan er niet mee werken". Dit betekent niet zelden in de eerste plaats dat men met dit adagium niet terecht kan bij de groepen, met welke men wil samenwerken. Maar ook hier staat de praxis natuurlijk niet op zichzelf: men was ongemerkt reeds vervreemd van deze gedachtengang. Daarom kan men er inderdaad niet meer mee werken! En waar een andere positieve basis ontbrak, ontstond nu inderdaad een gevaarlijk vacuum, waaraan de starheid van het vermeende "objectivisme" der conservatieve groep evenzeer debet was als het labiele subjectivisme der progressieve.
Bij dit manco aan echt principiele bezinning kwam men gemakkelijk onder de invloed van de historische stroming, die, vergetend dat alle positieve maatstaven voor hun geldigheid op de normen daarachter zijn aangewezen, deze normen zelf tot resultaten van historische ontwikkeling verlaagt, maar daarmee tevens de geschiedenis van haar zin berooft. Zo vielen velen ten prooi aan een a-historische stemming. Ook deze vond steun in een alleszins verklaarbare reactie, in dit reval op de historische school. Maar men vergeet, dat noch deze richting, noch het verzet dat zij opriep, recht doet aan de Schriftuurlijke visie op de concrete geschiedenis, in welke aan de Christus der Schriften de centrale plaats toekomt.
Zo belandde men veelal uit een laat-aristotelisch hylemorphisme in een vroeg-aristotelisch hylezoisme en van een hierarchisch aristocratisch en een individualistisch democratisch denken, met zijn collectivistische specialisering en planning, en dat alles met als enige maatstaf het uitermate kneedbare algemene nut.
Bedenkt men voorts, dat in verband met deze wijzigingen ook het probleem der lichamelijkheid zich niet langer op de achtergrond liet dringen, dan verbaast het niet, dat zelfs op het terrein der zeden het normbesef angstig snel aan kracht inboette en mede hier een crisis optrad, die ook in meer dan een Christelijk milieu verwilderend om zich greep.
Maar rest dan niet altijd nog "het terrein" van het geloof? Vergis u niet: ook het kerkelijk leven bevindt zich tegenwoordig in een schrikkelijke impasse. De leiding, beschaamd over de situatie, maar er niet toe komend, gemaakte fouten te herstellen, zocht zich take van al groter omvang. Men stimuleert de energie tot het uiterste, maar komt met dit activisme het gemis aan kerkelijke blijschap niet te boven. En ook de "leken" weten het niet meer. Want onder de op zichzelf juiste indruk, dat er in het verleden meer dan eens een breuk zonder zin werd geslagen, hoopt het onhistorisch denken weer gevaar te menen, dat er in het geheel geen grond meer bestaat voor het letten op kerkelijke verschillen.
"Maar", zal men zeggen, "ook het kerkelijke is niet "het laatste": dit is het woord van God."
Inderdaad. Maar ook hier worden de zaken soms zer onhelder gezien.
In de eerste plaats stelt men het nog wel eens zo, alsof de theologie van uit de waarheid de problemen zou benaderen, de wijsbegeerte daarentegen dit vanuit de onzekerheid zou doen. Terwijl, encyclopaedisch gezien, toch ook de theologie [/65b5] een vakwetenschap is, in welke al de wijsgerige themata en concepties van het verleden doorwerken, zonder dat die vanuit een vakwetenschap voldoende kunnen worden onderkend. En wat het "uitgaan van de waarheid" betreft, daarover beslist niet het veld van onderzoek, maar de geest waarin wordt gewerkt. Want het valt niet te loochenen, dat er onder de theologen zijn die zich allerminst door de Schrift laten gezeggen en evenmin, dat er onder de filosofen zijn, die dit wel doen. Dus staat het niet zo, dat de theoloog heeft te spreken en de wijsgeer, wil hij christelijk werk prestern, dan dient te luisteren: beiden hebben we eacht te geven op het woord van God.
