[/70a]
HISTORISCHE ACTERGROND EN TOEKOMST
Bij een jubileum past in de eerste plaats herinnering. Maar toch eveneens vooruitzien.
Niet steeds is de combinatie van deze twee mogelijk: waar toekomst is uitgesloten, heeft planning geen zin.
Dit geldt ook voor onze Vereniging. Vandaar dat die tegenstanders van haar streven, welke haar oprichting als typerend voor het midden der dertiger jaren zien, hier geen vragen hebben: onze actie zal h.i. haar natuurlijke dood sterven.
Uiteraard denken haar vrienden in andere geest: zij vragen zich wel degelijk af, welke richting ons werk in de eerstvolgende decennia dient in te slaan.
Sommigen uit deze kring klinkt dit te optimistisch: zelf het verleden te zonnig ziende, kunnen ze zich niet ontveinzen, dat we het de laatste jaren onderling lang niet in alles met elkander eens bleken te zijn; zij verwachten dan ook voor de toekomst een sterker worden van deze divergenties, wat een enkeling uit dit milieu zelfs wel eens doet vrezen, dat ons gemeenschappelijk aangevat werk ten gevolge van de op te merken spanningen ten ondergang zal zijn gedoemd.
Nu valt ook hier met de tegenstelling van optimisme en pessimisme m.i. weinig aan te vangen. We dienen ons immers te bezinnen op de taak onzer Vereniging in de toekomst. En die kan ons onmogelijk duidelijk worden, wanneer we ons niet afvragen, hoe de te constateren divergentie in het verleden is ontstaan en in de toekomst valt te overwinnen.
Voor het eerste punt zal het nodig zijn, de historische achtergrond van ons werk onder de loupe te nemen.
De oprichting van onze vereniging ontsproot aan het inzicht, dat bij de pogingen, het leven van eigen tijd door de Schrift te doen normeren, de wijsbegeerte ernstig tekort was gekomen, alsmede aan de begeerte, deze achterstand weg te werken.
Intussen was door de vorige generatie de wijsbegeerte niet geheel verwaarloosd. Daarbij nu waren reeds twee richtingen te onderscheiden.
Op dit punt beperkt men zich onwillekeurig tot de ontwikkelingsgang van Kuyper, die nogal speculatief aangelegd, in verband met het omvangrijke niet-universitaire deel van zijn taak, mettertijd in zijn theologische bezinning minder eenzijdig van de predestinatie uitging en meer de activiteit op de voorgrond stelde—men denke hier vooral aan zijn "Pro Rege" -, een punt, waarop Veenhof indertijd terecht herhaaldelijk heeft gewezen. Maar ook andere hoogleraren aan de V.U. waren daarbij van betekenis.
Men denke hier speciaal aan Woltjer Sr. en aan Geesink. Woltjer, hoe druk ook bezet met de opleiding der klassici, die hij geheel had te verzorgen, en met het rectoraat van het Gereformeerd Gymnasium in de hoofdstad, vond bovendien nog tijd zich in wijsgerige vraagstukken te verdiepen. En dan niet speculatief: zijn aandacht werd inzonderheid geboeid door methodes en resultaten der natuurwetenschap. En evenmin vergete men Geesink. Want deze zette niet slechts als theoloog een interessante ethiek op, maar volgde tevens bij zijn colleges in de filosofie een geheel andere weg dan Kuyper, daar hij wijsgerig dichter bij Woltjer stond.
Het verschil, tussen het standpunt van deze twee en dat van Kuyper op te merken, betreft niet slechts de verschiedenheid in faculteit of in terrein van belangstelling. Het ging dieper! Want terwijl Kuyper, in navolging van Augustinus—in diens laatste fase -, Bonaventura, Malebranche en Pascal, bij het platoniserende type der speculatieve semi-mystiek aansloot, ging de belangstelling van Woltjer en Geesink naar het energetsiche type der wisselwerkingstheorie uit, bij de patres door Gregorius van Nazianze aangehangen en in de 19e eeuw door Lotze en later door Spencer, Mach, James, Husserl en Whitehead in moderne geest uitgewerkt.
De afstand tussen deze standpunten mag men niet onderschatten: terwijl Kuyper ook in zijn latere meditaties louter kosmologisch en dualistisch dacht, werkten Woltjer Sr. en Geesink in monistische en kosmogonisch-kosmologische richting. Dit hield in dat Kuyper de mens zag als het resultaat der verbinding van het eeuwige, dat hoger lag, en het tijdelijke, dat als lager gold, daarentegen Woltjer en Geesink er van uitgingen, dat de mens in z'n geheel beeld Gods was en dient te zijn.
Het was nu deze dubbele tegenstelling, die ook in onze Vereniging doorwerkte en tot spanningen leidde, die mettertijd duidelijk naar voren traden.
Een ouderdomsverschijnsel vermag ik in deze gang van zaken niet op te merken. Maar wel een ontwikkeling, die men scherp onder de ogen heeft te zien en zo spoedig mogelijk dient te overwinnen.
Dit laatste komt me allerminst ondoenlijk voor. Want noch het verticalisme van de dualist, noch het horizontalisme van de monist weet recht te doen aan de Schrift: deze ziet immers God noch als het transcendente, waaraan het universele deel der menselijke "ziele" deel heeft, noch als een makrokosmos, door mikrokosmoi omringd, maar handhaaft duidelijk de dualiteit van God, de Schepper, en het door Hem geschapene. En dat zowel bij schepping als bij herschepping. "Want de God, die gezegd heeft: "licht schijne uit de duisternis", heeft geschenen in onze harten, om te geven verlichting van de kennis inzake de heerlijkheid Gods in het aangezicht van Christus" (2 Cor 4:6).
Wie deze dualiteit (iets geheel anders dan dualisme!) niet in het oog houdt, raakt God kwijt; en met Hem niet alleen de schepping, maar ook de herschepping. En in z'n eigen leven evenzeer het gebed als het leven der practische vroomheid.
Wanneer we daarentegen bij ons werk de historische achtergrond daarvan met z'n beide gevaren helder onderkennen, zullen we aan de tegenstellingen, die een vroegere generatie verdeeld hielden, niet ten onder gaan, maar deze samen overwinnen. [70a//]