ISAGOOGÈ  PHILOSOPHIAE

 

 

 

 

 

                              College-dictaat

 

                                    van

 

                         Dr. D.H.Th. Vollenhoven

 

 

 

 

 

                        Naar een door de schrijver

                       in 1945 bewerkt exemplaar

 

 

 

 

 

                          Redactie  Anthony Tol

 

 

 

 

 

                   Amsterdam, Vrije Universiteit, 2002

 

 


 

                              Inhoudsopgave

 

 

Verantwoording van de redacteur....................................   4

 

 

Isogoogè Philosophiae

 

Woord vooraf......................................................... 12

 

Inleiding. De plaats van de wijsbegeerte in de kosmos en haar taak  17

 

Deel I. Verscheidenheid en verband bij de bepaaldheden van het hemels subjècte    25

 

Deel II. Verscheidenheid en verband bij de bepaaldheden van het aards subjècte    27

 

   Inleiding............................................................ 27

 

   Onderdeel I. Structuur en richting van ding en mens.............. 29

 

      Afdeling I. De twee eenvoudigste bepaaldheden en haar grondverbanden (de structuur)     29

         Hoofdstuk I. De twee eenvoudigste bepaaldheden, de verscheidenheid in deze en haar

      gecombineerd voorkomen............................ 30

            A. De eerste eenvoudigste bepaaldheid en haar verscheidenheid  30

            B. De tweede (de dit‑dat-) bepaaldheid en haar verscheidenheid  33

            C. Het gecombineerd voorkomen van verscheidenheden in beide bepaaldheden    34

         Hoofdstuk II. De twee grondverbanden in beide verscheidenheden en hun

        gecombineerd voorkomen.......................... 39

            A. Het verband tussen individueel verschillenden............ 39

            B. Het verband tussen de subjectsfuncties.................. 40

            C. Het gecombineerd voorkomen der beide verbanden...... 53

 

      Afdeling II. De derde bepaaldheid, haar verscheidenheid en het gecombineerd

  voorkomen van deze bepaaldheid met de beide andere [(de richting)]   59

 

   Onderdeel II. Structuur [en richting] der rijken en der mensheid.. 64

 

      Afdeling I. De structuur der rijken................................ 64

         Hoofdstuk I. De veelheid der rijken............................ 65

         Hoofdstuk II. Het verband tussen de verschillende rijken...... 68

 

      Afdeling II. De structuur [en richting] der mensheid.............. 70

         Hoofdstuk I. De samenlevingsverbanden...................... 70

         Hoofdstuk II. De religie......................................... 76

            A. Inleiding................................................... 76

            B. Het scheppingsverbond................................... 79


            C. Het herscheppingsverbond................................ 84

               1. Inleiding................................................. 84

               2. Vóór de vleeswording des Woords...................... 90

                  a. De periode der niet‑gedifferentieerde Logosopenbaring 90

                  b. De periode der gedifferentieerde Logosopenbaring... 92

               3. Na de vleeswording des Woords........................ 94

 

Deel III. Het verband tussen hemel en aarde........................ 99

 

 

AANHANGSEL. Enkele meer ingewikkelde kwesties der wijsbegeerte 102

 

Deel I. Het menselijk kennen....................................... 103

 

   Inleiding........................................................... 103

 

   Onderdeel I. Het niet-wetenschappelijk kennen.................. 104

      Hoofdstuk I. De structuur van het niet‑wetenschappelijk kennen 105

         A. De activiteit van het leren kennen......................... 105

            1. De rol van de samenhang in het analytisch leren kennen 106

               a. De contemporele samenhangen in de analytische wetskring   106

               b. De successieve samenhangen in het analytische...... 110

            2. De rol van het verticale verband in het analytisch leren kennen 114

         B. Het kenbare................................................ 116

         C. Het resultaat............................................... 117

      Hoofdstuk II. De ontwikkeling van het niet-wetenschappelijk kennen  119

 

   Onderdeel II. Het wetenschappelijk kennen...................... 128

      Hoofdstuk I. Het vakwetenschappelijk kennen................. 128

      Hoofdstuk II. Het niet‑vakwetenschappelijk wetenschappelijk kennen 130

 

Deel II. De theorie omtrent technè en techniek..................... 131

 

   Onderdeel I. De technè........................................... 131

   Onderdeel II. Technè en wetenschap............................. 133

 

Deel III. De theorie omtrent kunst en kunstwetenschap........... 134

 

   Onderdeel I. De kunst............................................ 134

   Onderdeel II. Kunst en wetenschap............................... 135

 

Literatuurverwijzing (1945).......................................... 136

 

Register op persoonsnamen........................................ 138

 

Termenregister...................................................... 139


 

 

                     Verantwoording van de redacteur

 

 

Met de verschijning van de onderhavige tekst van D.H.Th. Vollenhoven is een nieuwe stap gezet in het ontsluiten van het werk van deze protestants-christelijk filosoof .  Deze tekst, Isagoogè Philosophiae – hetgeen “Inleiding tot de filosofie” betekent[1] –, heeft een centrale plaats in het oeuvre van Vollenhoven.  De tekst is ontstaan als dictaat van Vollenhovens inleidingscolleges in de filosofie.  Maar inhoudelijk geeft hij hier de grondtrekken van zijn denken aan.  In 1930 had Vollenhoven een eerste versie van het complete dictaat afgerond en als syllabus ter beschikking gesteld aan studenten.  Zelfs tóen werd reeds gedacht aan het (ooit) uitgeven van de tekst.[2]  Maar Vollenhovens denken was beweeglijk, en hij bleef zijn tekst steeds aanpassen en uitbreiden naar gelang zijn inzichten groeiden.  Tot 1945 heeft Vollenhoven de tekst bewerkt.  Vanaf die tijd ging hij zich steeds meer toeleggen op het tot ontwikkeling brengen van de consequent probleem-historische methode van onderzoek in de geschiedenis van de filosofie.[3]  Hierdoor zag hij geen kans meer tijd vrij te maken om het dictaat voor publicatie gereed te krijgen.