Dit wat de hoofdzaak betreft, waarover we het reeds lang eens behoorden te zijn.
Eerst dan immers zal het mogelijk worden, samen aan het werk te gaan.
En dit laatste is dringend nodig, ook voor de theologie. Want hoe komt het toch, dat men bij de exegese tegenwoordig herhaaldelijk van "verschillende interpretatiepatronen" spreekt? Deze verscheidenheid kan immers niet aan de waarheid worden toegeschreven, daar dan iedere exegese die een bepaald patroon volgt "uit de waarheid" zou zijn. Zou het niet veeleer zo zijn, dat in deze verscheidenheid de verschillende typen van gangbaar wijsgerig denken zijn te onderkennen?
Maar daar hebt u nu juist een van de grondgedachten der studie van de geschiedenis der wijsbegeerte in onze kring. Want indien er tijdens de patres in het Hellenisme zeg tachtig typen van wijsbegeerte bestonden, zijn er destijds vrijwel even zoveel typen van christelijk theologisch denken te vinden! Daarom zou in dat spreken over interpretatiepatronen wel eens een brug kunnen liggen tussen de beoefenaars der theologie en de mannen van de Wijsbegeerte der Wetsidee.
III. Ons perspectief
En nu tenslotte: ons perspectief.
We hebben gezien, dat het neutraliteitspostulaat geleidelijk voor alle terreinen wordt erkend. Ook in Christelijk kringen. Dit mag men zich niet ontveinzen.
En nu de vraag, wat moeten wij?
Als u onder perspectief verstaat "rondom u zien", dan is er geen perspectief. Integendeel, want dan zullen ook wij heel spoedig komen tot het: "ze zeggen", wat men tegenwoordig haast van ieders lippen hoort. En dan met de opmerking erbij: "kunnen we er nog wel tegenop, en is het zelfs niet hoogmoedig en farizees te denken, dat men tegenstand kan bieden?"
Wanneer men echter wel tegenstand wil bieden, dan moet men terdege weten, waar te beginnen. Want wanneer u dan in de eerste plaats op uw omgeving let, vervalt u in een leven uit reactie. Dan kunt u beurtelings links en rechts klappen uitdelen, maar dan bepalen die principiele tegenstanders toch geheel en al uw gedachte. Daarom dienen we, om perspectief te hebben, eerst weer naar boven te zien en eerst dan op de aarde rondom... op de geschiedenis te letten.
Dus naar boven, rondom op de aarde, en in de geschiedenis achter- en vooruit zien.
Allereerst naar boven. En dan dienen we te beginnen met te geloven in God. Dat is niet rationeel, dat is ook niet irrationeel, dat heeft met de tegenstelling van rationalisme en irrationalisme niets te maken. Dit is alleen maar totaal en zonder reserve. Dit raakt het hart van de mens. Maar dan moeten we ook geloven aan God, d.w.z. dat Hij bestaat; beter nog: we moeten God geloven op Zijn Woord. In God geloven, is persoonlijk Hem vertrouwen, het met Hem wagen tegenover wie ook. Maar aan een God die niet gesproken heeft kan niemand zijn vertrouwen kwijt. Dat doen we ook niet bij het kiezen van een huwelijkspartner of van een vriend. We willen toch weten met wie we in zee gaan. En zo ook hier. Nu kunt u God kennen uit Zijn Woord, mits ge dat Woord gelooft, mits ge God gelooft op Zijn Woord. Alleen op dit manier kunnen we weten, in Wien we geloven, kunnen we Hem kenne. En dan leren we uit het Woord Hem kennen—maar alleen uit dat Woord—als de God die hemel en aarde schiep. Alleen Hij staat boven Zijn kosmos. Hij schiep de hemel met de engelenwereld, de aarde met al de overige schepselen, de mens incluis. Laat dat weer eens even bij u doordringen. Dit is geen Middeleeuws wereldbeeld; dit is de openbaring van God in Zijn Woord. We mogen dan van de engelen geen wetenschap hebben en ze alleen maar kunnen kennen als we luisteren naar de Schrift. Maar er moet ook in ons leven een oor zijn voor de boodschap van dat machtige koninkrijk des Heren, dat ook de wereld der engelen omspant en hun dienst inschakelt ter bereiking van de doeleinden, door Hem gesteld.
