>> home >> agenda >> Vollenhoven

VOLLENHOVEN ALS SYSTEMATICUS

door drs. A. Tol

Het populaire beeld dat van de twee zwagers en christen-denkers Herman Dooyeweerd en Dirk Vollenhoven bestaat, is dat eerstgenoemde de systematicus, de tweede de historicus binnen de richting van de reformatorische filosofie was. Dit beeld, alhoewel niet geheel onjuist, is toch vertekenend. Dooyeweerd heeft vaak over verschillende periodes van de filosofie geschreven, niet in de laatste plaats over de Griekse filosofie tot en met Plato. Vollenhoven, die inderdaad altijd een grote interesse voor de geschiedenis toonde, heeft in de loop der tijd een "probleemhistorische methode" ontwikkeld, die hij sinds ca. 1945 toepaste in zijn historisch onderzoek. Deze methode heeft echter een sterk systematische inslag, die in het gebruik een vergaande vertrouwdheid met systematisch-wijsgerige problemen veronderstelt.
In dit artikel wil ik het niet specifiek over de systematiek van de probleem-historische methode hebben, maar over het algemeen systematisch denken van Vollenhoven. Dit heeft een aantal boeiende en verrassende kanten. Wie de vroegere en de latere werken van Vollenhoven natrekt, vooral zijn latere artikelen en lezingen, ontdekt dat Vollenhoven in systematisch opzicht zijn denken is blijven vernieuwen.

