[/68b]
PROBLEMEN VAN DE TIJD IN ONZE KRING
Prof. Dr. D.H.Th Vollenhoven
Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte, kring Amsterdam, 29 maart 1968. (Voorzitter Prof. Dr. H. Dooyeweerd)
(Bandopname J. Kraay. De tekst is door Prof. Vollenhoven gecontroleerd en van enkele correcties voorzien).
I. Het geschapene in zijn hoofdtrekken
II. De moeilijkheden in onze kring
III. Mijn positieve kijk getoetst aan het bezwaar van "historisme".
I. Het geschapene in zijn hoofdtrekken
Daarbij onderscheid ik scherp, a) de relatie van het geschapene tot God, en b) de relaties in het geschapene.
A. De relatie van het geschapene tot God zou ik willen samen vatten in dit korte woord: "het subjèct-zijn". Men heeft mij wel eens gezegd: Je krijgt dat nooit klaar, dat onderscheiden van "subjèct-zijn", en "subject", dat dan tegenover "object" staat", maar ik zie geen kans om zonder die onderscheiding klaar te komen. Weet iemand daar een beter woord voor dan is het mij goed, maar met wat ik hier aanduid moeten we rekening houden, omdat anders de basis van ons gehele werk komt te vervallen. Als ik dit even aangeef dit "subjèct-zijn", dan zou ik hier willen gebruiken de woorden "gezag" en "ontzag". Die zijn correlaat. Het ontzag moet staan aan onze kant. Bijvoorbeeld het vijfde gebod, dat gezag heeft, onderstelt ontzag, en alles wat er mee samen hangt. If ga op dit punt nu niet verder in, het is genoeg om dit even te memoreren, al komen we er natuurlijk straks wel weer op terug.
B. De relaties binnen het geschapene. Hier moeten we velerlei onderscheiden: de horizontale relaties van subject tot subject, en van subject tot object; en de vertikale relaties (die raken dan meer de structuur van de dingen).
1. Allereerst de horizontale relaties binnen het geschapene. Ik onderscheid daar tweeërlei: de relatie van subject tot subject, en de relatie van subject tot object.
a. De relatie van subject tot subject vindt men allereerst binnen hetzelfde rijk. De fysische dingen, b.v. bepalen elkaar, dus onderling, niet alleen wat de snelheid betreft, maar ook wat de richting aangaat; planten steunen of ondergraven elkander; dieren spelen met elkaar, vechten met elkaar; mensen praten, overleggen met elkaar, enz. Maar die subject-subject verhouding is er niet alleen tussen de dingen van eenzelfde rijk: ook is ze er bij verscheidenheid van rijken. Als wij op een lentedag buiten lopen, dan worden we niet alleen met, maar ook door al het overige geschapene echt verfrist. En, op het terrein van het psychische: een hond speelt in mijn huiskamer, dat is leuk en ik speel met hem mee, en dan beschouw ik die hond niet als object, maar op dit moment als een kameraad in m'n spel. En dat is hij dan ook echt voor me.
b. Maar nu de relatie van subject tot object. Die bestaat ook, en is ook horizontaal. Maar daar zit toch ook iets van 't vertikale in. Bijvoorbeeld: een plant verwerkt de lucht tot zuurstof - de plant is hier subject, en de lucht object. Dieren voeden zich met planten; mensen bewerken fysische dingen met werktuigen, kweken planten, temmen dieren. Dat zijn dus drie subject-object verhoudingen in het mensen-leven. Dus U ziet, daar is iets vertikaals in, terwijl de verhouding subject-subject helemaal horizontaal is. Laatst bedoelde relatie raakt dus niet de structuur, al heeft uiteraard ook zij met de structuur iets te maken.
2. De vertikale relaties.
Dat zijn allereerst de relaties tussen de modaliteiten of functies - allereerst bij de niet-menselijke schepselen. Die modaliteiten zijn van groot belang. Maar we mogen ze ook niet overschatten. Het zijn geen dingen: ze bestaan uitsluitend als modale functies van dingen. En wat de structuur betreft: die is op zichzelf niet modaal - zolang we buiten het mensenleven blijven moeten we overigens wel zeggen dat zij veel met de modaliteiten te maken heeft, want tenslotte wordt de structuur beheerst door de orde van functies, en vooral de eenheid concentreert zich als het ware in de leidinggevende of bestemmings-functie.