Rond 1967 diende zich een tussenoplossing aan, toen het hoofd van het Filosofisch Instituut van (wat toen heette) “De Centrale Interfaculteit” van de Vrije Universiteit, wijlen dr. Bernard Zijlstra, middelen beschikbaar stelde voor een heruitgave in beheer van het Filosofisch Instituut.  Vollenhoven schreef toen het volgende voorwoord.

 

Op aandrang van meer dan één zijde verschijnt, dank zij de hulp van het Bureau der Centrale Interfaculteit aan de Vrije Universiteit, mijn Isagogie, die reeds enige jaren niet meer verkrijgbaar was, thans opnieuw.


De aangebrachte wijzigingen bleven beperkt tot correcties van technische aard.  Want mijn aanvankelijk plan, het geheel hier en daar wat bij te werken, zou in feite toch op een omwerking zijn neergekomen.  En daarvan kon geen sprake meer zijn: de tijd en de krachten die me resten meen ik beter te kunnen reserveren voor de verdere uitwerking van de consequent probleem-historische methode, wier resultaten me nog telkens verrassingen brengen.

Moge dit dictaat ook thans het doel dienen, in de titel aangegeven.

 

Ogenschijnlijk is, mede door dit voorwoord, de uitgave van 1967 te beschouwen als de door Vollenhoven goedgekeurde editie van zijn "Isagogie".[4]  Weliswaar beschouwt Vollenhoven de tekst niet meer als geheel bevredigend.  Toch zijn er, ook wanneer dit laatste buiten beschouwing wordt gelaten, zwaarwegende indicaties tegen het als definitief beschouwen van deze tekst.  Het volgende dient namelijk in rekening te worden gebracht.


De heruitgave van 1967 is nagenoeg identiek aan de (syllabus-)uitgave van 1943.  Van deze uitgave was destijds een betrekkelijk grote oplage gemaakt, die pas in het begin van de zestiger jaren op raakte.  De "correcties van technische aard" waar Vollenhoven in het voorwoord van spreekt, hebben alleen betrekking op de aanpassing van de spelling en het rechtzetten van meerdere (maar niet alle) typefouten.  Op haar beurt was de uitgave van 1943 destijds een heruitgave van de tekst van 1941.  In verband met de laatstgenoemde tekst was namelijk een verwarrende situatie ontstaan.  Van de tekst met opschrift “September 1941" waren (zo is inmiddels gebleken) vier verschillende versies in omloop gekomen.  De verschillen betreffen deels inhoudelijke wijzigingen van de tekst, deels vervanging van stencils van afzonderlijke bladzijden die in het ongerede waren geraakt (waardoor tevens nieuwe typefouten ontstonden).  Door onderzoek is de chronologische volgorde van deze vier versies van “September 1941" vast komen te staan (aan te duiden als 1941a, 1941b, 1941c en 1941d)[5].  Er was toen ook mede naar aanleiding van de versies 1941a en 1941b van “September 1941", een lijst van corrigenda opgesteld, die 219 items bevatte.[6]  Een verbeterde uitgave was dus geboden.  Voor de heruitgave van de versie van 1943 nam de eigenaar van het Theologisch en Juridisch Antiquariaat (THEJA) te Amsterdam, mevr. E.C. de Graaff-Van Veldhuyzen, de zorg op zich.  Onderzoek heeft uitgewezen dat versie 1941d – de slechtste van de vier van 1941! – model stond voor die heruitgave.  Ook werden de meeste (maar niet alle) corrigenda van de genoemde lijst erin verwerkt.

De bovengenoemde details zijn dáárom van belang omdat in het Vollenhoven-archief[7] een Isagoge-exemplaar aanwezig is van een uitgave van 1941, waarin Vollenhoven zorgvuldig correcties heeft aangebracht.  Dit exemplaar blijkt tot de versie van 1941b te behoren.  Op het titelblad veranderde Vollenhoven de datum "1941" in "1945" en plaatste tevens in de hoek rechts boven de woorden "Gecorrigeerd college-exemplaar", met daaronder zijn handtekening.  Dit exemplaar zal tevens als persoonlijk college-dictaat hebben gediend, want in de marges komen data van 1942, 1943 en 1944 voor, die blijkbaar aangeven hoever het college op de aangegeven dagen was gevorderd.[8]

De veranderingen die in dit door Vollenhoven gecorrigeerde exemplaar zijn aangebracht betreffen, naast de zaken die op de lijst van corrigenda van 1941 voorkomen, ook wijzigingen die niet in deze lijst zijn opgenomen.  Deze laatste wijzigingen zijn niet terug te vinden in de uitgave van 1943.  Dit laat zich verklaren door de aanname dat Vollenhoven, zijn gewoonte getrouw, wijzigingen bleef aanbrengen, tot dat hij zelf in 1945 het werken aan zijn tekst afsloot.  Maar de betreffende wijzigingen komen ook niet voor in de uitgave van 1967.  Dit laatste laat zich minder goed verklaren.  Men zou verwachten dat het gecorrigeerde college-exemplaar van 1945 betrokken zou zijn bij die heruitgave.  Maar, zoals gezegd, de tekst van 1967 is (nagenoeg) identiek aan die van 1943.[9]  De meest waarschijnlijke gang van zaken is als volgt.