De vroegere systematische geschriften

Vollenhoven heeft het zijn toehoorders en lezers nooit gemakkelijk gemaakt hem te volgen. Niet met opzet, uiteraard! Hij heeft zich als niemand anders ingezet wijsgerige belangstelling op te wekken onder geloofsgenoten en geestverwanten. Maar hij simplificeerde nooit, om van populariseren maar te zwijgen. Wel hield hij rekening met de verwachte aanwezige kennis bij zijn gehoor of lezer. Bij minder kennis stelde hij meer uiteen. Maar hij was nooit reducerend. Dat was voor hem niet uitvoerbaar, want het ging niet samen met de grondovertuiging van zijn denken. Omdat de werkelijkheid Gods schepping is, herbergt het een onuitputtelijke diversiteit, die gerespecteerd en erkend dient te worden. Tegelijkertijd mag men verwachten dat deze veelheid, als schepping Gods, niet zonder een orde is. Steeds moet aan beide recht gedaan worden: details zonder ordening geven geen inzicht, maar ordening die details negeert of misplaatst geeft een vertekend beeld. In zijn schrijven werd steeds aan beide gedacht. Dit resulteerde in een eigen stijl: doordachte, afgewogen en compacte formuleringen met een rijke inhoud, die vaak meer zeggen dan bij de eerste kennismaking blijkt. De lezer die of het geheel of een detail niet goed oppakt kan makkelijk verdwalen. Een Vollenhoven-tekst is altijd studiemateriaal.
Ik wil twee voorbeelden geven die het voorgaande op een inhoudelijk-wijsgerige maniet illustreren.
Het eerste voorbeeld ontleen ik aan Vollenhovens eerste hoofdwerk van zijn reformatorisch denken, nl. Het Calvinisme en de Reformatie van de Wijsbegeerte, uit 1933, met name het eerste, systematische deel. Hier wordt in het eerste hoofdstuk de vraag behandeld wat "calvinisme" is. Uit de bespreking komt naar voren dat het Vollenhoven vooral om de erkenning van de Schrift als het Woord van God gaat. Vervolgens wordt naar de inhoud van de Schrift gevraagd. Deze vraag wordt beantwoord in drie stellingen. De eerste gaat over de bijbelse openbaring van God die soeverein is over het geschapene en daarvan steeds onderscheiden wordt; de tweede gaat over religie in de context van het verbond, en de derde over de toestand na de zondeval. Deze drie stellingen vormen vervolgens het raamwerk waarbinnen de "grondmotieven - d.w.z. grond-thema's - van de schriftuurlijke wijsbegeerte" worden aangegeven en besproken. In deze bespreking komen de meeste basisbegrippen van Vollenhovens denken naar voren, zoals: wet als grens, kosmische terreinen, modaliteiten, subjects- en objects-functies, de leer van de samenhangen en analogieën, het religieus bepaalde hart, zonde en genade, enz. Steeds moeten de details gezien worden in het kader van het religieuze raamwerk, anders mist men de zin van de bespreking van de systematische begrippen.