Bij de mens komt men met deze onderscheidingen niet uit. Bij hen moet men spreken van het modale en het niet-modale, wil men: van het functionele en het niet-functionele. En dan noemen we het niet-functionele "het hart" of de "ziel". Maar dan komen we direkt aan een moeilijk punt waarover verschil is in onze kring: als we gaan vragen, waar bevindt dat hart zich? dan horen we het antwoord: binnen de functie-mantel, of boven de functies en in dit laatste zie ik een gevaar van spiritualisme. Daarom heb ik zelf altijd gekozen voor "het innerlijke", in de zin van "prefunctioneel".
Men kan hier ook vragen of het thema van de Schrift over het beeld Gods niet beslissend is; ik geloof van wel, maar dan moeten we het eerst goed interpreteren. Men vindt nergens dat de ziel of het hart het beeld Bods is in de mens. De Schrift geeft trouwens in het geheel geen theorie over "het beeld Gods", zij kent daarentegen wel de uitdrukking "het beeld Gods zijn".
Om de hoofdzaak even kort aan te duiden (ik moet me natuurlijk zeer beperken) zou ik het zo zeggen: we zijn het, of we zijn het niet. Maar dan moeten we er direkt aan toe voegen: als we het zijn, dan zijn we dat in meerdere of mindere mate. Het beeld Gods zijn is namelijk in de Schrift een trek van het menselijk leven die de mens kan gaan missen doordat hij niet leeft overeenkomstig Gods geboden. Het is niet iets goddelijks in de mens, of half-goddelijks, ook niet een onderdeel van de mens, maar het gaat over het beeld Gods zijn of niet-zijn, het beeld Gods vertonen, zou men kunnen zeggen. Op God gelijken, niet in die zin, dat we toch weer iets willen zijn naast God, maar (ik heb het wel eens zo geformuleerd): God handhaaft Zijn wet, als Wetgever, en wie het beeld Gods vertoont die houdt zich aan de wet als schepsel, voorzover hij het beeld Gods vertoont.
II. Totzover de hoofdtrekken. Ik kom nu tot de moeilijkheden met betrekking tot de tijd in onze kring.
A. Het scheen me het beste om hier maar eens de historische volgorde te nemen, beginnend met m'n eigen moeilijkheden; dat moet wel, omdat ik mede schuld heb aan de moeilijkheden die hier zijn. Ik was zelf in m'n dissertatie, die in 1918 verschenen is (die ging over de wijsbegeerte der wiskunde van theïstisch standpunt, en dus over getal en ruimte) nog te afhankelijk van Henri Pioncaré, destijds een invloedrijke Franse filosoof, die ennoetist was. Hij hing de conceptie van Kant aan, maar behoorde anders dan Kant, niet bij het idealisme, zeker niet bij het oude, maar ook niet bij het nieuwe. Hij had een irrationalistische trek met een gematigd pragmatisme. Ik kan Poincaré verder laten rusten, tenminste ten aanzien van de vraag waar hij precies stond, want het gaat me hier vooral om de kwestie van het getal en de ruimte.
Het ennoetisme ziet het zo:
contemplatieve nous De tijd raakt de beweging;
daarmee wordt dan correlaat
zelfbewegende psyche geacht het getal. Materie
(tijd, getal, astronomie) is het bewogene, primair
correlaat met de ruimte
bewogen sooma gedacht. Zo komt dus getal (ruimte) boven de ruimte, en is het correlaat met het psychische, met de wereld-psyche. Vandaar dat volgens Poincare de successie van getallen verband houdt met- resp. gefundeerd is in de tijdssuccessie.
Deze stelling, voorzover in eigen kring gangbaar, is dus aan Poincare te danken (wijten), en stamt uit de tijd van m'n dissertatie.
In 1926 ging Dooyeweerd de leer van de functies uitwerken en daarin stelde hij m.i. terecht, de onderlinge verhouding van getal en ruimte anders, zelfs omgekeerd: het getal het lagere, en de ruimte hoger. Ik zei al: terecht. Dat blijkt wel uit de verhouding van antecipaties en retrociapties: het getal antecipeert op de ruimtelijkheid in het irrationele getal, en de ruimte in de zin van het geometrische retrocipeert op het arithmetische met de veelheid van dimensies. Maar, en daar kwam de grote moeilijkheid, ondanks de juiste omzetting van de volgorde, hielden we aanvankelijk vast dat de successie van de getallen die van de tijd veronderstelde. Ik ben er destijds van af gekomen doordat collega Jonker, de man van de theoretische fysika aan de V.U., erop wees, dat men wel kan spreken van de successie van getallen, maar dat die er een is naar de orde van grootte, en niet naar de tijd. En daardoor was voor mij deze moeilijkheid opgelost.