Dr. Zijlstra zal Vollenhoven benaderd hebben met het verzoek Isagoogè Philosophiae uit te geven.  Het Filosofisch Instituut zou hierbij alle nodige assistentie verlenen.  Zijlstra zal zelf hierbij een exemplaar van de versie van 1943 hebben gehad.  Hij kon dan aangeven in welk opzicht de opzet van de tekst te verbeteren zou zijn, en ook dat een aanpassing van de spelling gewenst was alsmede een overzichtelijke inhoudsopgave, enz.  Het ziet er naar uit dat Vollenhoven in eerste instantie een poging heeft gedaan de tekst voor publicatie gereed te maken conform zijn meest gerijpte inzichten.  Er bestaat in elk geval een losbladige tekst, met een revisie van de paragrafen 7 en 8 van de Isagoge, geschreven (zo laat het zich aanzien) in het voorjaar van 1966.[10]  Het is niet zeker dat de compositie van deze tekst in rechtstreeks verband staat met de plannen voor een heruitgave van de Isagoge.  Maar het zou wel erg toevallig zijn als hier elk verband ontbrak.  Gaan we er vanuit dat Vollenhoven aanvankelijk dacht aan een bewerking van de Isagoge, dan is deze tekst een bewijs ervan.  Maar daarbij zal Vollenhoven hebben ingezien dat bijwerken feitelijk neer kwam op omwerken.  “En daarvan kon geen sprake meer zijn”, zoals hij zelf in het voorwoord stelt.  Zijlstra zal dan op de hoogte zijn gebracht van dit besluit, en Vollenhoven zal hoogstwaarschijnlijk hebben geïnsisteerd – hij was erg nauwgezet wat betreft de formulering van zijn teksten – dat wijzigingen van de bestaande tekst beperkt moesten blijven tot correcties van technische aard.  Zijlstra zal dan uitgegaan zijn van de tekst van 1943, want, los van informatie die alleen Vollenhoven kon verstrekken, kan hij niet geweten hebben van het bestaan van een meer recente tekst.

Maar Vollenhoven was zich blijkbaar ook niet (meer) bewust van het bestaan van zijn eigen gecorrigeerde college-exemplaar.  Een reden is misschien dat hij de cursus waarvoor de Isagoge het dictaat was, jaren lang niet meer had gegeven.[11]  Het kan zijn dat, indien hij zich die tekst toch herinnerde, dit voornamelijk het bijschrijven van de correcties van de bestaande lijst van corrigenda betrof, en niet de eigen wijzigingen daarnaast en daarna.  Hoe dan ook, niets wijst er op dat dit persoonlijk exemplaar van Vollenhoven een rol heeft gespeeld bij de heruitgave van het Filosofisch Instituut.

In het licht van het voorgaande zal duidelijk zijn waarom bij de vaststelling van de definitieve tekst van Isagoogè Philosophiae, uitgegaan is van het gecorrigeerde college-exemplaar van Vollenhoven zelf, en niet van de uitgave van 1967.  Vollenhovens eigen exemplaar, gedateerd 1945, bevat feitelijk de meest recente lezing van deze tekst.


De wetenschap dat Vollenhovens eigen college-exemplaar afkomstig is van versie 1941b, en dat hij deze tekst tot in elk geval 1945 gebruikt heeft, werpt licht op een aantal ongerijmdheden ten aanzien van de tekst van 1943 en dus ook van 1967.  Het blijkt namelijk dat de versie 1941c, maar vooral 1941d, eigen typefouten introduceerde, waarvan een aantal de zinsopbouw verstoort.[12]  Deze komen niet in Vollenhovens 1941b versie voor, en zijn ook niet opgenomen in de lijst van corrigenda.[13]  Vollenhoven was zich derhalve niet bewust van het bestaan van dergelijke fouten.  In elk geval viel er in zijn eigen exemplaar in dit opzicht niets te corrigeren.


Ik voeg hier nog de mededeling aan toe dat een kritische uitgave van de tekst van de Isagoge gereed is, waarin alle wijzigingen die in de jaren vanaf 1930 zijn ingevoerd in de tekst, zichtbaar zijn gemaakt.  Vanaf de eerste volledige versie in 1930 zijn er (in elk geval) elf verschillende versies geweest.  (De mogelijkheid dat een alsnog onbekende versie opduikt, is niet uit te sluiten.)  Het betreft hier versies van de jaren 1930, 1931, 1932, 1939, 1941(a, b, c en d), 1943, 1945 en 1967.[14]  De verschillen tussen deze versies zijn niet altijd even groot of belangrijk; bijvoorbeeld de versies van 1943 en 1967 kunnen als identiek worden beschouwd.   De teksten van 1930, 1932, 1939 en 1941a/b zijn in dit opzicht van speciale waarde: de eerste vormt de eerste afgeronde versie, de overige bevatten grondige wijzigingen van vroegere tekstdelen, of geheel nieuwe onderdelen.  Wie belangstelling heeft voor de ontwikkelingsgang van Vollenhovens denken, zal zich grondig willen vergewissen van deze verschillen.[15]  Maar ook krijgt het ontstaan van de “beweging voor reformatorische wijsbegeerte” meer reliëf wanneer deze ontwikkeling van Vollenhoven vergeleken wordt met die van zijn zwager, Herman Dooyeweerd.  In het voorwoord tot deze kritische en gecombineerde editie zullen de belangrijkste ontwikkelingsmomenten van Vollenhovens denken tussen 1930 en 1945 worden uiteengezet en besproken.  Hopelijk zal de gehele tekst binnen afzienbare tijd kunnen verschijnen.[16]

Terug naar de huidige tekst.  De redacteur heeft deze op diverse manieren bewerkt.  Ten eerste zijn er op een beperkt aantal plaatsen kleine toevoegingen tussen rechthoekige haakjes aangebracht in de tekst.  Deze zijn echter tot het minimum beperkt.  Ook is een fout in de becijfering van de paragrafen, die van 1941a stamt, gecorrigeerd.  (Na paragraaf 63 werd namelijk de nummering met "62" hervat, zodat de nummers van de paragrafen vanaf deze plaats feitelijk met twee eenheden achter liepen.)  Verder is de interpunctie enigszins aangepast.  Met name daar waar in Vollenhovens (royale) gebruik de dubbele punt feitelijk alleen de functie van een punt heeft, is die door een punt vervangen.  De spelling is in de huidige uitgave aangepast aan de regels van de Woordenlijst Nederlandse taal (“Het groene boekje”).