Het tweede voorbeeld ontleen ik aan de Isagogie (het woord betekent: inleiding), Vollenhovens dictaat in de systematische wijsbegeerte, de laatste editie (van 1943/1967). De Isagogie is anders van opzet dan Het Calvinisme. Alhoewel ook in de Isagogie sprake is van "het geheel", is de "hoofdweg" van de bespreking niet van "het geheel" naar de delen, zoals in Het Calvinisme, maar juist andersom. Vollenhoven begint hier bij de details. Hij gaat uit van twee niet nader te analyseren bepaaldheden, die bepaaldheden van verschillen zijn. Deze bepaaldheden zijn betrokken op resp. de ontische en de ontologische dimensie van de werkelijkheid. De eerste duidt het verschil aan tussen individuele dingen (getallen, figuren, anorganische dingen, planten, dieren en mensen); de tweede duidt de modale verschillen van de genoemde dingen aan, zoals bijvoorbeeld het fysisch zijn van alle dingen, het psychisch zijn van dier en mens, het economisch zijn, ethisch zijn, enz. van alleen de mens. Later integreert Vollenhoven nog een derde bepaaldheid, de genetische. Deze betreft het verschil dat optreedt vanwege de wording en ontplooiing van de dingen, planten, dieren en mensen. De verscheidenheid kan niet op; toch is er nergens een gebrek aan orde of bepaling.
Aansluitend bij de twee genoemde werken van Vollenhoven kan zijn systematische onderneming verder aangegeven worden. De details van de werkelijkheid, die iedereen vanuit zijn dagelijkse ervaring kan meemaken, worden door Vollenhoven, zoals gezegd, door bepalingen van verschillen aangegeven. Deze bepalingen zijn zelf "dimensies" of "momenten" van het "geheel". Wat verstaat Vollenhoven onder "het geheel"? Het geheel is hier het geschapene in al zijn mogelijkheden, inclusief verleden en toekomst; het is de samenhangende werkelijkheid die de mens kan ervaren en kennen, en waartoe alle schepselen, en ook de mens, geheel behoren.
De systematische wijsbegeerte is er uiteindelijk op uit dit geheel en zijn structuren te kennen. Maar hier bevindt de systematicus zich op een tweesprong. Enerzijds zal hij vanuit zijn onderscheidend denken iets van een ordening trachten te onderkennen, door met name te letten op hoe de verschijnselen "in elkaar passen". Er zijn namelijk in het geschapene ook relaties of verbanden, die een wetmatigheid vertonen. De studie van dergelijke verbanden kan helpen het systematisch zicht op het geheel te verscherpen. Anderzijds, omdat de mens zelf tot dit geheel behoort, kan hij niet doen alsof hij er los van staat en het zonder eigen deelname kan meemaken. Juist hier heeft de christen-wijsgeer een zeer belangrijke taak. De christen zal nooit zeggen dat de werkelijkheid als schepping een doel op zich is, waar de mens dan buiten staat. De Schrift maakt duidelijk dat de mens een taak heeft. De mens is geroepen deel te nemen aan de taak de schepping tot haar door God bedoelde bestemming te helpen brengen. Het menselijk leven en de geschiedenis kunnen niet los gezien van deze taak en van de verantwoordelijkheid die deze ten opzichte van de mens meebrengt. Daarom, als de systematicus iets over het geheel zegt, dan kan dit niet neutraal zijn. Iets van een religieuze bepaling van leven speelt hier in mee, die tevens van betekenis is voor de "kijk" op de details. Met andere woorden, de systematicus kan niet zonder een oriënteringskader, dat aan de eigen denkwerkzaamheid richting geeft. Vollenhoven houdt hier expliciet rekening mee. Hij formuleerde een dergelijk orienteringskader in de drie stellingen, die ik eerder noemde. Vervolgens pleegde hij deze formulering in te korten tot drie termen: God, wet en kosmos.