B. De moeilijkheden van Dooyeweerd
Dooyeweerd voelde - ik hoop dat ik z'n standpunt juist weergeef - geen impasse bij die kwestie van de successie van de getallen, in verbinding met de successie van de tijd. En ik kan dat wel begrijpen, want dat hield verband met zijn ontologie. Hij onderscheidde bij de mens, net als ik, functies en de ziel of het hart, maar hij zag deze distinctie tevens als een tegenstelling nl. als die van tijdelijk en boventijdelijk. Zodoende voelde hij geen impasse waaruit hij zou moeten worden gered en waarvoor een oplossing zou moeten worden gevonden. Immers, die functies moesten als tijdelijk worden beschouwd, en dat gold dus ook voor de arithmetische functie, die immers de eerste is.
De zaak werd iets gecompliceerder daar hij bovendien in de retrociaptie de objects-functie zag gefundeerd. Daardoor liepen immers de wetskringen m.i. gevaar te zelfstandig te worden.
Ik heb geen bezwaar tegen de "souvereiniteit in eigen kring", hoewel het een term is aan Kuyper ontleend, die misschien wel eens door een betere kan worden vervangen, maar dit punt kunnen we hier laten rusten: het is zuiver terminologisch.
Het gaat me nu hierom, dat de kringen wel zeer zelfstandig worden wanneer de onderlinge verhouding van de lagere en hogere kring bewerkt wordt met de term "subject" en "object". Of liever, zo sterk staat het bij Dooyeweerd niet, maar toch, de retrociaptie fundeert de objecten. En dat dit moeilijkheden schept die niet in mijn vorige bezwaar zijn vervat bleek bij de waardering van Dooyeweerd ten opzichte van N. Bohr's complementariteitsteorie. Dit punt raakt niet de kwestie van het arithmetische en het ruimtelijke, maar van het mechanische en het energetische. De onderscheiding is op zichzelf zeer juist: het is de verhouding van beweging en kracht, waarbij in de mechanica de bewegingen op hetzelfde niveau liggen. de ene beweging versnellend of vertragend ten opzichte van de andere; en bij de kracht komt iets anders aan de orde: daarbij is het niet alleen een kwestie van versnellen en vertragen, maar daar is er de verandering van richting. Ik heb ook geen bezwaar tegen de volgorde van het mechanische als het lagere en het energetische als het hogere.
Echter: we moeten goed onderscheiden de vakwetenschap en de techne. Bij de vakwetenschap gaat het om een bepaalde functie, en bij de techne om het verbinden van dingen (ik heb het nu tenminste over de chemie). Nu kan het ook in de vakwetenschap wel eens nodig zijn dat men de dingen als objecten beschouwt, en zelfs ook behandelt. Aan de andere kant moeten we de grenzen tussen vakwetenschap en techne goed in het oog houden: in de techne gaat het om objecten.
Bohr was bio-chemicus, en dus altijd technisch bezig. Daarom kunnen we wel begrijpen dat hij ertoe kwam om hier te denken aan de verhouding van subject en object, maar toch is dat hier niet het geval: de fysicus kan zowel de impuls in de kracht van een partikel; voor beide bepalingen valt een specifieke meetmethode uit te werken. Maar wanneer men dit verbindt, dan blijft er een rest van onnauwkeurigheid. Dat is de eigenlijke stand van zaken. Bohr heeft bio-chemie als techne niet genoeg onderscheiden van fysika, en dat Dooyeweerd met hem instemde schrijf ik daar aan toe, dat hij zelf een beetje in de richting van die theorie lag, omdat hij de objectsfuncties in de retrocipaties fundeerde.