Verder is er ook consistentie aangebracht in een aantal bestaande gebruiken van Vollenhoven.  Retorische vragen zijn nu allemaal geplaatst binnen aanhalingstekens.  Waar er meer dan één opmerking in een paragraaf voorkomt, worden deze nu uniform genummerd.  Deze wijzigingen zijn stilzwijgend uitgevoerd.  Dan is de vermelding van “Grieks” of “Latijn” bij apart toegevoegde woorden uit die klassieke talen, zonder uitzondering expliciet gemaakt.  Aangezien dit de toevoeging van een woord betreft, is die tussen rechthoekige haakjes geplaatst.  Ook zijn verwijzingen naar voorafgaande of nakomende paragrafen nu allemaal gespecificeerd.  En de herkomst van citaten uit de Bijbel of andere religieuze documenten is aangegeven op de enkele plaatsen waar dit ontbrak.

Een aantal schema’s van de Isagoge is ietwat verduidelijkt.  In schema 6 en 7 zijn verticaal geplaatste woorden aangebracht, en in schema 8 is de duiding van de pijltjes als antecipaties of retrocipaties toegevoegd.  In onderdeel c van schema 8 is de tekening ietwat uitgebreider van opzet dan Vollenhoven zelf had.  Voor schema 12 werd gekozen voor de dubbele tekening die in de versies van 1930 en 1931 gebruikt werd, in plaats van de enkele tekening van de latere versies.  De overige schema’s zijn niet bewerkt.  Elk schema wordt in het tekstgedeelte waarin het voorkomt, geïntroduceerd, en dient daarom ook vanuit de tekst te worden geïnterpreteerd.


Tot slot wil ik nog op twee bijzonderheden wijzen wat betreft Vollenhovens tekst van 1945.  De eerste betreft een probleem, dat naar mijn overtuiging alleen door een vergissing van Vollenhoven zelf is veroorzaakt.  Het gaat om een door hem zelf ingevoerde wijziging in het gebruik van de termen “structuur” en “richting”.  Bij de aankondigingen van “Onderdeel I” en “Onderdeel II” in paragraaf 26 verandert Vollenhoven (twee keer) “structuur” in “structuur en richting” (en schrapt het openingswoordje “De”).  Bij de titel van Onderdeel I, die onmiddellijk op deze paragraaf volgt, wordt de verandering, zoals te verwachten is, doorgevoerd.  Maar bij Onderdeel II, dat pas bij paragraaf 95 begint, is dezelfde aanpassing in de titel achterwege gebleven.  Dit zal toch niet de bedoeling zijn geweest.  Iets dergelijks doet zich ook voor binnen Onderdeel I.  Dit onderdeel begint met de aankondiging van een nadere indeling in “Afdeling I” en “Afdeling II”.  Bij de eerste voegde Vollenhoven “(de structuur)” toe, bij de tweede “(de richting)”.  In de titel van Afdeling I, op de plaats waar deze afdeling begint namelijk boven paragraaf 28, is deze wijziging terug te vinden, maar in de titel van Afdeling II, boven paragraaf 85, ontbreekt de betreffende toevoeging.  Ook dit zal een vergissing zijn.  Tenslotte binnen Onderdeel II valt ook het een en ander te verwachten.  Voeren we de (vermoedelijk) door Vollenhoven over het hoofd geziene wijziging in de titel van Onderdeel II in, dus “Structuur en richting der rijken en der mensheid”, dan is de vraag hoe “structuur” en “richting” hier moeten blijken.  Nu heeft ook dit onderdeel een indeling in twee afdelingen.  De eerste afdeling heeft als titel: “De structuur der rijken” (boven paragraaf 96).  Deze benaming lijkt geheel geschikt voor de daar opgenomen inhoud.  De tweede afdeling heet: “De structuur der mensheid” (boven paragraaf 109).  Hier worden de samenlevingsverbanden en de religie besproken.  Aangezien richting (in de hier bedoelde zin[17]) bij Vollenhoven van betekenis is voor de religie, is een verandering van titel hier in “Structuur en richting der mensheid” geheel op z’n plaats.  Die verandering is dan ook aangebracht (tussen rechthoekige haakjes).  De noties van structuur en richting zijn in het denken van Vollenhoven te belangrijk om stilzwijgend aan het gesignaleerde probleem voorbij te gaan, of de tekst te laten zoals die is.


De tweede bijzonderheid in Vollenhovens tekst van 1945 betreft het gebruik van de term “Hoofddeel”.  In alle overige (dus voorafgaande) versies van Isagoogè Philosophiae komt, tussen de paragrafen 4 en 5, de indelingstitel voor: “Hoofddeel I.  Het voorlopige positieve resultaat”.  Vollenhoven heeft dit in zijn eigen exemplaar verwijderd.  De betekenis van die titel wordt in paragraaf 4 aangegeven.  Vollenhoven maakt daar een onderscheid in de aard van “het voorlopig resultaat” van zijn besprekingen, namelijk van positief en negatief.  Het voorlopige positieve resultaat is de aaneengesloten bespreking van de wijsgerige vraagstukken, die nu de gehele inhoud, inclusief het aanhangsel, van de tekst vormt.  Het voorlopige negatieve resultaat, dat tot en met 1941a als “Hoofddeel II” wordt aangekondigd, betreft een systematische duiding van “wijsgerige grondmotieven” (dat wil zeggen: wijsgerige grondthema’s) die volgens Vollenhoven niet stroken met een Bijbels-verantwoord denken, maar die wel historische alternatieven vormen.  De tekst van dit Hoofddeel II is (tot nog toe) alleen teruggevonden in de Isagoge van 1932.  Deze tekst is grotendeels identiek –  enkele wijzigingen daargelaten – aan die van “Deel I, Hoofdstuk III: De grondmotieven der onschriftuurlijke wijsbegeerte” in Vollenhovens Het Calvinisme en de Reformatie van de Wijsbegeerte (Amsterdam: Paris, 1933).  De versies van de Isagoge van 1933-1939 verwijzen, voor het tweede Hoofddeel van de Isagoge, maar dit hoofdstuk van Het Calvinisme....[18]  Dus vanaf 1933 maakt de tekst van Hoofddeel II geen separaat deel meer uit van de Isagoge, en na 1941a rept Vollenhoven niet meer van onderscheiden hoofddelen in paragraaf 4, alhoewel de indelingstitel “Hoofddeel I.  Het voorlopige positieve resultaat” tussen paragrafen 4 en 5 gehandhaafd blijft, tot dat hij ook dit in zijn eigen exemplaar van 1945 schrapt.[19]  Het vóórkomen van “Hoofddeel” op overige plaatsen in de tekst (zie bijvoorbeeld paragrafen 6 en 141), is waarschijnlijk over het hoofd gezien.