De wet als grens

Ongetwijfeld is Vollenhovens meest karakteristieke systematisehe opvatting die de wet als grens tussen God en wereld (of kosmos). Dit doortrekt zijn hele denken. Wat echter niet vaak opgemerkt wordt, is dat Vollenhoven aan de trits "God-wet-kosmos" door de jaren heen verschillende wijsgerige interpretaties gaf, met name in verband met de wetsgedachte. In Het Calvinisme wordt de wet als grens religieus aangeduid als de "bevelen van God", die van kracht zijn omdat God trouw blijft aan zijn Woord. In de latere edities van de Isagogie wordt de wet aangeduid in een andere terminologie. De wet heeft een eigen zijnswijze van "gelden" en is in die gedaante kenbaar, alhoewel niet buiten het licht van de Schrift om. God schept de wereld en stelt de wereld zijn wet. In Vollenhovens eigen denken betekende deze wetsopvatting een belangrijke herformulering van zijn oriëntatie op "het geheel" van zijn visie. Dit blijkt uit het volgende.
De religieuze strekking van de grensgedachte wordt niet door de herformulering opgeheven, maar eerder verdiept en verduidelijkt. In Het Calvinisme is er sprake van een enkele correlatie tussen God en wereld. De wet markeert het verschil tussen beide. In de herformulering is er sprake van een dubbele correlatie tussen God en wereld, nl. die (van voorheen) tussen God als Schepper en het geschapene, en die tussen "God-als-wetsteller" en "wereld met-gestelde-wet'. Vollenhoven wilde hiermee aangeven dat de wereld als geschapen werkelijkheid onderscheiden blijft van God - de wereld of de kosmos is zelf niet goddelijk (dus ook niet zelfverklarend) -, maar tevens - en dat is de strekking van de tweede correlatie - dat de bepalingen waaraan het geschapene onderworpen is een oproep behelzen die beantwoording vergt, met name door de mens. Hier ligt ook het "meerdere" van de mens ten opzichte van de overige schepselen. De mens heeft een religieus hart, van waaruit hij de typisch menselijke functies ten goede of ten kwade, afhankelijk van zijn respons op de eis van de wet, kan inzetten. Het blijft echter gaan om een wetsorde, waaraan zowel de mens als de overige schepselen onderworpen zijn. Vollenhoven wilde geen "twee rijken-leer": een natuur die gedetermineerd is, en een gebied waarin de mens zich ongebonden al of niet om normen bekommert. De schepping, als Gods werk, kent geen fundamentele kloof. Vollenhoven stelde dat alle modale bepalingen als wetten scherp onderscheiden dienen te worden van het functionele dat daaraan onderworpen is. Ook het hart behoort tot de geschapen natuur van de mens en is daarom aan de wet onderworpen. Alleen in verband met de typisch menselijke functies zijn de wetten normen, die, ten goede of ten kwade - afhankelijk van de religieuze gezindheid van het hart -, door de mens gepositiveerd worden. Dit houdt niets vrijblijvends in voor de mens. Alle typisch menselijke handelingen hebben een bepaling, hetzij een logische, of een sociale, of een economische, enz. Wat hierbij vanuit het hart bepaald wordt, is de gerichtheid van de handelingen.
Deze herinterpretatie van "het geheel" heeft ook gevolgen voor het verstaan van de details. Vollenhoven maakt nu een "eenheid-veelheid"-onderscheid, zowel in de wet als in het aan de wet onderworpene. De eenheid van de wet is gelegen in het bijbelse liefdegebod, dat specifiek tot de mens als hart gericht is. De mens bepaalt vanuit zijn hart - Vollenhoven sprak van "prefunctioneel" - hoe het leven in al zijn vele facetten en handelingen, al of niet aan Gods bedoeling, beantwoordt. Zo is "eenheid" hier een eenheid van gerichtheid die zich toont in de hogere, typisch menselijke diversiteit van het funtionele leven. Ook blijven hier de modaal-functionele wetten van kracht. De liefdewet is de "hoofdsom" van de gehele modale wetsorde. De en het aan de wet onderworpene zijn dus correlaat, maar zij vallen nergens samen. Daarom is er in Vollenhovens wetsgedachte geen ruimte voor een blind determinisme. Anderzijds, juist vanuit het verschil tussen de wetsorde en het geschapen leven is er de ruimte voor een appel uit liefde het goede te betrachten, zoals door God bedoeld. Dit bepaalt het leven in zijn concreet-historisch karakter.
Dit scherpe onderscheid tussen wet (of wetsorde) en het subjecte hebben geestverwanten niet altijd opgepakt. Men was geneigd "wet" te interpreteren, zoals Dooyeweerd doet, als "het universele", waar wetenschappelijke kennis op gericht is. Maar in Vollenhovens visie maakt het universele deel uit van de geschapen werkelijkheid zelf. De functionele verbanden tussen schepselen hebben een universeel karakter. Omdat zij functioneel zijn, kunnen zij onderzocht worden naar hun regelmaat en onregelmaat. Maar dit blijft onderscheiden van de wet in eigenlijke zin. De wet is bepalend voor het functioneren van de werkelijkheid en geldt dus ook voor deze verbanden. Deze grondgedachte blijkt verrassend actueel te zijn. In het kader van hedendaagse spel- en chaos-theorieen wordt van "wetten" gesproken die de verscheidenheid - ook wel "toeval" genoemd - bepalen. Ook in het zgn. "differentie-denken" binnen het postmodernisme is een zelfde soort onderscheid aanwezig. Vollenhoven echter bracht dit steeds in verband met de Schrift. Pas in het beantwoorden aan de schriftuurlijke liefdewet komt het functionele leven tot zijn recht, conform functionele bepalingen.