Maar houden we ons op dit ogenblik aan het overige de sterrenhemel en de aarde. En dan speciaal aan de laatste. Hier hebben we rondom ons te zien. Daarmee moeten we niet beginnen: dan loopt het mis. Maar als we eerst bij God zijn geweest, en, op Hem vertrouwend. Hem vertrouwen op Zijn Woord, dan moeten we inderdaad ook de aarde bezien. Die aarde is ons gegeven om er te wonen en om ons op haar ge bezinnen. Bij dit laatste doet men er goed aan, te beginnen met het globale, met het alomvattende, met de wereld te zien, en dan speciaal de aarde, in haar genesis met de veelheid van haar rijken, ieder rijk weer met een geweldige verscheidenheid van individuele dingen en in die individuele dingen de veelheid van modaliteiten. En als u zo eerst de blik in het groot hebt gehad, dan kunt u gaan werken en aan de andere kant beginnen met die modaliteiten. Die modaliteiten, die dan steeds modaliteiten zijn van individuele dingen. Verder, dan gaat u zien de structuurverschillen van de verschillende rijken. Alle dingen in een rijk hebben dezelfde structuur, wat het aantal hunner funkties betreft, de onderlinge volgorde van de funkties en hun onderling verband. Dan gaan we ook zien het verband tussen de individuele dingen en hetzelfde hoogte. En dan gaan we ook de vraag stellen: hoe is de verhouding tussen de verschillende rijken onderling? En dat blijkt, dat de dingen van de lagere rijken ook onderworpen zijn aan de wetten voor die kringen, waarin de hogere rijken ook in subjectsfunktie voorkomen. Maar dan vindt u daar in de lagere rijken objectfunkties. Zo is de plant subject met de andere planten in het bos, maar object niet alleen voor de mens, maar ook voor de dieren. En tenslotte komen we terecht bij de anthropologie en dus bij de mens. En de mens is dan, uiteraard naar ziel en lichaam onderworpen aan God, op Wien ook zijn geest zich heeft te richten, in verband met de overige rijken een subject, dat alle overige dingen, behalve natuurlijk z'n medemensen, ook als objecten ziet, maar in z'n lagere funkties wel degelijk als subject weer verband houdt met die subjecten van lagere rijken.
Intussen is er in de kosmos niet uitsluitend een naast elkaar, maar ook een na elkander. Bij de mensheid raakt dit laatste meer dan alleen genesis; hier komen we op de geschiedenis. Daarbij vraagt uiteraard haar verhouding tot de wooropenbaring onze aandacht. Dan denken we onwillekeurig aan de oude zegswijze "Er staat geschreven en er is geschied". Laten we haar in de eerste plaats opvatten als een uitdrukking van het juiste besef, dat die twee niet zonder meer samenvallen, maar de vraag aan de orde stelt, hoe dan hun onderlinge verhouding is.
Vroeger werd deze verhouding nogal eens gezien als een gelijkwaardige. "Daar staat geschreven", daarmee zijn we op het terrein van de genade. En "Daar is geschied", dan zijn [/65b6] we op het gebied van de natuur: openbaring is een stuk bovennatuur en de natuur is dan het overige, inclusief de geschiedenis. Met de laatste werd dan veelal het traditionalisme verbonden, dat op een of andere manier bijzonder respect had voor de geschiedenis, maar altijd speculatief. Daarbij waren er, die vooral oog hadden voor de individuele mens; zij zagen de geschiedenis als een pedagogische integratie. Anderen, meer intellectualistisch, ontwikkelden nationalistische en ook wel culturele beschouwingen: dan waren mensen, als mens zonder meer, natuurlijk mensen, maar wanneer zulk een natuurlijk mens deel kreeg aan de universele cultuurgeest werd hij homo-homo, zoals een der humanisten het intertijd uitdrukte.