Een tweede complicatie is er later bijgekomen: Dooyeweerd beschouwt de orde van functies eveneens als een orde van tijd. Die gedachte kan ik onmogelijk delen. Ik geloof wel, dat je bij de orde der rijken kunt spreken van een orde van tijd: de flora veronderstelt het rijk van de fysische dingen, en de dierenwereld onderstelt de flora. Ik heb er helemaal geen bezwaar tegen wanneer men daar van een tijds-orde spreekt. Ook niet wanneer de mensheid een rijk genoemd wordt: die veronderstelt alle drie lagere rijken. Maar wanneer men ook bij de orde der functies van een tijdsorde gaat spreken, meen ik dat dit de duidelijkheid der onderscheiding van de verhouding tussen hoger en lager bij functies en bij rijken bepaald niet ten goede komt.
C. Eigen achtergrond
Waarom ben ik bij deze laatste moeilijkheden net vastgelopen? (Ook bij mij was de terminologie immers aanvankelijk niet zo duidelijk). Die vraag heb ik me ook al eens gesteld, en toen heb ik teruggedacht aan mijn ontwikkelingsgang.
Ik kom uit een Kuyperiaans gezin. Gelukkig niet zonder kritische instelling: mijn vader was helemaal vrij van de dweperij met Bismarck en Duitsland, die Kuyper toch wel in de hand werkte. Als jongen heb ik al vroeg ook de Heraut gelezen, maar de Kuyper van die meditaties heeft me nooit zo erg egboeid. In 1909 verschenen echter in de Heraut artikelen onder de titel Pro Rege. En later, toen we in de strijd kwamen met een bepaalde groep van Kuyperianen hebben we daar nogals eens op gewezen, dat men bij Kuyper scherp moet onderscheiden de vroegere tijd, waarin hij sterk de semi-mystiek huldigde, en de latere, waarin hij eigenlijk een veel meer aktief Christendom predikte. In die tijd heb ik ook geleerd wat sociale bewogenheid was, en dat ook kerkelijke evengelisatie nodig was.
Toen ik verder kwam, verder kwam, en aan m'n dissertatie ging werken, zo tussen 1914-1918, kwam ik bij de behandeling van m'n onderwerp herhaaldelijk in aanraking met denkers bij wie niets van de late Aristoteles was te vinden; niets van de semi-mystiek, maar ook niets van monarchianisme, zelfs niets van het al of niet konsekwente empirisme. Bij mensen als Russell enz. hoeft men heus geen late Aristoteles te zoeken, dat is wel algemeen bekend.
Ik kon toen nog niet zo werken met die termen van vroeg- en laat Aristoteles -; men vond ze in de literatuur ook niet, dat is pas van later tijd. Toch heb ik wel zoiets in de ontwikkelingsgang van Kuyper aangevoeld, en bij het onderwerp van m'n dissertatie kwam ik telkens ook weer in die richting. Dat wil nog niet zeggen dat ik toen al zo gesproken heb van "prefunctioneel hart" en dergelijke, maar ik zat er wel mee.
Dat een voorbeeld van: Ik heb van 1914 tot 1918 niet alleen aan m'n dissertatie gewerkt, maar was ook proponent in de Geref. kerken. Als ik terugdenk aan die tijden herinner ik me dat ik eens preekte over 2 Sam.14:14. Ik preekte niet graag over teksten waar het woord "ziel" in voorkwam, staat achtte erover te preken, voordat ik had uitgemaakt in welke zin dat woord "ziel" werd verstaan in de Schrift. Met geen der gangbare opvattingen kwam ik eigenlijk klaar. Toch preekte ik toen over die tekst. Joab had een wijze vrouw naar koning David gestuurd om de zaak van Absalom, gevlucht na het doden van zijn broer, te bepleiten. Ze moest zich voorstellen als een weduwe. Ze speelde haar rol voortreffelijk, was er zelfs breedsprakig bij: "Ik ben een weduwe, en m'n man is gestorven." De tekst waar het mij nu om gaat, door haar gesproken, luidt als volgt: "Want wij zijn als water, dat, op de aarde uitgestort zijnde, niet wederom verzameld wordt. God dan, zal de ziel niet wegnemen, maar Hij zal gedachten denken dat hij den verstotende niet van Zich verstote." (Nieuwe Vertaling: Want wij moeten allen sterven, en worden als water, op de aarde uitgegoten, dat niet verzameld wordt. God neemt echter het leven niet weg, maar zoekt wegen dat een verstotene niet van hem verstoten blijve.) Hoe u deze tekst ook uitlegt, het is onmogelijk hier een dualistische opvatting te nemen van een ziel die het lichaam verlaat. "Wij dan zijn als water, dat op de aarde uitgestort zijnde, niet wederom verzameld wordt." Je moet er geen ontologie uithalen, maar in ieder geval de bedoeling is duidelijk: we gaan dood, en dan leven we niet meer, en dan wil zij Absalom geholpen zien voordat hij sterft. Ze vindt de opvatting van David onbarmhartig: "God dan zal de ziel niet wegnemen, maar Hij zal gedachten denken dat Hij de verstotene niet van Zich verstoot". Dus die "verstotene" (Absalom) is de ziel. Dat is wat je herhaaldelijk vindt in de Bijbel: de levende ziel is de mens. Ik kende toen de heer Janse nog niet, zat nog met al mijn moeilijkheden, preekte over die tekst - en het was een kandidaten-preek waarmee ik het land onveilig maakte.