De latere systematische geschriften

Eind 1952 kwam er weer een wijziging in de interpretatie van de "God-wet-kosmos"-visie. De eenheid van de wet is toch enigszins problematisch gebleven. De liefdewet komt feitelijk alleen in de hogere, typisch menselijke functie tot uitdrukking, terwijl het toch richting-gevend behoort te zijn voor het gehele leven. Het is typerend voor Vollenhoven als denker dat hij de problemen niet uit de weg ging. In referaten, artikelen en colleges verduidelijkt hij zijn nieuwe interpretatie. Deze herinterpretatie heeft nog weinig aandacht gekregen.
In de nieuwe interpretatie blijft de dubbele correlatie, inherent aan de termen-trits "God-wet-kosmos", gehandhaafd. Er is een geschapen werkelijkheid en een daarvoor geldende wet. Maar nu gaat Vollenhoven van "wet" spreken in drieërlei zin. Er is een "wet in de Schepping", die het aanzijn van de werkelijkheid bepaalt. Deze wet bepaalt niet alleen (zoals voorheen) de modaal-functionele bestaanswijzen van schepselen, maar ook (dit is hier nieuw) het individuele ontstaan, de wording en de ontwikkeling van schepselen in het kader van de rijken. Dan is er een "wet in de Woordopenbaring". in deze wet gaat het om de Goddelijke norm, de Goddelijke bedoeling met het leven, die Christus, in aansluiting op het Oude Testament, formuleerde als het liefdegehod (Mk. 12:29-30). Er is ook een "wet in de Geestesleiding", die vooral van betekenis is in verband met de twee eerdergenoemde wetten. Omdat die twee nu duidelijk onderscheiden zijn, is het voor Vollenhoven niet meer voldoende om de liefdewet te beschouwen als "hoofdsom" van de structuurwet. De verhouding tussen de eerste wet, ook wel het ontstaansbevel genoemd, en het liefdegebod ziet hij gelegen in de mens die een brug tussen beide slaat, daarbij bepaald door een geesteshouding. Vollenhoven verstaat onder "brug slaan": de wetgevende of levensbepalende handelingen van de mens, die, in de concrete situatie waarin hij zich bevindt, beheerst wordt door de wet in de schepping, nadere regelingen instelt, ten goede of ten kwade al naar gelang zijn houding tegenover de eis van de liefde. Dergelijke regelingen blijven echter secundaire wetten ten opzichte van de twee eerdere, die de primaire wetten zijn. Deze wetgeving blijft mensenwerk. Ook de betrokkenheid op de feitelijke, en dus veranderlijke situatie houdt in dat gepositiveerde wetten allerminst onveranderlijk zijn, Ondanks deze "secundaire" status is positivering toch belangrijk in Vollenhovens visie.
De consequenties van Vollenhovens nieuwe interpretatie zijn verstrekkend. Ik noem er enkele. In de eerste plaats wordt de geschiedenis nog meer nadrukkelijk dan voorheen mede op het geheel van de werkelijkheid betrokken. De eenheid van de wet ligt deels in God, in Wie alle wetten, dan wel het gezag in verband met de positivering van wetten, gegrond zijn. Maar gezien vanuit het aan de wet onderworpene, vergt de eenheid van de wet historische positivering. Pas in het "bruggen slaan" tussen de structuurwet en de liefdewet wordt iets van de eenheid van de wet zichtbaar. De eenheid van de wet staat niet los van het leven dat, door zijn gebrokenheid, eenheid behoeft.
Een tweede consequentie betreft de reikwijdte van de tijd, die nu veel geprononceerder is geworden dan voorheen. De structuurwet maakt nu deel uit van het ontstaansbevel dat de wording van de dingen in al hun functioneren impliceert. De tijd is daardoor aanwezig in al het functioneren. Maar hij is niet beperkt tot de functies. De tijd blijkt uit de veranderingen van de dingen, als gehelen, en uit het ontstaan en vergaan. Dingen, planten, dieren en mensen trekken "levenslijnen" door de tijd. Vollenhoven spreekt in dit verband van "de ontvouwing van een plan". Maar hij bedoelt dit niet deterministisch, want ook hier blijven wet en het onderworpene onderscheiden. Ook blijkt de zin van de geopenbaarde liefdewet pas in de tijd van de (heils)geschiedenis. Er zijn fasen in de religie, die gefundeerd zijn in openbaringen. Niet dat God in zijn openbaring onderworpen is aan de tijd, maar Hij gaat met de geschiedenis mee. De positieve wetten tenslotte, zijn duidelijk zelf geheel in de tijd. Zij worden ingesteld op een moment wanneer een regeling nodig is, maar zij dienen ook te verdwijnen wanneer de situatie er niet meer om vraagt. Wetten die ooit goed waren maar uit de tijd raken zijn bij handhaving hinderlijk of zelfs schadelijk.
De gelding van de wet is niet iets in zichzelf. De wet geldt krachtens goddelijke wetgeving. Vandaar dat de gelding van de wet volgens Vollenhoven gewaarborgd wordt door de trouw van God. De mens wordt opgeroepen in dit opzicht op God te lijken. In de concrete context die bepaald, maar niet gedetermineerd is door het ontstaansbevel, heeft de mens de opdracht het concrete leven nader in te richten. Wanneer op verantwoorde wijze hieraan gevolg gegeven wordt, volgens de norm van de liefde, dan kan men spreken van de bevordering van het door God bedoelde, goede leven. In vertrouwen op God moet de mens betrouwbaarheid tonen door zich in te zetten voor een leefbare wereld.