Tegenwoordig heeft een andere geschiedenisbeschouwing de overhand. Men ziet de geschiedenis dan niet meer louter als innerlijke integratie, hetzij van individuen, hetzij van volkeren en culturen, maar mede als een beweging in de tijdsstroom. Deze visie heeft een voordeel, omdat men dan ook oog kan hebben voor de verhoudingen binnen de cultuur. Er zijn in het niet-menselijke deel van de natuur immers materialen; en reeds in de onderlinge verhouding tussen individuele mensen gaat het mede om de verhouding tot die materialen, o.a. om het bezit daarvan. Nog groter rol speelt dit bezit in de geschiedenis van de onderlinge verhouding der volkeren: er werden oorlogen gevoerd, om de grenzen te verleggen, alleen met het doel het bezit van bepaalde materialen aan een ander volk te onttrekken en eigen volk toe te eigenen. Maar ook afgezien van die worsteling om het bezit van allerlei goederen is er een strijd tussen volkeren als groepen van subjecten. Er worden nog oorlogen ontketend, niet alleen om het bezit, maar ook om de oppermacht, om het heersen over anderen. En het is een verbreding van de blik als historici de geschiedenis zo gaan zien. Hier is waarlijk niet slechts integratie aan de orde: ook de onderlinge verhouding van de rijken komt daar bij te pas en heel de geschiedenis, vanaf het begin tot het einde toe.
Maar dan komt de vraag van het achterwaarts- en het vooruit zien. Daarbij is juist voor irrationalisten de moeilijkheid grott: "worden we dan alleen maar gedragen als op een stroom en zijn we dus uitsluitend afhankelijk van het verleden? Kunnen we ons dan niet laten gelden? Kunnen we ons niet losmaken van wat toch reeds lang voorbij is?" Zo lijdt de aanvankelijke overheersing van het historisme naar de praktische bewegingen van het a-historisch denken. Vandaar dat het individualisme en het collectivisme tegenwoordig sterk op de voorgrond komen.
Maar hoe dienen wij nu ten opzichte van dit alles te staan? We moeten beslist niet terug naar de integratie der pedagogische richting en der historische scholen. Maar we mogen ons toch vooral niet laten vangen in die nieuwe richtingen, al hebben ze ons wat meer te bieden. Want we dienen ook de geschiedenis primair te zien in haar verband met God. Hier vergete men niet de Bijbelse geschiedenis, die ons verhaalt van het menselijke leven in z'n eerste ontplooiing: er schuilt in die eerste hoofdstukken van Genesis heel wat materiaal, dat door de wetenschap nog allerminst ontgonnen is. Laten we echter ook het verdere verloop der geschiedenis zien als behorend tot het werk Gods. En daarin dan, wat het menselijk geslacht betreft, vooral letten op de geschiedenis van de keus voor of tegen het vasthouden aan God. Want eerst zo bereiken we de geschiedenis met het verhaal van haar begin, met het vervolg—de zondeval —, maar ook met een nieuwe openbaring, niet alleen van majesteit en ongunst, maar ook van vergevende liefde, van een belofte die de voorgangers van Israel, althans wat de profetische kern betreft, heeft gesterkt in de strijd tegenover de heidense afgoderij in de omgeving, en vervuld is in de vleeswording van de Beloofde. Zo heeft God met de geshiedenis te maken, op een heel bijzondere manier: Hij heeft haar nooit losgelaten en blijft in haar present.