Ook al in mijn eerste gemeente (1918-1921) - ik las b.v. eens een recensie met een citaat van Augustinus: "De kreet van het hart, door Uw oor verstaan" - werd ik door dergelijke dingen geboeid. Zo scheen mij de Bijbel dichter bij de gemeente te komen.
In Oost-Kapelle ontmoette ik mijnheer Janse (zo werd hij altijd door ons genoemd); hij kwam uit Oost-Kapelle, en was hoofdonderwijzer in Biggekerke - een afstand van niet meer dan een kilometer of twaalf van Oost-Kapelle, maar met de slechte verbindingen van toen zagen wij elkaar lang niet iedere dag. Mijnheer Janse schreef me een brief nadat ik een maand of drie in Oost-Kapelle was, met allerlei vragen over mijn dissertatie. Het bleek dat deze man, werkzaam op een hele kleine dorpsschool, m'n dissertatie had doorgewerkt. Ik nodigde hem uit eens bij mij te komen. In Oost-Kapelee heeft hij me echt geholpen door z'n stimulerende vragen.
Toen ik naar Den Haag ging heeft hij me ook positief geholpen, want hij kwam zelf in z'n anthropologie wat verder. Ik kreeg zelfs de moed in Den Haag vanaf de kansel op te merken dat de term "onsterfelijke ziel" er beslist niet mee door kon. Zover was ik in Oost-Kapelle nog niet. Ik ben er wel zeker van dat mijnheer Janse hier het zijne toe bijdroeg.
In 1926 zijn Dooyeweerd en ik naar de V.U. gegaan. Tussen 1926 en 1929 had Dooyeweerd al z'n opvattingen van de historische functie uitgewerkt, want in '29 hebben we daarover samen gedebatteerd in Leeuwarden. Hij sprak toen voor een jaardag van de reunisten-organisatie van de V.U., en daar was ik voorzitter van. Dooyeweerd was referent, en ik voelde toen al: dit is mijn standpunt niet, de geschiedenis kan niet een functie zijn.
Vandaar dus dat ik bij deze moeilijkheden niet ben vastgelopen; het is aan m'n ontwikkelingsgang te danken.
III. Positieve kijk - een "historisme"?
A. Om alle misverstand zo mogelijk uit te sluiten: ik wil heus niet zeggen dat de functies buiten de tijd behoren - de tijd is ook in de functies. Maar we moeten goed vasthouden dat de functies, al behandelen we ze systematisch het eerst, toch niet primair zijn, en zeker niet zelfstandig (het zijn functies van dingen).
Wat de geschiedenis betreft, vraag ik aandacht voor drie trekken:
1. Overal is genesis, wording. Dit begint al in het rijk der fysische dier en mens hoef ik daar nauwelijks bij stil te staan: overal is daar de voortplanting. En bij de mens heeft u dat ook, maar verbonden in liefde en, als die liefde vrucht draagt in geboorte van kinderen, ook in de opvoeding van mensen. Huwelijk is uiteraard niet zonder sex, maar huwelijksliefde gaat beslist niet op in sex. Bovendien kan sex "genoten" worden buiten het huwelijk om, is dus niet zonder meer aan het huwelijk verbonden, maar behoort daaraan verbonden te zijn. Pas in het huwelijk, in verantwoordde liefde, die zich ook verantwoordelijk voelt voor de gevolgen van de geslachtsgemeenschap, en ook hartelijk samenwerkt in de opvoeding van kinderen, eerst daar heeft de sex ook haar juiste plaats gevonden.