Schriftuurlijk denken

Vollenhoven heeft als systematisch denker de vele details van de werkelijkheid, zoals deze door het denken aan te treffen en te onderseheiden zijn, steeds recht willen doen in termen van zijn interpretatie van "het geheel". Zijn standpunt ten opzichte van "het geheel" formuleert hij in termen van de trits: God-wet-kosmos, wat vervolgens een orienteringskader is voor zijn denken. Maar wordt dit standpunt niet opgelegd? En hoe verhoudt dit denken zich tot niet Schriftuurlijk denken? Kan Vollenhoven zijn keuze van standpunt ten overstaan van anderen verdedigen?
Laten we beginnen met te zeggen hoe volgens Vollenhoven een standpunt met niet te verkrijgen is. Het heeft geen zin, een standpunt te zoeken redenerend vanuit onszelf, onze wereld, of onze ervanng. Hier ligt geen vastheid voor een terugverbinding. Niet vanuit onszelf, want de menselijke functies hebben steeds sturing nodig om iets zinvols te kunnen verrichten. Niet vanuit de wereld, want, alhoewel hier wel sprake is van eigenschappen, verhoudingen en analogieen, die in hoge mate universeel zijn, tonen deze hun kwaliteit van universaliteit in de verbinding met de individuele dingen alleen in termen van een nadere bepaling, en hebben daarom in zichzelf geen gelding. Ook vanuit de eigen ervaringskennis is geen vastheid, want het kennen van de mens bevat geen onfeilbare (apriorische) inzichten om kennis te garanderen. Denken is voor Vollenhoven fundamenteel context gebonden. Denken moet het hebben van geschapen mogelijkheden; zijn verrichtingen moeten door liefde geleid worden.
Toch is dit niet alles. Juist die context-gebondenheid maakt duidelijk dat denken niet "in zichzelf' is. Aan denken gaat een leven vooraf, leven waar we allen deel aan hebben. Dat houdt een weg in, een weg die zinvol kan zijn afhankelijk van onze oriëntatie in het leven. Deze "behoefte aan oriëntatie" doortrekt volgens Vollenhoven alle leven en denken. De mens is oriëntatie-zoekende, want de mens wil geloof aan iets kunnen hechten en vastheid vinden.
De bron die levens-oriënterend is, is volgens Vollenhoven de Heilige Schrift. In deze bron wordt een weg openbaar. Hier is sprake van een Goddelijke bedoeling met het leven, dat door God geschapen is, door God verlossend onderhouden, en naar een bestemming wordt geleid. Vanuit deze bron kan de mens een wijsheid opdoen die door geen wijsbegeerte te vervangen is. Vollenhoven ziet een levensgroot verschil tussen God van de Schrift en het wijsgerig spreken van een "hoogste zijn" of een "heersend begin".
Vollenhoven heeft in zijn eigen denken steeds "rekening willen houden" met de Schrift. Deze formulering is rekbaar, maar het is bewust zo bedoeld. De Schrift mag nooit de filosoof werk uit handen nemen! Wie in de Schrift bruikbare wijsgerige stellingen meent te ontdekken, eigent zich op ontoelaatbare wijze de Schrift toe. Een dergelijke "synthese" past op de Sehrift een eigen interpretatie-kader toe. De eigen verworven "wijsheid" gaat dan prevaleren boven de geopenbaarde. De theologie vormt hierop geen uitzondering wanneer deze zich over de Schrift ontfermt. Openbaring moet wel door mensen ter harte genomen worden, en ze nodigt ook uit tot studie en bezinning. Maar zij is zelf niet van die ontvangst afhankelijk. Hoe is de verhouding tussen Schrift en filosofie volgens Vollenhoven te verstaan?