Veel dank ben ik verschuldigd aan dr. John H. Kok van Dordt College, Sioux Center, Iowa, die mij een tekst van de Isagoge van 1967 op computer-diskette leverde, wat mij een aanzienlijke hoeveelheid werk bespaarde.  Drs. Pete Boonstra en de heer Erik Barten hebben mij onmisbare hulp verleend door de schema’s computer-technisch op te zetten.  Eerstgenoemde en dr. K.A. Bril hebben mij gesteund en aangemoedigd gedurende de uitvoering van dit project.  Aan allen mijn hartelijke dank.

Tenslotte, de auteursrechten van Isagoogè Philosophiae liggen thans bij de D.H.Th. Vollenhoven-stichting.  Ik ben de Stichting erkentelijk voor de toestemming de tekst openbaar te maken.

 

 

 

Amsterdam/Bovenkarspel                                 Anthony Tol

November 2002

 


 

 

 

                           Isagoogè Philosophiae

 

 

                               Woord vooraf.

 

Eerst een enkel woord over naam, doel en methode van dit college en over de indeling van dit dictaat.

 

1. Naam.

 

Deze bestaat uit twee delen.  Het eerste is "isagoogè"; als bepaling is daaraan toegevoegd "philosophiae".  Bij de betekenis van elk dezer woorden (A en B) en bij die van hun verbinding (C) staan we even stil.

 

A. "Isagoogè" is de Nederlandse transcriptie (weergave van een vreemd woord in het schrift van een andere taal) van het Griekse eisagoogè.  Dit woord is samengesteld uit eis – naar binnen – en agoogè van agein – het voeren –.  Isagoogè betekent dus inleiding.

 

B. "Philosophiae" is een verbogen vorm van philosophia.  Dit woord is eveneens samengesteld.  De bestanddelen zijn philos – bevriend – en sophia – wijsheid –.  Filosofie betekent dus liefde tot wijsheid.

Nu is deze omschrijving reeds oud: mag men de traditie geloven, dan stamt zij zelfs van Pythagoras, een Grieks wijsgeer uit de 6e eeuw voor Christus.  Bij hem was ze echter met een ernstige misvatting verbonden.  Pythagoras moet namelijk hebben gezegd, dat hij, wijl mens, niet, gelijk de goden, wijsheid bezat, maar naar wijsheid streefde, wat onderstelt, dat menselijk denken naar het bezit van goddelijke wijsheid kan staan.  Om deze misvatting af te snijden is het goed reeds dadelijk op te merken, dat we bij de omschrijving van "filosofie" als "liefde tot wijsheid" uitsluitend met voor mensen bereikbare, dus met menselijke wijsheid te doen hebben.

Wat nu de verhouding van de term "filosofie" tot deze menselijke wijsheid betreft, dient te worden opgemerkt, dat, al moge genoemd woord allereerst dit menselijke streven aanduiden, het toch ook iets anders betekent, namelijk het samenstel van oordelen, welke uitdrukken de kennis welke men bij dit streven verkreeg.  Filosofie betekent dus zowel een daad als een resultaat.

 

C. "Isagoogè philosophiae" betekent dus:

1e inleiding tot filosoferen, en

2e inleiding tot het verstaan van het daarbij door anderen verkregen resultaat.


Isagogie is dus steeds, in welke zin men deze term ook gebruikt, een inleiding, dat wil zeggen een helpende werkzaamheid; dus niet een boek of een dictaat, al noemen we die laatste ook wel eens kortweg met dezelfde naam.  Zo'n dictaat moet er dan ook niet "ingezet", maar dient te worden gebruikt.  De volzinnen duiden namelijk gedachten aan, die bedoelen de lezer te leren de kwesties op verschillend gebied wijsgerig aan te pakken.

 

2. Doel.

 

Bij een inleiding als werkzaamheid onderscheidt men naast de in te leiden en de inleidende persoon ook datgene, waarin laatstgenoemde de ander binnenleidt.  Men denkt daarbij aan een gebouw.  Met dit laatste beeld hebben we echter voorzichtig te zijn: voeren we het te ver door, dan verliezen we immers uit het oog de eerste betekenis van het woord filosofie, namelijk filosoferen, en zien nog slechts de tweede, namelijk die van resultaat. 

Nu heeft ook een inleiding tot de wijsbegeerte in de tweede betekenis van deze term ongetwijfeld goede zin.  Met name geldt dit wanneer men zich op de hoogte heeft te stellen van de vele resultaten bij tal van wijsgeren, in de vorige eeuwen aan te treffen: een goede bestudering van de geschiedenis der filosofie is zonder zulk een inleiding als later in de Conspectus Historiae ["Overzicht van de geschiedenis"] volgt, kortweg niet mogelijk.  En ook een inleiding tot het werk van tijdgenoten kan nodig zijn.  Zo wanneer het door een of andere denker gevondene voor een bepaald milieu moeilijkheden oplevert.  In die geest schreef Dr. A. Drews een inleiding op de wijsbegeerte van Ed. von Hartmann (1902), Dr. H.A. van Andel een op het werk van Dr. H. Bavinck en Dr. W. Reyer een op de gedachtegang van E. Husserl en diens school (1926).  De auteur van zulk een inleiding meent meestal, dat z'n leermeester verschillende vraagstukken goed heeft gezien.  Toch blijft ook zulk een inleiding rechtstreeks slechts toeleiding tot gedachten en boeken van een ander en eerst indirect tot de problemen, namelijk voorzover ze door een ander zijn gezien en opgelost.