Nog kort geleden las ik in een christelijk blad: "dit is het gebod Gods; en dat is geschiedenis: mensenwerk". Maar dat is gevaarlijk kort gezegd. Want zo staat het niet! Natuurlijk moeten we voorzichtig zijn met te zeggen: dat is leiding enz. En mensenwerk zit er ongetwijfeld in. Maar de leiding van God ontbreekt ook niet. Dus mogen we nooit zo over de geschiedenis spreken. Dat is de geschiedenis van waarde beroven, en dan niet van waarde die wij erin hebben gedicht, maar van waarden die erin liggen, omdat ze verband houden met de leiding van God.
En nu wij, als individuele mensen. We staan in een verhouding tot God en dan gaat het erom, of we in Hem geloven, Hem geloven op Zijn Woood, en dan, ook in de geschiedenis, op aarde levend, trachten te bepalen, voorzover dat mogelijk is, waar we staan, hoe onze tijd is, en daarin ook de bijdragen van het verleden erkennen. Ach, we zullen allen, wanneer we ouder worden, wel eens over verschiedene dingen anders gaan denken dan onze ouders. Maar dit ga dan niet in reaktie tegen die ouders, aan wie we zo ontzaglijk veel hebben te danken. Dan blijft het bij een rustig voortgaande reformatie van het leven, waarbij we soms de overtuiging kunnen hebben: als ze ons zouden zien, dan zouden ze ons werk goedkeuren en er blij mee zijn. Maar dan weten we ons ook niet alleen kinderen van die ouders, maar dan voelen we ons ook mede verantwoordelijk voor de toekomst. Uiteraard slechts voor ons deel, op ons plekje op aarde, in ons gezin, bij de opvoeding van onze kinderen, in ons ambt, in de taak die God ons heeft toevertrouwd, in de leiding van ons leven. Mensenwerk? Zeker, maar toch niet los van God. En zo—met de blik naar boven, ziende rondom ons, ziende achterwaarts, maar ook voorwaarts—zo hebben we onverstoorbaar voortwerkend te leven als Christenmensen. En dan zijn we voor eens en voor altijd verlost van dat vervloekte: "Maar ze zeggen toch"; en "we kunnen er niet meer tegen op."
Zo nu hebben we ook te leven in bepaalde groepen, in organisaties, ook in een organisatie als de onze.
Doen we dit, dan is er, ondanks het zich wijzigend klimaat, geen reden om bij de pakken neer te zitten. Want ook de laatste decennia is ons werk, hoe ook bestreden, niet bezweken, zelfs gegroeid.
Dit geldt reeds in organisatorisch opzicht.
Daarbij denk ik in de eerste plaats aan het werk van Vereniging en Stichting, dat bij de aflossing van de wacht geen schade leed, eerder aan kracht won.
Maar evenzeer aan het wetenschappelijk bedrijf. Hier te lande werd aan de Vrije Universiteit in 1954 ZUIDEMA gewoon hoogleraar; voorts kwam, een jaar later, SMIT, die juist de geschiedenis bij het licht van de Schrift wil onderzoeken, onze Sectie versterken; en in 1963 bleek een in menig opzicht verblijdende uitbreiding mogelijk en verkregen we—iets waarnaar we reeds lang tevergeefs hadden uitgezien—een wijsgerig instituut. En ook in Amerika en Zuid-Afrika neemt het aantal van geestverwante docenten toe.
Voorts mag kortweg verkwikkend heten de inspanning die een groep jongeren zowel hier als ginds zich de laatste jaren getroost, om de problematiek te verdiepen, het terrein van onderzoek uit te breiden en aan de resultaten van het werk meer bekendheid te geven dan tot nu toe mogelijk was.
Overwegen we dit alles, dan is er, meen ik, weinig reden om mismoedig te zijn, vooral nu het ook met de Stichting weer crescendo gaat.
Maar vooral geloof ik, dat we rustig kunnen voortwerken, omdat we weten in Wien we geloofd hebben en op Zijn beloften blijvend kunnen bouwen!