2. De tweede trek in de geschiedenis is de onderlinge verhouding der rijken.
Ik spreek van genesis overal, maar van geschiedenis alleen bij de mens. We hebben gezien dat de planten het fysische veronderstellen en de dieren het plantenrijk. De mens veronderstelt alle lagere rijken. En hier is ook sprake van bewerking. Het is niet alleen een kwestie van de opeenvolgende generaties, en van de opvoeding, maar ook, wil men, van de beschavingsgeschiedenis.
3. En dan hebt u nog de geschiedenis niet gezien, als us de derede trek niet ziet, en dat is de geschiedenis van de verhouding van de mens tot God.
Er is immers een hele geschiedenis van de religie. En hier bedoel ik niet de "religies" in het algemeen, waarop je studeren kunt, maar een geschiedenis van de religie beperkt tot de Bijbel. Er was een status van de mens voor de zondeval, waarin hij leefde in Gods gunst. Er was en is een status van de mens na de zondeval, waarin hij te maken krijgt met Gods toorn en de genade. Die twee lagen op zichzelf niet in "gunst". In genade ligt wel gunst, maar "toorn" en "genade" hebben een geheel andere klank dan "gunst": de tweede fase veronderstelt de eerste. Voorts moeten we nog onderscheiden de situatie: voor en na de openbaring van de liefde Gods in Christus, - m.a.w. de tijd van het Oude en die van het Nieuwe Testament- en dan ook nog, in het Nieuwe Testament, de openbaring van de liefde Gods in Christus voor en na de utistorting van de Heilige Geest. De Bijbel eindigt tenslotte met een prachtige toekomstverwachting: noch leven, noch dood, noch enig ander ding, kan ons scheiden van de liefde Gods in Christus Jezus onze Heer - altijd gepaard met de hoop op de vernieuwing van hemel en aarde. Een gegronde hoop, die berust op de beloften Gods.
De Schrift weet, en dat is ook een trek die in de geschiedenis meespeelt, van de strijd tussen God en Satan, alsmede van de weerklank die deze strijd vindt in het menseleven - of die strijd al of niet wordt erkend - en waardoor hij tenslotte ook mensen tegenover elkaar doet staan.
Samenvatting: Zo begrijpt u wel, dat ik het geheel kan samenvatten met dit: geschiedenis is beslist geen functie, maar veel meer:
1. Bij de geschiedenis treft men trekken aan, die er impliciet toe behoren, de ontplooing van het menselijk geslacht, de
2. generaties achter elkaar en ook de subject-object trek in de techne en haar analogon in hogere functies. En hoewel de wetenschappen niet opgaan in de verhouding subject-object, toch zijn ook zij er altijd aan gebonden, omdat geen wetenschap mogelijk is zonder waarneming, en daar speelt
3. mede de subject-object verhouding een rol. En ten derde, de geschiedenis is gebonden aan de openbaring Gods.
Rest de vraag: is dit geen historisme?
2. Historisme?
Ik kan dit bezwaar verbaal wel verstaan. Indien men zegt dat het historische een functie is, dan is natuurlijk iedereen die de geschiedenis niet als een functie ziet bezig aan een geweldige overschatting van een functie, en dat kun je dan historisme noemen. Maar Mekkes heeft onderscheid gemaakt tussen het "historisme" in deze zin, en daarna zei hij: nu ga ik spreken over het historisme, zoals iedereen dat doorgaans verstaat. Laatst bedoeld historisme heeft in zoverre gelijk als het de tijd in alle verbanden terugvindt. Dat klinkt historisch, maar is dit allerminst. Want het historisme heeft ongelijk inzoverre het een "isme" is, en uit de geschiedenis tracht af te leiden wat in de geschiedenis is ondersteld, en opgenomen, en ingegaan.
- Ondersteld is de mensheid in de verhouding tot God, al of niet in gehoorzaamheid aan God ook bij de voortplanting en de ontplooing van de geslachten.
- Opgenomen is het rekening houden met de lagere rijken, de bewerking in de techne, en de wetenschap.
- Ingegaan: de openbaring Gods in de geschiedenis voor en van Israel en van de Christus in het vlees.