Waarop het zo in het ene als in het andere geval aankomt, is dit: "Heeft de besprokene de moeilijkheden genoegzaam gezien en heeft hij de problemen juist gesteld?"  En deze vragen kan men niet beantwoorden zonder in te gaan op de stand van zaken, over welke ook de besproken denker, als 't goed is, heeft gedacht.

Dat ingaan op de stand van zaken dient daarom bij een inleiding met wijsgerig karakter voor te zitten.  Met andere woorden: wanneer men bij enig onderzoek niet tot helderheid kan komen, moge de eerste vraag al zijn: "Wat zei deze of die er over?" — het antwoord op deze vraag mag nooit het laatste zijn: het door een ander gezegde kan immers verder helpen, maar het kan ook achteruit zetten.  Het laatste geschiedt bijvoorbeeld wanneer hij enkele moeilijkheden, die we zelf wel ontwaarden, niet zag en wij ze nu voortaan ook ter zijde laten.  Steeds dient dus na lezing van een wetenschappelijk werk – althans door wie wetenschappelijk wil bezig zijn – gevraagd te worden: "Is het door de auteur beweerde wel juist, dat wil zeggen klopt het met de stand van zaken?"  En alleen indien men meent te weten, dat deze vraag bevestigend mag [worden] beantwoord, kan men rustig aan het schrijven gaan, ook al zal dit bevestigend antwoord lang niet door allen worden overgenomen.  Zo gaf [J.G.] Walch een inleiding in de filosofie (1727) – hier gememoreerd, wijl ze in de tijd na de Renaissance wel de oudste is onder die naam – van zuiver rationalistisch standpunt.  Hij meende dat de stellingen van hem en zijn geestverwanten, de rationalisten, steunden op de stand van zaken.


Een derde groep van inleidingen wordt gedragen door de gedachte, dat de vraagstukken met welke de wijsbegeerte zich bezighoudt, tot nog toe – geheel of ten dele – verkeerd werden gesteld.  Zulke inleiders beginnen vaak met negaties, dat wil zeggen met afwijzing van anderer theorieën, of verwerken die tenminste in de uiteenzetting van wat ze menen gevonden te hebben.  Zo doen bij de ouderen bijvoorbeeld [J.G.] Fichte (1797 en 1801) en [J.F.] Herbart (1813), bij de nieuweren de Fransman Charles Renouvier (1895), onze landgenoten J.P.N. Land (1889, 21900) en J.G. Wattjes (1926), de Duitsers Fr. Paulsen (1892, 39-401924), O. Külpe (1895, 121929), Erich Becher (1926), Wilhelm Wundt (1901, 81920) en W. Windelband (1914, 31923), de Engelsen G.S. Fullerton (1906) en B. Russell (1912, 31918), en de Belg L. de Raeymaker (1938, 21944).  Uit hun werken* – met grote voorzichtigheid te gebruiken, daar ze geen van allen op schriftuurlijk standpunt staan – komen we dus niet slechts te weten wat deze schrijvers positief beweren, maar ook wat ze bestrijden.

 

Opm.  Het soms hoge nummer der herdrukken toont aan, hoe groot de behoefte aan inleiding is — een behoefte tegenwoordig ook uitkomend in het roepen om "eenheid in stijl" bij academische vorming.

 

Ook deze auteurs gaan, voorzover hun standpunt dat toelaat, op de zaken zelf in.  En ieder die dat doet, kan, voorzover hij dat doet met inachtneming van de grenzen der wijsbegeerte, en dus voorzover hij goed filosofeert, ons helpen.

 

* Noot redacteur.  Voor de titels van de bedoelde werken, zie de literatuurverwijzing aan het einde van dit dictaat.

 

3. Methode.

 

A. Deze dient allereerst thetisch te zijn.  Het gaat er namelijk om, te leren de moeilijkheden voor welke het denken komt te staan, aan te pakken vanuit eigen standpunt.

 

Opm. 1.  Dit thetische kan nooit worden vervangen door historicale uiteenzettingen: historie der wijsbegeerte is immers iets anders dan wijsbegeerte.  Derhalve is ook de wetenschap omtrent deze historie (historica) iets anders dan inleiding. 

Verbinding van beide methoden, nog onlangs door F. Heinemann (1929) beproefd, bevordert de duidelijkheid niet en is dus niet aan te bevelen.

 


B. In de tweede plaats behoort de methode echter ook kritisch te zijn.  Wie filosofeert mag niet doen alsof voorgangers en tijdgenoten wijsgerige belangstelling misten.  Hij heeft, integendeel, ernstig kennis te nemen van hun uiteenzettingen.  Wat hij echter evenmin mag, is: zweren bij de woorden van een menselijke meester of heil zoeken in een geknutsel, waarbij hij, uitsluitend om mannen van gezag te ontzien, aan elk van hen iets ontleent.  Steeds heeft hij zich af te vragen: "Zagen ze de moeilijkheden voldoende en stelden ze het probleem wel juist?"  En diezelfde vraag heeft hij ook, en zelfs herhaaldelijk, te stellen aan het door hem zelf verkregen resultaat.  Die nieuwe overweging van oude antwoorden en vragen zal kunnen voeren tot tweeërlei resultaat: de bestudeerde oplossing voldoet of ze voldoet niet, hetzij omdat zij verkeerd antwoordt op een juist gestelde vraag, hetzij ook wijl ze uitging van een verkeerde probleemstelling.