Het ligt in de aard van de filosofie om naar eerste beginselen (van de kennis), laatste gronden (van het bestaan), en diepste bedoelingen (van de mens) te zoeken. Dit "thetisch" denken vindt vaak op reductionistische wijze plaats. Want men is op zoek naar de "bepalings-sleutel" (de term is niet van Vollenhoven) van het bestaan. Alle "ismen" binnen de wijsbegeerte sluiten deze zoektocht te vroeg af, wat resulteert in concepties met onderling onverenigbare karakteristieken, zoals monistisch of dualistisch, universalistisch of individualistisch, biologistisch of logicistisch, economistisch enz. Iets in de werkelijkheid wordt op een zodanige wijze verstaan dat dit al het overige de wet voorschrijft. Dit is niet te verzoenen met de gedachte dat alles binnen onze ervaring aan bepalingen onderworpen is, en dus dat niets binnen de werkelijkheid als werkelijkheidbepalend kan worden verstaan. De bijbelse wijsheid ondersteunt dit en werpt hier licht op. De Schrift gaat verder en daagt het denken uit de drang naar eigen bedachte ordening, met alle slachtoffers die het maakt in termen van miskenningen, te verantwoorden. Zo is er bij Vollenhoven een anti-thetische verhouding tussen de Schrift en de autonome wijsbegeerte. De Schrift laat een "neen" horen ten opzichte van alle denken dat thematisch het onderworpen-zijn van de werkelijkheid schendt.
Vollenhoven erkent uiteraard dat veel filosofie zich niet door de Schrift laat gezeggen. Daar is op Vollenhovens standpunt wel tegenin te gaan, maar op een gepaste manier. De weg van het tegenargument reikt niet verder dan de immanente kritiek. Dit moet echter niet onderschat worden, want de miskenningen van een reductionisme moeten aan te wijzen zijn. Maar het grote werk ligt in de verduidelijking van de oriëntatiekaders die men achtereenvolgens uitgeprobeerd heeft en vervolgens verlaten, en in de historische aanduiding van de vele misvattende "-ismen" die in de wijsbegeerte diep geworteld liggen en steeds als mogelijkheden blijken voort te leven. De systematische kritiek moet rekening houden met de geschiedenis van de wijsbegeerte. De misvattingen zijn als thema's aan te geven: monisme, dualisme, universalisme, enz., in "typische" constellaties. Door gebrek aan een aanvaard oriëntatiekader tracht de autonome filosofie hieraan zelf te voldoen. In aansluiting op een "typische" constellatie, waarin een orde van de kosmos voorgesteld wordt, wordt iets als het bepalende gesteld: ideeën, hogere vorm, redevermogen, enz., waarvan men verwacht dat het doeltreffend aan het bestaan richting kan geven. Door de historische perioden heen zijn heel wat oriëntatiekaders opgebouwd en afgebroken. Maar wie erkent dat dergelijke thema's problemen zijn, die, historisch gezien, allerminst bijgedragen hebben tot de bestendiging van een eenduidige oriëntatie, ziet dat de "wijsheid" van de autonome wijsgcrige traditie - hoe ook verder ingevuld en hoezeer die ook studie verdient - de schriftuurlijke wijsheid niet kan vervangen. Hier ligt de grondovertuiging van Vollenhovens "probleem-historische methode".
Vollenhovens systematisch denken, dat rijk aan inhoud is, is altijd in ontwikkeling gebleven. Hij zocht niet in de wijsbegeerte de grond voor zijn uitgangspunt. Zijn "standpunt" lag buiten de wijsbegeerte. Maar juist daarom kon hij tot steeds dieper-dringende wijsgerige interpretaties komen van dat wat de werkelijkheid bepaalt en, naar zijn besef, die de werkelijkheid meer tot haar recht laten komen. Zijn schriftuurlijk denken hield zijn denken in beweging. Zijn wijsgerig denken kan daarom van grote steun zijn voor wie, zich oriënterend aan de Schrift, aan eenzijdige concepties en geconstrueerde oriëntatiekaders geen boodschap hebben.

Dit artikel is gepubliceerd in het tijdschrift Beweging, 5, 1992. Beweging verschijnt vier maal per jaar. Een abonnement kost euro 18,15 per jaar (eerste jaar halve prijs!).

Voor een abonnement:
Email SRW