Als ik nu even een uitloper van het historisme mag noemen, dan is dat het evolutionisme. Hoe is dat in de wereld gekomen? Het is nog niet zo oud. Je hebt in de oudheid wel theorieen die graag over het leven spreken, b.v. de phytologische wisselwerkingstheorie, die het heeft over de "groei’ in alles - maar dat is niets anders dan een samenvattend begrip, natuurlijk samenhangend met de ontologie, en al ziet men eenheid, toch zit er dan nog beslist geen evolutionaire lijn in. Het evolutionisme begint ook niet bij de Aufklarung. Dat is ook nog te vroeg. Ik herinner me wel een plaatje uit die tijd te hebben gezien waarop afgebeeld een heer met een aap die hij leerde lopen met een paraplu op. Het ging dus over de opvoeding. Wat zat achter dit soort dresseren, dat we vandaag nog wel in een circus tegenkomen? Eigenlijk een subject-subject verhouding van vader tot kind, overgedragen op de subject-object relatie van eigenaar tot dier. Dit is echter nog geen evolutionisme. Dat stamt pas uit de tijd van het positivisme. Dan krijgt u - lang niet bij alle positivisten; bij Comte b.v. is er geen sprake van - bij het parallelisme en sommige typen van wisselwerkingstheorie de verbinding van positivisme en evolutionisme. Hier is niet maar de paedagogische waarheid dat mijnheer een aap leert lopen als een mens, maar het vertrouwen dat "de natuur" uit apen mensen zou voortbrengen. Dat brengt het normloze mee niet alleen in de verhouding van man en vrouw maar ook in andere relaties. Ik zie het evolutionisme als een ontzettend gevaar.
Ook moeten we plaats laten voor het ingaan Gods in de geschiedenis. De bedoeling is heus niet te pleiten voor een "Christelijk historisme", zoiets van: "de geschiedenis is nu eenmaal zo gelopen en nu is er niets meer aan te veranderen, enz.", helemaal niet. Maar evenmin voor deze gedachte, als zou daar de norm zijn, en hier de geschiedenis, die dan louter mensenwerk heet. Dat is eenvoudig de loochening van het ingaan Gods in de geschiedenis. Zo mogen we als Christenen er ook niet over spreken.
Dus ik moet waarschuwen voor het gevaar van dualisme, waar ik niets voor voel, en waar ik een groot gevaar in zie - het Geref. leven heeft er onder geleden. Bij sommige pietisten had het een monarchiaanse trek; bij anderen een sterk dualistische semi-mystieke trek. Ik ben erg blij dat dit alles een flinke knauw heeft gekregen. Maar we moeten ervoor oppassen dat we vooral niet naar het monisme overzwaaien: dan worden we toch weer geregeerd door reactie, en daar is niemand mee gebaat. Want we hoeven heus niet een theologie, of liever een geloof te handhaven met behulp van dualisme; aan de andere kant moeten we ook goed zien dat het zeker niet te handhaven is bij het monisme zonder meer: we moeten blijven zien de dualiteit tussen God en de mens. En dat is iets heel anders dan dualisme; alleen daarmee is het mensenleven te redden.
- - -
(Het onderstaande is een samenvatting van de hand van Prof. Vollenhoven van zijn referaat voor kring Amsterdam op 10 mei 1968)
Resumerend:
1. De successie in het arithmetische is een successie naar (arithmetische) grootte en niet naar tijd.
2. Men onderscheide duidelijk retrocipatie en objectsfunctie. Een retrocipatie impliceert de aanwezigheid van minstens een lagere functie, een objectsfunctie die van minstens een lager rijk. Daarom bezitten de drie hoogste functies der fysische dingen wel retrocipaties, maar geen objectsfuncties en kunnen objectsfuncties retrociperen.
3. De functie tussen de logische en de talige noeme men, om redenen van duidelijkheid, niet de historische, maar eerder de vormgevende, op welke de vormgeving o.a. in het economische en het aesthetische retrociperen.
4. De orde der functies is, in tegenstelling met die der rijken, niet een tijdsorde.
5. In de anthropologie valt de verhouding der functies tot de ziel niet, dualistisch, te typeren als die van tijdelijk tot boventijdelijk: het hart, prefunctioneel, bepaalt de religieuse richting van de mens in diens functionele bestaan.
6. De geschiedenis, die der genesis in het rijk der fysische dingen alsmede de procreatie en soortvorming in flora, fauna en mensheid insluit, raakt ook de openbaring van Godswege in de geschiedenis en de religie van de mens als het antwoord van diens hart en leven op deze openbaring.