Kritiek sluit niet noodzakelijk in, dat het nog eens rustig te overwegen antwoord reeds vroeger onvoldoende werd bevonden; kritisch onderzoek kan evengoed eindigen in een hartelijke aanbeveling van een door anderen verkregen of een handhaven van eigen, door tegenstanders aangevochten stelling.  "Kritiek" is dus allerminst hetzelfde als "negatie".  Wel kàn kritiek leiden tot een negatief resultaat.  Doch ook zo'n negatief resultaat heeft grote waarde: het vasthouden van gedachten die telkens weer in conflict komen met de hoofdlijnen van een systeem, ondermijnt immers de kracht ervan en verhindert goede vragen te stellen en nieuwe resultaten te bereiken.

 

C. Het thetische en kritische in de methode staan niet los naast elkaar.  Vandaar, dat hier nog een enkel woord dient gezegd over beider verhouding.  Ze is mijns inziens deze: elke kritische werkzaamheid sluit in, dat men een stelling inneemt.  't Kan best zijn, dat deze positie later onhoudbaar blijkt, maar dat wil toch alleen zeggen, dat men z'n positie enigszins heeft gewijzigd: men heeft zich iets teruggetrokken of heeft een stelling ingenomen, die men vroeger meende te moeten bestrijden.  Maar hoe dit ook zij, alle kritiek onderstelt, zal ze haar naam waard zijn, dat men bepaalde gedachten meent te kunnen handhaven.

 

Opm. 2.  Vergeet men dit, dan rest in het uiterste geval dat men slechts onderstellenderwijs een standpunt inneemt: men aanvaardt het ene ogenblik de gedachten van P en kritiseert met behulp van deze die van Q, om zich het volgende ogenblik de positie van Q eigen te maken en de gedachten van P te onderzoeken.  Indien dit hypothetisch redeneren echter het enige is wat men hier doet, leidt het tot niets anders dan tot wijsgerig nihilisme.

Meestal gaat men niet zover.  Ook dan geeft men zich niet steeds voldoende rekenschap van eigen standpunt.  Dit leidt er dan weer toe, dat men een bepaalde probleemstelling als juist aanvaardt, doch zowel de negatieve als de positieve beantwoording onvoldoende acht, en ze derhalve combineert, anderen waarschuwend voor de eenzijdigheid van elk der twee partijen afzonderlijk.  Zulk een combinatie moet echter, indien de vraag werkelijk kan [worden] toegespitst op een "ja of neen", [worden] verworpen.  Want hebben beide partijen gelijk – in 't andere geval is er van combinatie geen sprake –, dan is de probleemstelling onjuist en dient ze door een andere vervangen en niet door een combinatie bemanteld [te worden].

Een nog minder gewenst verschijnsel is het eclecticisme, dat meestal niet eens tot het al of niet juist gestelde probleem doordringt, maar enkele gedachten, hier en daar opgestoken, bijvalt, zonder zelfs te onderzoeken of ze elkaar wel verdragen.

 

Handhavend het houdbare van eigen positie, kritisch onderzoekend het resultaat niet alleen door anderer, maar ook door eigen denken vroeger bereikt, consequenties aandurvend — zo komt men al worstelend verder, en behaalt een dubbele winst: 'n versterkte positie en een beslister afwijzing van wat daarmee strijdt.

 

 

 


4. Indeling.

 

Deze volgt de onderscheiding in 't voorlopig resultaat, dus van positief en negatief.

Daarbij dient het positieve voorop te gaan.  Anders dreigt immers het waarlijk niet denkbeeldige gevaar, dat men nimmer met de negatie klaar komt.  En de voorstander van de afgewezen mening heeft er recht op te weten, wat de achtergrond is van de kritiek, die tot deze afwijzing leidde.

Men kan nu eerst één bepaalde kwestie aan de orde stellen en deze positief en negatief afhandelen, vervolgens overgaan tot een tweede probleem, enzovoorts.  Deze werkwijze stuit echter op dit bezwaar, dat men, om de verscheidenheid in vraagstelling en beantwoording te belichten, bij ieder probleem de richtingen behoort te schetsen, die deze vraag aansneden, dus noodzakelijk in doen van herhalingen valt.  Derhalve verdient het reeds uit overwegingen van tijdsbesparing voorkeur het positieve resultaat aaneengesloten te geven.

Daarmee is natuurlijk niet gezegd, dat het impliciet afgewezene wel kan worden verwaarloosd: het dient, in tegendeel, nauwkeurig te worden weergegeven, opdat men ook anderer opvattingen en terminologie kent en verstaat.  Een en ander kan echter beter niet hier, maar in het overzicht van de geschiedenis der wijsbegeerte plaats vinden, waarin immers doch de verschillende richtingen in het kader om haar grondgedachten en in de lijst van haar tijd dienen te worden getekend.

Op deze gronden doet de Isagogie het beste zich te beperken tot de aaneengesloten uiteenzetting van eigen positief resultaat.  Een enkele negatieve opmerking beoogt dan ook uitsluitend de portee van het in de tekst bedoelde te verhelderen.

 

 


 

    Inleiding.  De plaats van de wijsbegeerte in de kosmos en haar taak.

 

 

5. Een prealabele kwestie.

 

Meestal is men reeds lang wijsgerig bezig, voordat men stilstaat bij de vraag naar de plaats der wijsbegeerte in de kosmos en naar haar taak.  Wie echter anderen helpen wil, zal zeker zelf over dit punt licht dienen te hebben.  Doch ook indien dit het geval is, staat hij voor een moeilijke beslissing.  Moet zijn opvatting omtrent taak en plaats der wijsbegeerte bij de hulp, die hij anderen tracht te bieden, voorop gaan, of doet hij beter voorlopig daarover te zwijgen?  Voor het laatste pleit, dat de nauwkeurige bepaling van die plaats en de volledige omschrijving van deze taak steeds het gebruik vergt van onderscheidingen, die in verband staan met geheel de conceptie en wier strekking eerst ten volle duidelijk wordt na tal van uiteenzettingen.  Aan de andere zijde: menige mislukking en teleurstelling op wijsgerig gebied is juist dááraan te wijten, dat men verzuimde deze prealabele kwestie onder de ogen te zien, en dus is tijdig waarschuwen plicht.

Vandaar, dat ik, hoewel gaarne de genoemde bezwaren tegen de vooropstelling erkennend, toch deze kwestie reeds hier, zij het ook slechts kort, aan de orde stel.

 

6. De aard dezer kwestie.

 

De reeds aangeduide onderscheidingen, die men in een inleiding niet kan ontberen, behoren voor het grootste deel tot de theorie omtrent het kennen.  Nu geloof ik, dat men de portee van de meeste dezer onderscheidingen eerst aan het eind helder kan vatten.  Vandaar, dat ik ze hier slechts gebruik, en wel zo duidelijk mogelijk, doch voor nadere toelichting verwijs naar het Aanhangsel van dit Hoofddeel.

 

7. Wijsgerig bezig zijn is meer dan denken.

 

Bekend is, hoe Descartes z'n wijsgerig systeem trachtte op te bouwen op de stelling: Cogito, ergo sum, "Ik denk, dus ben ik".

Nu ga 'k, om geheel verschillende zaken niet tegelijk te behandelen, hier nog niet op het tweede deel van deze stelling in.  En nog minder wil 'k op het ogenblik de vraag opwerpen, of geheel het gedachten-experiment, waarop deze bewering heet te berusten, met andere woorden de poging het denken los te maken van z'n grondslag en van z'n verleden, wel mogelijk is.  'k Stel hier alleen déze kwestie aan de orde, of, gesteld dat de redenering van Descartes juist ware, "denken" (cogitare) de goede term is voor wijsgerig-bezig-zijn.  Met andere woorden, ik vraag slechts dit: "Is `filosoferen' inderdaad hetzelfde als `denken'?"


Bij het zoeken van het antwoord op deze vraag overwegen we, dat het woord "filosofie" twee betekenissen heeft, namelijk streven naar en bezitten van wijsgerige kennis, en dus in beide heenduidt naar kennen.  Nu duidt het woord "kennen" in de hier bedoelde betekenis iets aan, waarvan op de een of andere wijze "denken" wel een bestanddeel is, maar niet het geheel uitmaakt.

Vandaar dat het antwoord op de gestelde vraag ontkennend moet luiden.  Met andere woorden: wijsgerig bezig zijn en wijsgerig kennen is meer dan denken.

 

8. Kennen en zijn.

 

Letten we thans op het tweede lid in de stelling van Descartes, met andere woorden op zijn "dus ben ik" (ergo sum).  Is dit "dus" (ergo) te handhaven, indien men – in overeenstemming met de vorige paragraaf – het "ik denk" vervangt door "ik ken" (cogito door cognovi)?

Om hier te beslissen dient men natuurlijk eerst te weten, wat dit "dus" voor Descartes betekende.  Met andere woorden: de kwestie die hier rijst is in de eerste plaats een van historische interpretatie.

Sommigen nu menen, dat "dus" hier een verband van identiteit zou aanduiden.  Dit kan echter niet juist zijn.  Descartes stelt immers zijn en denken niet ident: naast het denken kent hij nog de uitgebreidheid.  Derhalve is zijns inziens het denken slechts een onderdeel van het zijn.

Nu bedoelt Descartes dit, rationalistisch, in déze zin, dat het denken de kern is van het zijn, een opvatting die we uiteraard verwerpen, gelijk trouwens ook de gememoreerde indeling van het zijn.

Maar niet rationalistisch, doch juíst is zijn subsumptie van het denken en kennen onder het zijn; het heeft namelijk goede zin van een niet-denkend en van een niet-kennend zijn te spreken: er zijn immers heel wat dingen – denk slechts aan stoffen, planten en dieren – die wel zijn, maar niet kennen.

We vinden dus:

a. negatief, dat kennen niet ident is met zijn;

b. positief, dat kennen een onderdeel is van het zijn.

 

Opm.  Onjuist zijn dus stellingen als deze: "Kennen is parallel met of afbeelden van het zijn"; "Kennen is overeenstemming van denken en zijn"; "Kennen gaat aan zijn vooraf en constitueert dit".

 

9. Niet alle kennen is wijsgerig kennen.

 

Rest nog de vraag, of alle kennen wijsgerig kennen is.  Ook indien we ons strikt beperken tot datgene wat we hier beslist nodig hebben, is het niet moeilijk aan te tonen, dat men onder "kennen" – en ook onder het correlaat van kennen, dus "kennis" – niet steeds hetzelfde verstaat.

Het inzicht waarmee de zakenman z'n firma dient, is namelijk wel het resultaat van meer dan denken, namelijk van kennen, doch de praktijk bewijst, dat deze kennis aanwezig kan zijn – en ook vaak is – terwijl de betrokkene geen wetenschappelijke kennis bezit.  We hebben dus allereerst nodig niet- en wèl-wetenschappelijk kennen te onderscheiden.  En wijsgerig kennen ressorteert niet onder het eerste.


Derhalve is nu de vraag aan de orde of de taal terecht wetenschappelijk en wijsgerig kennen onderscheidt.  Allereerst rijst de vraag: "Zijn beide ident?"; met andere woorden, "Mag ik zeggen: `Alle wetenschappelijk kennen is wijsgerig van aard'?"  Dat gaat zeker niet op: tal van mannen en vrouwen beoefenen met grote bekwaamheid de vakwetenschappen zonder daarbij veel belangstelling voor wijsgerige vragen aan de dag te leggen.  Reeds dat is voldoende om binnen de wetenschap weer vakwetenschap en wijsbegeerte te onderscheiden.

Samenvattend vind ik dus het volgende.  Wijsgerig kennen is niet ident met wetenschappelijk kennen, doch ressorteert als niet-vakwetenschappelijk kennen, met het kennen der vakwetenschap, onder het wetenschappelijk kennen.